Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5122

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
21-001299-13
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2019:1879, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte, Algemeen Directeur van een school, heeft bewerkstelligd dat niet-bestaande dienstverbanden werden opgevoerd in de administratie van die school. Daardoor werd het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bewogen tot de afgifte van geldbedragen, bestemd voor de bekostiging van de directe personeelskosten. Deze geldbedragen zijn echter (deels) gebruikt voor bekostiging van het bovenmatig ophogen van het salaris van verdachte. De valselijk opgemaakte benoemingen zijn ook gebruikt om vergoedingen van het ministerie te verkrijgen voor kosten die daarvoor bij een opgave overeenkomstig de waarheid niet in aanmerking kwamen. Ook een afscheidsbonus ten behoeve van verdachte werd uit deze gelden bekostigd. Verder heeft hij valselijk facturen opgemaakt, ter maskering van een bovenmatige verhoging van zijn salaris. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001299-13

Uitspraak d.d.: 20 juni 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 4 november 2011 met parketnummer 19-996535-09 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1943,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

Bij het hiervoor genoemde vonnis heeft de rechtbank

  • -

    de inleidende dagvaarding partieel nietig verklaard met betrekking tot het onder 2, 5 en 8 ten laste gelegde en de inleidende dagvaarding nietig verklaard met betrekking tot het onder 6 ten laste gelegde;

  • -

    verdachte vrijgesproken van het onder 7 ten laste gelegde en verdachte (partieel) vrijgesproken van het onder 1, aanhef en onder b, ten laste gelegde;

  • -

    het openbaar ministerie ter zake van het onder 8 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte verklaard, voor zover het gaat om het deel dat niet nietig is verklaard;

  • -

    verdachte ter zake van het onder 1, 3, 4 en 5 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, met aftrek van voorarrest;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 200, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige deel is afgewezen.

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 april 2014, 23 mei 2017 en 6 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het onder 1 (aanhef en onder a), 3, 4 en 5 ten laste gelegde en veroordeling ter zake van deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest. De vordering strekt voorts tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 2.500 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadslieden, mr. H.A. Schenke en

mr. P.J.L.R. van Passel, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 1, aanhef en onder b, ten laste gelegde kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De rechtbank heeft de inleidende dagvaarding met betrekking tot feit 2 partieel nietig verklaard. Verdachte is van het resterende deel van dit feit vrijgesproken. De advocaat-generaal heeft geen grieven tegen het onder 2 ten laste gelegde opgegeven. Het hof ziet daarom ten aanzien van dit feit aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van feit noodzakelijk maken.

De rechtbank heeft de inleidende dagvaarding met betrekking tot feit 5 partieel nietig verklaard (versturen van dreigbrieven). De advocaat-generaal heeft geen grieven tegen dit deel van het ten laste gelegde opgegeven. Het hof ziet daarom ten aanzien van dit deel van het feit aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van deel van het feit noodzakelijk maken.

Dit deel van het feit zal niet worden weergegeven in de hieronder op te nemen tenlastelegging.

De rechtbank heeft de inleidende dagvaarding met betrekking tot feit 6 nietig verklaard. De advocaat-generaal heeft geen bezwaren tegen het onder 6 ten laste gelegde opgegeven. Het hof ziet daarom ten aanzien van dit feit aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van dit feit noodzakelijk maken.

Voor zover het hoger beroep is gericht tegen de vrijspraak van het onder 7 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen.

De rechtbank heeft de inleidende dagvaarding met betrekking tot feit 8 partieel nietig verklaard. Ten aanzien van het resterende deel van dit feit heeft de rechtbank het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van verdachte. De advocaat-generaal heeft geen bezwaren tegen het onder 8 ten laste gelegde opgegeven. Het hof ziet daarom ten aanzien van dit feit aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van dit feit noodzakelijk maken.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd dat:

1.

