Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5625

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
12-07-2017
Zaaknummer
200.153.982
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep; mislukte samenwerking; afgebroken onderhandelingen na intentieovereenkomst; schadevergoeding aan de uittreder wegens ongerechtvaardigde verrijking omdat de voortzetter gebruik heeft gemaakt van door de uittreder betaalde of verrichtte prestaties; redelijk, maar niet commercieel loon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.153.982

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, 243199)

arrest van 4 juli 2017

in de zaak van

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

ADCIM B.V.,

gevestigd te Hardinxveld-Giessendam, en

2 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [plaatsnaam] ,

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk: [appellant] en afzonderlijk: ADCIM en [appellant] ,

advocaat: mr. J.P.M. Borsboom,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [plaatsnaam] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M.A. Geuze.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 juni 2016 hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een akte na tussenarrest van [appellant] met producties;

- een antwoordakte na tussenarrest van [geïntimeerde] met producties;

- een akte uitlating producties van [appellant]

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en het gevorderde

2.1

Het hof verwijst naar en volhardt bij hetgeen is overwogen in zijn tussenarrest van 28 juni 2016. Daaruit blijkt dat het thans nog uitsluitend gaat over de onder grief 10 in het principaal appel aan de orde gestelde en in rov. 4.12 en 4.13 van het tussenarrest behandelde vraag of [geïntimeerde] wegens ongerechtvaardigde verrijking schadevergoeding is verschuldigd aan [appellant] , waartoe de zaak ter uitwerking door partijen bij akte naar de rol is verwezen.

Het hof verwijst naar zijn oordeel in rov. 4.8 van het tussenarrest, waarin is overwogen dat een strenge en tot terughoudendheid nopende maatstaf geldt voor schadevergoeding wegens afgebroken onderhandelingen, waarbij de vrijheid om onderhandelingen af te breken uitgangspunt is, tenzij dit op grond van totstandkomingsvertrouwen of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn en waarin voorts is overwogen dat zich hier niet een geval voordoet van ongeoorloofd afbreken van de onderhandelingen. Niettemin kan er ook in zo’n situatie toch ruimte zijn voor toepassing van het leerstuk van ongerechtvaardigde verrijking, zoals blijkt uit het arrest HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1782 (Credit Suisse/Subway).

2.2

Bij hun akte na tussenarrest hebben [appellant] hun subsidiaire vordering verminderd tot € 47.818,69 (€ 15.587,47 wegens externe kosten + € 32.231,22 wegens interne kosten), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 april 2013, althans de dag der dagvaarding.

2.3

Ter beoordeling hiervan worden de volgende feiten vastgesteld.

Na een informeel verzoek van 31 mei 2012 tot medewerking aan de wijziging van het bestemmingsplan en een formeel verzoek van 4 juni 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders op 7 augustus 2012 positief beslist op het principeverzoek en onder meer besloten dat een bestemmingsplanprocedure kon worden gestart, hetgeen bij brief van 13 augustus 2012 aan [appellant] is meegedeeld.

Op 31 juli 2012 is het rapport Verkennend bodemonderzoek van Linge Milieu uitgebracht. Dit was openbaar en lag bij de gemeente ter inzage in opdracht van de vorige eigenaar/verkoper van de boerderij.

In augustus 2012 is het ontwikkelingsplan “ [naam zorgboerderij] , Zorgboerderij te [plaatsnaam] , ‘Zo kan het ook’” opgesteld (productie IV, bijlage 2, tabblad A).

ADCIM heeft op 12 augustus 2012 deelonderzoeken naar de gemeente opgestuurd (wat betreft archeologie, flora en fauna, watertoets, verkennend bodemonderzoek, asbestinventarisatie, verkeerseffecten, luchtkwaliteitsonderzoek, geurcirkels en externe veiligheid).

