Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5695

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
21-004228-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:4203, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft een 27-jarige man uit Soest veroordeeld tot een gevangenisstraf van zes jaren en betaling van schadevergoeding aan één van de slachtoffers wegens een poging tot het plegen van een woningoverval, een woningoverval en diefstal. Verwerping van het beroep op voortgezette handeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004228-16

Uitspraak d.d.: 6 juli 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden‑Nederland van 25 juli 2016 met parketnummer 16-659481-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1989] ,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2017 en – overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering – het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

De advocaat‑generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde onder 1, 3 en 4 en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De verdachte dient ter zake van het tenlastegelegde onder 2 niet‑ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep, nu hij van dat feit in eerste aanleg is vrijgesproken en het openbaar ministerie geen hoger beroep heeft ingesteld. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gevorderd te beslissen conform de beslissing in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. N. van Schaik, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 juli 2016 – waartegen het hoger beroep is gericht – de verdachte ter zake van het tenlastegelegde onder 1, 3 en 4 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. De verdachte is ter zake van het tenlastegelegde onder 2 vrijgesproken. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 5.125,42 met inbegrip van wettelijke rente vanaf 8 april 2016 en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het in eerste aanleg onder 2 tenlastegelegde feit, kan de verdachte hierin niet worden ontvangen. Hoger beroep ingesteld door de verdachte tegen een gegeven vrijspraak is niet mogelijk. De verdachte zal daarom in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft beslist en zal het vonnis bevestigen behalve voor zover het de strafoplegging en de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft. Ten aanzien van dit onderdeel van het vonnis komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voorts aanvullen voor zover het de door de verdediging in hoger beroep gevoerde verweren betreft die in eerste aanleg niet aan de orde zijn geweest. Het vonnis wordt met aanvulling van die gronden bevestigd.

De strafbaarheid van het feit

Kwalificatieverweer

De raadsman heeft zich – met verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 20 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:1113) – op het standpunt gesteld dat het bewezenverklaarde onder 4 en het bewezenverklaarde onder 3 moeten worden gezien als één voortgezette handeling, hetgeen verdisconteerd dient te worden in de aan de verdachte op te leggen straf. Volgens de raadsman is sprake van één, initieel, wilsbesluit, zodat de bewezenverklaarde feiten onder 3 en 4 op zodanige wijze samenhangen dat de verdachte feitelijk maar één verwijt kan worden gemaakt, gelet ook op (de tekst van) de tenlastelegging.

Verwerping van het kwalificatieverweer

Het hof verwerpt het verweer van de raadsman dat de bewezenverklaarde feiten 3 – waarbij onder meer een bankpas is weggenomen – en 4 – diefstal van geld door middel van diezelfde bankpas – moeten worden gezien als één voortgezette handeling. Voor het aannemen van een voortgezette handeling komt het er op neer dat de bewezenverklaarde elkaar in tijd opvolgende gedragingen, ook met betrekking tot het wilsbesluit zo nauw met elkaar samenhangen dat daarvan in wezen een verwijt kan worden gemaakt. Naar het oordeel van het hof kan op basis van de bewezenverklaarde gang van zaken, verdachte heeft aangegeven dat er een tip was dat er een kluis met geld zou zijn, uiteindelijk worden bij de diefstal meerdere goederen waaronder een bankpas weggenomen waarna wordt besloten te proberen geld te pinnen niet worden staande gehouden dat aan beide feiten slechts één ongeoorloofd wilsbesluit ten grondslag lag. Gelet daarop en in aanmerking genomen de mate waarin de strekkingen van artikel 311 en artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht uiteenlopen en het gegeven dat bij de woningoverval meer goederen dan alleen een bankpas zijn weggenomen, kunnen beide feiten naar het oordeel van het hof niet als één voortgezette handeling worden beschouwd

