Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5296

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-06-2017
Datum publicatie
25-07-2017
Zaaknummer
200.198.965/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag; zorgregeling. Minderjarige dreigt klem of verloren te raken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.198.965/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/174470/FA RK 15-1748)

beschikking van 22 juni 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. J. Eliya te Hengelo,

en

[verweerster] ,

wonende te [B] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. E.M. van Zuuk te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 22 oktober 2015 en 9 juni 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 9 september 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- een brief van de raad voor de kinderbescherming (verder te noemen: de raad) van 22 november 2016;

- producties ingebracht door mr. Eliya op 16 december 2016 zonder begeleidend schrijven;

- een journaalbericht van mr. Eliya van 24 januari 2017 met productie(s);

- een brief van de raad van 27 januari 2017 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Van Zuuk van 12 mei 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 24 mei 2017 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Namens de raad is, in het kader van zijn adviserende rol, de heer [C] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Uit deze relatie is [in] 2014 [de minderjarige] (verder te noemen: [de minderjarige] ) geboren.

3.2

De vader heeft [de minderjarige] erkend. [de minderjarige] woont bij de moeder. Zij oefent het eenhoofdig gezag over [de minderjarige] uit.

3.3

Naar aanleiding van aangiftes van de moeder tegen de vader wegens bedreiging en stalking heeft de politie IJssellanden in januari 2015 een zorgmelding gedaan bij [D] (hierna: [D] ). In het daarop door [D] gestarte onderzoek naar de veiligheid van [de minderjarige] heeft [D] aanleiding gezien om in samenwerking met [E] voor de moeder een zogenoemd Aware-systeem aan te vragen. Dit systeem is in maart 2015 aan de moeder verstrekt. Ten tijde van de zitting bij het gerechtshof was de moeder nog in het bezit van dit Aware-systeem.

3.4.

[D] schrijft bij de afronding van het onderzoek op 1 april 2015 onder meer het volgende aan de moeder: “(…) Het is de politie en [D] onvoldoende gelukt om uw ex-partner duidelijk te maken dat contact van zijn kant met u niet gewenst is, omdat u zich daardoor bedreigd voelt. De houding van vader is hierin zorgelijk; hij geeft geen gehoor aan het advies van instanties die daarin op verschillende momenten een appel op hem hebben gedaan. Ondanks het feit dat u zich bedreigd voelt, wilt u wel zorgdragen voor een omgangsregeling tussen vader en zoon. (…) [D] vindt het terecht en gewenst dat u op dit moment eisen stelt aan de omgang. (…) De zorgregisseur [F] en [D] hebben in gezamenlijkheid [G] ingeschakeld om hulpverlening te realiseren met als doel: Het inzetten van hulpverlening om een omgangsregeling tot stand te brengen (…).”

3.5

In de periode vanaf 10 april 2015 tot 9 juli 2015 is omgangsbegeleiding ingezet en hebben zes begeleide contactmomenten plaatsgevonden tussen [de minderjarige] en de vader. In de eindevaluatie omgangshuis van [G] is daarover te lezen: “(…) Op 22 juni is er een gesprek geweest met [verweerster] , [H] , [I] en mij. Hierin is vader nogmaals gewezen op het feit dat hij zich puur en alleen gaat richten op het contact wat hij met [de minderjarige] heeft. Hij bemoeit zich niet met de opvoeding van [de minderjarige] en valt moeder niet lastig met vragen. Moeder geeft aan dat de omgang(begeleiding) direct zal stoppen, zodra er andere dingen worden aangehaald of besproken met [verweerster] (…). Wanneer moeder er achter komt dat vader haar facebook checkt en haar wederom hierover mailt, houdt moeder zich aan bovenstaande afspraak en stopt de omgangsbegeleiding op 9 juli 2015. (…)”.

3.6

De vader heeft de rechtbank op 22 juli 2015 verzocht (naar het hof begrijpt:) de ouders gezamenlijk met het gezag te belasten alsmede een contactregeling tussen hem en [de minderjarige] te bepalen zoals nader in zijn verzoekschrift omschreven. De moeder heeft verweer gevoerd en zelfstandig verzocht de vader het recht op omgang te ontzeggen.

3.7

Bij de hiervoor genoemde beschikking van 22 oktober 2015 heeft de rechtbank de raad verzocht om rapport en advies uit te brengen over de wijze waarop uitvoering gegeven moet worden aan het gezag en de omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] . In deze beschikking is voorts opgenomen: “De rechtbank geeft aan de man mee dat het zaak is dat hij laat zien dat hij de vrouw rust gunt en daarbij hulp zoekt. Dat houdt in totale radiostilte op alle fronten, dus onder andere niet bellen naar de vrouw, niet bellen naar oma, niet laten bellen door iemand anders, niet e-mailen, niet skypen, niet facebooken, niet twitteren, enzovoorts.”

