Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5154

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
30-06-2017
Zaaknummer
16/00503 en 16/01447
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:1623, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Rente eigen woning, kosten levensonderhoud en specifieke zorgkosten. Bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1697
V-N 2017/44.22.14
FutD 2017-1629
NTFR 2017/1752
NLF 2017/1645 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 16/00503 en 16/01447

uitspraakdatum: 20 juni 2017

Uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraken van de rechtbank Gelderland van 22 maart 2016, nr. AWB 15/4004 en 25 oktober 2016, nr. AWB 16/1851, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard.

1.3.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de IB/PVV opgelegd. Bij beschikking is belastingrente berekend.

1.4.

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de bezwaren ongegrond verklaard.

1.5.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard.

1.6.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is gehuwd met [A] . Tot het huishouden behoorden vier kinderen, waarvan de oudste, [B] (hierna: de zoon), is geboren [in] 1993. De zoon is in de jaren 2011 en 2012 niet naar school gegaan.

2.2.

Voor de jaren 2011 en 2012 heeft belanghebbende aangiften IB/PVV ingediend. Zij heeft daarbij de volgende bedragen op haar inkomen in mindering gebracht:

2011 2012

Aandeel in inkomsten uit eigen woning (rente eigen woning) € 10.590 € 6.219

Kosten levensonderhoud van kinderen - 1.640 - 2.840

Uitgaven voor specifieke zorgkosten - 5.925 - 10.902

Studiekosten en andere scholingsuitgaven - 3.400 - 4.000

Aanslagregeling IB/PVV 2011

2.3.

Bij brief van 17 oktober 2014 heeft de Inspecteur aan belanghebbende vragen gesteld over de rente en kosten van geldleningen die zijn aangewend voor de eigen woning en de persoonsgebonden aftrek. Bij brief van 27 oktober 2014 heeft de Inspecteur belanghebbende een herinnering gestuurd ter zake van de beantwoording van de vragen.

2.4.

De Inspecteur heeft bij brief van 10 november 2014 belanghebbende medegedeeld dat hij geen reactie van haar heeft ontvangen op zijn vragenbrief en dat hij voornemens is bij het opleggen van de aanslag af te wijken van de ingediende aangifte. De negatieve inkomsten uit eigen woning zullen worden gecorrigeerd alsmede het volledige bedrag aan persoonsgebonden aftrek.

2.5.

Met dagtekening 12 december 2014 is de aanslag IB/PVV 2011 overeenkomstig de brief van 10 november 2014 opgelegd.

2.6.

Belanghebbende heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt. De Inspecteur heeft bij brief van 29 januari 2015 de termijn voor het doen van uitspraak op bezwaar met zes weken verlengd tot 17 april 2015 en nadere vragen gesteld over de door belanghebbende gestelde aftrekposten.

2.7.

Belanghebbende heeft op 9 februari 2015 een gesprek gevoerd met de Inspecteur, waarbij zij de gevraagde informatie en bescheiden zou meenemen. Tijdens het gesprek is afgesproken dat ze haar reactie en bescheiden uiterlijk 9 maart 2015 aan de Inspecteur zou zenden. In zijn brief van 17 maart 2015 heeft de Inspecteur belanghebbende herinnerd aan die afspraak, omdat hij nog niets had ontvangen. Hij heeft haar een nieuwe termijn gegeven die op 4 april 2015 afliep.

2.8.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 10 april 2015 de aanslag en het verzamelinkomen gehandhaafd.

Aanslagregeling en bezwaar IB/PVV 2012

2.9.

Bij brief van 29 januari 2015 heeft de Inspecteur aan belanghebbende vragen gesteld over de rente en kosten van geldleningen die zijn aangewend voor de eigen woning en de persoonsgebonden aftrek. Belanghebbende heeft hierop niet gereageerd, waarna de Inspecteur haar bij brief van 17 maart 2015 aan de vragenbrief heeft herinnerd. Belanghebbende is hierbij in de gelegenheid gesteld te reageren vóór 4 april 2015.

2.10.

Bij brief van 10 april 2015 heeft de Inspecteur medegedeeld af te zullen wijken van de aangifte IB/PVV omdat belanghebbende niet heeft gereageerd op het (herhaalde) verzoek om informatie.

2.11.

Met dagtekening 2 mei 2015 is de aanslag IB/PVV 2012 opgelegd. De negatieve inkomsten uit eigen woning en de persoonsgebonden aftrek heeft de Inspecteur gecorrigeerd.

2.12.

Belanghebbende heeft hiertegen tijdig bezwaar gemaakt. Ook in de bezwaarfase heeft de Inspecteur vragen gesteld over de inkomsten uit eigen woning en de persoonsgebonden aftrek. Nadat een reactie binnen de gestelde antwoordtermijn was uitgebleven, heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief 23 juli 2015 aan dit verzoek om informatie herinnerd.