Oplegging van straf en/of maatregel

Strafmaatverweer

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat aan de verdachte mede gelet op de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting – voor (een poging tot) een woningoverval met licht geweld dan wel bedreiging met geweld – een kortere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan de gevangenisstraf van zeven jaren die door de rechtbank is opgelegd. Voorts dient naar het inzicht van de raadsman in het voordeel van de verdachte te worden meegewogen dat hij een bekennende verklaring heeft afgelegd, hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen (hetgeen onder meer volgt uit het slachtoffer‑dadergesprek dat hij op eigen initiatief is aangegaan), hij spijt heeft betuigd en hij geen relevante justitiële documentatie heeft. De raadsman heeft aangevoerd dat een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk, passend is. Op die manier blijft de verdachte gemotiveerd, wordt de resocialisatie zo snel mogelijk in gang gezet en kan de reclassering met de verdachte aan de slag gaan.

Oordeel van het hof

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van de verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof neemt de hierna te noemen deel van de overwegingen van de rechtbank over en maakt die tot de hare. De rechtbank heeft het volgende overwogen.

‘De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot een woningoverval en een voltooide woningoverval. Beide aangeefsters zijn bedreigd met een wapen, waarna ze zijn vastgebonden en vervolgens gedwongen werden om op de grond te gaan liggen. Bij één van de aangeefsters werden vervolgens de rolluiken van de woning dichtgedaan. Aangeefster wisten toen zij bedreigd werden niet dat het wapen geen echt vuurwapen was en hebben doodsangsten uitgestaan.

De verdachte en zijn mededader hebben de overval in Soest goed voorbereid, hetgeen blijkt uit de voorverkenning, het feit dat één van hen zich voordeed als pakjesbezorger en dat zij hun gezichten (deels) hadden bedekt.

Dat de woningoverval in Soest bij een poging is gebleven is niet aan de verdachte en zijn mededader te danken, maar aan de omstandigheid dat aangeefster de straat op is gevlucht, waarna zij door één van de verdachten hardhandig tegen de grond is gewerkt. Zij heeft hieraan letsel aan haar gezicht, een gebroken brug in de mond en gekneusde ribben overhouden. Hoewel het hier juridisch gezien om een poging tot gewapende woningoverval gaat, is de fysieke en emotionele impact van dit feit voor aangeefster en haar omgeving niet minder dan wanneer het feit wel voltooid was geweest.

Ook de impact van de overval voor de aangeefster woonachtig in Bosch en Duin is aanzienlijk geweest. Met name omdat zij geruime tijd in haar woning samen is geweest met de verdachte die haar onder bedreiging de codes van haar bankpassen afhandig maakte.

Beide aangeefsters, respectievelijk 55 en 75 jaar oud, woonden alleen en waren daardoor kwetsbaar. Zij hebben gedurende lange tijd gevoelens van angst en onveiligheid gekend De verdachte en zijn mededader hebben zich op geen enkele wijze rekenschap gegeven van de gevolgen van hun handelen en hebben puur voor eigen financieel gewin en zonder enig respect voor de woning en de lichamelijke integriteit van aangeefsters gehandeld. Voorts dragen de gepleegde feiten ook in bredere zin bij aan de gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Het voorafgaande rekent de rechtbank de verdachte zeer zwaar aan.’

Het hof overweegt daartoe aanvullend als volgt.

In het voordeel van de verdachte weegt mee dat hij blijkens zijn uittreksel justitiële documentatie d.d. 24 mei 2017 niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Voorts weegt in het voordeel van de verdachte mee dat hij op enig moment bij de politie openheid van zaken heeft gegeven en hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen, mede door op eigen initiatief een slachtoffer-dadersgesprek aan te gaan met één van de aangeefsters. Ook binnen de detentieomgeving waarin de verdachte tot op heden verblijft, tracht hij er alles aan te doen om zijn leven weer zo goed mogelijk op de rails te krijgen. De verdachte is in detentie aan de slag gegaan door zijn studie op te pakken en deel te nemen aan gesprekken met (geestelijk) begeleiders. Het overgrote deel van deze positieve ontwikkelingen heeft zich voorgedaan nadat de verdachte door de rechtbank is veroordeeld. De wijze waarop de verdachte zich ter zitting heeft getoond en de wijze waarop hij zijn verantwoordelijkheid heeft genomen geven er blijk van dat hij inzicht heeft in het foute van zijn handelen en koste wat kost herhaling wil voorkomen.

