Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5669

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
200.213.354/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding tot ontruiming.

Verhuurder heeft met het overleggen van verschillende verklaringen en rapportages voorshands voldoende aangetoond dat sprake is van het duurzaam en structureel veroorzaken van overlast door huurder aan omwonenden.

Voorshands zeer aannemelijk dat die overlast in een bodemprocedure zal resulteren in een ontbinding van de huurovereenkomst. Weliswaar heeft huurder een groot belang bij het behoud van zijn woonruimte, maar in dit geval dienen de belangen van de omwonenden zwaarder te wegen. Verhuurder heeft ook voldoende spoedeisend belang bij zijn vordering tot ontruiming.

Volgt bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter waarin de ontruiming is toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.213.354

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 5685973 CV EXPL 17-1005)

arrest in kort geding van 4 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. J.J. Achterveld , kantoorhoudend te Leeuwarden,

tegen

de stichting

Stichting Elkien,

gevestigd te Leeuwarden,

geïntimeerde,
in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Elkien,

advocaat: mr. W.E. A. Stegeman, kantoorhoudend te Groningen.

Bij tussenarrest van 2 mei 2017 heeft het hof uitspraak gedaan in het incident tot schorsing tenuitvoerlegging.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding verwijst het hof naar het hiervoor genoemde tussenarrest. Daarna hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.2

De vordering van [appellant] in hoger beroep strekt tot vernietiging van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden (hierna te noemen: de kantonrechter) van 22 maart 2017, met afwijzing van de oorspronkelijke vorderingen van Elkien en veroordeling van Elkien in de proceskosten.

1.3

Elkien heeft bij memorie van antwoord nog een aantal producties overgelegd. Nu [appellant] niet op die producties heeft gereageerd en daartoe ook niet uitdrukkelijk op de rol daartoe in de gelegenheid is gesteld, heeft het hof die producties niet in zijn beoordeling betrokken. Zoals zal blijken uit hetgeen hierna wordt overwogen is Elkien daardoor verder niet in haar belangen geschaad.
2. De vaststaande feiten

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.1

[appellant] huurt sinds 1 januari 2006 van Elkien de woning op het adres

[adres] (hierna: de woning).

2.2

Op de tussen partijen geldende huurovereenkomst zijn van kracht de "Algemene

huurvoorwaarden voor zelfstandige woonruimte" (hierna: de algemene huurvoorwaarden). In

de algemene huurvoorwaarden is onder meer het volgende bepaald:
“Artikel 9

(…)

4. Huurder zal ervoor zorgdragen dat aan omwonenden geen hinder of overlast wordt

veroorzaakt.”

2.3

In 2014 heeft [appellant] gedurende enige tijd op een ander adres gewoond, vanwege vervanging van de galerijen van de flat waarin zijn woning zich bevindt.

2.4

Medio 2014 heeft [appellant] geklaagd bij Elkien over geluidsoverlast door gehamer, gezaag en geboor van omwonenden.

Naar aanleiding hiervan heeft Elkien een onderzoek ingesteld. Bij brief van 16 juni

2014 (gericht aan [appellant] op zijn adres [adres] ), heeft Elkien hierover het volgende aan [appellant] meegedeeld:

“Onlangs bent u opnieuw op kantoor van Elkien geweest om aan te geven dat u geluidsoverlast ervaart. (…)
Samen met de wijkagent ben ik op onderzoek uitgegaan en bij 2 van uw bovenbuurmannen langs geweest om dit met hen te bespreken. Ook hebben wij een bezoek gebracht aan de benedenbuurman. Wij kunnen er echter niet achter komen wie er zou hameren en boren. De omwonenden geven aan dat er wel eens geboord wordt, dit omdat er veel nieuwe mensen zijn komen wonen, die uiteraard

gordijnrails en schilderijen e.d. willen ophangen. Omwonenden ervaren dit in tegenstelling tot u, niet

als erg storend. Wel klagen allen over uw aanhoudende geschreeuw als reactie op de voor hen normale leefgeluiden
(...)

De uitkomst van dit onderzoek leidt tot de conclusie dat het gaat om normale leefgeluiden die horen

bij het wonen in een dergelijk appartement.”

2.5

Nadien heeft [appellant] opnieuw geklaagd bij Elkien over geluidsoverlast, bestaande uit het timmeren, boren en zagen. De geluidsoverlast zou volgens hem veroorzaakt worden door de bewoners van [straat] [straat nr.] en/of [straatnr van C] .

