Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5290

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
28-06-2017
Zaaknummer
200.208.765/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging. Er moet duidelijkheid komen voor de getraumatiseerde kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.208.765/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/149694 / FA RK 16-1003)

beschikking van 20 juni 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. M.W.J.M. de Man te Bolsward,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de moeder] ,

wonende te [B] ,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J. Pieters te Sneek,

2 Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

gevestigd te Leeuwarden,

verder te noemen: de GI,

3 [de pleegouders1] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige2] ,

4 [de pleegmoeder] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegmoeder van [de minderjarige4] ,

5 [de pleegouders2] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige1] ,

6. [de pleegouders3],

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders van [de minderjarige3] .

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 26 oktober 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 25 januari 2017;

- het verweerschrift van de raad met productie(s);

- een journaalbericht van mr. De Man van 25 april 2017 met productie(s);

- een brief van de GI van 25 april 2017 met productie(s).

2.2

[de minderjarige1] (hierna: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2003 te [C] (Suriname), heeft bij brief van 7 april 2017 aan het hof zijn mening kenbaar gemaakt met betrekking tot het verzoek.

2.3

Op 8 mei 2017 is [de minderjarige2] (hierna: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2004 te [C] (Suriname), verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof is gehoord.

2.4

Op 9 mei 2017 zijn [de minderjarige3] (hierna: [de minderjarige3] ), geboren [in]

2001 te [D] (Suriname), en [de minderjarige4] (hierna: [de minderjarige4] ), geboren [in] 2003 te [D] (Suriname), verschenen, die buiten aanwezigheid van partijen door het hof zijn gehoord.

2.5

[de minderjarige5] (hierna: [de minderjarige5] ), geboren [in] 1999 te [D] (Suriname), is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.6

De mondelinge behandeling heeft op 9 mei 2017 plaatsgevonden. De vader is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. Namens de GI zijn verschenen mevrouw [E] en mevrouw mr. [F] . Voorts zijn de pleegouders van [de minderjarige2] en de pleegmoeder van [de minderjarige4] verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De vader en de moeder zijn de (juridische) ouders van negen kinderen, waaronder - voor zover hier van belang - [de minderjarige5] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] , [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De ouders waren tot de bestreden beschikking gezamenlijk belast met het gezag over deze kinderen. De vader is niet de biologische vader van [de minderjarige4] , [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

3.2

Genoemde kinderen zijn sinds maart 2014 uit huis geplaatst, eerst op vrijwillige basis en vanaf mei 2014 middels een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing.

3.3

[de minderjarige5] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] , [de minderjarige1] en [de minderjarige2] zijn aanvankelijk allemaal in pleeggezinnen geplaatst. [de minderjarige5] is in september 2014 geplaatst op een behandelgroep van [G] . Vanaf 11 september 2015 woont zij in een trajectgroep (zelfstandigheidstraining) van Jeugdhulp Friesland. [de minderjarige5] verblijft sinds kort deels bij de oudste dochter van partijen, te weten [H] (hierna: [H] ), geboren [in] 1990 te [I] (Suriname). [de minderjarige3] heeft van eind oktober 2015 tot 27 oktober 2016 op een behandelgroep van [G] gezeten. Sindsdien woont zij weer in een pleeggezin.

[de minderjarige4] en [de minderjarige2] wonen nog steeds in pleeggezinnen en [de minderjarige1] woont in een gezinshuis.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het gezag van de vader en de moeder over [de minderjarige5] , [de minderjarige3] , [de minderjarige4] , [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en de GI tot voogd benoemd.

4 De omvang van het geschil

De vader is met één grief in hoger beroep gekomen van de beschikking van 26 oktober 2016. Deze grief ziet op de beëindiging van zijn gezag over de kinderen. De vader verzoekt de beschikking van 26 oktober 2016 te vernietigen en opnieuw rechtdoende het verzoek tot beëindiging van het gezag af te wijzen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouder(s) om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.4

De vader voert aan dat alvorens tot beëindiging van het gezag, zijnde volgens hem een ultimum remedium, had mogen worden overgegaan de mogelijkheden tot beëindiging van de ondertoezichtstelling hadden moeten worden onderzocht. De vader wil zijn medewerking verlenen aan hulpverlening in een vrijwillig kader.

5.5

De raad voert aan dat een vrijwillig kader in het belang van de kinderen geen optie is, omdat de vader niet volledig achter de uithuisplaatsing van de kinderen staat, er geen sprake is van een goedlopende en constructieve samenwerking tussen de vader en de hulpverlenende instanties en de pleegouders en de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen evenmin goed loopt.

5.6

[de minderjarige1] heeft in zijn genoemde brief aangegeven dat hij niet wil dat van het gezag een probleem wordt gemaakt, omdat hij er dan tussenin zit. Hij wil gewoon dat hij en zijn ouders gelukkig zijn. [de minderjarige1] heeft sinds begin 2016 geen contact met de vader, maar dat wil hij wel als dit kan zonder ingewikkeldheden, aldus de gezinsvoogd ter zitting.

