Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5624

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
200.153.741
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Autoverzekering. Brandschade auto. Vergoeding van dagwaarde of aanschafwaarde? Inlichtingenplicht ex polisvoorwaarden niet nagekomen. Originele aankoopnota noch bankafschrift met betaling gestelde koopprijs overgelegd. Ook anderszins bewijs niet geleverd van de (betaling van de) gestelde koopprijs (aanschafwaarde).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4344
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.153.741

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Apeldoorn, 500337)

arrest van 4 juli 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A.D. van Koningsveld,

tegen:

de naamloze vennootschap

Achmea Schadeverzekeringen N.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

geïntimeerde,

hierna: Achmea,

advocaat: mr. R.H.J. Wildenburg.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 december 2016 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit de brief met productie 17 van [appellant] van 30 mei 2017 en de op 1 juni 2017 gehouden (meervoudige) comparitie van partijen (hierna: zitting).

1.3.

Vervolgens heeft het hof, met instemming van partijen, arrest bepaald.

2 De motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1.

Deze zaak gaat, in conventie, kort gezegd om het volgende. De auto (nader ook: de BMW) van [appellant] is op 13 of 14 mei 2011 door brand beschadigd geraakt. [appellant] had deze auto tegen dit risico verzekerd bij Achmea. Achmea heeft [appellant] de door haar vastgestelde dagwaarde van de auto vergoed zijnde € 23.000,--. [appellant] stelt dat hij de BMW op 10 juli 2009 bij Autobedrijf [X] B.V. heeft gekocht door inruil van een Kia Sorento en contante bijbetaling en dat hij recht heeft op vergoeding van de aanschafwaarde zijnde € 48.750,--. Hij vordert betaling van € 25.000,--.

Uit artikel 4.2.2 van de op de verzekering toepasselijke Bijzondere Voorwaarden Aanrijdingen (p. 30/31 van productie 9 van Achmea eerste aanleg) volgt dat [appellant] recht heeft op vergoeding van de aanschafwaarde en dat de verzekeringnemer deze waarde moet aantonen “door middel van de originele nota en/of het bankafschrift waaruit de betaling aan de verkoper blijkt”. Op of omstreeks 29 juni 2011 heeft [appellant] een factuur (betreffende de BMW) van Autobedrijf [X] B.V. (nader: [X] B.V. ) d.d. 10 juli 2009 en met nummer 113500 aan Achmea verstrekt. Uit onderzoek door de door Achmea ingeschakelde expert [expert Achmea] is op 30 juni 2011 gebleken dat dit niet de originele factuur/nota is maar een uitdraai die kort te voren (namelijk op 14, 15 of 16 mei 2011) was gemaakt vanuit het computer systeem van [X] B.V. De bij [X] B.V. werkzame partner van [appellant] had dit gedaan. [expert Achmea] heeft in een rapport (productie 2 Achmea eerste aanleg) verslag gedaan van zijn bevindingen. Vervolgens heeft [onderzoeker Achmea] (nader: [onderzoeker Achmea] ), van het Bureau Bijzondere Opdrachten Achmea, in opdracht van Achmea nader onderzoek verricht. Blijkens het daarvan opgemaakte rapport (productie 4 van Achmea eerste aanleg) hebben [directeur autobedrijf] (directeur van [X] B.V. ) en [appellant] tegenover hem onder meer verklaard dat er destijds, bij de koop van de BMW, door [X] B.V. geen factuur is opgemaakt. Achmea heeft daarop geweigerd de door [appellant] genoemde aanschafwaarde te vergoeden.

2.2.

[appellant] heeft vervolgens, op enig moment, een andere (aankoop) factuur betreffende de BMW bij Achmea bezorgd. Deze heeft de datum 10 juli 2009 en nummer 093006. [appellant] stelt dat hij deze factuur alsnog in zijn privé administratie heeft gevonden.

2.3.

De kantonrechter heeft [appellant] opgedragen te bewijzen dat de factuur van 10 juli 2009 een originele factuur is en dat betaling van € 48.750,-- heeft plaatsgevonden door inruil van een Kia Sorento (nader: de Kia) en contante betaling. Vervolgens heeft [appellant] twee facturen (van KIA aan de [N.V. appellant] te Antwerpen van 22 juni 2006 en van laatstgenoemde vennootschap aan [X] B.V. d.d. 29 januari 2008) overgelegd en zijn in enquête en contra-enquête getuigen gehoord ( [appellant] , [directeur autobedrijf] , [partner appellant] (de partner van [appellant] ), [onderzoeker Achmea] en [expert Achmea] ). De kantonrechter heeft geoordeeld dat [appellant] het opgedragen bewijs niet heeft geleverd en heeft de vordering afgewezen.