Het hof heeft bij het bepalen van de aan de verdachte op te leggen straf naast bovenstaande de landelijke oriëntatiepunten voor de straftoemeting en de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd in aanmerking genomen. Gelet op de grove wijze waarop de verdachte in een relatief korte tijdspanne de bewezenverklaarde feiten heeft gepleegd, kan met geen andere straf worden volstaat dan een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Anders dan de raadsman acht het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, die niet meer dan vier jaren zou kunnen bedragen, gezien de ernst van de feiten niet passend.

Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder bovenstaande in aanmerking genomen en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de duur van zes jaren leiden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt – exclusief € 25,20 welk bedrag, blijkens het voegingsformulier, is gevorderd als vergoeding voor proceskosten – € 5.100,25. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering is in hoger beroep gehandhaafd.

De raadsman van de verdachte heeft aangegeven zich te refereren aan het oordeel van het hof met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij. De raadsman heeft aangegeven dat een schadevergoedingsmaatregel niet kan worden opgelegd voor vergoeding van door een benadeelde partij gemaakte proceskosten.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof overweegt met betrekking tot de vordering verder als volgt. Abusievelijk heeft de rechtbank de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van proceskosten toegewezen als onderdeel van de materiële schadevergoeding en in zoverre voor ook dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel toegepast. Het hof zal deze proceskosten wel toewijzen, maar – aangezien het geen schade betreft die het rechtstreeks is van het bewezenverklaarde – conform de wettelijke voorschriften deze kosten niet meenemen in het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel.

Voorts heeft de rechtbank de wettelijke rente aangaande het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade toegewezen vanaf de dag van het plegen van het feit. Het hof acht dit niet in lijn met de wettelijke voorschriften voor zover de vordering ziet op de tandartskosten en de reiskosten, die alle na de pleegdatum zijn gemaakt. Het hof zal de wettelijke rente laten ingaan op de dag van het ontstaan van die schade: voor de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vergoeding voor tandartskosten zal worden aangeknoopt bij de datum van de factuur en voor de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vergoeding van reiskosten bij het midden van de periode waarin deze reiskosten zijn gemaakt, nu het gaat om meerdere data waarop is gereisd.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover in hoger beroep aan de orde, ten aanzien van de strafoplegging en de vordering van de benadeelde partij en doet in zoverre opnieuw recht.

Bevestigt het vonnis waarvan beroep voor het overige, met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 5.100,25 (vijfduizend honderd euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 660,25 (zeshonderdzestig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade en € 4.440,00 (vierduizend vierhonderdveertig euro) als vergoeding voor immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 29,95 met ingang van 8 april 2016;

- over een bedrag van € 40,86 met ingang van 28 april 2016;

- over een bedrag van € 589,44 met ingang van 14 mei 2016;

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

25,20 (vijfentwintig euro en twintig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 5.100,25 (vijfduizend honderd euro en vijfentwintig cent) bestaande uit

€ 660,25 (zeshonderdzestig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade en € 4.440,00 (vierduizend vierhonderdveertig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 29,95 met ingang van 8 april 2016;

- over een bedrag van € 40,86 met ingang van 28 april 2016;

- over een bedrag van € 589,44 met ingang van 14 mei 2016,

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. C.M.E. Lagarde, voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. N.C. van Lookeren Campagne, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,

en op 6 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 juli 2017.

Tegenwoordig:

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. E.C.A.M. Langenhorst, advocaat-generaal,

mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.