Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5533

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-07-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15/01354 t/m 15/01358
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:5503, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Invoer schade-auto’s. Proceskosten. Kosten van niet aangekondigde deskundige ter zitting. Afwijking van jurisprudentie Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1818
V-N 2017/51.18.2
Viditax (FutD), 28-07-2017
FutD 2017-1902
NTFR 2017/2201 met annotatie van Mr. drs. R. Steenman
NLF 2017/1888 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Belasting

Locatie Arnhem

nummers 15/01354 tot en met 15/01358

uitspraakdatum: 4 juli 2017

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland van 3 september 2015, nummers AWB 14/8632, AWB 14/8633, AWB 14/8634, AWB 14/8635 en AWB 15/636, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Emmen (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende zijn vijf naheffingsaanslagen in de belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd ten bedrage van respectievelijk € 1.622, € 924, € 1.382, € 1.418 en € 1.441, alsmede vijf boetebeschikkingen en vijf belastingrentebeschikkingen.

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar de naheffingsaanslagen en boetebeschikkingen gehandhaafd en de belastingrentebeschikkingen vernietigd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.4.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft voorts nadere stukken ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoren voorts de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben.

1.6.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 22 juni 2017 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbendes gemachtigde mr. [A] , bijgestaan door [B] (taxateur) alsmede mr. [C] en mr. [D] namens de Inspecteur.

1.7.

Zowel de gemachtigde van belanghebbende als de Inspecteur heeft een pleitnota overgelegd.

2 Beoordeling van het geschil

2.1.

Partijen zijn ter zitting in het kader van een compromis als volgt overeengekomen:

  • -

    zaaknummer 15/01354 (Renault Grand Scénic 1.5 dCi Expression; VIN: [00000] ): de bruto BPM bedraagt € 7.754, van de handelsinkoopwaarde van de auto zonder schade van € 7.443 wordt 96% in aanmerking genomen, derhalve € 7.145, van de door de taxateur vastgestelde schade van € 6.389 wordt 75% in aanmerking genomen, derhalve € 4.791, hiervan wordt 72%, derhalve € 3.449, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde volgens de (gecorrigeerde) koerslijst van € 7.145, zodat de handelsinkoopwaarde met schade € 3.696 beloopt. Uitgaande van een historische nieuwprijs van de auto van € 31.635 bedraagt de afschrijving derhalve 88,32% en de verschuldigde BPM 11,68% van € 7.754 = € 905. Belanghebbende komt in aanmerking voor een extra aftrek op de herrekende bruto BPM, zodanig dat de tabelkorting wordt verleend gedurende het tijdsverloop tussen het moment waarop de herrekende bruto BPM wordt vastgesteld (datum aangifte: 28 maart 2014) en het moment waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan (registratie: 17 april 2014)(de zogenoemde leeftijdskorting). Ten tijde van de aangifte was de auto drie jaar, drie maanden en zesentwintig dagen oud. De afschrijving op grond van de tabel van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 was op dat moment (tabel 2014) 58,664%. Dit betekent dat de herrekende BPM kan worden vastgesteld op € 905:(1 -/- 0,58664) = € 2.189. Op het moment van de registratie, op 17 april 2014, was de auto drie jaar, vier maanden en vijftien dagen oud. De tabelafschrijving bedroeg op dat moment (tabel 2014) 61,163%. Dit betekent dat de verschuldigde BPM met inachtneming van het opgetreden tijdsverloop sinds het moment van aangifte op het moment van registratie nog 38,837% van € 2.189 = € 850 bedraagt. In aanmerking genomen dat belanghebbende ter zake van de auto € 253 op aangifte heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 597. De boetebeschikking dient te worden vernietigd.

