Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5668

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
27-07-2017
Zaaknummer
200.207.061/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 3:74 lid 4 BW. Buiten werking stellen van onherroepelijke volmacht wegens kennelijk onredelijk gebruik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.207.061/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/168322/HA RK 16-195

beschikking van 4 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. H.J. Veen, kantoorhoudend te Winschoten,

tegen

[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. G. Meijer, kantoorhoudend te Veendam.

1 Het geding in eerste instantie

1.1

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de beschikking van 10 oktober 2016 van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, binnengekomen ter griffie op 9 januari 2017, is door [appellant] hoger beroep ingesteld van de beschikking van 10 oktober 2016. De conclusie van het beroepschrift strekt ertoe die beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat de onherroepelijke volmacht met kenmerk [kenmerk] niet buiten werking wordt gesteld of wordt gewijzigd.

2.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd met de conclusie [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep dan wel dit af te wijzen met veroordeling – uitvoerbaar bij voorraad – van [appellant] in de kosten van dit beroep.

2.3

Op 4 mei 2017 heeft een mondelinge behandeling van het verzoek plaatsgehad. Het proces-verbaal daarvan bevindt zich bij de stukken. Op de eerste bladzijde van het proces-verbaal staat de naam van de voorzitter verkeerd vermeld. Dit moet zijn: mr. M.M.A. Wind.

2.4

Ten slotte is de beschikking bepaald op heden.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.10 van de (bestreden) beschikking. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder nog is komen vast te staan, gaat het om het volgende.

3.2.

Partijen hebben een relatie met elkaar gehad. Zij hebben elkaar in de Oekraïne ontmoet. [geïntimeerde] is in 1996 naar Nederland gekomen en is, teneinde een verblijfsvergunning te verkrijgen, met de zoon van [appellant] getrouwd aangezien [appellant] op dat moment zelf nog was gehuwd. In 2004 is het huwelijk tussen de zoon van [appellant] en [geïntimeerde] ontbonden. [geïntimeerde] en [appellant] hebben hun relatie tot 2009 voortgezet. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren. [appellant] heeft geen gezag over de kinderen en er vindt ook geen omgang plaats.

3.3.

Omdat [appellant] problemen ondervond met de fiscus zijn tijdens de relatie onroerende zaken waarbij [appellant] was betrokken, op naam gezet van [geïntimeerde] . De met die onroerende zaken verband houdende hypothecaire leningen zijn eveneens op haar naam gesteld.
Ten tijde van het uiteen gaan van partijen stonden er vijf onroerende zaken op naam van [geïntimeerde] . De op die zaken rustende hypothecaire schulden stonden op naam van [geïntimeerde] en de zoon van [appellant] .

3.4.

Op 13 oktober 2009 heeft [geïntimeerde] , na de beëindiging van de relatie van partijen, bij notariële akte aan [appellant] een onherroepelijke volmacht met kenmerk [kenmerk] verstrekt. Hierin is het volgende bepaald:
‘Deze volmacht is een volmacht die zich uitsluitend uitstrekt tot alle handelingen op het gebied van verkoop en levering van de hierna genoemde registergoederen, daaronder begrepen daden van beschikking, kwiteren en het in ontvangst nemen van de koopsom, te weten:
1. het woonhuis met toebehoren, staande en gelegen te [adres 1] (…;)
2. het woonhuis met toebehoren, staande en gelegen te [adres 2] (…);
3. het bedrijfspand met toebehoren, staande en gelegen [adres 3] (…):
4. het woonhuis met toebehoren, staande en gelegen te [adres 4] (…);

5. het woonhuis met toebehoren, staande en gelegen te [adres 5] (…);
(…)
De gevolmachtigde is bevoegd als wederpartij van de volmachtgever op te treden (…)
De gevolmachtigde is bevoegd de hem verleende volmacht aan een ander te verlenen. (…)
Deze volmacht is onherroepelijk en eindigt niet door de dood of de ondercuratelestelling van de volmachtgever (artikel 3:74 Burgerlijk Wetboek).’