Op een voortgangsbespreking van 15 november 2012 heeft [appellant] geopperd dat [geïntimeerde] alleen met het project zou verdergaan met een andere financier en dat [geïntimeerde] [appellant] de kosten zou vergoeden.

Op 15 november 2012 heeft Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer BV (verder: Van den Heuvel) in opdracht van [appellant] een toelichting op het bestemmingsplan geschreven (productie IV, bijlage 2, tabblad P).

Per e-mail van 22 november 2012 (productie 12 bij conclusie van antwoord) heeft [appellant] aan [geïntimeerde] bericht te hebben besloten dat hij niet meer aan het project zou meewerken.

Het oorspronkelijke voorontwerp bestemmingsplan heeft vanaf 30 november 2012 bij de gemeente ter inzage gelegen.

Per e-mail van 26 maart 2013 heeft de gemeente [geïntimeerde] aangeschreven over het vertrek van [appellant] uit het tot stilstand gekomen project en meegedeeld:

“Verder graag vermelden of u nu nog gebruik kunt maken van de bestaande bestemmingsplanstukken en deelonderzoeken. En indien u deze stukken niet mag gebruiken op welke wijze u dit dan gaat oplossen en hoeveel tijd daarmee gemoeid is. Dit laatste om een beeld te krijgen van het moment dat het ontwerpbestemmingsplan gereed kan worden opgeleverd voor de terinzagelegging.”

Bij brief van 3 april 2013 (productie IV, bijlage 1, tabblad A) heeft [geïntimeerde] aan de gemeente onder meer bericht:

“Gaande weg het traject is er echter een zakelijk conflict ontstaan tussen [appellant] en ondergetekende, waarbij [appellant] zich teruggetrokken heeft uit het project. Het project wordt nu ongewijzigd door de maatschap [geïntimeerde] -Wilstra (ondergetekende en echtgenote) (…) voortgezet.

(…)
Dhr. [appellant] heeft ons echter inmiddels (…) laten weten dat wij geen gebruik mogen maken van de bestaande bestemmingsplan stukken en deelonderzoeken. (…) hebben wij toch besloten de onderzoeken op zeer korte termijn (maximaal enkele weken) over te doen en de bestemmingsplanstukken verder door een ander bureau te laten verzorgen. Zolang de nieuwe stukken nog niet voorhanden zijn gebruiken we de oude stukken en onderzoeken. Ons inziens hoeft het project hierdoor geen vertraging op te lopen. (…)”.

Op 23 april 2013 heeft de gemeente ingestemd met de afhandeling van de inspraakreacties en is daarmee de weg vrij gemaakt om na oplevering van de planstukken het ontwerp bestemmingsplan ter inzage te leggen.

Op 18 juli 2013 is het ontwikkelingsplan “ [naam zorgboerderij] , Zorgboerderij te [plaatsnaam] , ‘Zo kan het ook’” opgesteld (productie VII bij akte na tussenarrest).

Op 18 juli 2013 heeft Arco Architecten in opdracht van [geïntimeerde] een toelichting op het bestemmingsplan geschreven (productie IV, bijlage 1, tabblad E).

Op 16 augustus 2013 is een aangepast ontwerpbestemmingsplan voor zes weken ter inzage gelegd.

2.4

[appellant] stellen zich op het standpunt dat [geïntimeerde] bij zijn voortzetting van de activiteiten vanaf medio november 2012 heeft geprofiteerd van de werkzaamheden en resultaten van en betaald door [appellant] in de voorfase (fase a. verzoek tot medewerking gemeente en b. voorontwerp bestemmingsplan), met name door te profiteren van de bij de gemeente bereikte resultaten en door gebruik te maken van de door [appellant] geïnitieerde documenten (het voorontwerp bestemmingsplan en de rapportages).

[geïntimeerde] heeft dit bestreden. Daartoe heeft hij onder meer verwezen naar de e-mail van Arco Architecten van 10 november 2016 (productie 27 bij antwoordakte na tussenarrest), waarin deze onder meer heeft geschreven:

“(…)
Wij hebben het oorspronkelijke voorontwerp bestemmingsplan, welke vanaf 30 november 2012 ter inzage heeft gelegen bij de gemeente (…) op uw verzoek opnieuw gemaakt.