Elkien heeft naar aanleiding hiervan wederom een onderzoek ingesteld. Bij brief

van 13 november 2014 heeft Elkien hierover aan [appellant] het volgende meegedeeld:

“Al geruime tijd klaagt u over het feit dat er in uw wooncomplex sprake is van behoorlijke

geluidsoverlast. Deze overlast bestaat uit boren, timmeren, en zagen op de meest vreemde

tijdstippen. Zowel overdag als in de avond- en nachtelijke uren.

U hebt bij mij aangegeven dat u er zeker van bent dat deze overlast wordt veroorzaakt door de

bewoners van nummer [straat nr.] en/of [straatnr van C] .

Na onderzoek kan ik u verzekeren dat de overlast niet wordt veroorzaakt door de bewoners van

eerdergenoemde adressen.

Op woensdag 12 november jl. zijn wij, de wijkagent de heer [wijkagent] , u zelf en ondergetekende bij

de bewoner van nummer [straat nr.] geweest. Wij hebben daar een goed gesprek gehad en uit de

inrichting van de woning blijkt op geen enkele wijze dat de overlast door deze bewoner wordt

veroorzaakt. Hiervan was u zelf ook overtuigd.

Het is voor ons onmogelijk om alle adressen te controleren en de overlastveroorzaker te traceren.

Ik zal daarom een algemene brief sturen naar alle bewoners van de [naam gebouw] met het verzoek

de overlast te stoppen.

Tot slot wil ik u wijzen op het feit dat meerdere bewoners klagen over u. Deze klachten hebben

betrekking op de wijze waarop u reageert op de overlastgeluiden. U reageert hier hard

schreeuwend en boos op waardoor andere bewoners hinder ondervinden. Ik begrijp dat dit erg

vervelend voor u is, maar ik wil u wel verzoeken hier niet meer schreeuwend op te reageren.”

2.6

Bij brief van 10 december 2014 heeft Elkien aan [appellant] bericht het dossier inzake zijn overlast meldingen te sluiten. Volgens Elkien zijn zijn klachten afdoende behandeld. Daarbij wordt vermeld dat aan hem verschillende andere woningen zijn aangeboden, maar dat hij niet wenste te verhuizen. In 2015 en 2016 is [appellant] overlastmeldingen blijven doen bij Elkien.

2.7

Blijkens een rapportage van het Meldpunt Overlast Leeuwarden (MOL) hebben in

december 2014 en Januari 2015 zes verschillende omwonenden, waaronder [A] , de bovenbuurvrouw van [appellant] wonend op het adres [adres A] ,

klachtmeldingen gedaan bij de politie, het MOL of Elkien over overlast door [appellant] ,

bestaande uit geschreeuw, gescheld, zeer luide muziek draaien, zowel overdag als in de

nachtelijke uren

2.8

Bij brief van 26 januari 2016 bericht Elkien aan [appellant] het volgende:
“Op maandag 25 januari 2016 was ik bij u aan de deur om overlastklachten met u te bespreken.

Naast ondergetekende waren mevrouw [Y] (VNN) en mevrouw [Z] (Sociaal Wijkteam) aanwezig om enkele zaken met u door te nemen.

Helaas hebt u mij en mevrouw [Z] de toegang tot de woning geweigerd en wilde u ook aan de deur niet met ons in gesprek.

Ik ben dus niet in de gelegenheid geweest de overlastklachten van omwonenden en de te volgen procedure, met u te bespreken.

Via deze brief deel ik u mee dat meerdere omwonenden opnieuw bij Elkien over u hebben

geklaagd. De overlast bestaat hoofdzakelijk uit het regelmatig hard schreeuwen, op muren en

radiatoren slaan en het te luid afspelen van muziek via een geluidsinstallatie.

Deze vormen van overlast komen overdag, in de avonduren en in de nachtelijke uren voor.

Bovendien is het mij bekend dat u een buurvrouw intimiderend en bedreigend heeft bejegend. Er zijn naast Elkien meerdere meldingen gedaan bij de Politie en het Meldpunt Overlast van de Gemeente Leeuwarden.

Ik wijs u op het feit dat de bemiddeling van Elkien vanaf heden stopt. Wij zullen verder gaan met dossiervorming tegen u. Indien er nieuwe meldingen over u binnenkomen, dan zullen wij

onherroepelijk juridische stappen tegen u ondernemen.

Via een Kort Geding zullen wij de Kantonrechter vragen de Huurovereenkomst tussen u en Elkien op basis van overlast te beëindigen.”

2.9

Op 10 februari 2016 heeft de politie naar aanleiding van de klachten van [appellant] een gesprek gehad met hem en een vriendin van hem, [vriendin] (hierna: [vriendin] ). In het op die datum door de politie opgemaakte mutatierapport is het volgende vastgelegd:
“Zij wilden aangifte doen van overlast welke zou worden veroorzaakt door de vriend van mevr. [A] . [A] woont pal oven [appellant] .