2.13.

Met dagtekening 10 augustus 2015 heeft de Inspecteur een “vooraankondiging uitspraak op het bezwaarschrift” aan belanghebbende verzonden, waarin hij heeft aangegeven voornemens te zijn het bezwaar af te wijzen vanwege het uitblijven van een reactie op de informatieverzoeken.

2.14.

Bij e-mail aan de Inspecteur van 13 augustus 2015 heeft belanghebbende gereageerd op voormelde vooraankondiging. Bij de e-mail is als bijlage een brief van 6 augustus 2015 gevoegd, waarin belanghebbende een motivering van de verschillende posten in haar aangifte geeft. In de e-mail vraagt belanghebbende de Inspecteur de goede ontvangst van de e‑mail te bevestigen. Bovendien geeft zij aan de gevraagde stukken per post toe te sturen als zij op 17 augustus 2015 nog geen ontvangstbevestiging heeft ontvangen.

2.15.

Hierop heeft de Inspecteur bij e-mail van 14 augustus 2015 de goede ontvangst van de e-mail van belanghebbende bevestigd. In die e-mail heeft hij tevens aangegeven graag (per e‑mail) stukken te ontvangen waaruit blijkt dat recht bestaat op de geclaimde persoonsgebonden aftrek en de aftrek ter zake van de eigen woning.

2.16.

Nadat ook hier geen reactie op is ontvangen, heeft de Inspecteur belanghebbende nog eenmaal in de gelegenheid gesteld om de gevraagde stukken over te leggen en wel vóór 10 september 2015. Tevens is aangekondigd dat uitspraak op bezwaar zal worden gedaan conform de aankondiging van 10 augustus 2015, indien een reactie uitblijft.

2.17.

Bij uitspraak op bezwaar van 10 september 2015 heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen en de aanslag IB/PVV 2012 gehandhaafd.

2.18.

De Inspecteur heeft op 11 september 2015 van belanghebbende een kopie gekregen van de onder 2.14. genoemde brief van 6 augustus 2015 met bijlagen.

2.19.

Belanghebbende heeft op 1 oktober 2015 bezwaar tegen de aanslag IB/PVV 2012 gemaakt.

2.20.

De Inspecteur heeft bij brief van 13 november 2015 nadere vragen gesteld over de door belanghebbende gestelde aftrekposten.

2.21.

In zijn brief van 27 november 2015 heeft de Inspecteur zijn verzoek om informatie aan belanghebbende herhaald.

2.22.

Belanghebbende heeft bij een op 25 november 2015 gedagtekende, en op 30 november 2015 door de Inspecteur ontvangen, brief gereageerd. Zij heeft de geclaimde aftrekposten op nagenoeg dezelfde wijze toegelicht als in haar onder 2.14. genoemde brief van 6 augustus 2015 en daarbij dezelfde bijlagen meegezonden.

2.23.

Op 7 januari 2016 heeft belanghebbende een mondelinge toelichting gegeven aan de Inspecteur op de brief van 25 november 2015. Ook na dat gesprek is zij door de Inspecteur in de gelegenheid gesteld om vóór 29 januari 2016 de geclaimde aftrekposten te onderbouwen. Hierop is geen reactie ontvangen van de zijde van belanghebbende.

3 Geschil

In geschil is of de Inspecteur terecht bij het vaststellen van de aanslagen IB/PVV 2011 en 2012 geen rekening heeft gehouden met de onder 2.2. genoemde rente eigen woning, kosten levensonderhoud kinderen, uitgaven voor specifieke zorgkosten en studiekosten. Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend, de Inspecteur beantwoordt deze bevestigend.

4 Beoordeling van het geschil

Inkomsten eigen woning

4.1.

Ingevolge artikel 3.120, eerste lid, van de Wet IB 2001 zijn renten van schulden en kosten van geldleningen die behoren tot de eigenwoningschuld, aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning. Tot de eigenwoningschuld behoren de schulden die zijn aangegaan in verband met de eigen woning, waaronder schulden ter verwerving van de eigen woning en schulden voor verbetering of onderhoud van de woning.

4.2.

Belanghebbende heeft aangegeven dat zij en haar echtgenoot voor de eigen woning schulden zijn aangegaan waarop zij rente hebben moeten voldoen tot de volgende bedragen:

Bedrag schuld Bedrag rente

2011 2012 2011 2012

[C] € 298.000 € 16.205

[D] Hypotheek € 210.000 € 444.957 € 12.180 € 23.459

Lening familie € 150.000 € 160.000 € 9.000 € P.M.

4.3.