Bestemmingsplannen moeten voldoen aan een aantal standaard voorwaarden, teksten en opmaak, welke wij in het door ons gemaakte bestemmingsplan opgenomen hebben. Veel teksten komen overeen met het oorspronkelijke rapport maar dit komt voort uit het feit dat er veel onderdelen als aanleiding, bestaande toestand, beleidskaders met Europees en rijksbeleid, provinciaal beleid, regionaal beleid en gemeentelijk beleid voor ieder plan gelijk zijn en derhalve in alle plannen gelijk zijn.

Wij hebben alle facetten van ons bestemmingsplan zelf onderzocht en onderbouwd.

In het door ons ingediende bestemmingsplan zijn de volgende rapporten bijgevoegd:

Rapport Verkennend Bodemonderzoek van Linge Milieu d.d. 31-07-2012. Dit rapport is 1 op 1 overgenomen vanuit het oorspronkelijke plan omdat dit openbare rapporten zijn. De bodemonderzoeksrapporten worden gemeld bij, in dit geval, Omgevingsdienst Rivierenland en zijn daar met toestemming op te vragen en toe te passen. Deze toestemming hebben wij gekregen van de gemeente (…). Bovendien is dit een rapport wat in opdracht van de vorige eigenaar van de boerderij (…) gemaakt is.

Rapport Verkennend Archeologisch onderzoek is door ons opnieuw laten maken door Hamabest welke de opdracht gegeven hebben aan Van der Poel milieu en Vergeten Landschap.

Dit buro heeft het rapport van onderzoeksbureau SOB Research herschreven hetgeen in het rapport ook is vermeld. E.e.a. is in overleg met de gemeente (…) gebeurd.

Het rapport quickscan Flora en Fauna is door Hamabest opnieuw voor ons gemaakt.

De overige zaken als watertoets, verkeer, luchtkwaliteit en externe veiligheid zijn door ons getoetst en rechtstreeks met eigen teksten in het bestemmingsplan opgenomen. Natuurlijk zijn een aantal uitkomsten overeenkomstig het voorontwerp bestemmingsplan maar dat is ook logisch omdat een aantal zaken op dezelfde wijze benaderd worden. (…)”.

Hiertegenover stellen [appellant] de e-mail van 9 september 2016 van het door hen ingeschakelde bureau Van den Heuvel Ontwikkeling & Beheer (productie IV, bijlage 2, tabblad F), onder meer inhoudend:

“ (…)
Vervolgens is na onenigheid tussen dhr [appellant] en de zorgboerderij het plan bij ons gestaakt, maar de procedure is ermee verdergezet en vanaf de status ontwerp is onze tekst gebruikt in het rapport van een ander bureau.

Doordat het gehele plan is gekopieerd, daarbij gebruikmakende van ons basisdocument en onderzoeken, zonder toestemming onzerzijds is er sprake van plagiaat. (…)”.

2.5

Anders dan [geïntimeerde] aanvoert, vormen diens vroegere aanbiedingen aan [appellant] om, al dan niet onder bepaalde condities, tot een vergoeding ter zake over te gaan geen beletsel voor een onderzoek of schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking geboden is. Niet is immers gebleken dat partijen daarover overeenstemming hebben bereikt.

