Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5328

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-06-2017
Datum publicatie
28-07-2017
Zaaknummer
15/00296
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:1169, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:273
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Negatieve Persoonsgebondenaftrek. Onderhoud onroerende zaken. Subsidie op termijn.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NLF 2017/1923 met annotatie van Marlies Kastelein
V-N Vandaag 2017/1824
V-N 2017/44.1.1
Viditax (FutD), 31-07-2017
FutD 2017-1926 met annotatie van Fiscaal up to Date
Viditax (FutD), 23-02-2018
NTFR 2017/2404 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

nummer 15/00296

uitspraakdatum: 27 juni 2017

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 februari 2015, nummer AWB 14/6466, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Almere (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 165.295. Bij beschikking is daarbij het verlies uit aanmerkelijk belang vastgesteld op € 5.518. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 3.010.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar het belastbare inkomen uit werk en woning verminderd tot € 91.962, de verliesbeschikking aanmerkelijk belang gehandhaafd en de heffingsrente verminderd tot € 1.333.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 26 februari 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 maart 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [B] . Vanwege de afwezigheid door ziekte van de gemachtigde van belanghebbende is het onderzoek ter zitting geschorst.

1.6

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 1 juni 2016 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende en mr. drs. [C] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door drs. [D] .

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat op 30 juni 2016 aangetekend aan partijen is verzonden.

1.8

Het Hof heeft het vooronderzoek heropend teneinde de Inspecteur in de gelegenheid te stellen zijn bewijsaanbod gestand te doen. Nadat de Inspecteur zijn stukken had ingediend, heeft belanghebbende daarop gereageerd. Naar aanleiding van het antwoord van belanghebbende heeft het Hof bij brief van 5 april 2017 vragen aan belanghebbende gesteld. Belanghebbende heeft bij brief van 28 april 2017 antwoord gegeven op deze vragen. De Inspecteur heeft hierop schriftelijk gereageerd bij brief van 19 mei 2017.

1.9

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 7 juni 2017 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. drs. [C] , als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [A] namens de Inspecteur, bijgestaan door [E] .

1.10

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is één van de erfgenamen van [F] , belanghebbendes vader (hierna: [F] ). [F] is [in] 2000 overleden. Bij zijn overlijden liet [F] zijn echtgenote, [G] (hierna: [G] ), en vier kinderen na. [F] en [G] waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. In de huwelijkse gemeenschap vielen onder meer 26 huurwoningen aan [de a-straat] 3 tot en met 15-II en [de b-straat] 262, 266, 270 en 272 te [H] (hierna: de onroerende zaken). [G] is in 2015 overleden.

2.2

[F] heeft in de jaren 1998 tot en met 2000 ingrijpend onderhoud verricht aan de onroerende zaken. Hij heeft in zijn aangiften IB/PVV over die jaren in totaal € 494.815 aan onderhoudskosten op zijn inkomen in aftrek gebracht. Hiervan heeft de Inspecteur een bedrag van € 476.092 geaccepteerd. Voor de financiering van de onderhoudskosten is [F] een lening (hierna: de SOT-lening) aangegaan bij de Stichting Nationaal Restauratie Fonds (hierna: het Restauratiefonds). Hiervoor is hypothecaire zekerheid op de onroerende zaken gevestigd ten behoeve van het Restauratiefonds.

2.3

Op 13 februari 2001 heeft het college van burgermeester en wethouders van Amsterdam aan “ [F + G] ” een subsidie onder voorwaarden en onder een tijdsbepaling (subsidie op termijn, hierna: SOT) toegekend van € 530.923 voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan de onroerende zaken. In de toekenning van de SOT is onder meer het volgende opgenomen:

“Gezien het verzoek van [F + G] aan de gemeente om de subsidie vast te stellen en uit te betalen voor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan 26 huurwoningen:

[de b-straat] 262,

[de b-straat] 266,

[de b-straat] 270,

[de b-straat] 272,

[de a-straat] 3-I-II,

[de a-straat] 5-H-I-II,

[de a-straat] 7-I-II-III,

[de a-straat] 9-I-II-III-IV,

[de a-straat] 11-H-I-II-III,

[de a-straat] 13-H-I-II-III,

[de a-straat] 15-I-II

(…)

Overwegende;

• dat het plan is uitgevoerd overeenkomstig de gestelde voorwaarden

• dat het Stadsdeel Oost/Watergraafsmeer het plan in aanmerking heeft gebracht om de subsidie vast te stellen en uit te betalen;

• dat het rentepercentage van de Stichting Nationaal Restauratiefonds bij het besluit tot verlenen van de subsidie is bepaald op 5,5%;

BESLUITEN:

in overeenstemming met het verzoek van het Stadsdeel Oost/Watergraafsmeervoor het treffen van ingrijpende voorzieningen aan 26 particuliere huurwoningen vast te stellen:

• de ‘subsidie op termijn’ ten bedrage van f 45.000,00 per woning, zijnde totaal ƒ 1.170.000 die op een termijn van 10 jaar beschikbaar komt, […]

De bovengenoemde besluiten kunnen geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken in geval dat:

a. niet is voldaan aan de in de Verordening Woninggebonden Subsidies van het Regionaal Orgaan Amsterdam 1995 opgenomen subsidievoorwaarden;

b. de subsidie is verleend of vastgesteld op grond van gegevens en gebleken is dat deze zodanig onjuist waren, dat op basis van de juiste gegevens een andere beslissing zou zijn genomen;

c. binnen tien jaar na het besluit tot verlenen van de subsidie de woningen onder bijzondere titel worden vervreemd. Van een eventuele eigendomswisseling dient de Stedelijke Woningdienst Amsterdam onverwijld in kennis te worden gesteld (meldingsplicht).

d. binnen tien jaar na het besluit tot verlenen van de subsidie de woningen aan de bestemming tot huurwoning worden onttrokken. Van een eventuele bestemmingswijziging dient de Stedelijke Woningdienst Amsterdam onverwijld in kennis te worden gesteld (meldingsplicht).

e. binnen tien jaar na het besluit tot verlenen van de subsidie de woningen worden gesplitst dan wel een vergunning tot splitsing wordt aangevraagd. Van een eventuele (aanvraag tot) splitsing dient de Stedelijke Woningdienst Amsterdam onverwijld in kennis te worden gesteld (meldingsplicht).

f. gedurende tien jaar na het besluit tot vaststellen van de subsidie het onderhoud van de woningen niet toereikend is.”

2.4

In de aangifte voor het recht van successie is opgemerkt dat de vier kinderen de enige erfgenamen zijn van [F] , ieder voor een vierde gedeelte.

2.5

In de akte van verdeling van 10 augustus 2001 hebben [G] en de erfgenamen de tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap en de daarin vervatte nalatenschap van [F] behorende woningen aan [de a-straat] 3-H, 3-1, 3-2, 9-H, 9-1, 9-2 en 9-3 te [H] aan [G] toegedeeld. De overige woningen in [H] (hierna: de onroerende zaken) zijn toegedeeld aan drie van de kinderen, onder wie belanghebbende, ieder voor een gelijk deel (hierna: de drie erfgenamen). In de akte van verdeling heeft [G] verklaard, dat met deze akte de algehele gemeenschap van goederen en de daarin vervatte nalatenschap van [F] geheel en al is verdeeld.

2.6

Nadat aan de voorwaarden voor het uitkeren van de SOT is voldaan, heeft het Restauratiefonds in 2011 de uitkering van de SOT verrekend met de SOT-lening.

2.7

Belanghebbende heeft op 12 juni 2013 zijn aandeel in het onverdeelde eigendom van de onroerende zaken verkocht. Op 16 oktober 2013 heeft hij dit aandeel geleverd.