De overlast bestaat uit geluiden welke vrijkomen bij houtbewerkende activiteiten zoals schuren, boren, timmeren enz.

Dit probleem speelt al maanden en [appellant] wordt er onderhand horendol van. Aangezien geen enkele instantie hulp biedt schreeuwt hij uit frustratie naar boven dat ze stil moeten zijn of zet hij zijn muziek harder om het geluid maar niet te hoeven horen. (...).”

2.10

In de periode van begin 2016 tot begin 2017 heeft Elkien een groot aantal e-mails van [A] ontvangen over overlast die zou worden veroorzaakt door [appellant] . Deze betroffen naast geluidsoverlast (zowel overdag als 's nachts) door hard en langdurig schreeuwen, schelden en harde muziek, ook bonken tegen radiatoren en muren en agressief en intimiderend gedrag jegens haar.

2.11

Elkien heeft een proces-verbaal van bevindingen van de politie van 4 september

2016, opgesteld door politieagent [politieagent] (hierna: [politieagent] ), overgelegd. Dat proces-verbaal vermeldt onder meer het volgende:

“Op maandag 30 mei 2016 omstreeks 13:25 uur kreeg ik, verbalisant [politieagent] , de melding te gaan naar de [adres] . Aldaar zou bewoner [appellant] voor overlast zorgen doordat hij continu aan het schreeuwen was. (… )

Omstreeks 13:34 uur was ik, verbalisant [politieagent] , ter plaatse hij meldster [A] . (...).

Meldster [A] vertelde mij dat haar onderbuurman regelmatig aan het schreeuwen was. Zij vertelde mij dat hij een aantal dagen stil kon zijn maar hij zou soms ook dagen achter elkaar schreeuwen.

Meldster [A] vertelde mij dat haar onder buurman [appellant] onder ander zou

schreeuwen: 'Hey, fuck jouw familie, fuck jouw moeder'. (...)

Het verhaal van meldster [A] kwam mij, verbalisant [politieagent] , zeer bekend voor. Ik

heb zelf op [straat] gewoond en toen woonde bewoner [appellant] boven mij. Dit betrof een

andere flat daar waar [appellant] nu woont. Ik heb toen zelf als burger meerdere meldingen gedaan van overlast van [appellant] en ik ben toen ook wel in privé tijd bij meneer aan de deur geweest. Ik ervaarde destijds zelf veel overlast van [appellant] en de woorden die [appellant] gebruikt bij het schreeuwen kwamen overeen met wat meldster [A] mij vertelde.

Ik, verbalisant [politieagent] , heb tot omstreeks 14:I5 uur bij meldster [A] gebleven. Op een

gegeven moment hoorde ik haar onderbuurman schreeuwen. Ik herkende direct de stem als de stem

van [appellant] . Ik hoorde hem hard schreeuwen: "Hey", en kort daarna "Fuck jouw moeder!

Hierop ben ik naar de voordeur van [appellant] gegaan. (...)

Toen ik, verbalisant [politieagent] , vroeg waarom hij zo schreeuwde ontkende [appellant]

dat hij vandaag had geschreeuwd. Vervolgens vertelde ik hem dat ik het zelf had gehoord. Hierop

antwoordde [appellant] : "Dat kan niet, dat is iemand anders geweest". Hierop antwoordde ik dat ik zijn stem had herkend. Vervolgens bleef [appellant] ontkennen.
Vervolgens vroeg ik, verbalisant [politieagent] , aan hem of hij ook ergens anders had gewoond

Hij vertelde mij dat hij voor een jaar in een andere flat had gewoond. Ik vertelde [appellant] dat ik

toen onder hem woonde en dat hij toen ook al zo vaak aan het schreeuwen was. Hierop antwoordde

hij; "Ja dat klopt. Toen schreeuwde ik wel maar nu niet meer"..

2.12

Elkien heeft een proces-verbaal van bevindingen van politie van 7 november 2016 overgelegd, opgesteld door de wijkagent [wijkagent] .

In dat proces verbaal wordt onder meer het volgende vermeld:
“Op de [adres] is betrokkene [appellant] woonachtig.

Betrokkene veroorzaakt al gedurende enige jaren overlast, onder andere in de vorm van luid schreeuwen in de woning. Dit zowel overdag als in de nachtelijke uren.

