Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:542

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-01-2017
Datum publicatie
11-05-2017
Zaaknummer
200.168.923/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en nevenvoorzieningen. Verrekening kosten huishouding. Vervalbeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 81
Burgerlijk Wetboek Boek 1 83
Burgerlijk Wetboek Boek 1 84
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 248
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 843a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2017/112 met annotatie van M.A. Zon
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.168.923

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 331331)

beschikking van 26 januari 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. D. Vrolijks te Amersfoort,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F.J.B.A. Duijnstee te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 10 juli 2013 (uitgesproken onder voormeld zaaknummer en zaaknummer 331329) en 28 januari 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties 1-18, ingekomen op 24 april 2015;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep met producties 1-9;

- het verweerschrift in het incidenteel hoger beroep met productie 19;

- een journaalbericht van mr. Vrolijks van 17 maart 2016 met bijlagen (tevens houdende wijziging van eis);

- een journaalbericht van mr. Duijnstee van 21 maart 2016 met bijlagen.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 31 maart 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Het hof heeft op de mondelinge behandeling aan partijen meegedeeld mede gelet op de twee-conclusieleer geen acht te kunnen slaan op productie 19 van mr. Vrolijks (een door de man geschreven eigen “pleitnotitie” ).

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 16 mei 1992 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden, die op 15 mei 1992 bij de notaris zijn verleden. De huwelijkse voorwaarden luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

Artikel 1

1. De echtgenoten zijn gehuwd buiten elke gemeenschap van goederen.

2. Ieder der echtgenoten behoudt derhalve hetgeen hij of zij ten huwelijk aanbrengt en staande huwelijk op welke wijze dan ook verkrijgt.

(…)

Artikel 3

1. De kosten van de huishouding (…) komen ten laste van de inkomens van de echtgenoten, naar evenredigheid daarvan.

2. Voor zover de inkomens ontoereikend zijn, komen deze kosten ten laste van ieders vermogen naar evenredigheid daarvan.

3. Onder inkomen wordt in dit verband verstaan al wat naar maatschappelijke opvatting tot het netto-inkomen behoort.

4. Indien in de kosten van de huishouding niet overeenkomstig het vorenstaande werd bijgedragen, kan telkens na afloop van het kalenderjaar verrekening worden gevorderd; dit recht vervalt twee jaar na afloop van dat jaar.

(…)

Artikel 5

1. Zolang partijen een gemeenschappelijke huishouding voeren, verplichten zij zich jegens elkaar jaarlijks ter verdeling bij helfte bijeen te voegen hetgeen van hun inkomen uit arbeid alsmede uit inkomen als bedoeld in lid 2 van dit artikel over dat jaar onverteerd is en niet is besteed ter dekking van de kosten van de huishouding of op andere wijze gelijkelijk aan beiden ten goede is gekomen.

2. Ten aanzien van inkomen uit bedrijf, onderneming of zelfstandig uitgeoefend beroep wordt – voor de toepassing van dit artikel – onder “inkomen” alleen verstaan de daadwerkelijk opgenomen winst, zodat niet opgenomen winsten (…) niet worden beschouwd als inkomen dat verdeling in aanmerking komt.

3. Verrekening kan niet worden gevorderd over de periode nadat partijen duurzaam geen gemeenschappelijke huishouding meer voeren, noch over een periode gelegen na het aanhangig maken van een procedure tot (…) echtscheiding.

(…)

Artikel 9

(…)

2. Bij het einde van het huwelijk door echtscheiding alsmede bij scheiding van tafel en bed zullen de echtgenoten met elkaar afrekenen alsof zij in algehele gemeenschap van goederen gehuwd waren (…). Buiten de afrekening blijven echter alle aanbrengsten ten huwelijk, al wat krachtens erfrecht of door schenking is verkregen, de revenuen daarvan en wat voor een en ander in de plaats is gekomen, alsmede wat klaarblijkelijk onverteerd is gebleven van hetgeen op grond van de jaarlijkse verrekening werd verkregen.

3. (…) De afrekening als in lid 2 bedoeld geschiedt naar de toestand en de waarde op de dag waarop de procedure tot echtscheiding (…) aanhangig werd gemaakt.

(…)

Artikel 10

1. In geval van ontbinding van het huwelijk anders dan door overlijden zullen de echtgenoten met betrekking tot aanspraken op al of niet ingegaan pensioen onderling een redelijke en billijke regeling of afrekening treffen op basis van de waarde van die aanspraken, opgebouwd gedurende het bestaan van het huwelijk, tot aan de dag waarop een procedure tot echtscheiding (…) aanhangig is gemaakt.