3.5

Op 14 januari 2010 zijn partijen het volgende overeengekomen:
‘ [X] - [geïntimeerde] (…) en [appellant] (…) zijn overeen gekomen.
Dat de heer [appellant] nooit kan op treden namens mevrouw [X] - [geïntimeerde] . Alles wat de heer [appellant] doet hij op eigen titel en niet op mijn naam. Zoals huur overeen komsten en zo voort moeten altijd handtekening van [X] - [geïntimeerde] onderstaan anders zijn ze niet rechts geldig. Dat heer [appellant] een kamer heeft op de [adres 1] geeft hem niet het recht om voor mij op te treden of wat te bestellen.’

3.6

In 2010 is het pand aan de [adres 3] afgebrand. [geïntimeerde] is wegens de schoonmaak en reiniging van het perceel uiteindelijk veroordeeld tot betaling van € 21.000,- aan HB Milieutechniek. Om dat bedrag te kunnen voldoen, is [geïntimeerde] een lening aangegaan bij [Y] , een zakenrelatie van [appellant] . Daarnaast werd [geïntimeerde] door de gemeente [gemeente] aangesproken tot betaling van een bedrag van bijna € 19.000,- . Laatstgenoemd bedrag is uiteindelijk door [appellant] voldaan, nadat een dwangbevel aan [geïntimeerde] was uitgebracht.

3.7

[geïntimeerde] heeft op 11 januari 2011 een particuliere krediet-hypotheekakte getekend waarin zij voor een totale schuld van € 100.000,- ten gunste van [Y] een hypotheekrecht heeft gevestigd op twee op haar naam staande onroerende zaken, te weten [adres 5] en [adres 3] . Deze zekerheid hield niet alleen verband met de lening ter zake de betaling aan HB Milieutechniek, maar tevens met een lening die [Y] eerder, omstreeks 2004, aan [appellant] had verstrekt voor de financiering van de aankoop van het pand [adres 5] .

3.8

[appellant] heeft, met gebruikmaking van de volmacht en zonder overleg met [geïntimeerde] , de volgende rechtshandelingen verricht.

3.9

[appellant] heeft de woning aan de [adres 5] , alwaar [geïntimeerde] en de kinderen woonachtig zijn, in of omstreeks december 2014 aan [Y] verkocht voor een bedrag van € 65.000,-. De woning stond te koop voor € 120.000,- en de WOZ-waarde bedroeg in 2015 € 92.000,-. De koopprijs is in mindering gebracht op de vordering van [Y] op [geïntimeerde] uit hoofde van de hypothecaire geldlening.

3.10

In 2015 heeft [appellant] het perceel [adres 3] , dat te koop stond voor € 125.000,- verkocht voor € 55.000,-. De opbrengst is aan [appellant] uitbetaald.

3.11

In 2015 is het pand aan de [adres 1] getroffen door brand. [appellant] heeft dit perceel voor een bedrag van € 20.000,- verkocht en op 9 september 2016 geleverd aan mevrouw [Z] , wonende te [woonplaats] , [land] . De koopsom is ter gelegenheid van de levering niet voldaan, maar omgezet in een geldlening. Daarbij is bepaald dat terugbetaling in overleg met [appellant] zal plaatsvinden en dat over de hoofdsom geen rente verschuldigd is.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg verzocht om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, de onherroepelijke volmacht met kenmerk [kenmerk] , die zij op 13 oktober 2009 bij notariële akte aan [appellant] heeft verstrekt, buiten werking te stellen. Zij heeft gesteld dat er sprake is van een gewichtige reden in de zin van art 3:74 lid 4 BW. [appellant] heeft dat betwist.

4.2.