Stichting [stichting] heeft op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 augustus 2006 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

(telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bewogen tot afgifte van meerdere, althans (een) geldbedrag(en), in ieder geval enig goed, en/of het teniet doen van een (deel van een) inschuld,

hebbende de Stichting [stichting] en/of (een van) haar mededaders toen en daar (telkens) listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorgehouden dat

a. [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] werkzaamheden in het kader van een dienstverband hebben verricht,

althans (telkens) voor de hiervoor onder a. genoemde werkzaamheden en/of dienstverbanden en/of (onkosten)vergoedingen, (rijks)vergoeding en/of (rijks)bekostiging en/of onderwijsbekostiging aangevraagd bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

waardoor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of tot het teniet doen van (een deel van) een inschuld,

tot (het) vorenstaand(e) feit(en) verdachte, opdracht heeft gegeven en/of feitelijke

leiding heeft gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

3:
hij te [plaats 2] , althans in Nederland, in of omstreeks de periode van 16 september 2004 tot en met 10 januari 2005,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal,

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst een of meer bescheiden, te weten vijf, althans een

aantal, facturen, afkomstig van [verdachte] adviesbureau voor onderwijs- en welzijnsinstellingen, te weten:

a. factuur d.d. 16 september 2004 betreffende verrichte werkzaamheden in augustus 2004 (D-044), en/of

b. factuur d.d. 16 september 2004 betreffende werkzaamheden in september 2004 (D-045), en/of

c. factuur d.d. 6 november 2004 betreffende werkzaamheden in de maand oktober 2004 (D-046), en/of

d. factuur d.d. 10 januari 2005 betreffende werkzaamheden in de maand november 2004 (D-049), en/of

e. factuur d.d. 10 januari 2005 betreffende werkzaamheden in de maand december 2004 (D-052),

zijnde (telkens) enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid hierin dat de op de facturen vermelde werkzaamheden

- nimmer zijn uitgevoerd door [verdachte] adviesbureau voor onderwijs- en welzijnsinstellingen, en/of

- in werkelijkheid waren uitgevoerd binnen het kader van het bestaande dienstverband tussen verdachte en Stichting [stichting] ;


4.

hij te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland, in of omstreeks de periode van 1 juni 2002 tot en met 5 september 2002,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans

eenmaal, valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst een of meer bescheiden, te

weten drie, althans een aantal, benoemingsbrie(f)(ven) afkomstig van Stichting [stichting] , te weten:

a. een benoemingsbrief d.d. 25 juni 2002 gericht aan [betrokkene 1] (D-095), en/of

b. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 3] (D-033), en/of

c. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 4] (D-091)

zijnde (telkens) enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid hierin dat voornoemde personen nimmer een dienstbetrekking met Stichting [stichting] zijn aangegaan en/of dat de periode, de aard en de omvang van de daadwerkelijk door voornoemde perso(o)n(en) uitgevoerde werkzaamheden niet strookt met hetgeen in de benoemingsbrie(f)(ven) is opgenomen;


5:
hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2008 tot en met 18 juni 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, eenmaal/meermalen [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) hen telefonisch de woorden toegevoegd "Kutwijf jou maken we ook kapot" en/of "Ik ga al je botten breken" en/of "We zullen je terroriseren" althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of hebben verdachte en/of zijn mededader(s) condoleancekaarten met daarin de sterfdatum van de ontvanger vermeld verstuurd naar voornoemde personen terwijl van deze condoleancekaarten een dreigende aard of strekking uitging.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het hof heeft uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Het versturen van de condoleancekaarten met daarop de overlijdensdatum van de geadresseerde is zonder twijfel aan te merken als intimiderend, maar dit levert in casu geen bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of bedreiging met zware mishandeling in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht op.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, aanhef en onder a, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

Stichting [stichting] in de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 augustus 2006

te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] ,

telkens met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

door listige kunstgrepen en door een samenweefsel van verdichtsels het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen,

hebbende de Stichting [stichting] toen en daar telkens listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorgehouden dat

a. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] werkzaamheden in het kader van een dienstverband hebben verricht,

waardoor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

tot vorenstaande feiten verdachte, opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);

3:
hij te [plaats 2] , in de periode van 16 september 2004 tot en met 10 januari 2005,

meermalen, valselijk heeft opgemaakt bescheiden, te weten vijf facturen, afkomstig van [verdachte] adviesbureau voor onderwijs- en welzijnsinstellingen, te weten:

a. factuur d.d. 16 september 2004 betreffende verrichte werkzaamheden in augustus 2004 (D-044), en

b. factuur d.d. 16 september 2004 betreffende werkzaamheden in september 2004 (D-045), en

c. factuur d.d. 6 november 2004 betreffende werkzaamheden in de maand oktober 2004