2.8

Bij de aanslagregeling IB/PVV 2011 heeft de Inspecteur een bedrag van € 146.666 als negatieve persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen, zijnde een derde deel van € 440.000. De Inspecteur heeft hierbij niet het gehele bedrag van de SOT in de heffing betrokken, omdat hij slechts de SOT heeft belast, voor zover [F] in zijn aangiften IB/PVV kosten in aftrek heeft gebracht waarvoor de SOT is verstrekt.

2.9

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur een bedrag van € 73.333 als negatieve persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen, aangezien hij ten onrechte er geen rekening mee had gehouden dat [G] op grond van het huwelijksvermogensrecht tot de helft van de onverdeelde boedel gerechtigd was.

2.10

Nadat het de Inspecteur in hoger beroep duidelijk is geworden, dat er vier erfgenamen waren, bepleit hij een bedrag van € 55.000 als negatieve persoonsgebonden aftrek.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur terecht en tot het juiste bedrag de SOT als negatieve persoonsgebonden aftrek bij belanghebbendes inkomen uit werk en woning in aanmerking heeft genomen. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze deels bevestigend.

3.2

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en vermindering van de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 18.629 en een verlies uit aanmerkelijk belang van € 5.518.

3.3

De Inspecteur concludeert eveneens tot vernietiging van de uitspraken van de Rechtbank en de Inspecteur en tot vermindering van de aanslag naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.629 en een verlies uit aanmerkelijk belang van € 5.518.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge onderdeel Ua, tweede lid van de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Invoeringswet) wordt voor de toepassing van artikel 3.139 van de Wet IB 2001 mede als negatieve persoonsgebonden aftrek van een belastingplichtige in aanmerking genomen hetgeen door hem is ontvangen aan door een gemeente toegekende subsidie ter zake van onderhoud aan een pand, niet zijnde een monumentenpand, voor zover de subsidie betrekking heeft op onderhoud waarvan de kosten en lasten als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aanmerking zijn genomen.

4.2

Ingevolge artikel 2.17, zesde lid, van de Wet IB 2001 wordt indien een persoonsgebonden aftrek van een belastingplichtige in aanmerking is genomen bij zijn partner, een met die aftrek verband houdende negatieve persoonsgebonden aftrek eveneens in aanmerking genomen bij die partner, zo die persoon nog steeds kan kwalificeren als partner van de belastingplichtige.

4.3

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2002/2003, 29 026, nr. 3, p. 15 en 16) is opgemerkt dat het voor niet-monumentenpanden mogelijk is dat na 31 december 2000 nog een subsidie wordt ontvangen ter zake van onderhoud dat nog onder de Wet op de inkomstenbelasting 1964 in aftrek is gekomen. Aangegeven wordt dat in het overgangsrecht nog moet worden geregeld dat deze subsidies worden aangemerkt als een negatieve persoonsgebonden aftrek.

4.4

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat [F] € 440.000 van de kosten en lasten van onderhoud waarvoor de SOT is toegekend, op zijn inkomen in aftrek heeft gebracht. Hij verwijst hiervoor naar het bedrag van € 476.092 aan onderhoudskosten waarmee de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV 1998, 1999 en 2000 rekening heeft gehouden. Aangezien dit bedrag volgens de Inspecteur ook kosten en lasten bevat waarop de SOT geen betrekking heeft, heeft hij een aftrek toegepast van € 36.092. Belanghebbende stelt dat in de door [F] in zijn aangiften opgegeven onderhoudskosten, ook bedragen aan gas, licht en water zijn opgenomen. Een cijfermatige uitwerking ontbreekt. Tegenover de niet onderbouwde weerspreking door belanghebbende, heeft de Inspecteur naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat hij met de door hem toegepaste aftrek voldoende rekening heeft gehouden met kosten en lasten waarvoor de SOT niet is toegekend. De aan [F] toegekende SOT van € 530.923 (fl. 1.170.000) voor het onderhoud van de woningen is hoger dan het door de Inspecteur gehanteerde bedrag van € 440.000. Dit geeft eveneens steun aan de stelling van de Inspecteur, dat het door hem in aanmerking genomen bedrag niet te hoog is.