Meerdere malen ben ik met woningbouwvereniging Elkien bij betrokkene op huisbezoek geweest om tot een oplossing te komen. Helaas heeft dit niet tot een gewenst resultaat geleid. Ook het wijkteam Noord-Oost van de Amerylis coöperatie, waar sociaal werkers werkzaam zijn, hebben getracht betrokkene te helpen. Ook daar heeft hij zich niet meewerkend opgesteld en lag het probleem niet bij hem maar bij een ander.

Betrokkene klaagt namelijk over structurele overlast van geluid welke volgens zijn zeggen afkomstig zou zijn bij zijn bovenbuurvrouw. Zijn bovenbuurvrouw is een alleenstaande vrouw die ernstig ziek is. Deze geluidsoverlast zou bestaan uit het geluid van het werken van mechanische gereedschappen, zoals boormachines en dergelijke. Dit heeft wel gespeeld echter het kwam niet bij zijn boven buurvrouw vandaan. [naam gebouw] , waar betrokkene woonachtig is, heeft een balkon renovatie ondergaan waarbij de bewoners tijdelijk moesten verhuizen en na enkele maanden konden

terug konden naar hun woning. Ook kwamen er nieuwe bewoners die aan het klussen zijn geweest echter dit speelt momenteel nagenoeg niet meer. Ook hebben we getracht, woningbouwvereniging en wijkagent, de herkomst van de geluidsoverlast in de flat te achterhalen echter dit heeft niet het gewenste resultaat opgeleverd.

Enkele malen heb ik met betrokkene gesproken teneinde een oplossing trachten te vinden in dit conflict echter betrokkene geeft aan dat hij geen overlast veroorzaakt.

Ambtshalve weet ik dat er al twee andere bewoners om betrokkene verhuist zijn omdat zij het niet meer aan konden. Betrokkene is ook op drugs en drank getest en dit

leverde een voor hem negatief resultaat op. Betrokkene zou gezien het resultaat van

de uitslag harddrugs en alcoholhoudende drank gebruiken.
Ook weet ik dat er door de woningbouwvereniging in samenwerking met het wijkteam Noord-Oost gezocht is naar een passende woonplek voor betrokkene. Deze heeft betrokkene echter geweigerd.
Mijn stel1ige overtuiging is dat er door zowel de woningbouwvereniging Elkien als de

hulpverlening, wijkteam en verslavingszorg Noord-Nederland alles aangedaan is om

betrokkene te helpen. Dit zowel op sociaal gebied als op financieel gebied.”

2.13

[adviseur] , adviseur bewonerszaken van Elkien, vermeldt in een schriftelijke verklaring van 13 december 2016 onder meer het volgende:

“Op 12 december 2016 meldingen ontvangen van de heer [B] op nummer [straatnr. van B] en de heer [C] nummer [straatnr van C] . Meldingen hebben betrekking op herhaaldelijk schreeuwen op onregelmatige tijden.

Meestal schreeuwt meneer als reactie op geluid maar het valt de heer [B] op dat hij ook gewoon

schreeuwt om niets. De heer [C] geeft aan dat [appellant] ook wel bij hem aan de deur komt

om te vragen of [C] met hem wil procederen tegen mevrouw [A] . Zowel [C] als [B]

geven aan nooit eerder te hebben geklaagd omdat ze in principe niet van die klagende types zijn. (...)

Tevens telefonisch gesproken met de heer [D] van nummer [straatnr van D] De heer geeft aan wel problemen

te ondervinden van [appellant] maar is niet zo'n klager omdat hij hier ook nog niet zo lang woont. Op een keer

hoorde hij [appellant] hard .schreeuwen en vloeken, over kanker dit en kanker dat. Toen heeft hij met een

bezemsteel tegen het plafond geslagen of het ook wat rustiger kon. Toen kwam [appellant] bij hem aan de deur

met de vraag of hij last van hem had. [D] heeft toen inderdaad aangegeven dat hij last van hem

heeft. De klachten houden aan. Regelmatig hard schreeuwen en vloeken en tieren om niets. Gebeurt

overdag en 's nachts en in de avonduren. Soms ook harde muziek.”

2.14

Elkien heeft [appellant] bij brief van 15 december 2016 een laatste waarschuwing gegeven, inhoudende dat bij nieuwe klachten over [appellant] een (kort geding)procedure tot ontruiming zou worden gestart.

2.15

Elkien heeft hierna wederom klachten ontvangen van [A] over overlast

veroorzaakt door [appellant] . Zo schrijft [A] op 9 februari 2017 aan Elkien onder meer:

“Er werd weer geschreeuwd en er werd weer keiharde muziek afgespeeld.

Dit heeft ongeveer een drie kwartier geduurd.