3.8

De raad heeft onderzoek ingesteld en gerapporteerd op 11 april 2016. In zijn rapport heeft de raad de rechtbank geadviseerd om het verzoek van de vader om te worden belast met het (gezamenlijk) gezag over [de minderjarige] , alsmede zijn verzoek om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] , af te wijzen.

3.9

Naar aanleiding van de door de moeder gedane aangiftes tegen de vader is hij op

25 juli 2016 door de rechtbank Overijssel veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 240 uur, waarvan 120 uur voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Als bijzondere voorwaarden zijn daarbij onder meer opgelegd: een meldplicht bij Reclassering Nederland, een behandelverplichting bij het [J] , of soortgelijke ambulante forensische zorg en een contactverbod met de moeder gedurende de proeftijd, waarbij vervangende hechtenis wordt opgelegd voor 3 dagen voor iedere keer dat niet aan deze laatste –dadelijk uitvoerbaar verklaarde– maatregel wordt voldaan. De vader is voorts veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de moeder van € 600,-. De vader is tegen dit vonnis in hoger beroep gekomen.

3.10

Op 2 oktober 2016 is de vader bij oma (mz) aan de deur geweest. Eind oktober 2016 heeft de vader drie dagen in hechtenis gezeten.

3.11

Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de vader op 27 januari 2017 wegens stalking van de moeder veroordeeld tot een werkstraf van 200 uur, waarvan 100 uur voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren. Als bijzondere voorwaarden zijn wederom onder meer een meldplicht bij Reclassering Nederland en een behandelverplichting bij het [J] , of soortgelijke ambulante forensische zorg opgelegd. Voorts is een vrijheidsbeperkende maatregel opgelegd, inhoudende dat de vader gedurende een jaar op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met de moeder. Voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan wordt vervangende hechtenis toegepast van drie dagen. Voornoemde maatregel is dadelijk uitvoerbaar verklaard. Voorts heeft ook het hof de vader veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de moeder van € 600,-.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil het gezamenlijk gezag over [de minderjarige] , alsmede het recht op omgang tussen de vader en [de minderjarige] .

De rechtbank heeft in de beschikking van 9 juni 2016 en voor zover hier van belang de verzoeken van de vader afgewezen en het verzoek van de moeder om de vader het recht op omgang met [de minderjarige] te ontzeggen toegewezen.

4.2

De vader is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat de vader met ingang van de dag van (naar het hof begrijpt:) deze beschikking [de minderjarige] bij zich zal hebben de ene week van woensdag tot en met vrijdag en de andere week van woensdag tot en met zondag, dan wel een zodanige contactregeling als het gerechtshof in goede justitie vermeent te behoren. Dat deze regeling zal ingaan na een opbouwperiode te beginnen van tweemaal drie uur per week op de woensdagmiddag en zaterdagmiddag. Voorts verzoekt de vader het hof alsnog te bepalen (naar het hof begrijpt:) dat de ouders met het gezamenlijk gezag worden belast en ten slotte de moeder te veroordelen in de kosten van beide/deze instantie(s), een en ander, voor zover de wet het toelaat, uitvoerbaar bij voorraad.

4.3

De moeder heeft verweer gevoerd en verzocht de verzoeken van de vader in hoger beroep af te wijzen.

4.4

Het hof zal eerst de grieven van de vader met betrekking tot het gezamenlijk gezag bespreken en daarna de grieven met betrekking tot het recht op omgang.

5 De motivering van de beslissing

Gezag

5.1

Ingevolge artikel 1:253c lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de tot het gezag bevoegde ouder van het kind, die nimmer het gezag gezamenlijk met de moeder uit wie het kind is geboren heeft uitgeoefend, de rechtbank verzoeken de ouders met het gezamenlijk gezag dan wel hem alleen met het gezag over het kind te belasten. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat indien het verzoek ertoe strekt de ouders met het gezamenlijk gezag te belasten en de andere ouder met gezamenlijk gezag niet instemt, het verzoek slechts wordt afgewezen indien