4.5

De Inspecteur rekent aan belanghebbende een SOT van € 55.000 toe en stelt dat deze als negatieve persoonsgebonden aftrek op grond van onderdeel Ua, tweede lid, van de Invoeringswet bij belanghebbende belast is. De Inspecteur heeft de SOT toegerekend overeenkomstig ieders aandeel in de onverdeelde boedel: [G] 50% (haar aandeel in de huwelijksgemeenschap) en de vier erfgenamen ieder 12,5%.

4.6

Belanghebbende heeft hiertegen ingebracht dat belanghebbende de SOT niet heeft ontvangen, omdat bij de verdeling de SOT aan [G] is toebedeeld. [G] heeft volgens belanghebbende alle kosten, waaronder de rentekosten voor de SOT-lening, voldaan en heeft alle huursommen uit de onroerende zaken ontvangen.

4.7

Over de toerekening van de negatieve persoonsgebonden aftrek overweegt het Hof het volgende. Een negatieve persoonsgebonden aftrek wordt in aanmerking genomen bij de persoon die de aftrek in aanmerking heeft genomen (artikel 2.17, zesde lid, van de Wet IB 2001). De rechten en verplichtingen die verband houden met naar hun aard belastbare inkomsten en aftrekbare uitgaven die ten tijde van het overlijden van de erflater nog niet door hem waren genoten onderscheidenlijk nog niet bij hem in aanmerking konden worden genomen, veranderen in het algemeen bij de overgang op de erfgenaam niet van aard en worden derhalve op de in de wet bedoelde tijdstippen bij deze laatste als positieve respectievelijk negatieve inkomensbestanddelen in aanmerking genomen (vgl. HR 15 juli 1986, nr. 23 413, BNB 1986/298). Wanneer bij de verdeling van een onverdeelde boedel een vermogensbestanddeel aan één van de gerechtigden tot de boedel wordt toebedeeld, dan zullen de uit het vermogensbestanddeel voortvloeiende inkomsten en uitgaven na de verdeling bij die gerechtigde in aanmerking worden genomen. Een met dat toebedeelde vermogensbestanddeel verband houdende negatieve persoonsgebonden aftrek zal dan eveneens bij die gerechtigde in aanmerking worden genomen.

4.8

De Inspecteur houdt met zijn standpunt dat de SOT overeenkomstig ieders aandeel in de onverdeelde boedel moet worden gerekend, geen rekening ermee dat de boedel al in 2001 is verdeeld. Tevens miskent de Inspecteur naar het oordeel van het Hof dat de SOT ziet op het terugnemen van de aftrekbare kosten van de onroerende zaak en dat de SOT, mede gelet op de daarin opgenomen voorwaarden, verbonden is aan de eigendom van de onroerende zaak ten tijde van de uitkering van de SOT. Van een andere verbondenheid is niet gebleken. Uit de akte van verdeling volgt, dat de tot de nalatenschap van [F] behorende onroerende zaken deels aan [G] en deels aan de drie erfgenamen zijn toebedeeld. Deze toedeling is ook daadwerkelijk in rechte tot stand gekomen, hetgeen wordt bevestigd door de verkoop en levering door belanghebbende van zijn aandeel in de onverdeelde eigendom van de aan de drie erfgenamen toebedeelde onroerende zaken in 2013. Belanghebbende is dus van 2001 tot en met 2013 mede-eigenaar geweest van deze onroerende zaken. Van een zakelijke gerechtigdheid van [G] tot de aan de drie erfgenamen toebedeelde onroerende zaken of van een toedeling van de rechten op de SOT aan haar, is niet gebleken. Nu de aftrekbare kosten zien op de onroerende zaken en op de eigenaar van die onroerende zaken hebben gedrukt, moeten de negatieve aftrekbare kosten door de eigenaar of zijn rechtsopvolgers in aanmerking worden genomen. Dit betekent dat de SOT aan [G] en de drie erfgenamen naar evenredigheid van de aan hen toebedeelde onroerende zaken moet worden toegerekend.