3.2

Partijen hebben geen uitvoering gegeven aan de in artikel 3 lid 4 en artikel 5 lid 1 van hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen periodieke verrekening van hun inkomens.

3.3

De man is op 1 augustus 2011 uit de echtelijke woning vertrokken en heeft op

17 oktober 2012 een verzoek tot echtscheiding bij de rechtbank Utrecht ingediend. Bij beschikking van die rechtbank van 10 juli 2013 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk van partijen is op 13 april 2015 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

3.4

Bij de bestreden beschikking van 28 januari 2015 heeft de rechtbank partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun verzoeken met betrekking tot de finale verrekening en de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn regresvordering die ziet op de hypotheekrente en de eigenaarslasten van de woning, in zijn verzoek met betrekking tot de schuld aan het Huiswerk Instituut [woonplaats] en in zijn verzoek met betrekking tot de kentekenregistratie van de oldtimer Alfa Romeo Zagato. Verder heeft de rechtbank de wijze van verdeling van de eenvoudige gemeenschappen vastgesteld zoals onder 3.4 tot en met 3.6 van de bestreden beschikking is vermeld (en dat deel van het dictum uitvoerbaar bij voorraad verklaard) en het meer of anders verzochte afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

De man is met drie grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De grieven richten zich tegen de niet-ontvankelijkverklaring van de man in zijn verzoeken om afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en finale verrekening (grief 1), in zijn verzoek tot vergoeding van de helft van de door hem betaalde hypotheekrente en eigenaarslasten ter zake van de gemeenschappelijke woning van partijen (grief 2) en in zijn verzoek de kentekenregistratie van de oldtimer Alfa Romeo Zagato te wijzigen (grief 3). De man verzoekt – kort weergegeven – te bepalen dat de vrouw in het kader van de finale verrekening aan hem € 33.568,36 dient te voldoen (te vermeerderen met de wettelijke rente) en ter zake van de kosten van de gemeenschappelijke woning € 584,30 per maand (met ingang van 1 september 2011 tot de datum waarop de eigendom van de woning is overgegaan), de vrouw te bevelen de kentekenregistratie van de oldtimer Alfa Romeo Zagato op naam van de man te doen stellen, op straffe van een dwangsom van € 500,- voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke blijft en – na wijziging van zijn verzoek – de assurantieportefeuille voor een waarde van € 55.698,- in de afwikkeling te betrekken indien de vrouw niet aan de voorwaarden voldoet voor de door haar gewenste waardering van die portefeuille door een deskundige.

Hij heeft tevens voor zover nodig zijn verzoek gewijzigd in die zin dat aan zijn zijde een bedrag van € 25.441,04 als verrekenplichtig vermogen in aanmerking dient te worden genomen.

4.2

De vrouw is op haar beurt met één grief in incidenteel hoger beroep gekomen. De grief ziet op de afwijzing van het verzoek van de vrouw tot verrekening van de kosten van huishouding. De vrouw verzoekt – kort weergegeven – de man in het kader van de verrekening van de bijdragen in de kosten van huishouding op grond van artikel 843a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te verplichten alle gegevens en bescheiden te verstrekken, vast te stellen hetgeen zij naar rato van de inkomens van partijen teveel heeft bijgedragen in voormelde kosten en de man te veroordelen om het te verrekenen bedrag aan haar te voldoen (te vermeerderen met de wettelijke rente).

4.3

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

grief 1 principaal hoger beroep; afwikkeling huwelijksvoorwaarden

5.1

Ter mondelinge behandeling hebben partijen overeenstemming bereikt inhoudende dat zij ter zake van de uitvoering van het finaal verrekenbeding dat in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen (grief 1 in het principaal hoger beroep) over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben; een afschrift van de overeenkomst tussen partijen zal aan de eindbeschikking worden gehecht. Het hof leidt hieruit af dat de man zijn verzoek aldus heeft verminderd en geen beslissing meer wenst ten aanzien van het verzoek onder a. in zijn beroepschrift.