2.4.

Met de grieven legt [appellant] zijn vordering ter beoordeling voor aan het hof. [appellant] stelt met grief I dat de originele factuur (met nummer 093006) door hem aan Achmea is gegeven en dat hij daarmee recht heeft op vergoeding van de (op die factuur vermelde) koopprijs van € 48.750,--. Ter zitting is komen vast te staan dat productie 2 bij de memorie van antwoord een kopie is van de door [appellant] bij Achmea afgegeven factuur. Volgens [appellant] is dit de originele factuur die hij na enig zoeken in zijn eigen administratie heeft gevonden.

Het hof is van oordeel dat niet voldoende is komen vast te staan dat bij de koop van de BMW door [X] B.V. een factuur is afgegeven. In de rapporten van [onderzoeker Achmea] is immers vermeld dat zowel [directeur autobedrijf] als [appellant] aanvankelijk hebben verklaard dat destijds geen factuur is opgemaakt. [onderzoeker Achmea] heeft dit als getuige (onder ede) bevestigd. Daar komt bij dat [expert Achmea] als getuige heeft verklaard dat, bij zijn bezoek aan [X] B.V. zo begrijpt het hof, in de administratie is gezocht door het kenteken van de BMW in te voeren en dat daaruit alleen de factuur naar voren is gekomen die aanvankelijk aan Achmea is overgelegd en dat aan de hand van het factuurnummer (113500) is geconcludeerd dat de factuur tussen 14 en 16 mei 2011 moet zijn opgemaakt, alsook dat weliswaar niet alle facturen uit 2009 zijn doorgenomen maar dat deze niet via het scherm tevoorschijn is gekomen.

[appellant] miskent voorts, los van het voorgaande, dat Achmea, zeker waar aanvankelijk een niet-originele factuur is overgelegd, nader bewijs van de gestelde aanschafwaarde en de betaling daarvan mag verlangen. Hierbij is betrokken dat [appellant] niet stelt en evenmin is gebleken dat hij bij afgifte van de ‘eerste’ factuur (met nummer 113500) heeft toegelicht dat dit een tweede uitdraai was. In dit verband betoogt [appellant] wel dat hij door Achmea niet op de aanschafwaarderegeling is gewezen maar feit is dat hij deze zelf kende zodat aangenomen mag worden dat hij wist dat hij de originele nota/factuur moest overleggen. Dit blijkt tevens uit de getuigenverklaring van [partner appellant] waar zij verklaart: “Dat is de factuur die ik in tweede instantie heb uitgeprint. (…) U vraagt mij waarom ik de factuur twee keer heb uitgeprint. Dat was omdat [appellant] een factuur bij Achmea moest overleggen en hij kon die factuur niet vinden. Hij vroeg toen of er een nieuwe factuur kon worden uitgeprint.”

2.5.

Het hof is met de kantonrechter van oordeel dat uit de nadere, na het tussenvonnis van 12 juni 2013 plaatsgevonden, bewijsvoering en getuigenverhoren niet (voldoende) duidelijk blijkt dat [appellant] € 48.750,- voor de BMW heeft betaald en dat deze bewijslevering integendeel meer vragen heeft opgeroepen dan dat vragen zijn beantwoord. Kortheidshalve wordt verwezen naar hetgeen de kantonrechter overwoog in het vonnis van 26 maart 2014 onder 2.7. Deze onduidelijkheid wordt nog versterkt doordat [appellant] verklaart dat hij de originele factuur van (zijn vennootschap naar Belgisch recht) [N.V. appellant] aan Autobedrijf [X] B.V. in zijn bezit heeft – over (de layout van) deze factuur heeft ook het hof vragen – maar dat hij deze desondanks niet heeft overgelegd. [appellant] heeft evenmin andere stukken ter zake de Kia overgelegd (zoals de factuur betreffende de aanschaf van de BMW door [X] B.V. ) en ook ter zake de gestelde contante betaling ontbreekt elk boekhoudkundig bewijs. Dit brengt mee dat niet is komen vast te staan wat de aanschafwaarde van de BMW is geweest. De conclusie is dat grief IV faalt.

2.6.

[appellant] beklaagt zich met de grieven II-IV en ter zitting over het handelen van Achmea. Volgens [appellant] stuurde de verzekeraar aan op vergoeding van de dagwaarde zonder hem als klant en consument te informeren over zijn recht op vergoeding van de aanschafwaarde.