2.6

Zoals hiervoor onder de feitenvaststelling is opgenomen, werd reeds in de tijd van de samenwerking tussen partijen het besluit tot medewerking verkregen van de gemeente. Verder heeft [geïntimeerde] bij brief van 3 april 2013 uiteengezet zolang het nodig was desnoods zonder toestemming gebruik te maken van de stukken uit de samenwerking. In haar e-mail van 10 november 2016 erkent Arco Architecten dat het Rapport Verkennend Bodemonderzoek van Linge Milieu van 31 juli 2012 één op één is overgenomen uit het oorspronkelijke plan alsook dat het rapport van onderzoeksbureau SOB Research is herschreven. Hoewel het op zichzelf beschouwd logisch voorkomt dat een voorontwerp bestemmingsplan de beleidskaders van diverse overheden zal schetsen en verschillende voorontwerpen in zoverre gelijk kunnen zijn, heeft [geïntimeerde] hiermee toch nog steeds onverklaard gelaten dat het voorontwerp bestemmingsplan vrijwel ongewijzigd in het bestemmingsplan is terechtgekomen en dat, zoals door [appellant] uiteengezet (in hun akte na tussenarrest sub 9 d en e), de documenten uit het ADCIM dossier uit de voorfase zijn gebruikt en zelfs letterlijk overgenomen in de eindfase: 85% van de tekst van het uiteindelijke bestemmingsplan is afkomstig uit het voorontwerp bestemmingsplan; zelfs de inhoudsopgave, nummering, kopjes, letterhoogte, lettertype en schrijffouten zijn integraal overgenomen; de rapportages uit de voorfase zijn overgenomen in het uiteindelijke bestemmingsplan, waaronder de rapportages die in opdracht van [appellant] zijn opgesteld over geurcirkels, externe veiligheid, luchtkwaliteit en verkeer; een vergelijking tussen de beide ontwikkelingsplannen laat tenslotte zien dat kleurstelling, gebruikte tekeningen, teksten en gebruikte literatuur nagenoeg volledig identiek zijn. Daarbij moet worden bedacht dat aan de e-mail van Arco Architecten, tegengesproken door Van den Heuvel Ontwikkeling en Beheer, niet voldoende neutraliteit en betrouwbaarheid toekomt omdat Arco Architecten er nu eenmaal een eigen belang bij zal (kunnen) hebben dat zij niet van plagiaat wordt beschuldigd. Op grond van dit alles kan het hof niet anders concluderen dan dat [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken dat, mogelijk niet hijzelf maar wel zijn opdrachtnemer Arco Architecten, al dan niet met haar hulppersonen, gebruik heeft gemaakt van en heeft voortgebouwd op een aantal essentiële documenten die in de samenwerkingsfase in opdracht en voor rekening van [appellant] waren opgesteld.

Dit kan ook geredelijk verklaren waarom de voor [geïntimeerde] aan een volledige bestemmingsplanwijziging verbonden kosten (ad € 3.573,18 en € 3.308,50, telkens exclusief btw, volgens de facturen van Arco Architecten van 25 september 2013; productie 28 bij antwoordakte na tussenarrest) en de aan de eerste fasen verbonden kosten (ad € 5.420 exclusief btw, volgens de offerte van Arco Architecten van 8 april 2013, productie 20 bij conclusie van antwoord) opvallend lager zijn dan die welke door [appellant] worden gepresenteerd voor alleen al de fasen a. en b. Dit maakt duidelijk dat er sprake is van een vermogensvermeerdering voor [geïntimeerde] .

2.7

In de optiek van [geïntimeerde] moet een dergelijke verrijking worden verminderd met een door hem geleden renteverlies van € 16.627 omdat het project door [appellant] per 15 november 2012 is stilgelegd en hetzij het project heeft stilgelegen gedurende de drie weken van 26 maart tot 23 april 2013, hetzij [geïntimeerde] voortaan alleen moest opdraaien voor de extra kosten verbonden aan de eerdere gezamenlijke keuze voor de langere wijzigingsprocedure van het bestemmingsplan.

2.8

Hierover oordeelt het hof het volgt.