De Inspecteur heeft bij de echtgenoot een bedrag aan rentekosten geaccepteerd en een eigenwoningforfait in aanmerking genomen van € 3.795 (2011) en € 3.240 (2012), maar weigert de aftrek bij belanghebbende omdat een hoger bedrag aan betaalde rente niet aannemelijk is gemaakt. Hij verwijst daarbij naar de hem ter beschikking staande gegevens waaruit voor het jaar 2012 een schuld van € 50.000 voortvloeit bij een niet door belanghebbende genoemde bank.

4.4.

Belanghebbende heeft, ook nadat de Inspecteur hierom verschillende keren heeft gevraagd, onvoldoende gegevens aangedragen waaruit de betaling van de rente door belanghebbende en haar echtgenoot blijkt. Zij heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat zij rente heeft betaald en zo daarvan al sprake zou zijn, dat dit bedrag hoger is dan het eigenwoningforfait. De Inspecteur heeft de rentekosten terecht niet geaccepteerd.

Uitgaven voor levensonderhoud van kinderen

4.5.

In artikel 6.13, eerste lid, van de Wet IB 2001 is bepaald dat uitgaven voor levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar (2011) / 21 jaar (2012) die ten minste in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden - onder voorwaarden - voor aftrek in aanmerking komen.

4.6.

Artikel 36, eerste lid, onderdeel d, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 bevat nadere regels omtrent de hoogte van de in aanmerking te nemen uitgaven voor levensonderhoud van kinderen. De in artikel 6.15 van de Wet IB 2001 bedoelde uitgaven voor levensonderhoud van een kind worden, indien de kosten van dat onderhoud in belangrijke mate op de belastingplichtige drukken, in aanmerking genomen tot een bedrag van € 410 per kalenderkwartaal indien het kind 12 jaar of ouder doch jonger dan 18 jaar is (2011) en € 350 per kalenderkwartaal indien het kind 18 jaar of ouder is (2012). Het laatstgenoemde bedrag wordt verhoogd tot € 710 (2012), indien de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud van het kind ten minste € 710 per kwartaal belopen en de kosten van het onderhoud van het kind tevens grotendeels op de belastingplichtige drukken.

4.7.

Belanghebbende is van mening dat zij recht heeft op een aftrek van uitgaven voor levensonderhoud van de zoon, omdat deze uitgaven in belangrijke mate (2011) dan wel grotendeels (2012) voor haar rekening komen. Zij geeft aan dat de zoon bij haar in huis woont en geen inkomsten heeft anders dan een gering inkomen als pizzabezorger. Daardoor komen de aanschaf van een scooter en kosten voor de zorgverzekering en aanvullende zorgverzekering, de scooterverzekering, autorijlessen, kleding, eten en drinken voor rekening van belanghebbende en haar echtgenoot.

4.8.

De Inspecteur betwist dat de uitgaven in belangrijke mate (2011 en 2012) dan wel grotendeels (2012) voor rekening van belanghebbende en haar echtgenoot komen, omdat belanghebbende onvoldoende stukken heeft overgelegd die haar stelling ondersteunen dat ze de door haar genoemde kosten heeft betaald. Ook is niet duidelijk wat de inkomsten van de zoon zijn.

4.9.

Belanghebbende heeft haar standpunt dat zij recht heeft op aftrek van uitgaven voor levensonderhoud tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt. Het enkel noemen van uitgaven is daarvoor onvoldoende. De overgelegde stukken, waaronder twee bankafschriften waaruit overboekingen van € 67,50 en € 260,00 voor autorijlessen van de zoon blijken, onderbouwen haar standpunt onvoldoende, zeker nu geen gegevens over de inkomsten van de zoon zijn verstrekt.

Uitgaven voor specifieke zorgkosten

4.10.

Specifieke zorgkosten zijn ingevolge artikel 6.17, eerste lid, aanhef en onderdelen a, b, c, d en h, van de Wet IB 2001 de uitgaven die wegens ziekte en invaliditeit zijn gedaan voor genees- en heelkundige hulp, vervoer, farmaceutische hulpmiddelen verstrekt op voorschrift van een arts, andere hulpmiddelen, met uitzondering van brillen, contactlenzen en overige hulpmiddelen ter ondersteuning van het gezichtsvermogen en reizen in verband met het regelmatig bezoeken van wegens ziekte of invaliditeit langer dan een maand verpleegde personen met wie de bezoeker bij aanvang van de ziekte of invaliditeit een gezamenlijke huishouding voerde, indien de afstand tussen de woning of verblijfplaats van de bezoeker en de plaats waar de verpleging plaatsvindt, gemeten langs de meest gebruikelijke weg meer beloopt dan 10 kilometer.

4.11.