De rechtbank heeft het verzoek van [geïntimeerde] bij beschikking van 10 oktober 2016 toegewezen. Daartoe heeft zij het volgende overwogen:
‘4.4 [appellant] heeft erkend dat [geïntimeerde] in de eerste plaats met de kosten is geconfronteerd die ontstaan zijn door het afbranden van het pand aan de [adres 3] en dat zij deze kosten heeft voldaan, nadat zij daarvoor bij [Y] een lening heeft afgesloten. Het betreffende pand is vervolgens verkocht door [appellant] . Hij heeft eveneens het pand aan de [adres 5] verkocht. Op grond van de onherroepelijke volmacht is het [appellant] ook toegestaan deze panden te verkopen.
4.5 [appellant] heeft echter beide panden (ruim) beneden de verkoopprijs dan wel de WOZ-waarde verkocht, waardoor [geïntimeerde] geconfronteerd is met een restschuld ten aanzien van de lening die zij heeft moeten afsluiten bij [Y] . Dit klemt temeer nu [appellant] heeft verklaard dat [geïntimeerde] slechts de ‘papieren eigenaar’ is en dat voor deze constructie is gekozen omdat het [appellant] niet mogelijk was de panden en de daarop rustende hypothecaire geldleningen op zijn naam te zetten. Hoewel [appellant] ter zitting heeft aangevoerd dat het in zijn belang is een zo hoog mogelijke opbrengst te genereren bij de verkoop, heeft hij blijkens de eerdere verkopen niet zo gehandeld. Daar komt nog bij dat niet is gebleken dat [appellant] met [geïntimeerde] in overleg is getreden over de verkoop van het pand waar [geïntimeerde] en haar kinderen wonen ( [adres 5] ), hoewel dat gezien de situatie wel in de rede lag.’

5 De beoordeling van de grief en het geschil

5.1

Het verzoek van [geïntimeerde] strekt tot het buiten werking stellen van de in r.o. 3.4 genoemde onherroepelijke volmacht. [appellant] is van mening dat de rechtbank dat verzoek ten onrechte heeft toegewezen. [appellant] heeft één grief tegen de beschikking van de rechtbank opgeworpen waarmee hij het geschil in volle omvang aan het hof voorlegt.

5.2

Artikel 3:74 lid 1 BW houdt in dat voor zover een volmacht strekt tot het verrichten van een rechtshandeling in het belang van de gevolmachtigde of van een derde, kan worden bepaald dat zij onherroepelijk is, of dat zij niet eindigt door de dood of ondercuratelestelling van de volmachtgever. Op grond van artikel 3:74 lid 4 BW kan de rechter, op verzoek van de volmachtgever, een bepaling als bedoeld in het eerste lid (onherroepelijkheid) wegens gewichtige redenen wijzigen of buiten werking stellen.
Een gewichtige reden kan bijvoorbeeld zijn gelegen in het intreden van onvoorziene omstandigheden, die van dien aard zijn dat degene in wiens belang de volmacht onherroepelijk is gemaakt, naar redelijkheid en billijkheid handhaving van de volmacht niet mag verwachten. Een gewichtige reden kan daarnaast zijn dat de gevolmachtigde de volmacht gebruikt op een wijze die kennelijk onredelijk is jegens de volmachtgever (MvA II, Parl. Gesch. Boek 3, p. 294).

5.3

[appellant] heeft aangevoerd dat hij feitelijk steeds eigenaar van de panden is geweest en dat de volmacht aan hem is verstrekt teneinde zijn rechten ten aanzien van de panden te kunnen blijven uitoefenen. De panden zijn slechts bij [geïntimeerde] ‘gestald’ en [appellant] heeft altijd alles geregeld met betrekking tot de panden en alle kosten voldaan, hetgeen ook de bedoeling van partijen was. (Aldus: pleitaantekeningen mr. Van Dijk d.d. 3 oktober 2016, alinea 18). Door de panden te verkopen, is hij niet buiten de volmacht getreden. [geïntimeerde] heeft zelf voordeel van de constructie omdat zij met de kinderen van partijen in een van de woningen heeft kunnen wonen zonder daar een vergoeding voor te hoeven betalen, aldus [appellant] .