Volgens artikel 6:212 lid 2 BW blijft een verrijking buiten beschouwing voor zover zij is verminderd als gevolg van een omstandigheid die niet aan de verrijkte kan worden toegerekend. De door [geïntimeerde] , op wie ter zake stelplicht rust, aangevoerde omstandigheden hebben geen betrekking op een vermindering van zijn verrijking. Zij zijn veeleer gevolgen van de confrontatie van partijen met het afknappen van hun samenwerking op/na 15 november 2012, waarbij van een toerekenbare tekortkoming niet was gebleken (zie rov. 4.7 van het tussenarrest). Dit verweer wordt verworpen.

2.9

[appellant] hebben hun gestelde externe en interne kosten ad respectievelijk € 15.587,47 en ad € 32.231,22, telkens inclusief btw, uitvoerig gespecificeerd in productie IV, bijlage 3, tabbladen A tot en met N. Net als de overlegmomenten tussen [appellant] en zijn accountant Verstegen accountants en belastingadviseurs (verder: Verstegen) maken de declaraties van Verstegen daarvan geen deel meer uit behalve die van 13 maart 2012 ad € 418 exclusief btw voor zorg. Deze door [appellant] gestelde verarming heeft [geïntimeerde] op een aantal punten in zijn antwoordakte na tussenarrest (sub 39 tot en met 42 met diverse verwijzingen naar de conclusie van antwoord) bestreden.

2.10

Over de externe kosten oordeelt het hof als volgt.

Naar [geïntimeerde] onweersproken heeft aangevoerd, heeft BWZ Ingenieurs voor de werkzaamheden, specifiek gefilterd op die onder 4 sub a tot en met o, € 14.135 exclusief btw, neerkomend op € 17.103,35 inclusief btw, geoffreerd (zie de offerte van 16 april 2013 en specifieke filtering in de producties 21 en 22 bij conclusie van antwoord). Op grond van deze betwisting kan niet worden gezegd dat de naar beneden bijgestelde claim wegens externe kosten ad € 15.587,47 inclusief btw in zijn algemeenheid te hoog is.

Mét [geïntimeerde] oordeelt het hof dat de declaraties van Verstegen voornamelijk betrekking hebben op adviezen over de beoogde samenwerking tussen partijen en het opstellen van de hiervoor benodigde conceptstukken, zodat [appellant] deze declaraties terecht niet langer hebben geclaimd. De toelichting op de declaratie van Verstegen van 13 maart 2012 ad € 418 inclusief btw “voor zorg” is onvoldoende duidelijk om deze te vergoeden.

[geïntimeerde] heeft verder aangevoerd dat aantoonbaar onnodige en zeer uitgebreide werkzaamheden zijn uitgevoerd, terwijl het allemaal wel wat minder had gekund. Maar het hof deelt deze opvatting niet omdat het voor de hand ligt dat iemand die een wijziging van een bestemmingsplan voorstelt, ter vermijding van weerstand, tijdverlies en kosten, zijn verzoek beter meteen zo grondig mogelijk onderbouwt. Bovendien mag ervan worden uitgegaan dat [geïntimeerde] destijds op de hoogte was van de wijze waarop [appellant] de bestemmingswijziging aanpakten en gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] daartegen destijds vanwege het kostenaspect enige bedenking tegenover [appellant] heeft geuit.

Het meer principiële verweer van [geïntimeerde] dat partijen vóór de samenwerking expliciet hebben afgesproken dat ieder de eigen kosten zou dragen om tot een samenwerking te geraken, is in strijd met de twee conclusieregel pas bij antwoordakte na tussenarrest en daarom te laat gevoerd, zodat dit buiten beschouwing blijft.

[geïntimeerde] heeft nog wel verwezen naar het beginsel dat iedere onderhandelingspartij bij het afbreken van onderhandelingen zijn eigen kosten draagt, maar dit verweer heeft hij enkel aangevoerd tegen de kosten in verband met het opstellen van conceptstukken om tot de beoogde samenwerking te geraken, gedeclareerd door Verstegen. [appellant] claimen deze niet langer, zodat dit verweer verder geen bespreking behoeft.