Aangezien deze ellende al ruim 2 jaar aan de gang is, stijgt mijn minachting. Hoe kun je nog begrip opbrengen voor iemand die ruim 2 jaar lang je het leven enorm zuur maakt. Ben hem echt zat. En het ergste is dat hij zogenaamd van niks weet en zich van geen kwaad is bewust. Nou ik zal u wel vertellen elke dag hier is een hel”

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Elkien heeft in eerste aanleg samengevat gevorderd [appellant] te veroordelen tot ontruiming op verbeurte van een dwangsom, op de grond dat hij ernstig tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit de huurovereenkomst door structureel ernstige (geluids)overlast te veroorzaken.

3.2

De kantonrechter heeft in het vonnis van 22 maart 2017, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] veroordeeld tot ontruiming van het gehuurde binnen 4 weken na betekening van het vonnis op verbeurte van een dwangsom van € 300,- per dag, met een maximum van € 6.000,-, onder veroordeling van [appellant] is de proceskosten.

Naar het oordeel van de kantonrechter is genoegzaam komen vast te staan dat [appellant] reeds gedurende geruime tijd ernstige en structurele geluidsoverlast veroorzaakt, dat vooralsnog voldoende aannemelijk is dat in een bodemprocedure die tekortkoming voldoende ernstig zal worden geoordeeld om tot ontbinding en ontruiming over te gaan en dat voldoende aannemelijk is dat inmiddels sprake is van een situatie waarin van Elkien niet kan worden gevergd de uitkomst van de bodemprocedure af te wachten.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

4.1

[appellant] is in hoger beroep gekomen van het vonnis van 22 maart 2017 onder aanvoering van zeven grieven (genummerd I t/m VII).
In de grieven I t/m III keert [appellant] zich vanuit verschillende invalshoeken tegen het oordeel van de kantonrechter dat genoegzaam is komen vast te staan dat hij reeds gedurende geruime tijd ernstige en structurele geluidsoverlast veroorzaakt. Grief IV richt zich tegen de overweging van de kantonrechter dat bij de belangenafweging dient te worden betrokken dat [appellant] bij herhaling is gewaarschuwd een einde te maken aan de overlast, maar dat hij zich daar niets van heeft aangetrokken.
Grief V klaagt erover dat de kantonrechter ten onrechte een spoedeisend belang heeft aangenomen. In grief VI voert [appellant] aan dat de kantonrechter ten onrechte artikel 7:280 BW niet heeft toegepast en grief VII tenslotte is gericht tegen de versterking van de veroordeling met dwangsommen en tegen de veroordeling in de proceskosten.

4.2

Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop.

4.2.1

Veroorzaken door [appellant] van overlast en hinder aan omwonenden levert een schending op van zijn contractuele verplichting om zich daarvan te onthouden.
Afhankelijk van de aard, ernst en omvang van de overlast, en alle overige omstandigheden van het geval, kan dat in een bodemprocedure grond opleveren voor ontbinding van de huurovereenkomst. Bovendien geldt op grond van artikel 7:213 BW dat de huurder verplicht is zich ten aanzien van het gebruik van de gehuurde zaak als een goed huurder te gedragen. Dit betekent niet alleen dat hij voor de zaak zelf goed moet zorgen, maar ook dat hij jegens de omgeving een zorgplicht heeft. De huurder gedraagt zich niet als goed huurder als hij anderen die zich in de omgeving van het gehuurde bevinden overlast bezorgt op een wijze die onrechtmatig is volgens artikel 6:162 BW. Ook langs die weg kan het veroorzaken van overlast door een huurder tot ontbinding van de huurovereenkomst leiden.

4.2.2

Indien sprake is van het veroorzaken van overlast die naar verwachting in een bodemprocedure zal resulteren in een ontbinding van de huurovereenkomst, kan dat in kort geding grond zijn voor toewijzing van een vordering tot ontruiming. Daarvoor is vereist:
a) dat met een redelijke mate van zekerheid kan worden aangenomen dat die overlast in een bodemprocedure zal leiden tot toewijzing van een vordering tot ontbinding;
b) dat van de verhuurder in redelijkheid niet kan worden verwacht dat hij de uitkomst van die bodemprocedure afwacht.
Daarbij geldt dat in kort geding terughoudendheid betracht dient te worden bij toewijzing van een vordering tot ontruiming gelet op het ingrijpende karakter en veelal onomkeerbare gevolg van een dergelijke maatregel, die een inmenging vormt op het in artikel 8 EVRM vastgelegde recht van eenieder op respect voor zijn woning en zijn familie- en gezinsleven. Een ontruiming in kort geding, vooruitlopend op een definitief oordeel van de rechter in een (eventuele) bodemprocedure over de ontbinding, dient vanuit dat perspectief mede te berusten op een belangenafweging en proportioneel te zijn.

overlast ( grieven I t/m III )
4.3 [appellant] betwist dat hij overlast heeft veroorzaakt. Hij heeft aangevoerd dat in de periode waarop het overlastdossier betrekking heeft in feite alleen is geklaagd door zijn bovenbuurvrouw [A] en dat haar meldingen, op één uitzondering na, niet zijn bevestigd door derden. In die situatie had de kantonrechter niet tot zijn oordeel kunnen komen dat de overlast vast staat, aldus [appellant] .