(D-046), en

d. factuur d.d. 10 januari 2005 betreffende werkzaamheden in de maand november 2004

(D-049), en

e. factuur d.d. 10 januari 2005 betreffende werkzaamheden in de maand december 2004

(D-052),

zijnde telkens enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid hierin dat de op de facturen vermelde werkzaamheden

- nimmer zijn uitgevoerd door [verdachte] adviesbureau voor onderwijs- en welzijnsinstellingen, en/of

- waren uitgevoerd binnen het kader van het bestaande dienstverband tussen verdachte en Stichting [stichting] ;


4.

hij te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] , in of omstreeks de periode van 1 juni 2002 tot en met 5 september 2002,

tezamen en in vereniging met een ander, meermalen, valselijk heeft opgemaakt bescheiden, te weten drie, benoemingsbrieven afkomstig van Stichting [stichting] , te weten:

a. een benoemingsbrief d.d. 25 juni 2002 gericht aan [betrokkene 1] (D-095), en

b. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 3] (D-033), en

c. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 4] (D-091),

zijnde telkens enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid hierin dat voornoemde personen nimmer een dienstbetrekking met Stichting [stichting] zijn aangegaan.


Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke leiding geven aan en opdracht geven tot het door een rechtspersoon begaan van medeplegen van oplichting, meermalen gepleegd.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, als Algemeen Directeur van [stichting] , bewerkstelligd dat niet-bestaande dienstverbanden werden opgevoerd in de administratie van [stichting] . Daardoor werd het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bewogen tot de afgifte van geldbedragen, bestemd voor de bekostiging van de directe personeelskosten. Deze geldbedragen zijn echter (deels) gebruikt voor bekostiging van het bovenmatig ophogen van het salaris van verdachte. De valselijk opgemaakte benoemingen zijn ook gebruikt om vergoedingen van het ministerie te verkrijgen voor kosten die daarvoor bij een opgave overeenkomstig de waarheid niet in aanmerking kwamen. Ook een afscheidsbonus ten behoeve van verdachte werd uit deze gelden bekostigd. Verder heeft hij valselijk facturen opgemaakt om zijn salaris te kunnen verhogen. Dat [stichting] (civielrechtelijk) tot betaling van deze kosten was gehouden, wat hier ook van zij, doet niets af aan het strafwaardige karakter van het handelen van verdachte. Bij een juiste opgave zouden deze kosten niet door het ministerie zijn vergoed. De valse facturen dienden eveneens ter maskering van een bovenmatige verhoging van het salaris van verdachte.

Het hof neemt verdachte deze gedragingen bijzonder kwalijk. Door het verlenen van medewerking aan en de instandhouding van een systeem van valse boekhouding is gemeenschapsgeld ten onrechte terecht gekomen op de bankrekening van verdachte en zijn kosten ten onrechte ten laste van het ministerie gebracht. Verdachte heeft door aldus te handelen zowel zich als ambtenaar onbehoorlijk gedragen als het vertrouwen beschaamd dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van benoemingsbrieven en facturen moet kunnen worden gesteld.

Het hof heeft bij de straftoemeting een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2017. Daaruit is gebleken dat verdachte niet eerder ter zake van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel is veroordeeld.

Gezien de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact daarvan, acht het hof de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden een alleszins passende straf, ook als er rekening mee wordt gehouden dat het hof tot een enigszins beperktere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Evenwel stelt het hof vast dat in hoger beroep sprake is van - kort gezegd - 'undue delay' in de zin van artikel 6 van het EVRM. Het dossier is niet binnen 8 maanden na het instellen van hoger beroep ingezonden, maar pas na 1 jaar en ongeveer 11 maanden. Daarnaast zijn tot aan de uitspraak van het hof in totaal 5 jaar en ruim 7 maanden verstreken, zodat sprake is van een forse overschrijding. Gelet op de geconstateerde forse schending zal het hof in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 15 maanden een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van voorarrest, opleggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500 (immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 200. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De verdachte wordt niet schuldig verklaard ter zake van het onder 5 ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt. De benadeelde partij kan daarom in haar vordering niet worden ontvangen.

Gelet op het vorenstaande dient de benadeelde partij, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door verdachte gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 225 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, aanhef en onder b, 2, 5 voor zover het betreft het versturen van dreigbrieven, 6, 7 en 8 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3 en 4 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3 en 4 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij] in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 20 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.