Op grond van het voorgaande moet ervan worden uitgegaan dat de verarming aan de zijde van [appellant] bestaat uit in ieder geval de externe kosten ad € 15.587,47 inclusief btw, verminderd met € 418 exclusief btw ofwel € 505,78 inclusief btw, hetgeen resulteert in € 15.081,69 inclusief btw. Zoals hiervoor al geoordeeld, wordt daarop niet het bedrag van € 16.627 in mindering gebracht.

2.11

Tegenover de uitvoerige specificatie in productie IV, bijlage 3, tabbladen A tot en met N van onder meer de interne kosten van [appellant] heeft [geïntimeerde] dezelfde verweren aangevoerd als tegen de externe kosten, welke verweren hiervoor zijn verworpen. Nadat [geïntimeerde] aanvankelijk had aangevoerd dat hij niet voor dubbel werk van [appellant] behoeft te betalen, heeft hij naar aanleiding van hun specificatie op bijlage 3 tabblad A (met een uitsplitsing naar data, medewerkers, werkzaamheden, bestede uren en uurlonen) dit verweer niet nader toegespitst op de daar uitgesplitste posten, zodat dit verweer onvoldoende concreet en daarmee onvoldoende gemotiveerd is. Tegen het voor [appellant] in rekening gebrachte uurtarief van € 85, volgens [appellant] het uurloon dat gemiddeld in de markt wordt gehanteerd voor een projectleider tevens directeur/aandeelhouder van een advies- en ingenieursbureau (ADCIM), heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat dit niet tussen partijen is overeengekomen. Dit verweer gaat echter naar het oordeel van het hof niet op omdat dan (vergelijk artikel 7:405 lid 2 BW) in ieder geval een redelijk loon is verschuldigd. [geïntimeerde] heeft niet bestreden dat zo’n uurloon passend is, maar dan gaat het wel om commerciële werkzaamheden op basis van overeenkomsten die de opdrachtnemer aangaat in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf. Hier gaat het echter om een gezamenlijk project, waarbij partijen elkaar hadden gevonden in de oprichting van een zorgboerderij voor de tewerkstelling en huisvesting van verstandelijk gehandicapten, onder wie destijds een zoon van [appellant] (zie rov. 3.1 van het tussenarrest van 28 juni 2016). In die bijzondere situatie past niet onverminderd een commercieel loon maar moet het veeleer gaan om een daarmee overeenstemmende zachte declaratie. Daarom worden de interne kosten (ook die van het andere personeel van [appellant] vennootschap ADCIM) naar redelijkheid en billijkheid bepaald op (60% x € 32.231,22 =) € 19.338,73 inclusief btw. Daaraan doet niet af dat [appellant] , zoals deze bij inleidende dagvaarding sub 52 aanvoeren, minimaal 50 uur meer zouden hebben gewerkt maar deze tijd uit coulance niet in rekening brengen, aangezien dit niet controleerbaar is en overigens, ook cumulatief, een onvoldoende tegemoetkoming zou opleveren.

[geïntimeerde] heeft nog wel aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat elk van partijen de eigen kosten dient te dragen, welk uitgangspunt naar zijn opvatting ook geldt voor ieder van partijen bij afgebroken onderhandelingen. Maar voor zijn oordeel hierover verwijst het hof naar rov. 2.10 en voegt daaraan toe dat het uitgangspunt dat ieder van partijen de eigen kosten dient te dragen in ieder geval niet zonder meer geldt voor een geval als hier aan de orde waarin de achterblijvende partij het project verder ontwikkelt met (middellijke) gebruikmaking van de inspanningen van de uittredende partij. Onderhandelingskosten hebben [appellant] in hun akte na tussenarrest niet langer opgevoerd, zodat het verweer daartegen geen bespreking behoeft. Bij gebreke van verder (voldoende gemotiveerd) verweer oordeelt het hof op grond van al het voorgaande voldoende aannemelijk dat [appellant] zijn verarmd door hun interne kosten ad in totaal € 19.338,73 inclusief btw.

