Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5692

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-07-2017
Datum publicatie
06-07-2017
Zaaknummer
21-004368-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2016:4195, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, heeft een 31-jarige man uit Baarn veroordeeld tot een gevangenisstraf van 42 maanden en betaling van schadevergoeding aan het slachtoffer wegens een poging tot het plegen van een woningoverval.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004368-16

Uitspraak d.d.: 6 juli 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Midden‑Nederland van 25 juli 2016 met parketnummer 16-705859-16 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1986] ,

thans verblijvende in [detentieadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 22 juni 2017 en – overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering – het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat‑generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van de tijd die hij in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] en het beslag heeft de advocaat-generaal gevorderd te beslissen conform de beslissing in eerste aanleg. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman,

mr. M.G. Vos, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De rechtbank heeft bij vonnis van 25 juli 2016, waartegen het hoger beroep is gericht, de verdachte ter zake van het tenlastegelegde – kort gezegd: een poging tot woningoverval – veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht. Voorts heeft de rechtbank de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 5.125,42, met inbegrip van de wettelijke rente vanaf 8 april 2016 en toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste wijze heeft beslist en zal het vonnis bevestigen, behalve voor zover het de beslissing op de vordering van de benadeelde partij betreft. Ten aanzien van dit onderdeel komt het hof tot een andere beslissing dan de rechtbank. In zoverre zal het vonnis dan ook worden vernietigd.

Het hof zal wat betreft de bewezenverklaring het vonnis van de rechtbank bevestigen met aanvulling van de hierna te vermelden gronden.

Aanvullende bewijsmiddelen

Het hof voegt de volgende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, ontleend aan na te melden bewijsmiddelen, toe aan het vonnis van de rechtbank.1

Medeverdachte [medeverdachte] heeft voordat hij door de politie werd aangehouden (en aldus voordat hij tegenover de rechters in eerste aanleg een voor de verdachte belastende verklaring heeft afgelegd) aan een collega van hem van [bedrijf] in Soest – [getuige 1] – verteld dat hij samen met de verdachte en een derde persoon die op de uitkijk stond een overval heeft gepleegd op [adres] [het hof: in Soest] op die vrijdag ervoor [het hof: 8 april 2016]. Voorts heeft medeverdachte [medeverdachte] aan die collega verteld dat ze met een Zalando‑doos voor de deur stonden, dat zij aangebeld hadden bij de woning en dat, toen de bewoonster de deur opendeed, er een pistool op haar gericht werd. 2

Voorts heeft de moeder van medeverdachte [medeverdachte] verklaard dat op 10 april 2016 – een dag na de aanhouding van haar zoon – er een jongen bij haar aan de deur kwam, die zei dat hij [voornaam verdachte] heette en zei dat hij naar medeverdachte [medeverdachte] op zoek was. Een dag daarna – op 11 april 2016 – is deze jongen genaamd [voornaam verdachte] nogmaals bij haar aan de deur geweest en vroeg hij opnieuw naar medeverdachte [medeverdachte] . 3

De telefoon van medeverdachte [medeverdachte] is in beslag genomen en onderzocht. Tactisch onderzoek heeft uitgewezen dat er WhattsApp‑gesprekken zijn die dateren van 7 en 8 april 2016 met als inhoud ‘een afspraak op de parkeerplaats om 19.45 uur’ op 8 april 2016. Het gaat hierbij om gesprekken tussen enerzijds het nummer dat op naam staat van de verdachte en anderzijds het nummer dat op naam staat van medeverdachte [medeverdachte] . 4

Op internet is door de politie een mediabericht geplaatst over de woningoverval op [adres] met als doel reuring te creëren. Gebleken is dat het nummer dat op naam staat van de verdachte op 17 april 2016 een website heeft bezocht en het desbetreffende artikel heeft geopend. In het artikel staat vermeld dat er voor de woningoverval op 8 april 2016 te Soest een tweede verdachte in beeld is gekomen bij de politie. 5

Aanvullende bewijsoverweging

Ter zitting van het hof heeft verdachte voor het eerst aangegeven dat hij op de avond van de overval op bezoek zou zijn geweest bij ene " [naam] ", zonder nader aan te duiden op welke tijdstippen hij daar dan die avond zou zijn geweest, en zonder nadere gegevens te verstrekken omtrent deze persoon. Voorts is van de zijde van de verdediging evenmin verzocht deze persoon als getuige te doen horen. Gelet op het hiervoor vermelde is van het hof van oordeel dat voor zover met het aangevoerde al bedoeld zou zijn om alsnog een alibi aan te geven, het hof dit niet geloofwaardig acht mede bezien in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen.

Verzoek van de raadsman

Voorwaardelijk verzoek

De raadsman heeft, indien het hof meent dat de verdachte betrokken is geweest bij de woningoverval, verzocht om aan de hand van de telefoongegevens van de verdachte te laten onderzoeken, dan wel door middel van de door de telefoon van de verdachte aangestraalde zendmasten in kaart te brengen, waar de verdachte is geweest ten tijde van de woningoverval op de avond van 8 april 2016. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat dat onderzoek noodzakelijk is, omdat de verdachte ten stelligste ontkent betrokken te zijn geweest bij de woningoverval.