4.4

In de door Elkien overgelegde e-mails van [A] aan haar uit de periode van begin 2016 tot begin 2017 (zie 2.10) beklaagt [A] zich telkens op indringende wijze en wanhopige toon over (met name) de geluidsoverlast die zij voortdurend van [appellant] ondervindt in de vorm van schreeuwen, harde muziek en het op verschillende manieren maken van harde geluiden.
Zo schrijft zij op 22 augustus 2016 (prod. 23 bij de inleidende dagvaarding):
“(…) Vier dagen lang enorm harde muziek, geschreeuw, gegooi zodat ik maar weer ben gevlucht naar visite etc. ben de situatie spuugzat. Deze situatie moet echt een halt toe geroepen worden.”,
op 23 augustus 2016 (prod. 24 bij de inleidende dagvaarding) :
“Wederom was het weer raak bij mijn onderbuurman. De avond en de nacht van maandag op dinsdag is er enorm luide muziek afgespeeld. Ook is hij in het bezit van een elektrische gitaar of keyboard want de herrie was niet uit te houden. Steeds hetzelfde deuntje KEIHARD afspelen. (Op een gegeven moment heb ik oordopjes in mijn oren gestopt rond een uur of 1 's nachts. Wordt er helemaaaaaal knettergek van De man haald mij het bloed onder de nagels vandaan. Als ik dan met mijn afstandsbediening op de kachel 2x tik, als teken dat hij op moet houden, gaat de muziek nog harder.
Ik weet niet meer hoe ik dit nog vol moet houden”,

en op 16 december 2016:
“Graag uw aandacht voor het volgende. Afgelopen woensdag 15 december heb ik weer enorme last van mijn onderbuurman gehad. Van 16.30 tot 17.05 heeft hij keiharde muziek afgespeeld. Hij zat er enorm bij te schreeuwen. Ook was het woord K weer de halve middag te horen. Aangezien ik weer herstellende ben van een dubbele longontsteking heb ik mijn rust hard nodig. Tot overmaat van ramp was ie rond 00.00 uur vannacht ook nog eens straalbezopen , sloeg met deuren en donderde overal tegen aan. Om 04.00 kon ik eindelijk 1 uurtje slapen. De enorme overlast heeft veel invloed op mijn leven. Kan mij niet laten opereren en loop daardoor al 2 jaar zonder kaken. Om deze zware operatie te ondergaan zou ik alle rust nodig hebben die er is. En dan heb ik het niet eens over het geestelijke aspect. Weet u wat voor invloed het voor een vrouw is om daardoor 2 jaar zonder gebit te lopen. Ook moet ik nu ruim 2 jaar vloeibaar eten. En de kosten blijven maar oplopen voor mij. Ben de situatie zooo spuugzat. De hele week is ie aan het provoceren, elke nacht straalbezopen en slaat de hele tijd met deuren. En dan heb ik het nog niet eens over het woord K.”

4.5

Het hof is van oordeel dat de klachten van [A] over overlast veroorzaakt door [appellant] steun vinden in:
a. ) het hiervoor onder 2.11 weergegeven proces verbaal van [politieagent] . Dat uit dat proces verbaal blijkt dat [politieagent] eerder ook zelf overlast heeft ondervonden van [appellant] doet, anders dan [appellant] heeft aangevoerd, op zichzelf nog niet af aan de betrouwbaarheid van zijn relaas. Eerder onderbouwt dat het structurele karakter van de overlast,
b.) het hiervoor onder 2.12 weergegeven proces-verbaal van de wijkagent [wijkagent] ,

c.) de onder 2.13 weergegeven verklaring van [adviseur] . De omstandigheid dat, zoals [appellant] heeft aangevoerd, de verstandhouding tussen hem en [adviseur] zeer slecht is, vormt daarbij op zichzelf onvoldoende aanleiding om die verklaring onbetrouwbaar te achten,

d.) het mutatierapport van 10 februari 2016 waarin is opgenomen dat [appellant] verklaart dat hij uit frustratie schreeuwt of zijn muziek harder zet, en de eigen verklaring van [appellant] dat hij reageert op door hem ondervonden overlast van zijn bovenbuurvrouw door zijn stem te verheffen (zie MvG onder 15.).