5.4

[geïntimeerde] heeft benadrukt dat zij juist nadeel ondervindt van het feit dat er onroerende zaken op haar naam staan. Zij wordt als geregistreerd eigenaar dikwijls met facturen geconfronteerd en genoodzaakt deze te voldoen. Zij betwist dat [appellant] steeds alle aan de panden verbonden kosten heeft voldaan. [appellant] schaadt haar belangen door zonder overleg met haar onroerende zaken beneden de marktwaarde te verkopen, waardoor zij aansprakelijk blijft voor een restschuld. Doordat zij onroerende zaken op naam heeft, komt zij bovendien niet in aanmerking voor allerlei toeslagen, waarop zij anders wel aanspraak zou kunnen maken.

5.5

Het hof overweegt als volgt. De stelling van [appellant] dat hij steeds alle aan de panden verbonden kosten voor zijn rekening heeft genomen, wordt gelogenstraft door het vaststaande feit dat [geïntimeerde] als gevolg van een brand in het pand aan de [adres 3] , werd geconfronteerd met een forse claim van HB Milieutechniek voor het reinigen van het terrein. Zij is door HB Milieutechniek in rechte betrokken en uiteindelijk veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 21.000,-. Om deze schuld te kunnen voldoen, heeft zij een lening moeten aangaan bij [Y] . Tot zekerheid van deze lening en een eerdere lening die [Y] aan [appellant] voor de aankoop van de woning aan [adres 5] had verstrekt, heeft zij in 2011 een particuliere krediethypotheek verstrekt tot zekerheid voor een schuld van € 100.000,-.

5.6

[appellant] heeft de woning aan [adres 5] , die te koop stond voor een vraagprijs van € 120.000,- en waarvan de WOZ-waarde in 2015 € 92.000,- bedroeg, in december 2014 voor een veel lager bedrag, namelijk € 65.000,-, aan [Y] verkocht. De koopprijs is verrekend met de schuld van partijen aan [Y] . Nu deze € 100.000,- beliep, moet het ervoor gehouden worden dat er nog een schuld van tenminste € 35.000,- resteerde.
[appellant] heeft dienaangaande wisselende, en weinig duidelijke verklaringen afgelegd.
In zijn beroepschrift heeft hij gesteld dat er na deze verkoop geen schuld meer over was, omdat met deze verkoop de schuld aan [Y] zou zijn voldaan. Zonder nadere toelichting die ontbreekt, is deze stelling echter onbegrijpelijk. In een aan het beroepschrift gehechte handgeschreven verklaring, die van de hand van [Y] zou zijn, wordt gesproken over kwijtschelding van de schuld. De raadsman van [appellant] heeft ter zitting uiteengezet dat de woning is verkocht voor € 65.000,- waarna een restschuld van € 40.000,- resteerde. Omdat de WOZ-waarde van de woning hoger was dan € 65.000,- is de restantschuld verrekend met het verschil tussen de verkoopprijs van de woning en de WOZ-waarde daarvan, zo luidde de verklaring. Een deugdelijke onderbouwing ontbreekt echter.

De raadsman van [geïntimeerde] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof verklaard dat [Y] mondeling heeft bevestigd dat de schuld is kwijtgescholden, maar dat [geïntimeerde] dit niet ‘zwart op wit’ heeft. [geïntimeerde] heeft verklaard dat [Y] door [appellant] wordt bedreigd. Gelet op het vorenstaande is onduidelijk welke afspraken er tussen [appellant] en [Y] zijn gemaakt en wat de daadwerkelijke verkoopprijs van de woning aan [adres 5] is geweest. Als gevolg van deze onduidelijkheid verkeert [geïntimeerde] in onzekerheid met betrekking tot haar positie ten opzichte van [Y] , in het bijzonder met betrekking tot de vraag of er nog sprake is van (rest-)schuld aan [Y] .