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen of

b. afwijzing anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.2

Het hof stelt voorop dat uitoefening van gezamenlijk gezag op dit moment tegen grote praktische bezwaren aanloopt door het in de strafzaak tegen de vader opgelegde contactverbod. Voorts geldt dat voor het hebben van gezamenlijk gezag een goede communicatie noodzakelijk is. Daar is op dit moment geen sprake van. Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen blijkt dat de vader de moeder al gedurende lange tijd lastig valt. Aan de (vele) waarschuwingen aan de vader, afkomstig van politie, hulpverlengingsinstanties en de kinderrechter, om dit gedrag te staken, heeft de vader geen gehoor gegeven. Hij blijft -al dan niet via anderen- contact zoeken met de moeder, die, gezien de aard van dit gedrag van de vader al sinds 2015 over een Aware systeem beschikt. Ook de strafrechtelijke veroordeling in juli 2016 en het daarbij opgelegde contactverbod heeft de vader er niet van weerhouden om zich wederom bij de moeder op te houden, hetgeen ertoe heeft geleid dat de vader eind oktober 2016 wegens het overtreden van het contactverbod drie dagen in hechtenis heeft gezeten. Ook na de inmiddels onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling van de vader door het hof, zijn er nog signalen dat hij de moeder niet met rust laat. Uit al het vorenstaande volgt naar het oordeel van het hof dat de door de moeder geuite angst en haar wantrouwen jegens de vader op feiten zijn gebaseerd. Het hof is van oordeel dat door deze situatie een onaanvaardbaar risico ontstaat dat [de minderjarige] klem of verloren zou raken tussen de ouders, indien sprake zou zijn van gezamenlijk gezag. Gezien het feit dat de vader zijn laakbare gedrag jegens de moeder en daarmee zijn aandeel in de volledig verstoorde relatie met de moeder, niet erkent, is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen. De grieven van de vader dat hij werkt aan zichzelf en zijn uiterste best doet zijn in het licht van de feiten zoals die vaststaan geenszins aannemelijk geworden. Het hof zal de bestreden beschikking tot in zoverre dan ook bekrachtigen en het verzoek van de vader in hoger beroep om de ouders gezamenlijk te belasten met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] dan ook afwijzen.

Omgangsregeling

5.3

De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
Ingevolge 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:
a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van

het kind, of
b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang

met zijn ouder heeft doen blijken, of
d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.4

Het hof is van oordeel dat de bestreden beschikking voor zover daarbij de vader het recht op omgang met [de minderjarige] is ontzegd, dient te worden bekrachtigd en het verzoek van de vader in hoger beroep om een omgangsregeling tussen hem en [de minderjarige] te bepalen dient te worden afgewezen. Het hof overweegt daartoe als volgt.

5.5

Duidelijk is dat door de hiervoor geschetste gebeurtenissen bij de moeder sterke vrees en wantrouwen jegens de vader is ontstaan. De vader is van mening dat hij door contact te (blijven) zoeken het belang van [de minderjarige] voorop stelt. Dat belang gaat volgens hem boven het contactverbod, waarbij hij redeneert dat het contactverbod slechts ziet op het contact met de moeder en niet op het contact met [de minderjarige] . Echter, daarmee miskent de vader naar het oordeel van het hof dat zijn contact met [de minderjarige] , een jongetje van nog geen drie jaar, onlosmakelijk verbonden is aan het contact met de moeder. Een omgang tussen de vader en [de minderjarige] zal op dit moment leiden tot aanmerkelijke onrust en spanningen bij de moeder, welke spanningen een negatieve weerslag zullen hebben op [de minderjarige] . Hierdoor is een omgangsregeling met de vader op dit moment in strijd met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige] .

5.6

Het hof acht het zeer zorgelijk dat de vader zijn aandeel in de gebeurtenissen en het daardoor niet tot stand kunnen komen van een omgangsregeling volstrekt niet ziet. Zo heeft de vader ter zitting nog aangegeven dat hij het gevoel van onveiligheid van de moeder als subjectief aanmerkt en haar gevoel als een obstakel voor de omgangsregeling ziet. Het hof overweegt dat alvorens opnieuw gekeken kan worden naar de mogelijkheid om een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] tot stand te brengen, de vader zal moeten laten zien dat hij in staat is om gedurende een langere periode de moeder en [de minderjarige] met rust te laten. Dat die rust volgens de vader ontstaat zodra er omgang zal zijn, acht het hof niet aannemelijk gelet op het eerdere verloop bij de Omgangsbegeleiding. Het gedrag van de vader is inmiddels ook dermate zorgwekkend dat de inzet van mediation zoals geopperd door de vader op dit moment een gepasseerd station is. De stelling van de vader dat een en ander is gebaseerd op oude informatie uit 2015 doet geen recht aan de feiten die zich ook nadien hebben voorgedaan en ook hebben geleid tot het in hechtenis nemen van de vader eind 2016. Het hof acht het van belang dat de vader behandeling ondergaat en, bijvoorbeeld door middel van een verslag van de reclassering dan wel het [J] , laat zien dat hij een wezenlijke verandering heeft doorgemaakt in zijn gedrag.

6 De slotsom

6.1

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen een relatie met elkaar hebben gehad en de procedure het uit die relatie geboren kind betreft.

6.2

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen en de verzoeken van de vader in hoger beroep afwijzen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 9 juni 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, M.P. den Hollander en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier, en is op 22 juni 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.