4.6

Uit die bescheiden komt voor het hof tevens genoegzaam naar voren dat [A] in de periode vanaf begin 2016 niet de enige is die overlast ervaart van [appellant] en dat die overlast ook objectief bezien reëel is en het niveau van leefgeluiden die omwonenden van elkaar hebben te dulden ver overschrijdt. Daar doet op zichzelf niet aan af dat eigen verklaringen van andere omwonenden over die overlast ontbreken.
Verder komt uit de onderzoeken die Elkien in 2014 heeft verricht (zie hiervoor onder 2.4 en 2.5) en het “overlastdossier”(zie hiervoor 2.9) genoegzaam naar voren dat sprake is van overlast die ook al dateert van vóór begin 2016 en derhalve een duurzaam en structureel karakter draagt.

4.7

[appellant] heeft zich ter weerlegging beroepen op een door hem overgelegde schriftelijke verklaring van [vriendin] (prod. 4 bij dagvaarding in hoger beroep). Daarin verklaart zij dat zij de woning op momenten dat zij bij [appellant] op bezoek is ervaart als een rustige woonplek en dat zij zelf ook geen overlast heeft ervaren toen de politie in november 2016 een keer aan de deur kwam wegens een melding van muziekgeluidoverlast.
Alleen die verklaring doet naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate afbreuk aan het beeld van overlast dat oprijst uit de overige bescheiden in het dossier, waarbij opmerking verdient dat [vriendin] ook een vriendin is van [appellant] .

4.8

Daarmee is het hof voorshands van oordeel dat genoegzaam vast staat dat [appellant] duurzaam en structureel overlast heeft veroorzaakt aan omwonenden, in het bijzonder aan [A] , en dat er geen enkele aanleiding is om te veronderstellen dat de klachten van [A] hun oorsprong vinden in overgevoeligheid van haar voor geluid.

Mede in aanmerking nemend dat, zoals niet is weersproken en ook blijkt uit de overgelegde bescheiden, [appellant] herhaaldelijk, maar tevergeefs door Elkien is gewaarschuwd om te stoppen met het veroorzaken van overlast, acht het hof voorshands zeer aannemelijk dat die overlast in een bodemprocedure zal resulteren in een ontbinding van de huurovereenkomst.

4.9

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd dat hij alleen maar reageerde op overlast veroorzaakt door [A] zelf, baat hem dat niet.

Daargelaten dat dit nog niet het zelf veroorzaken van overlast aan omwonenden rechtvaardigt, geldt dat [appellant] dit verweer, waarvan in een bodemprocedure de bewijslast op hem rust, op geen enkele wijze ook maar enigszins aannemelijk heeft weten te maken. Het verwijt dat Elkien zijn klachten niet serieus heeft willen nemen acht het hof daarbij niet terecht. Die klachten zijn weldegelijk serieus genomen zoals kan blijken uit de onderzoeken die Elkien daarnaar heeft ingesteld (zie hiervoor 2.4 en 2.5). Dat uit die onderzoeken niets naar voren is gekomen, wil nog niet zeggen dat die onderzoeken niet naar behoren zijn gedaan.

De grieven I t/m III falen derhalve.

belangenafweging ( grief IV )

4.10

[appellant] heeft aangevoerd dat het weliswaar juist is dat hij verschillende malen is gesommeerd om de overlast te stoppen, maar dat het niet juist is dat hij zich daarvan niets heeft aangetrokken. Volgens [appellant] heeft hij (ongewijzigd) het veroorzaken van overlast achterwege gelaten.
In de overweging hiervoor onder 4.8, dat Elkien herhaaldelijk, maar tevergeefs heeft gewaarschuwd te stoppen met het veroorzaken van overlast, ligt besloten dat grief IV verworpen dient te worden. Naar het voorlopig oordeel van het hof staat immers genoegzaam vast dat [appellant] wél overlast heeft veroorzaakt en dat dit niet is gestopt.
Voor het overige kan het hof zich vinden in de door de kantonrechter in r.o. 4.6 gemaakte belangenafweging en de uitkomst daarvan, te weten dat [appellant] weliswaar een groot belang heeft bij het behoud van zijn woning, maar dat in dit geval de belangen van de omwonenden, waaronder in het bijzonder het belang van de met gezondheidsklachten kampende [A] , om gevrijwaard te blijven van overlast zwaarder dient te wegen.