  • -

    zaaknummer 15/01355 (Renault Scénic 1.5 dCi Dynamique; VIN: [00001] ): de bruto BPM bedraagt € 8.251, van de door de taxateur vastgestelde schade van € 3.847 wordt 75% in aanmerking genomen, derhalve € 2.885, hiervan wordt 72%, derhalve € 2.077, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van € 4.087, zodat de handelsinkoopwaarde met schade € 2.010 beloopt. Uitgaande van een historische nieuwprijs van de auto van € 35.265 bedraagt de afschrijving derhalve 94,30% en de verschuldigde BPM 5,70% van € 8.251 = € 470. Belanghebbende komt in aanmerking voor een extra aftrek op de herrekende bruto BPM, zodanig dat de tabelkorting wordt verleend gedurende het tijdsverloop tussen het moment waarop de herrekende bruto BPM wordt vastgesteld (datum aangifte: 27 maart 2014) en het moment waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan (registratie: 14 april 2014)(de zogenoemde leeftijdskorting). Ten tijde van de aangifte was de auto vijf jaar, één maand en vijftien dagen oud. De afschrijving op grond van de tabel van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 was op dat moment (tabel 2014) 74,328%. Dit betekent dat de herrekende BPM kan worden vastgesteld op € 470:(1 -/- 0,74328) = € 1.830. Op het moment van de registratie, op 14 april 2014, was de auto vijf jaar, twee maanden en twee dagen oud. De tabelafschrijving bedroeg op dat moment (tabel 2014) 74,744%. Dit betekent dat de verschuldigde BPM met inachtneming van het opgetreden tijdsverloop sinds het moment van aangifte op het moment van registratie nog 25,256% van € 1.830 = € 462 bedraagt. In aanmerking genomen dat belanghebbende ter zake van de auto € 57 op aangifte heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 405. De boetebeschikking dient te worden vernietigd.

  • -

    zaaknummer 15/01356 (Opel Zafira 1.7 CDTi Essentia; VIN: [00002] ): de bruto BPM bedraagt € 7.671, van de handelsinkoopwaarde van de auto zonder schade van € 9.295 wordt 96% in aanmerking genomen, derhalve € 8.923, van de door de taxateur vastgestelde schade van € 5.612 wordt 75% in aanmerking genomen, derhalve € 4.209, hiervan wordt 72%, derhalve € 3.030, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde volgens de (gecorrigeerde) koerslijst van € 8.923, zodat de handelsinkoopwaarde met schade € 5.893 beloopt. Uitgaande van een historische nieuwprijs van de auto van € 31.210 bedraagt de afschrijving derhalve 81,12% en de verschuldigde BPM 18,88% van € 7.671 = € 1.448. In aanmerking genomen dat belanghebbende ter zake van de auto € 904 op aangifte heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 544. De boetebeschikking dient te worden vernietigd.

  • -

    zaaknummer 15/01357 (Renault Laguna Estate 2.0 dCi Dynamique; VIN: [00003] ): de bruto BPM bedraagt € 8.974, van de door de taxateur vastgestelde schade van € 5.751 wordt 75% in aanmerking genomen, derhalve € 4.313, hiervan wordt 72%, derhalve € 3.105, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van € 6.285, zodat de handelsinkoopwaarde met schade € 3.180 beloopt. Uitgaande van een historische nieuwprijs van de auto van € 36.395 bedraagt de afschrijving derhalve 91,26% en de verschuldigde BPM 8,74% van € 8.974 = € 784. Belanghebbende komt in aanmerking voor een extra aftrek op de herrekende bruto BPM, zodanig dat de tabelkorting wordt verleend gedurende het tijdsverloop tussen het moment waarop de herrekende bruto BPM wordt vastgesteld (datum aangifte: 27 maart 2014) en het moment waarop het belastbare feit zich heeft voorgedaan (registratie: 14 april 2014)(de zogenoemde leeftijdskorting). Ten tijde van de aangifte was de auto vijf jaar, één maand en veertien dagen oud. De afschrijving op grond van de tabel van artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992 was op dat moment (tabel 2014) 74,328%. Dit betekent dat de herrekende BPM kan worden vastgesteld op € 784:(1 -/- 0,74328) = € 3.053. Op het moment van de registratie, op 14 april 2014, was de auto vijf jaar, twee maanden en één dag oud. De tabelafschrijving bedroeg op dat moment (tabel 2014) 74,744%. Dit betekent dat de verschuldigde BPM met inachtneming van het opgetreden tijdsverloop sinds het moment van aangifte op het moment van registratie nog 25,256% van € 3.053 = € 771 bedraagt. In aanmerking genomen dat belanghebbende ter zake van de auto € 134 op aangifte heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 637. De boetebeschikking dient te worden vernietigd.

2.2.

Het Hof zal dienovereenkomstig beslissen.

2.3.

In de zaak met nummer 15/01358 gaat het om een Opel Zafira 1.7 CDTi Business (VIN: [00004] ). Tussen partijen is in geschil of op de netto catalogusprijs, die ten grondslag ligt aan de bruto BPM, een bedrag van € 50 wegens verzekeringskosten in mindering kan worden gebracht.

2.4.