Wat hier ook van zij, dit betoog kan [appellant] niet baten reeds omdat hij (uiteindelijk) wel aanspraak op deze regeling heeft gemaakt.

In het verlengde van voorgaande ligt de klacht van [appellant] dat Achmea hem niet goed heeft geïnformeerd over hetgeen hij moest overleggen en aantonen bij zijn beroep op vergoeding van de aanschafwaarde. In het bijzonder is hem niet duidelijk gezegd dat hij een ‘originele’ aanschafnota moest overleggen.

Het hof verwijst naar hetgeen hieromtrent onder r.o. 2.4. is overwogen; voldoende staat vast dat [appellant] wist dat hij de originele nota moest overleggen en dat hij niet kon volstaan met het opnieuw uitdraaien van een nota/factuur, nog daargelaten dat niet is komen vast te staan dat bij de aankoop van de BMW een factuur is opgemaakt. Overigens is in dit geval het probleem niet slechts gelegen in (de verwarring omtrent) de originele factuur, maar (vooral) in de onduidelijkheid ten aanzien van de door [appellant] aan [X] B.V. betaalde prijs.

2.7.

De grieven V en VI richten zich tegen de toewijzing van de vordering in reconventie te weten vergoeding van de door Achmea gestelde onderzoekskosten, zijnde de kosten van het onderzoek door [expert Achmea] en [onderzoeker Achmea] ad totaal € 1.261,88. Achmea legt aan deze vordering ten grondslag dat [appellant] onjuiste gegevens heeft verstrekt en daarom, op grond van artikel 6:74 en 162 Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 16 lid 1 onder f en g van de toepasselijke polisvoorwaarden, deze kosten aan Achmea dient te vergoeden. Tevens bestaat er volgens Achmea op grond van artikel 7: 941 lid 5 BW (opzet tot misleiding) geen recht op dekking en dus ook geen recht op vergoeding van de te maken kosten bij afhandeling van de schade.

2.8.

De kosten van [onderzoeker Achmea] zijn toewijsbaar omdat [appellant] tekort is geschoten in zijn verplichting om Achmea volledig en juist te informeren (artikel 16 lid 1 onder f en g van de poliswaarden) en er voldoende oorzakelijk verband bestaat tussen dit tekortschieten en deze kosten. Causaal verband met de kosten van [expert Achmea] ontbreekt omdat, zoals [appellant] terecht betoogt, diens werkzaamheden (uren) in elk geval grotendeels zien op het vaststellen van de dagwaarde van de BMW, welke dagwaarde ook is vergoed. Achmea heeft erop gewezen dat een deel van de werkzaamheden van [expert Achmea] betrekking had op onderzoek naar de door [appellant] afgegeven (niet-originele) nota, maar omdat zij heeft nagelaten aan te geven om welk deel dat gaat, ziet het hof geen grond om een deel van de kosten van het onderzoek van [expert Achmea] toe te wijzen. De grieven treffen aldus doel voor zover deze de kosten van het onderzoek van [expert Achmea] betreffen.

2.9.

[appellant] vordert tevens veroordeling van Achmea tot terugbetaling aan [appellant] van al hetgeen hij reeds op grond van het vonnis van de kantonrechter heeft betaald. Ter zitting is gebleken dat [appellant] nog niets heeft betaald ter zake van dit vonnis zodat deze vordering wordt afgewezen.

2.10.

De eindconclusie is dat de grieven falen behoudens de grieven V en VI, zodat de bestreden vonnissen moeten worden bekrachtigd met uitzondering van de toewijzing van de vordering in reconventie. Deze wordt beperkt tot de kosten van (het onderzoek door) [onderzoeker Achmea] zijnde € 779,91. De hoogte van deze kosten is niet betwist. De proceskostenveroordeling in reconventie blijft in stand omdat het grootste deel van de toegewezen vordering in stand blijft.

2.11.

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Achmea zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.920,--

- salaris advocaat € 2.316,-- (twee punten x tarief III)

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de kantonrechter te Apeldoorn van 12 juni 2013 en 26 maart 2014 behoudens voor zover [appellant] (in reconventie) is veroordeeld tot betaling aan Achmea van € 1.261,88,-- (vermeerderd met wettelijke rente) en vernietigt dit vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan Achmea van € 779,91, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf veertien dagen na 26 maart 2014;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Achmea vastgesteld op € 1.920,00 voor verschotten en op € 2.316,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin vervatte veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.J. Engberts, Z.J. Oosting, en L.M. Croes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017.