4.11

Aanvullend merkt het hof op dat het dossier aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling dat de overlast (mede) het gevolg is van bij [appellant] aanwezige psychische klachten en/of verslavingsproblematiek (zie onder andere het proces verbaal van bevindingen van [wijkagent] en de klachten van [A] ).

[appellant] betwist echter dat bij hem sprake is van dergelijke problematiek en weigert dan ook iedere hulp daarbij. Perspectief op het stoppen van de overlast lijkt daarmee niet aanwezig.

spoedeisend belang ( grief V )
4.12 [appellant] heeft aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte een spoedeisend belang heeft aangenomen, nu geen enkele vorm van escalatie of iets dergelijks aan de orde is geweest.

4.13

Deze grief miskent dat uit de klachtmeldingen van [A] genoegzaam naar voren komt dat, mentaal gezien, de overlast haar tot de lippen reikt. Vanwege het oog dat een verhuurder ook dient te hebben voor de belangen van zijn andere huurders, heeft Elkien daarmee naar het oordeel van het hof weldegelijk een spoedeisend belang bij haar vordering tot ontruiming en kan van haar niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht. Daarbij dient te worden bedacht dat een bodemprocedure in zaken als deze veel tijd kunnen vergen vanwege bewijslevering en daarvoor is -gelet op de aard van het kort geding - in die procedure in het algemeen juist geen plaats.

Dat de overlast al van langere duur is, maakt evenmin dat het spoedeisend belang ontbreekt. De vraag of daarvan sprake is dient te worden beoordeeld naar het moment waarop over de vordering wordt beslist. Die is dat het belang van de omwonenden vereist dat er op korte termijn een einde komt aan de overlast.

4.14

Voor zover [appellant] zich er in de toelichting op zijn grief nog over beklaagt dat de kantonrechter een eiswijziging van Elkien heeft geweigerd, waarbij Elkien subsidiair vorderde dat [appellant] zich aan bepaalde gedragsregels zou dienen te houden, geldt dat [appellant] bij die grief geen belang heeft. Het hof dient te oordelen over de vordering zoals die in hoger beroep is ingesteld. Elkien heeft zich neergelegd bij die weigering door daartegen niet (incidenteel) te grieven, waarmee die (subsidiaire) vordering geen onderdeel uitmaakt van de procedure in hoger beroep.

artikel 7:280 BW ( grief VI )

4.15

Artikel 7:280 BW bepaalt dat de kantonrechter alvorens op de voet van artikel 231 een ontbinding uit te spreken de huurder een termijn van ten hoogste een maand kan toestaan om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen.

4.16

De grief dat de kantonrechter die bepaling ten onrechte niet heeft toegepast miskent dat artikel 7:280 BW in een procedure als de onderhavige, die (alleen) strekt tot ontruiming van het gehuurde en niet (tevens) tot ontbinding van de huurovereenkomst, toepassing mist.

Bovendien ziet de bepaling op het alsnog nakomen van de huurder van door hem verzuimde verplichtingen, bijvoorbeeld het alsnog betalen van de achterstallige huur. De bepaling is echter niet toepasselijk als het gaat om geschonden verplichtingen die zich niet alsnog voor nakoming lenen, zoals bijvoorbeeld de verplichting om geen overlast te veroorzaken.

Schending van die verplichting kan voor de toekomst immers niet meer ongedaan worden gemaakt. Reeds daarmee faalt grief VI.

Hetgeen door [appellant] in het kader van die grief verder nog naar voren is gebracht kan buiten beschouwing blijven, nu dat niet kan leiden tot een ander oordeel.


dwangsommen en kostenveroordeling ( grief VII )

4.17

Uit de toelichting op deze grief blijkt dat die er enkel op is gebaseerd dat de kantonrechter ten onrechte de vordering van Elkien tot ontruiming heeft toegewezen.
In de (motivering van de) verwerping van de overige grieven ligt besloten dat het hof van oordeel is dat de kantonrechter de vordering tot ontruiming terecht heeft toegewezen.
Daarmee ontvalt de grondslag aan grief VII, zodat ook deze grief faalt.

5 De slotsom

5.1

De grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen, waarin begrepen de kosten van het incident.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Elkien zullen worden vastgesteld op € 716,- aan verschotten (griffierecht) en € 1.788,- aan salaris advocaat (2 punt x tarief II).

5.3

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in kort geding in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Leeuwarden van 22 maart 2017;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Elkien vastgesteld op € 716,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en – voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

veroordeelt [appellant] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving én betekening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. M.E.L. Fikkers en mr. O.E. Mulder en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

4 juli 2017.