grief 2 principaal hoger beroep; vergoeding hypotheekrente en eigenaarslasten

5.2

De man stelt dat hij vanaf zijn vertrek uit de echtelijke woning in augustus 2011 alle maandelijkse schulden die zijn verbonden aan de echtelijke woning heeft betaald. Deze schulden bedragen per maand € 1.168,60 en betreffen de hypotheekrente van € 790,55 per maand en andere eigenaarslasten, zoals de premie voor de polis van levensverzekering, de ozb, de premie opstalverzekering, de waterschapslasten en onderhoudskosten. Partijen zijn samen eigenaar van deze woning en dienen deze schulden ieder voor de helft te dragen. De vrouw dient aan hem vanaf 1 september 2011 tot de dag dat de woning aan een van hen is toegedeeld of aan een derde is geleverd een bedrag van € 584,30 te betalen. De man verzoekt het hof aldus te bepalen. De vrouw heeft de omvang van de per maand te betalen bedragen aan hypotheekrenten en overige lasten niet betwist. Zij betwist wel gehouden te zijn de helft van de bedragen die de man per maand heeft betaald en betaalt aan hem te voldoen.

5.3

Anders dan de vrouw en de rechtbank is het hof gelet op artikel 827 lid 1 onder f Rv van oordeel dat de door de man verzochte nevenvoorziening voldoende samenhang vertoont met het verzoek tot echtscheiding en dat niet is te verwachten dat de behandeling daarvan tot onnodige vertraging van het geding zal leiden.

5.4

Naar het oordeel van het hof zijn de hypotheekrente en de andere eigenaarslasten noodzakelijke uitgaven voor wonen en behoren deze tot de kosten van de huishouding. Partijen hebben in artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden afgesproken dat zij de kosten van de huishouding zullen dragen naar evenredigheid van hun inkomsten respectievelijk hun vermogen. Deze afspraak is gelet op de tekst van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden niet beperkt tot de kosten van de gezamenlijke of gemeenschappelijke huishouding en geldt ook voor de periode vanaf het vertrek van de man uit de echtelijke woning tot de ontbinding van het huwelijk op 13 april 2015. Dat partijen, zoals de man stelt, vanaf 1 september 2011 deze schulden voor de helft dragen heeft hij gelet op de bedoelde afspraak van partijen niet onderbouwd. De man komt derhalve over de periode van 1 september 2001 tot 13 april 2015 niet de door verzochte vergoeding toe voor deze betalingen. Deze kosten komen hierna nog wel aan de orde in verband met de door de vrouw verzochte verrekening van de kosten van de huishouding. In zoverre faalt grief 2 van de man in het principaal hoger beroep.

5.5

Het hof is verder van oordeel dat de vrouw wel gehouden is de helft van de door de man betaalde bedragen vanaf 13 april 2015 aan hem te voldoen, aangezien zij voor de helft draagplichtig is voor deze schulden. Nu de gebruiksvergoeding is berekend over de overwaarde van de woning doet het bestaan van deze gebruiksvergoeding niet af aan de draagplicht van de vrouw voor de betaling van de hypotheekrente of andere schulden die verband houden met de woning. Het hof zal bepalen dat de vrouw vanaf 13 april 2015 tot de dag dat de woning aan een van partijen is toegedeeld of aan een derde is geleverd gehouden is aan de man de helft van de door hem betaalde hypotheekrenten en andere schulden die verband houden met de woning te betalen tot een bedrag van € 584,30 per maand. In zoverre slaagt grief 2 van de man in het principaal hoger beroep.

grief 1 incidenteel hoger beroep; verrekening kosten huishouding

5.6

De vrouw verzoekt alsnog verrekening van onevenredige bijdragen in de kosten van huishouding over de gehele periode van het huwelijk (16 mei 1992 tot 13 april 2015) op grond van artikel 3 lid 1 van de huwelijkse voorwaarden en verzoekt het hof op de voet van 843a Rv te bepalen dat de man alle gegevens en bescheiden te verstrekken die voor de vaststelling van die verrekening nodig zijn. Zij voert aan dat haar bijdrage in de kosten van huishouding hoger is geweest dan naar evenredigheid van de inkomens van beide echtgenoten. Volgens de vrouw heeft de rechtbank haar verzoek ten onrechte gezien als gegrond op artikel 5 van de huwelijkse voorwaarden (dat ziet op verdeling van overgespaarde inkomsten) en valt haar verzoek niet onder de algehele verrekening van artikel 9 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden. Volgens de vrouw verzet de redelijkheid zich tegen een beroep op de vervaltermijn in artikel 3 lid 4 van de huwelijkse voorwaarden voor de verrekening van de kosten van de gemeenschappelijke huishouding door de man. De vrouw kan haar verrekenvordering niet specificeren, omdat zij ondanks haar verzoek daartoe niet de bankrekeningafschriften van de man heeft verkregen.