Ingevolge paragraaf 5.9 van het Kaderbesluit bpm, zoals geldend tot en met 29 december 2014, wordt onder bepaalde voorwaarden niet in de netto catalogusprijs begrepen een bedrag waarvoor importeurs of fabrikanten een verzekeringspakket aanbieden. Belanghebbende betoogt dat zij ook recht heeft op deze vermindering omdat er auto’s in Nederland aanwezig zijn die een dergelijke vermindering hebben genoten, dat moet worden uitgegaan van de laagste waarde en dat, omdat de onderhavige auto uit het buitenland komt, deze nooit aan de gestelde voorwaarden kan voldoen. Dit leidt ertoe dat buitenlandse auto’s per definitie worden benadeeld ten opzichte van Nederlandse auto’s, althans is niet uit te sluiten dat dit het geval is, aldus belanghebbende. De Inspecteur weerspreekt zulks.

2.5.

Het Hof acht aannemelijk dat voor een deel van de soortgelijke zich op de Nederlandse markt bevindende auto’s, door het in 2.4 bedoelde verzekeringspakket, een lagere netto catalogusprijs geldt als door belanghebbende gesteld en daardoor minder BPM was verschuldigd. Aldus wordt op de auto van belanghebbende een hogere BPM geheven dan die nog rust op reeds op de Nederlandse markt aanwezige auto’s. Zulks is krachtens het Unierecht niet toegestaan.

2.6.

Gelet op het voorgaande moet worden uitgegaan van een netto catalogusprijs van € 20.750 en een bruto BPM van € 8.066.

2.7.

Van de handelsinkoopwaarde van de auto zonder schade van € 6.156 wordt 96% in aanmerking genomen, derhalve € 5.909, van de door de taxateur vastgestelde schade van € 5.916 wordt 75% in aanmerking genomen, derhalve € 4.437, hiervan wordt 72%, derhalve € 3.194, in mindering gebracht op de handelsinkoopwaarde volgens de (gecorrigeerde) koerslijst van € 5.909, zodat de handelsinkoopwaarde met schade € 2.715 beloopt. Uitgaande van een historische nieuwprijs van de auto van € 33.235 bedraagt de afschrijving derhalve 91,83% en de verschuldigde BPM 8,17% van € 8.066 = € 658. In aanmerking genomen dat belanghebbende ter zake van de auto € 56 op aangifte heeft voldaan, dient de naheffingsaanslag te worden verminderd tot € 602. De boetebeschikking dient te worden vernietigd.

3 Proceskosten

3.1.

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

Beroepsmatig verleende rechtsbijstand

3.2.

Deze zaak is ter zitting van de Rechtbank en van het Hof behandeld tegelijk met een aantal andere BPM-zaken waarbij dezelfde gemachtigde als professionele rechtsbijstandverlener optrad. Het Hof is van oordeel dat de naheffingsaanslagen geen samenhangende zaken vormen als bedoeld in artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Bpb) (per 1 januari 2015). Gelet op de aard van de problematiek in de onderhavige zaken, waarin per auto een taxatierapport is opgesteld en waarin de schade per auto wat aard en omvang betreft verschilt, kan namelijk niet gezegd worden dat de gemachtigde in de onderhavige zaken nagenoeg identieke werkzaamheden kon verrichten (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 15/03065, ECLI:NL:HR:2016:420). Evenmin kan worden gezegd dat de naheffingsaanslagen nagenoeg identieke besluiten vormen als bedoeld in artikel 3, lid 2, van het Bpb zoals dat vóór 1 januari 2015 gold.

3.3.

De kosten zijn op de voet van het Bpb voor kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand te berekenen op € 990 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor de zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 495) en € 990 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor de zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 495), derhalve in totaal € 1.980.

3.4.

Op grond van artikel 2, lid 3, van het Bpb kan in bijzondere omstandigheden worden afgeweken van de forfaitaire bedragen van het Bpb.

3.5.

Uit de Nota van Toelichting bij het Bpb, Stb. 1993, 763, volgt dat de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden in het Bpb is opgenomen omdat in uitzonderlijke gevallen strikte toepassing van de forfaitaire regeling onrechtvaardig kan uitpakken. De rechter kan daarom in gevallen waarin sprake is van bijzondere omstandigheden de volgens het Bpb berekende vergoeding verlagen of verhogen, aldus deze toelichting. Verder wordt aldaar opgemerkt dat hierbij geen afbreuk mag worden gedaan aan het karakter van een tegemoetkoming in de daadwerkelijke kosten. Voorts wordt benadrukt dat er werkelijk sprake moet zijn van een uitzondering.