2.12

[appellant] zijn dan ook in totaal voor een bedrag van (€ 15.081,69 + € 19.338,73 = ) € 34.420,42 inclusief de onbestreden btw verarmd. Ten koste van hen is [geïntimeerde] , overigens onweersproken, niet voor minder verrijkt.

2.13

Volgens [appellant] is deze verrijking ongerechtvaardigd, dat wil zeggen dat daarvoor geen redelijke grond aanwezig is. Volgens [geïntimeerde] daarentegen is [appellant] eigenhandig met het project aan de haal gegaan, heeft deze op 15 november 2012 de samenwerking beëindigd, is het project door toedoen van [appellant] stil komen te liggen, treft [geïntimeerde] geen schuld aan de situatie, heeft hij nog herhaalde pogingen gedaan om alle relevante en geproduceerde stukken van [appellant] tegen een redelijk aanbod van betaling te verkrijgen en had hij geen keus meer om voor een goedkoper traject te kiezen, terwijl voor risico van [appellant] komt dat hij de in zijn opdracht geproduceerde stukken en opdrachten en de publicatie ervan niet heeft laten stopzetten.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] echter bij de voortzetting van het project onmiskenbaar geprofiteerd van de door [appellant] eerder verrichte en aan derden opgedragen en betaalde werkzaamheden. Al hetgeen [geïntimeerde] heeft aangevoerd ter bestrijding van de afwezigheid van een redelijke grond gaat daarom niet op.

2.14

De gevorderde schadevergoeding is naar het oordeel van het hof ook, met inachtneming van rov. 2.11, redelijk. Zoals in rov. 4.7 van het tussenarrest is overwogen is hun samenwerking geknapt zonder dat van een tekortkoming aan een van beide zijden is gebleken. Dat [appellant] zelf op 15 november 2012 heeft geopperd dat [geïntimeerde] alleen met het project zou verdergaan met een andere financier, maakt schadevergoeding dus niet onredelijk. En bestaat geen aanleiding om te treden in de na de breuk door partijen gevoerde onderhandelingen over de voorwaarden waaronder [geïntimeerde] gebruik kon maken van de inspanningen van [appellant] omdat in ieder geval gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] bereid zou zijn geweest om schade te vergoeden in de omvang zoals thans aan de orde.

2.15

Op grond van ongerechtvaardigde verrijking is de in hoger beroep verminderde vordering voor een bedrag van € € 34.420,42 inclusief btw toewijsbaar, vermeerderd met de onweersproken wettelijke rente vanaf 8 april 2013. Grief 10 is terecht voorgesteld.

2.16

Partijen hebben geen bewijs aangeboden van feiten en omstandigheden die, indien bewezen, tot een andere beslissing zouden leiden. Daarom wordt hun bewijsaanbod gepasseerd.

3. De slotsom

3.1

Het principaal appel slaagt gedeeltelijk, zodat het bestreden vonnissen zullen worden vernietigd. De vordering is toewijsbaar zoals hieronder vermeld en wel, onweersproken, primair aan ADCIM. Het incidenteel appel wordt verworpen.

3.2

Nu beide partijen, alles bijeen genomen, voor een deel in het ongelijk worden gesteld, zullen de kosten van beide instanties worden gecompenseerd zoals hierna vermeld.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het principaal appel:

vernietigt de vonnissen van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 8 januari 2014 en van 16 april 2014 en doet opnieuw recht:

veroordeelt [geïntimeerde] om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan ADCIM een bedrag te betalen van € € 34.420,42, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 8 april 2013 tot de dag der voldoening;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in het incidenteel appel:

verwerpt het incidenteel appel;

in het principaal en incidenteel appel:

bepaalt dat iedere partij haar eigen kosten van beide instanties draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.W. Steeg, L.M. Croes en A.S. Gratama, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.