5.7

De man voert aan dat het niet reëel is om te verwachten alle kosten van de huishouding over de gehele huwelijkse periode - 1992 tot augustus 2011 - te verantwoorden, onder meer gelet op het tijdsverloop en de omstandigheid dat partijen geregeld contante bedragen opnamen. Voorts voert de man aan dat de vrouw door zelf jarenlang geen uitvoering aan de verrekening van de kosten van de huishouding te geven stilzwijgend heeft ingestemd met de gang van zaken, en dat zij voldoende mondig en financieel juridisch geschoold was om, indien er voor haar aanleiding zou zijn geweest te veronderstellen dat de bijdrage van partijen niet naar evenredigheid van hun inkomens was dit aan de orde te stellen en te incasseren. De vrouw mocht gelet op haar financiële achtergrond bekend worden verondersteld met ieders bijdrage in de kosten van de huishouding maar heeft zich nimmer beklaagd, zodat zij haar recht heeft verwerkt. De vrouw heeft onvoldoende gesteld/bewezen en voor omkering van de bewijslast (artikel 3 lid 4 van de huwelijksvoorwaarden) is geen grond. Het is voorts niet de bedoeling dat de vrouw een “fishing expedition” uitvoert. De man voert ten aanzien van de gezinsuitgaven over 2010 en 2011 aan dat hij wel degelijk naar evenredigheid heeft bijgedragen; van zijn netto inkomen van € 46.725,- is in die periode € 43.668,- aan gezinsuitgaven opgegaan.

5.8

Het hof oordeelt als volgt.

Bij gelegenheid van de zitting bij de rechtbank van 27 mei 2013 heeft de vrouw in de procedure voor het eerst aangegeven dat zij tijdens het huwelijk veel heeft bijgedragen in de gemeenschappelijke huishouding, dat dit nooit verrekend is, dat dit moeilijk inzichtelijk is te maken en dat de man niet meehelpt. De man heeft tijdens die zitting aangevoerd dat de afgelopen twee jaar de administratie voor de vrouw ter inzage is geweest. Het verzoek van de vrouw tot verrekening van kosten van de huishouding is in de echtscheidingsprocedure voor het eerst gedaan in eerste aanleg bij haar akte van 11 maart 2014. De vrouw stelt daarin dat zij haar inkomen altijd geheel heeft besteed aan de kosten van de huishouding terwijl de man slechts bijdroeg op haar verzoek, wanneer zij tekort kwam om deze kosten te voldoen; zij heeft altijd alles voor de kinderen, de inboedel, de dagelijkse boodschappen, vakanties en tot medio 2007 de hypotheek betaald. De man ontving de kinderbijslag en genoot de fiscale aftrek van de hypotheekrente ook in de periode (1992 - medio 2007) dat de vrouw deze betaalde. De man heeft hierdoor altijd meer van zijn inkomen overgehouden. De vrouw heeft diverse onregelmatigheden/onjuistheden geconstateerd in het overzicht van de man van zijn bijdragen over de jaren 2010 en 2011 in zijn productie 7. Het totale bedrag dat de vrouw in dezelfde periode heeft bijgedragen is overigens vergelijkbaar; de vrouw heeft daarom meer bijgedragen dan op grond van de inkomensverhouding redelijk is. Over de gehele huwelijkse periode is de verdeling gemiddeld genomen nog schever geweest dan uit deze twee jaren naar voren komt, aldus de vrouw. De man heeft vervolgens in zijn akte uitlating afwikkeling huwelijksvoorwaarden gedateerd 14 maart 2014 bevestigd dat partijen aan het periodiek verrekenbeding van artikel 5 van de huwelijksvoorwaarden nimmer uitvoering hebben gegeven. De periodieke verrekenplicht strekt zich uit over de periode dat partijen daadwerkelijk een gemeenschappelijke huishouding voeren. De periodieke verrekenplicht is per 1 augustus 2011 komen te vervallen aangezien de man per die datum definitief uit de echtelijke woning is vertrokken. Op grond van artikel 9 lid 2 van de huwelijkse voorwaarden dienen partijen bij beëindiging van het huwelijk door echtscheiding met elkaar af te rekenen alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Voorts heeft de man (zie de brief van zijn advocaat van 10 november 2014) nog aangevoerd dat hij over de jaren 2010 en 2011 in totaal € 77.740,43 heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding (productie 24). De vrouw heeft ter zitting bij de rechtbank op 16 december 2014 nog benadrukt dat zij vindt dat zij verhoudingsgewijs teveel heeft bijgedragen en daarvoor gecompenseerd wil worden. Van de zijde van de man is toen aangegeven dat het gevoel van de vrouw onterecht is.