3.6.

Gelet op deze toelichting dient de uitzondering wegens bijzondere omstandigheden terughoudend te worden toegepast (HR 8 april 2011, nr. 10/00652, ECLI:NL:HR:2011:BQ0415). Voor een afwijking van de forfaitaire regeling is aanleiding als het voor elke individuele zaak vasthouden aan die regeling leidt tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft (HR 9 oktober 2015, nr. 14/04108, ECLI:NL:HR:2015:2990). Daarbij dient in aanmerking te worden genomen de omstandigheid dat de vergoedingen op grond van het Bpb het karakter hebben van een tegemoetkoming in de werkelijke kosten (HR 25 september 2015, nr. 14/04107, ECLI:NL:HR:2015:2794).

3.7.

Wanneer bij de bepaling van de omvang van de vergoeding onverkort voor elke individuele zaak wordt vastgehouden aan de forfaitaire regeling zonder rekening te houden met de omstandigheid dat de gemachtigde van belanghebbende in tientallen soortgelijke zaken rechtsbijstand verleent, en – los van de feitelijke geschillen omtrent de schade en de invloed hiervan – in alle zaken, zij het steeds in wisselende combinaties, zuiver juridische geschilpunten aan de orde zijn gesteld, waarbij de gebezigde argumenten per geschil in belangrijke mate overeenkomen, zal dit naar het oordeel van het Hof leiden tot een vergoeding die de in redelijkheid gemaakte kosten ver overtreft. Daarom zal het Hof afwijken van de forfaitaire bedragen van het Bpb. Het Hof zal uitgaan van € 500 per zaak.

Kosten taxateur ter zitting

3.8.

Belanghebbende heeft in de onderhavige vijf zaken aanspraak gemaakt op vergoeding ten bedrage van (5 x € 98,49 =) € 492,45 ter zake van de kosten van de door haar ter zitting meegebrachte deskundige [B] . De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat voor een dergelijke vergoeding geen grond bestaat nu belanghebbende niet overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:60, lid 4, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) mededeling heeft gedaan aan hem en aan het Hof van de komst van de deskundige naar de zitting. Die omstandigheid vormt naar het oordeel van het Hof echter geen reden om geen proceskostenvergoeding ter zake van een deskundige toe te kennen. Artikel 8:75 Awb in verbinding met artikel 1, onderdeel b en artikel 2, eerste lid, onderdeel b, Bpb stellen voor het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een door een partij naar de zitting meegebrachte deskundige immers niet de eis dat die deskundige tijdig, overeenkomstig artikel 8:60, vierde lid, Awb, is aangekondigd. Het niet aankondigen kan wel een reden zijn de deskundige niet tot de procedure toe te laten. In het onderhavige geval heeft de Inspecteur zich echter niet verzet tegen het horen van [B] (de deskundige) ter zitting en [B] heeft ter zitting desgevraagd uitleg gegeven met betrekking tot de door hem opgemaakte taxatierapporten. Tegen de hoogte van het bedrag als zodanig heeft de Inspecteur zich niet verzet. Nu belanghebbende als ondernemer de bedragen aan omzetbelasting in aftrek kan brengen, dient de vergoeding echter exclusief omzetbelasting te worden vastgesteld. Alsdan komt voor de onderhavige vijf zaken als vergoeding in aanmerking een bedrag van (5 x € 81,40 =) € 407. Opmerking verdient nog dat het Hof zich realiseert dat het met deze beslissing tot toekenning van een kostenvergoeding voor een niet vooraf aangekondigde deskundige afwijkt van kennelijk vaste jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar het Hof sluit zich voor de gronden hiertoe aan bij de uitspraak van Hof ‘s-Hertogenbosch 13 augustus 2015, nr. 14/00468, ECLI:NL:GHSHE:2015:3215.

3.9.

Gelet op het vorenoverwogene, komt in de onderhavige vijf zaken voor vergoeding in aanmerking (5 x € 500 =) € 2.500 plus € 407 is € 2.907.

4 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart de beroepen bij de Rechtbank gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraken op bezwaar, behoudens de beslissingen met betrekking tot de belastingrentebeschikkingen;

  • -

    vermindert de naheffingsaanslagen tot respectievelijk € 597, € 405, € 544, € 637 en € 602;

  • -

    vernietigt de boetebeschikkingen;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.907; en

  • -

    gelast de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden de door haar betaalde griffierechten voor beroep en hoger beroep van in totaal € 2.140.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2017

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 4 juli 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.