Persoonsgebonden aftrekposten, waaronder zorgkosten, komen slechts voor aftrek in aanmerking indien deze kosten op de belastingplichtige drukken. Daarvan is geen sprake indien zorgkosten kunnen worden vergoed door de zorgverzekeraar.

4.12.

Belanghebbende heeft in haar aangifte IB/PVV 2011 de volgende kosten in aanmerking genomen:

2011 2012

medicijnen € 600

genees- en heelkundige hulp € 2.762 € 5.200

hulpmiddelen € 3.574 € 6.400

reiskosten ziekenbezoek € 1.190

vervoer € 150

4.13.

Belanghebbende stelt dat deze kosten niet worden vergoed. Voor de gehoorapparaten ten bedrage van € 5.082,95 heeft zij ter zitting van het Hof verklaard, dat zij daarvoor een vergoeding van het UWV van € 1.400 heeft gekregen.

4.14.

De Inspecteur bestrijdt dat belanghebbende deze kosten heeft gemaakt, omdat hij daarvoor onvoldoende bewijsstukken heeft gekregen en, voor zover er al bewijsstukken zijn, heeft belanghebbende onvoldoende aangedragen voor haar stelling dat deze kosten op haar drukken.

4.15.

Belanghebbende heeft van de kosten die zij in de aangifte IB/PVV 2011 heeft aangegeven, geen nadere onderbouwing gegeven of bewijsstukken overgelegd, anders dan dat zij in haar bezwaarschrift heeft vermeld dat het hierbij onder meer gaat om kosten die betrekking hebben op ziekte en de tandarts. Gelet op de betwisting door de Inspecteur is dit onvoldoende, zodat zij de aftrek van deze kosten niet aannemelijk heeft gemaakt.

4.16.

Ook voor het jaar 2012 heeft zij de aftrek van de kosten niet aannemelijk gemaakt. Zij heeft slechts van een deel van de kosten een onderbouwing gegeven en bewijsstukken overgelegd. Van de kosten die wel onderbouwd zijn, staat niet vast of deze op belanghebbende gedrukt hebben en of deze kosten zijn gemaakt op medisch voorschrift.

Studiekosten en andere scholingsuitgaven

4.17.

Scholingsuitgaven zijn uitgaven voor het door de belastingplichtige volgen van een opleiding of studie met het oog op het verwerven van inkomen uit werk en woning (artikel 6.27, eerste lid, van de Wet IB 2001).

4.18.

Belanghebbende stelt dat zij in aanmerking komt voor aftrek van scholingsuitgaven. In 2012 betreft het volgens belanghebbende uitgaven die haar echtgenoot heeft moeten maken in het kader van zijn omscholing. Die uitgaven zijn volgens haar niet vergoed door het UWV. In haar aangifte IB/PVV 2012 heeft belanghebbende ter zake een bedrag van € 4.500 opgevoerd met als omschrijving “grondexploitatie geoplan”. Zij heeft voorts een bankafschrift overgelegd waaruit blijkt dat zij € 76,55 heeft overgemaakt aan “ [E] B.V.”.

4.19.

De Inspecteur betwist dat belanghebbende tot de door haar opgegeven bedragen studiekosten heeft gemaakt. Hij heeft verschillende keren om stukken gevraagd maar niet anders gekregen dan het bankafschrift met de betaling aan “ [E] B.V.”.

4.20.

Voor het jaar 2011 heeft belanghebbende geen onderbouwing gegeven voor de aftrek, zodat zij al hierom de studiekosten niet aannemelijk heeft gemaakt. Over de studiekosten in het jaar 2012 heeft belanghebbende ter zitting van de Rechtbank verklaard dat de scholingsuitgaven zien op de uitgaven voor het groot rijbewijs van haar echtgenoot. Zij heeft evenwel ook verklaard dat “grondexploitatie geoplan” een door haar zelf gevolgde opleiding betreft. Met de Rechtbank is het Hof van oordeel dat de aangifte IB/PVV 2012 van belanghebbende, het overgelegde bankafschrift en haar verklaringen ter zitting niet met elkaar overeenstemmen. Gelet op de betwisting door de Inspecteur is met hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd niet aannemelijk geworden dat zij tot een bedrag van € 4.500 aan scholingsuitgaven heeft gedaan.

4.21.

Belanghebbende heeft dan ook geen van de door haar aangegeven uitgaven aannemelijk gemaakt, zodat de Inspecteur de aftrek daarvan terecht heeft geweigerd.

4.22.

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de vastgestelde verzamelinkomens en de belastingrente. Belanghebbende heeft hiertegen geen zelfstandige grieven aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.F.C. Spek, voorzitter, mr. R.A.V. Boxem en mr. A.E. Keulemans, in tegenwoordigheid van mr. E.D. Postema als griffier.

De beslissing is op 20 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(E.D. Postema) (R.F.C. Spek)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 20 juni 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.