5.7

Ook het perceel aan [adres 3] is ver onder de vraagprijs verkocht, namelijk voor een bedrag van € 55.000,- terwijl het voor € 125.000,- te koop stond. [appellant] heeft daarvoor geen afdoende verklaring gegeven. Evenmin heeft hij ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep duidelijk kunnen maken wat hij met de verkoopopbrengst van het perceel aan [adres 3] (het bedrag van € 55.000,- dat hij heeft geïncasseerd) heeft gedaan. Niet gesteld of gebleken is dat hij dit bedrag heeft aangewend ter aflossing van de hypothecaire leningen die op de (overige) op naam van [geïntimeerde] staande onroerende zaken rusten, en die volgens [appellant] ‘onder water’ staan.

5.8

Ten slotte heeft [appellant] het perceel aan de [adres 1] verkocht. Volgens [geïntimeerde] was dit perceel vrij van hypotheek, doordat de verzekering deze na de brand had ingelost, en stond het perceel te koop voor een bedrag van € 40.000,-. Gebleken is echter dat [appellant] , die tijdens de procedure in eerste aanleg wegens ziekte uitstel van een zitting van de rechtbank van 5 september 2016 had gevraagd, het perceel op 9 september 2016 aan mevrouw [Z] uit [land] heeft geleverd voor een koopsom van € 20.000,- zonder dat die koopsom ter gelegenheid van de levering is voldaan. [appellant] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep geen geloofwaardige verklaring gegeven in antwoord op de vraag wat de reden was om de schuld van de koper om te zetten in een geldlening. Zo heeft hij verklaard dat hij de woning op deze wijze zou hebben verkocht omdat hij geld van mevrouw [Z] moest lenen. Uit de akte blijkt echter niet van het bestaan van een dergelijke lening, maar juist van een lening van [appellant] aan [Z] . Ook heeft [appellant] verklaard dat de notaris ‘een fout’ zou hebben gemaakt, omdat de lening wel zou worden afgelost en verrekend. [appellant] heeft zijn stellingen echter op geen enkele wijze onderbouwd.

5.9

Het hof is van oordeel dat [appellant] door op de hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.6 tot en met 5.8 omschreven wijze te handelen, de belangen van [geïntimeerde] heeft geschaad en een kennelijk onredelijk gebruik heeft gemaakt van de onherroepelijke volmacht.

Dat [appellant] de panden slechts heeft “gestald” bij [geïntimeerde] en dat hij feitelijk de eigenaar van de panden is gebleven, zoals hij zelf stelt, maakt het vorenstaande niet anders. Nu de hypothecaire leningen op naam van [geïntimeerde] staan komt [geïntimeerde] door de handelwijze van [appellant] klem te zitten doordat zij enerzijds gehouden is tot betaling van de hypothecaire verplichtingen en zij anderzijds geen invloed heeft op de wijze en de voorwaarden waaronder de panden worden verkocht, terwijl uit de rov 5.6 tot en met 5.8 volgt dat [appellant] bij de verkoop van de panden geen rekening houdt met de belangen van [geïntimeerde] .

5.10

Voor zover [appellant] nog heeft geklaagd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij geen, althans onvoldoende belang bij de volmacht heeft omdat de panden onder water staan, overweegt het hof dat deze klacht geen verdere bespreking behoeft omdat die overweging – wat daar verder ook van zij – niet dragend is geweest voor het oordeel van de rechtbank.

6 De slotsom

6.1.

De grief faalt, zodat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

6.2.

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 313,-

- salaris advocaat € 1.788,- (2 punten x tarief € 894,-)

Totaal € 2.101,-

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwerpt het hoger beroep;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van
10 oktober 2016;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 313,- voor verschotten en op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze beschikking voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.M.A. Wind, mr. I.F. Clement en mr. G.T. de Jong en in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.