5.9

In hoger beroep heeft de vrouw bij journaalbericht van 21 maart 2016 onder meer een – door de man niet betwiste – e-mail van 25 november 2011 over gelegd. Daarin heeft zij aan de man geschreven: …“Zoals je weet heb ik gedurende ons huwelijk steeds weer aangedrongen op inzicht in onze financiële situatie en een eerlijker/evenredige verdeling van de lasten etc. jij hebt dit structureel geweigerd en er is ook niet jaarlijks verrekend overeenkomstig onze huwelijkse voorwaarden. Ook hierin heb jij eenzijdig besloten om gemaakte afspraken niet na te komen en mij op financieel gebied onwetend te houden. Tijdens en na de verbouwing heb ik vervolgens aangegeven, dat wij flink moesten bezuinigen (en weer gevraagd om openheid van zaken), omdat ons uitgavepatroon gezien mijn inkomsten al jarenlang niet vol te houden was. Helaas heb jij altijd geweigerd om aan mijn verzoeken tegemoet te komen. Ook daarom ben ik momenteel niet eens in staat om een voorstel te doen. Je zult bij dus eerst alsnog volledig inzicht moeten geven in de financiële situatie van onze huishouding/huwelijk etc. met toevoeging van onderliggende stukken/ bewijzen alvorens ik hier überhaupt iets zinnigs over kan zeggen.”…

Uit deze mail wordt duidelijk dat de vrouw in 2011 en ook eerder wel openheid van zaken aan de man heeft gevraagd en dat zij van mening is dat zij naar verhouding teveel heeft bijgedragen. Het hof leest in deze e-mail van de vrouw een verzoek aan de man om verrekening van de huishoudelijke kosten. Gelet op artikel 5 lid 3 in samenhang met artikel 3 lid 4 van de huwelijksvoorwaarden beschouwt het hof dit als een verzoek aan de man om verrekening van de kosten van de huishouding over de jaren 2009 tot en met 2011. Het hof gaat daarom ervan uit dat het verzoek van de vrouw voor zover het deze jaren betreft tijdig is gedaan. Dat geldt – gelet op het verzoek van de vrouw tot verrekening van de kosten van de huishouding in haar akte van 11 maart 2014 – ook voor de jaren daarna, dat is de periode van 1 januari 2012 tot en met 13 april 2015.

5.10

Het hof is anders dan de vrouw van oordeel dat de redelijkheid zich niet verzet tegen toepassing van het vervalbeding van artikel 3 lid 4 van de huwelijksvoorwaarden wat de jaren 1992 tot en met 2008 betreft. Het is niet realistisch om eerst aan het einde van het huwelijk over de gehele huwelijkse periode rekening en verantwoording van alle kosten van de huishouding te vragen, zeker niet bij een zo lang huwelijk als dat van partijen.

Partijen hebben bij huwelijkse voorwaarden afspraken gemaakt, en van de vrouw mocht – mede gelet op haar financiële achtergrond – verwacht worden dat zij eerder verrekening van de kosten van de huishouding had gevraagd indien daarvoor aanleiding was.

Het hof ziet derhalve geen reden om het vervalbeding van artikel 3 lid 4 en artikel 5 lid van de huwelijksvoorwaarden buiten toepassing te laten.

5.11

De vrouw verzoekt ook verrekening van de kosten van de huishouding voor de periode dat partijen niet meer samenwoonden. De man gaat kennelijk ervan uit dat voor die periode verrekening niet aan de orde is. Zoals hiervoor onder 5.6 al is overwogen hebben partijen in artikel 3 van hun huwelijkse voorwaarden afgesproken dat zij de kosten van de huishouding zullen dragen naar evenredigheid van hun inkomsten respectievelijk hun vermogen. Deze afspraak is gelet op de tekst van artikel 3 van de huwelijkse voorwaarden niet beperkt tot de kosten van de gezamenlijke of gemeenschappelijke huishouding. Evenmin zijn gedragingen of verklaringen gesteld of gebleken die rechtvaardigen dat de man mocht verwachten dat deze afspraak niet zou gelden in het geval partijen geen gemeenschappelijke huishouding zouden voeren. Het hof oordeelt dat de afspraak die partijen hebben gemaakt over de draagplicht van de kosten van de huishouding ook geldt ook voor de periode vanaf het vertrek van de man uit de echtelijke woning tot de ontbinding van het huwelijk op 13 april 2015. Aldus dient nog verrekening van de kosten van de huishouding plaats te vinden over de periode 1 januari 2009 tot 13 april 2015.