Beoordeling van het verzoek

Het hof wijst het verzoek af en overweegt daartoe als volgt. De raadsman van de verdachte heeft in de voorfase van het hoger beroep het hof al verzocht bedoeld onderzoek te laten verrichten. Dit verzoek is destijds op voorhand vooralsnog niet toegewezen door het hof. In dat kader is voorafgaand aan die beslissing de advocaat-generaal gevraagd om diens standpunt in dezen te bepalen. Blijkens een e-mailbericht van de advocaat-generaal is aan de rechercheur die het proces-verbaal van bevindingen telecom [medeverdachte] en [verdachte] d.d. 23 mei 2016 heeft opgemaakt gevraagd of hij thans nog aan de hand van de telefoongegevens van de verdachte de gevraagde analyse zou kunnen maken. Deze vraag is negatief beantwoord, in zoverre dat de verwijderde WhatsApp‑berichten niet meer ‘terug te halen zijn’.

Naar het oordeel van het hof moet daarom worden aangenomen dat om technische redenen niet meer kan worden overgegaan tot het verrichten van nader onderzoek naar telefoongegevens en in het bijzonder WhatsApp‑berichten uit de telefoon van de verdachte. Voor zover het verzoek betrekking heeft op het laten verrichten van onderzoek naar het aanstralen van zendmasten door de telefoon van de verdachte, is het hof van oordeel dat ook dat deel van het verzoek dient te worden afgewezen, nu in het licht van de door de raadsman aangedragen onderbouwing en het overige dat ter zitting is aangevoerd, de noodzaak daartoe ontbreekt.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt – exclusief € 25,20 welk bedrag, blijkens het voegingsformulier, is gevorderd als vergoeding voor proceskosten – € 5.100,25. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De vordering is in hoger beroep gehandhaafd.

De raadsman van de verdachte heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering niet‑ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Het hof overweegt met betrekking tot de vordering verder als volgt. Abusievelijk heeft de rechtbank de door de benadeelde partij gevorderde vergoeding van proceskosten toegewezen als onderdeel van de materiële schadevergoeding en in zoverre voor ook dat bedrag de schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Het hof zal deze proceskosten wel toewijzen, maar – aangezien het geen schade betreft die het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde – conform de wettelijke voorschriften deze kosten niet meenemen in het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel.

Voorts heeft de rechtbank de wettelijke rente aangaande het deel van de vordering dat ziet op de materiële schade toegewezen vanaf de dag van het plegen van het feit. Het hof acht dit niet in lijn met de wettelijke voorschriften voor zover de vordering ziet op de tandartskosten en de reiskosten, die alle na de pleegdatum zijn gemaakt. Het hof zal de wettelijke rente laten ingaan op de dag van het ontstaan van die schade: voor de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vergoeding voor tandartskosten zal worden aangeknoopt bij de datum van de factuur en voor de ingangsdatum van de wettelijke rente over de vergoeding van reiskosten bij het midden van de periode waarin deze reiskosten zijn gemaakt, nu het gaat om meerdere data waarop is gereisd.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

BESLISSING

Het hof:

Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.100,25 (vijfduizend honderd euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 660,25 (zeshonderdzestig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade en € 4.440,00 (vierduizend vierhonderdveertig euro) als vergoeding voor immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 29,95 met ingang van 8 april 2016;

- over een bedrag van € 40,86 met ingang van 28 april 2016;

- over een bedrag van € 589,44 met ingang van 14 mei 2016;

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op

€ 25,20 (vijfentwintig euro en twintig cent).

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer] , ter zake van het bewezen verklaarde een bedrag te betalen van

€ 5.100,25 (vijfduizend honderd euro en vijfentwintig cent) bestaande uit € 660,25 (zeshonderdzestig euro en vijfentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade en € 4.440,00 (vierduizend vierhonderdveertig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 60 (zestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente

- over een bedrag van € 29,95 met ingang van 8 april 2016;

- over een bedrag van € 40,86 met ingang van 28 april 2016;

- over een bedrag van € 589,44 met ingang van 14 mei 2016;

telkens tot aan de dag van de algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 april 2016 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. C.M.E. Lagarde, voorzitter,

mr. G. Mintjes en mr. N.C. van Lookeren Campagne, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. F.A.A.M. van der Veen, griffier,

en op 6 juli 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 6 juli 2017.

Tegenwoordig:

mr. J.A.W. Lensing, voorzitter,

mr. E.C.A.M. Langenhorst, advocaat-generaal,

mr. J.P. Fuchs-van Dis, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.

1 Voor zover niet anders is vermeld, wordt in de hierna te noemen voetnoten telkens verwezen naar de bewijsmiddelen die zich bevinden in het aan de zaak ten grondslag liggende proces-verbaal, genummerd […] , gedateerd op 23 mei 2016, opgemaakt door [verbalisant] , brigadier van politie, volgens de in dat dossier toegepaste nummering. Tenzij anders vermeld, gaat het daarbij om processen-verbaal, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde en bestemde opsporingsambtenaren.

2 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] d.d. 16 april 2016 (pag. 203-205).

3 Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 2] d.d. 19 april 2016 (pag. 217-218).

4 De processen-verbaal van uitlezen & de processen-verbaal van bevindingen telecom (pag. 229‑248).

5 Het proces-verbaal van aanvraag en vordering opnemen van telecommunicatie d.d. 18 april 2016 (pag. 360-362).