Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5218

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
WAHV 200.171.243
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Parkeren op gehandicaptenparkeerplaats. De geldigheid van de gehandicaptenparkeerkaart van de vriendin van de betrokkene was verlopen. De betrokkene was hiervan kennelijk en niet onbegrijpelijk niet op de hoogte. De vriendin van de betrokkene voldeed wel aan alle eisen om aanspraak te maken op een gehandicaptenparkeerkaart. Het hof matigt tot de helft in verband met de omstandigheden waaronder de gedraging is verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.171.243

20 juni 2017

CJIB 178891840

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant

van 2 juni 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 370,- opgelegd ter zake van “parkeren op invalideparkeerplaats, anders dan met motorvoertuig op meer dan twee wielen met geldige invalidenparkeerkaart”, welke gedraging zou zijn verricht op 9 januari 2014 om 19:15 uur op de [straat] te [woonplaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken].

2. De betrokkene verklaart dat hij op de avond in kwestie met zijn toenmalige vriendin op bezoek was bij kennissen. De ex-vriendin van de betrokkene is gehandicapt en beschikte over een gehandicaptenparkeerkaart waarmee zij als passagier kon meerijden. De betrokkene had deze kaart achter zijn voorruit gelegd. Bij terugkomst bij het voertuig constateerde hij dat hij desondanks was bekeurd. Navraag bij de gemeente leerde dat de kaart was verlopen. De betrokkene en zijn vriendin waren zich daar niet van bewust. Wat de betrokkene betreft is het niet normaal om een zo hoge bekeuring op te leggen aan iemand die ten behoeve van een invalide gebruikmaakt van een gehandicaptenparkeerplaats, ook niet als de gehandicaptenparkeerkaart verlopen blijkt te zijn. Bovendien is de betrokkene van mening dat de sanctie niet aan hem, maar aan zijn toenmalige vriendin moet worden opgelegd. Zij is immers degene die alle narigheid heeft veroorzaakt.

3. Uit het zaakoverzicht van het CJIB blijkt dat door de verbalisant die de sanctie heeft opgelegd is verklaard dat hij de onder 1. genoemde gedraging heeft geconstateerd.

4. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene niet ontkent dat hij zijn voertuig op een gehandicaptenparkeerplaats heeft geparkeerd, zonder dat achter de voorruit een geldige gehandicaptenparkeerkaart was geplaatst, staat naar het oordeel van het hof vast dat de gedraging is verricht.

5. Het verweer van de betrokkene dat niet aan hem, maar aan zijn toenmalige vriendin een sanctie behoort te worden opgelegd, slaagt niet. Artikel 5 van de WAHV bepaalt dat de sanctie wordt opgelegd aan de kentekenhouder, als de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is. Uit het zaakoverzicht blijkt dat het voertuig ten tijde van de gedraging op naam stond van de betrokkene. De sanctie kon daarom aan hem als kentekenhouder worden opgelegd.

6. Het hof heeft nu te beoordelen of de door de betrokkene aangevoerde omstandigheden waaronder de gedraging is verricht van dien aard zijn dat deze het opleggen van een administratieve sanctie niet billijken, dan wel aanleiding geven de sanctie te matigen. Dat is slechts in uitzonderlijke situaties het geval.

7. Het is vaste jurisprudentie van het hof dat de sanctie wordt gematigd, wanneer achteraf blijkt dat een betrokkene wel over een geldige gehandicaptenparkeerkaart beschikt, maar deze kaart zich ten tijde van de gedraging niet duidelijk zichtbaar achter de voorruit bevond (vgl. het arrest van het hof van 22 maart 2016, gepubliceerd op rechtspraak.nl met vindplaats ECLI:NL:GHARL:2016:2347). In dit geval staat vast dat de passagier van de betrokkene ten tijde van de gedraging niet over een geldige gehandicaptenparkeerkaart beschikte. Zij voldeed echter wel aan de vereisten die aanspraak geven op een gehandicaptenparkeerkaart. Aan haar was immers zowel vóór de gedraging als direct daarna een gehandicaptenparkeerkaart afgegeven.

8. Naar het oordeel van het hof is weliswaar terecht een sanctie opgelegd aan de betrokkene, maar geven de bijzondere omstandigheden waaronder de gedraging in dit geval is verricht aanleiding om het bedrag van de sanctie te matigen. Daarbij wordt – naast wat hiervoor is overwogen – ook betrokken het feit dat de betrokkene, die zijn toenmalige partner destijds nog maar kort kende, er kennelijk en niet onbegrijpelijk op heeft vertrouwd dat de gehandicaptenparkeerkaart waarover zij beschikte aan de eisen voldeed. Het hof zal het sanctiebedrag, met vernietiging van de beslissing van de kantonrechter en gedeeltelijke gegrondverklaring van het beroep, halveren. Het deel dat de betrokkene meer heeft betaald, wordt aan hem gerestitueerd.

9. Niet gebleken is van kosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie gedeeltelijk gegrond;

wijzigt voornoemde beslissing van de officier van justitie alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 178891840 de administratieve sanctie is opgelegd, in zoverre dat het bedrag van de sanctie wordt vastgesteld op € 185,00;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV teveel tot zekerheid is gesteld (te weten € 185,-) door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd.

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Huizenga als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.