Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5471

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
05-07-2017
Zaaknummer
21-006298-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 231 Sr specialis van artikel 225 Sr

Door een niet in Nederland woonachtige, uit Bulgarije afkomstige, verdachte opzettelijk gebruik maken van een vervalst Bulgaars rijbewijs. Derhalve sprake van valsheid met een niet erkend identiteitsbewijs, dat niet onder de werkingssfeer van artikel 231 Sr valt, op grond waarvan vervolging op basis van artikel 225 Sr mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-006298-16

Uitspraak d.d.: 20 juni 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland van 12 augustus 2016 met parketnummer 18-206085-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 juni 2017.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 maand, met aftrek. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Nu de politierechter verdachte heeft vrijgesproken van het onder 2 ten laste gelegde, kan verdachte voor zover het hoger beroep is gericht tegen deze vrijspraak daarin niet worden ontvangen.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen vernietigen omdat het vonnis op de voet van artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering is aangetekend en daarom niet de in hoger beroep voorgeschreven vermeldingen bevat. Het hof zal daarom in zoverre opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - voor zover voor dit hoger beroep van belang - tenlastegelegd dat:

1:
hij op of omstreeks 6 januari 2015 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) (Bulgaars) rijbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, voornoemd rijbewijs heeft getoond aan een of meer wachtmeesters van de KMAR ten behoeve van het vaststellen van verdachtes identiteit en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat

- de achtergrond van het rijbewijs door middel van een printtechniek werd aangebracht

- het rijbewijs qua kleur, detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie/druk- en beveiligingstechnieken niet overeen kwam met een origineel door de autoriteiten van Bulgarije afgegeven document van dit model.

Bewezenverklaring

In het bijzonder gelet op de verklaring van verdachte ter zitting van het hof, dat het betreffende rijbewijs hem door een Bulgaarse rijschoolhouder in België tegen betaling is verstrekt zonder tussenkomst van enige officiële autoriteit, is het hof van oordeel dat verdachte op zijn minst bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het door hem gebruikte rijbewijs vervalst was. Dat levert voorwaardelijk opzet op.

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:
hij op 6 januari 2015 te [plaats] , in de gemeente [plaats] , opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalst Bulgaars rijbewijs - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, voornoemd rijbewijs heeft getoond aan een wachtmeester van de KMAR ten behoeve van het vaststellen van verdachtes identiteit en bestaande die vervalsing hierin dat

- de achtergrond van het rijbewijs door middel van een printtechniek werd aangebracht

- het rijbewijs qua kleur, detaillering, toegepast basismateriaal en gebruikte productie/druk- en beveiligingstechnieken niet overeen kwam met een origineel door de autoriteiten van Bulgarije afgegeven document van dit model.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Met ingang van 1 mei 2014 is artikel 231 van het Wetboek van Strafrecht (Sr) ingrijpend gewijzigd en kan dit artikel vanaf die datum worden aangemerkt als specialis van artikel 225 Sr., met in de kamerstukken opgenomen als reden onder meer dat andere wettelijk erkende identiteitsbewijzen dezelfde strafrechtelijke bescherming genieten als reisdocumenten. Immers “Niet alleen reisdocumenten, maar ook andere identiteitsbewijzen die bij of krachtens artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht zijn aangewezen, hebben al lang niet meer louter de functie waarvoor ze in het leven geroepen zijn, ( … ), maar vervullen in het maatschappelijk verkeer ook de functie van een identificatiemiddel” (Kamerstukken II 2011/2012, 33 352, nr. 3, p. 3 ev.). Eén en ander maakt dat artikel 231 Sr ten laste dient te worden gelegd in geval van verdenking van fraude met reisdocumenten en identiteitsbewijzen anders dan reisdocumenten, tenzij sprake is van valsheid met niet erkende identiteitsbewijzen, zijnde identiteitsbewijzen die vallen buiten het bepaalde in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. In dergelijke gevallen blijft

vervolging op basis van artikel 225 Sr mogelijk.

Art. 1, eerste lid, van de Wet op de identificatieplicht (hierna: WID) luidt:

"Als documenten waarmee in bij de wet aangewezen gevallen de identiteit van personen kan worden vastgesteld, worden aangewezen:

(...)

4° een geldig rijbewijs dat is afgegeven op basis van de Wegenverkeerswet, een geldig rijbewijs als bedoeld in artikel 107 van de Wegenverkeerswet 1994 of een rijbewijs dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, waarvan de houder in Nederland woonachtig is, zolang de bij de Wegenverkeerswet 1994 vastgestelde termijn van geldigheid in Nederland niet is verstreken, aan de houder geen administratieve maatregel bedoeld in paragraaf 9 van hoofdstuk VI van de Wegenverkeerswet 1994 is opgelegd of aan hem niet de bijkomende straf bedoeld in artikel 179 van die wet is opgelegd en mits het rijbewijs is voorzien van een pasfoto van de houder."

Op grond van de processtukken en het verhandelde ter zitting stelt het hof vast dat verdachte op de in de onder 1 ten laste gelegde pleegdatum van 6 januari 2015 houder was van het vervalste Bulgaarse rijbewijs. Hoewel een Bulgaars rijbewijs een identiteitsbewijs in de zin van artikel 1 Wet op de identificatieplicht kan zijn, was verdachte toen echter niet woonachtig in Nederland, zodat in het onderhavige geval dit rijbewijs op 6 januari 2016 niet viel onder de definitie van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Derhalve is sprake van valsheid met een niet erkend identiteitsbewijs, dat niet onder de werkingssfeer van artikel 231 Sr valt, op grond waarvan vervolging op basis van artikel 225 Sr mogelijk is.

Gelet op het vorenstaande levert het onder 1 bewezen verklaarde op:

opzettelijk gebruik maken van een vervalst geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Het hof heeft onmiddellijk na het onderzoek ter terechtzitting uitspraak gedaan in aanwezigheid van verdachte. De strafoplegging is toen mondeling gemotiveerd. Deze motivering wordt opgenomen in het proces-verbaal van die zitting en dient als hier herhaald en ingelast te worden beschouwd. De aldus gemotiveerde strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 63 en 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 1 (één) maand.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis.

Aldus gewezen door

mr. M.H.M. Boekhorst Carrillo, voorzitter,

mr. T.H. Bosma en mr. A. van Holten, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.A. Boersma, griffier,

en op 20 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.