4.9

Aan belanghebbende en de twee andere erfgenamen zijn 21 van de 26 woningen toegewezen waarvoor de SOT is toegekend. Per woning is een SOT tot een bedrag van maximaal € 20.420 (fl. 45.000) toegekend. De Inspecteur heeft 12,5% van de SOT (€ 55.000) aan belanghebbende toegerekend. Naar het oordeel van het Hof heeft hij hiermee niet een te hoog bedrag aan negatieve persoonsgebonden aftrek in aanmerking genomen.

4.10

Voor zover belanghebbende bepleit dat niet de eigenaar van de onroerende zaken, maar degene die bevrijd wordt van de SOT-lening als gerechtigde tot de SOT moet worden aangemerkt, merkt het Hof het volgende op. In de akte van verdeling is niets opgemerkt over de toedeling van de SOT of de SOT-lening. De uitkering van de SOT wordt gebruikt voor de aflossing van de SOT-lening, zodat het het meest voor de hand ligt, dat de erfgenaam die het recht op de SOT heeft toebedeeld gekregen ook de SOT-lening krijgt toegedeeld. Zoals hiervoor onder 4.8 is overwogen is de SOT verbonden met de eigendom van de onroerende zaken, zodat daarmee tevens de SOT-lening aan de eigenaar van de onroerende zaken is verbonden. Het verband tussen de SOT-lening en de onroerende zaken komt ook tot uitdrukking door het recht van hypotheek dat op de onroerende zaken is gevestigd ten bate van de SOT-lening van het Restauratiefonds. Nu belanghebbende de onverdeelde eigendom van de aan de drie erfgenamen toebedeelde onroerende zaken heeft gekregen, gaat het Hof ervan uit dat aan hem voor dat deel het recht op de SOT en de daarmee samenhangende SOT-lening is toegedeeld. Belanghebbendes stelling dat gekeken moet worden naar de schuldenaar van de SOT-lening, kan hem dan ook niet baten.

4.11

De door belanghebbende gestelde omstandigheid dat [G] alle kosten van de onroerende zaken en de aflossingen op de met de onroerende zaken samenhangende leningen voldeed, maakt dit oordeel niet anders. Belanghebbende heeft desgevraagd niet kunnen aangeven op grond van welk recht [G] de inkomsten ontving en de kosten voldeed. Het Hof gaat daarom ervan uit, dat zij dan enkel een kassiersfunctie vervulde voor de onroerende zaken die aan de drie erfgenamen waren toegedeeld.

4.12

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het Hof van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat hij terecht en tot een niet te hoog bedrag een negatieve persoonsgebonden aftrek bij belanghebbende in aanmerking heeft genomen.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Proceskosten

Het Hof stelt de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar, het beroep en het hoger beroep heeft moeten maken overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 246 (1 punt (bezwaarschrift)  wegingsfactor 1  € 246) voor de kosten in de bezwaarfase, € 990 (2 punten (beroepschrift en zitting)  wegingsfactor 1  € 495) voor de kosten in eerste aanleg en € 1.485 (3 punten (hogerberoepschrift, zitting, schriftelijke inlichtingen en nadere zitting)  wegingsfactor 1  € 495) voor de kosten in hoger beroep, ofwel in totaal op € 2.721.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 73.629 en een verlies uit aanmerkelijk belang van € 5.518,

– vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig,

– veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 2.721 en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het betaalde griffierecht vergoedt, te weten € 45 in verband met het beroep bij de Rechtbank en € 123 in verband met het hoger beroep bij het Hof.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. A.J.H. van Suilen en mr. A. van Dongen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is op 27 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 27 juni 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.