[de minderjarige2] , [de minderjarige3] en [de minderjarige4] hebben ieder voor zich aan de raadsheer-commissaris verteld dat het goed met hen gaat en dat zij graag bij hun pleegouders willen blijven wonen. [de minderjarige2] en [de minderjarige4] hebben geen contact met de vader en willen dat ook niet. [de minderjarige2] heeft wel contact met haar biologische vader in Suriname (via Skype en bellen). [de minderjarige3] gaat eenmaal per maand een paar uur naar de vader toe en dat gaat goed. Gebleken is dat [de minderjarige5] ook geen contact met de vader heeft noch wil.

Als [de minderjarige3] naar haar gevoel luistert vindt ze dat de ouders het gezag over haar moeten hebben, maar haar verstand zegt dat beter iemand anders de belangrijke beslissingen over haar kan nemen. Zij snapt de beslissing van de rechtbank wel. Verder merkt zij er niet zoveel van wie het gezag over haar heeft. [de minderjarige3] heeft eenmaal per twee weken een gesprek met een therapeut van [G] . Haar EMDR-therapie is afgerond.

[de minderjarige4] denkt dat het beter is dat de GI het gezag over hem heeft, omdat de ouders weinig geld hebben. Hij heeft eenmaal per twee weken EMDR- en speltherapie bij [J] .

[de minderjarige2] vindt dat haar pleegouders het gezag over haar moeten krijgen, want die maken haar elke dag mee. [de minderjarige2] heeft momenteel geen hulp, maar heeft nog wel (aanvullende) therapie nodig in verband met haar hechtingsproblemen.

5.7

Het hof leest in de grief van de vader en de daarop door en namens hem gegeven toelichting geen andere relevante stellingen dan hij in eerste aanleg heeft aangevoerd en die de rechtbank gemotiveerd en, gezien de belangen van de kinderen, op inhoudelijk goede gronden heeft verworpen. Het hof neemt die motivering - na eigen onderzoek - over en maakt die tot de zijne.

5.8

Het hof voegt daar aan toe dat in hoger beroep is gebleken dat de samenwerking tussen de vader en de hulpverlening onverminderd moeizaam verloopt en dat nog steeds geen sprake is van een goed contact tussen de vader en de pleegouders enerzijds en de vader en de (meeste) kinderen anderzijds. Uit de stukken ontstaat over de vader, los van zijn aandeel in het traumatische verleden van de kinderen, het zorgelijke beeld van iemand die zich in zijn contact met verschillende personen en instanties niet kan beheersen en met wie geen adequate werkrelatie valt op te bouwen. Het hof heeft ter zitting kunnen waarnemen dat de vader een zeer emotionele man is. Hij verklaarde ook een controversieel mens te zijn. Genoegzaam is komen vast te staan dat de vader de grenzen van fatsoen bij herhaling heeft overschreden. Daarom is hij niet meer welkom bij de pleegouders van [de minderjarige1] en de pleegmoeder van [de minderjarige4] thuis.

Voor de GI blijft het lastig om met de vader een lijn uit te zetten richting de toekomst. De GI communiceert louter nog schriftelijk met de vader, omdat hij haar uit boosheid niet meer telefonisch te woord wil staan. Ook het op gang brengen van het contact tussen [de minderjarige1] en de vader, hetgeen beiden graag willen, komt maar niet van de grond door de bepalende houding van de vader. Het lukt de GI niet om afspraken met hem te maken over de voorwaarden waaronder het contact met [de minderjarige1] veilig kan worden opgestart. De vader is niet bereid het gesprek daarover aan te gaan. In het recente verleden zijn wat betreft het contact met de kinderen door de opstelling van de vader meerdere schriftelijke aanwijzingen van de GI aan zijn adres nodig geweest. De vader lijkt zijn wensen en ideeën in deze boven het belang van de kinderen te stellen, terwijl juist het belang en de behoefte van de kinderen, gezien hun belaste verleden, daarin leidend dient te zijn.

Verder is gebleken dat het de pleegouders van [de minderjarige2] door de niet meewerkende houding van de vader veel moeite heeft gekost om voor [de minderjarige2] een paspoort aan te vragen.

5.9

Nu een goede (samenwerkings)relatie tussen de vader en de vele overigens bij de kinderen betrokken personen en instanties al jarenlang ontbreekt, acht het hof een uithuisplaatsing in een vrijwillig kader, zoals de vader wenst, ook al staat het perspectief van de kinderen niet ter discussie, niet haalbaar. Daarom dient de door de rechtbank ten aanzien van de vader uitgesproken gezagsbeëindiging in stand te blijven. Juist deze getraumatiseerde kwetsbare kinderen hebben de daardoor ontstane duidelijkheid over hun opvoedingsperspectief nodig.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

26 oktober 2016, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, E.B.E.M. Rikaart-Gerard en I.M. Dölle, bijgestaan door mr. D.M. Welbergen als griffier, en is op 20 juni 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.