5.12

Het hof beschikt niet over de gegevens om deze verrekening vast te stellen. Niet alleen uit artikel 1:83 BW, maar ook uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid (artikel 6:248 lid 1 BW) vloeit voort dat partijen ter uitvoering van hetgeen zij in artikel 3 lid 4 van hun huwelijkse voorwaarden over de verrekening van de kosten van de huishouding zijn overeengekomen aan elkaar de daarvoor benodigde informatie, gegevens en bescheiden dienen te verstrekken. Daarnaast kan ook op de voet van artikel 843a Rv worden verzocht om die gegevens. De vrouw heeft daarbij een rechtmatig belang in verband met het vaststellen van de verrekening van de kosten van de huishouding. Het moet dan wel voldoende duidelijk zijn om welke bescheiden het gaat.

5.13

Op grond van het vorenstaande ziet het hof aanleiding - mede met toepassing van artikel 22 Rv - partijen op te dragen over de jaren 2009 tot en met 13 april 2015 een opgave te doen van alle gegevens die van belang zijn voor de vaststelling van de verrekening van de kosten van de huishouding. Deze opgave dient voor elk jaar te bevatten het netto inkomen, van de betreffende partij, de totale kosten van de huishouding en de kosten die door de betreffende partij zijn voldaan. Partijen dienen zoveel als mogelijk bewijsstukken van de door hen op te geven bedragen over te leggen. Het hof zal partijen de gelegenheid geven te reageren op de opgave van de wederpartij en zal daarna verder beslissen. Het hof geeft partijen in overweging eerst met elkaar in overleg te treden om te bezien of zij op dit punt een vergelijk kunnen treffen.

grief 3 principaal hoger beroep; wijziging kentekenregistratie

5.14

De rechtbank heeft de man niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek om de vrouw te veroordelen (op straffe van een dwangsom), om de kentekenregistratie van de aan hem toe behorende peronenauto, merk Alfa Romeo, type Zagato, te wijzigen.

5.15

De man voert aan dat zijn verzoek een nevenverzoek is in de zin van 827 lid 1 sub f en dat sprake is van voldoende samenhang met het verzoek tot echtscheiding. Het gaat immers om auto die de man ten huwelijk heeft aangebracht, die vermeld is op de staat van aanbrengsten zodat het van verrekening uitgezonderd vermogen betreft.

5.16

De vrouw voert verweer; volgens haar gaat het hier om van verrekening uitgezonderd vermogen, zodat de vordering van de man geen betrekking heeft op de gevolgen van scheiding.

5.17

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de man een nevenverzoek in de zin van artikel 827 lid 1 sub f is en dat sprake is van voldoende samenhang met het verzoek tot echtscheiding. Het verzoek leidt voorts niet tot een vertraging van het geding, maar juist tot een snellere beslissing dan wanneer de man een afzonderlijke procedure zou moeten aanspannen.

5.18

Vast staat dat de auto tot het privévermogen van de man behoort en niet in de verrekening dient te worden betrokken, zodat de auto na het einde van het huwelijk naar de man terug moet. Het hof acht dan ook de vordering van de man tot veroordeling van de vrouw om binnen 7 dagen na betekening van deze beschikking, de kentekenregistratie van de auto op naam van de man te doen stellen toewijsbaar. Het hof acht voorts, gelet op de weigerachtigheid van de vrouw om de auto weer op naam van de man te stellen, een dwangsom passend en geboden van € 100,- per dag dat zij in gebreke blijft, tot een maximum van € 10.000,-. Grief 3 van de man in het principaal hoger beroep slaagt.

5.19

Op grond van het vorenstaande zal het hof partijen in de gelegenheid stellen de in 5.13 bedoelde opgaven over te leggen en iedere verdere beslissing aanhouden.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

stelt partijen in de gelegenheid uiterlijk op 1 april 2017 de in 5.13 bedoelde opgave met daarbij horende bewijsstukken over te leggen, waarna partijen de gelegenheid krijgen uiterlijk op 1 mei 2017 bij brief te reageren op de opgave van de wederpartij;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.U.M. van der Werff, J.H. Lieber en M.L. van der Bel, is bij afwezigheid van de voorzitter getekend door mr. J.H. Lieber en is op 26 januari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.