Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5120

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
20-06-2017
Datum publicatie
20-06-2017
Zaaknummer
21-001300-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte, directeur centrale diensten belast met de financiën van een school, heeft niet-bestaande dienstverbanden opgevoerd in de administratie van die school. Daardoor werd het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bewogen tot afgifte van geldbedragen, die bestemd waren voor de bekostiging van de directe personeelskosten. Deze geldbedragen zijn echter (deels) gebruikt voor bekostiging van het bovenmatig ophogen van het salaris van de Algemeen Directeur. De valselijk opgemaakte benoemingen zijn ook gebruikt om vergoedingen van het ministerie te krijgen voor kosten die daarvoor bij een opgave overeenkomstig de waarheid niet in aanmerking kwamen. Ook een afscheidsbonus ten behoeve van de Algemeen Directeur werd uit deze gelden bekostigd. Om het ministerie tot deze afgifte te bewegen heeft verdachte valse benoemingsbrieven laten opmaken en deze in de administratie van de school laten opnemen.

Nadat het (fraude)onderzoek was opgestart heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van personeel van de school en heeft hij samen met een ander de auto van de opvolgend directeur beschadigd.

Verdachte wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van maximale duur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-001300-13

Uitspraak d.d.: 20 juni 2017

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Assen van 4 november 2011 met parketnummer 19-996502-10 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1955,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

Bij het hiervoor genoemde vonnis, dan wel ter zitting in eerste aanleg heeft de rechtbank

  • -

    de inleidende dagvaarding partieel nietig verklaard met betrekking tot het onder 2, 4 en 7 ten laste gelegde en de inleidende dagvaarding nietig verklaard met betrekking tot het onder 5 ten laste gelegde;

  • -

    verdachte vrijgesproken van het onder 2 en 4 ten laste gelegde, voor zover het gaat om het deel dat niet nietig is verklaard en verdachte (partieel) vrijgesproken van het onder 1, aanhef en onder b, ten laste gelegde;

  • -

    het openbaar ministerie ter zake van het onder 7 ten laste gelegde niet-ontvankelijk in de vervolging van verdachte verklaard, voor zover het gaat om het deel dat niet nietig is verklaard;

  • -

    verdachte ter zake van het onder 1, 3, 4 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden, met aftrek van voorarrest;

  • -

    de vordering van de benadeelde partij toegewezen tot een bedrag van € 300, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Het overige deel is afgewezen.

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis beperkt hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is enkel ingesteld ter zake van de onder 1, 3, 4 en 6 ten laste gelegde feiten.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 24 april 2014, 23 mei 2017 en 6 juni 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot vernietiging van het vonnis, bewezenverklaring van het onder 1 (aanhef en onder a), 3, 4 en 6 ten laste gelegde en veroordeling ter zake van dat feit tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 1 jaar, met als bijzondere voorwaarden elektronisch toezicht gedurende de eerste 4 maanden van de proeftijd en een taakstraf van 240 uur, subsidiair 120 dagen hechtenis. De vordering strekt voorts tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] tot een bedrag van € 2.500 met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. C.H.W. Janssen, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

De advocaat-generaal heeft te kennen gegeven dat hij zich kan verenigen met de vrijspraak van de rechtbank met betrekking tot het onder 1 onder b ten laste gelegde en dat daartegen geen grieven worden ingebracht.

Het hof ziet daarom ten aanzien van dit deel van de tenlastelegging aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van dit deel van feit 1 noodzakelijk maken. Het hof zal de verdachte daarom ten aanzien van het onder 1, aanhef en onder b, ten laste gelegde niet-ontvankelijk verklaren in het door hem ingestelde hoger beroep.

Dit deel van het feit zal niet worden weergegeven in de hieronder op te nemen tenlastelegging.

De rechtbank heeft de inleidende dagvaarding met betrekking tot feit 4 partieel nietig verklaard (versturen van dreigbrieven). De advocaat-generaal heeft geen grieven tegen dit deel van het ten laste gelegde opgegeven. Het hof ziet daarom ten aanzien van dit deel van het feit aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu het hof ook zelf geen redenen ziet die een inhoudelijke behandeling van deel van het feit noodzakelijk maken.

Dit deel van het feit zal niet worden weergegeven in de hieronder op te nemen tenlastelegging.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, vernietigen en opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep en voor zover in hoger beroep van belang - ten laste gelegd dat:

1.

Stichting [stichting] heeft op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 augustus 2006

te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

(telkens) met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen, (telkens) door het aannemen van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft bewogen tot afgifte van meerdere, althans (een) geldbedrag(en), in ieder geval enig goed, en/of het teniet doen van een (deel van een) inschuld,

hebbende de Stichting [stichting] en/of (een van) haar mededaders toen en daar (telkens) listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorgehouden dat

a. [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] werkzaamheden in het kader van een dienstverband hebben verricht, en/of

althans (telkens) voor de hiervoor onder a. genoemde werkzaamheden en/of dienstverbanden en/of (onkosten)vergoedingen, (rijks)vergoeding en/of (rijks)bekostiging en/of onderwijsbekostiging aangevraagd bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

waardoor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (telkens) werd

bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of tot het teniet doen van (een deel van)

een) inschuld

tot (het) vorenstaand(e) feit(en) verdachte, opdracht heeft gegeven en/of feitelijke

leiding heeft gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);


3.

hij te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland,

in of omstreeks de periode van 1 juni 2002 tot en met 5 september 2005,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

meermalen, althans eenmaal,

valselijk heeft opgemaakt en/of vervalst een of meer bescheiden, te weten drie, althans een aantal, benoemingsbrie(f)(ven) afkomstig van Stichting [stichting] , te weten:

a. een benoemingsbrief d.d. 25 juni 2002 gericht aan [betrokkene 1] (D-095), en/of

b. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 3] (D-033), en/of

c. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 4] (D-091)

zijnde (telkens) enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid hierin dat voornoemde personen nimmer een dienstbetrekking met Stichting [stichting] zijn aangegaan en/of dat de periode, de aard en de omvang van de daadwerkelijk door voornoemde perso(o)n(en) uitgevoerde werkzaamheden niet strookt met hetgeen in de benoemingsbrie(f)(ven) is opgenomen;


4:
hij in of omstreeks de periode van 24 juni 2008 tot en met 18 juni 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] , althans in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, eenmaal/meermalen [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte en/of zijn mededader(s) hen telefonisch de woorden toegevoegd 'Kutwijf jou maken we ook kapot' en/of 'Ik ga al je botten breken' en/of 'We zullen je terroriseren' althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking en/of hebben verdachte en/of zijn mededader(s) condoleancekaarten met daarin de sterfdatum van de ontvanger vermeld verstuurd naar voornoemde personen terwijl van deze condoleancekaarten een dreigende aard of strekking uitging;

6.

hij op of omstreeks 4 februari 2009 aan de [adres] te [plaats 1] , althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

opzettelijk en wederrechtelijk,

een auto, BMW (met kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [benadeelde partij] , aan een ander of anderen dan verdachte,

heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt,

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader(s) die auto bewerkt met afbijtmiddel waardoor deze auto werd beschadigd;

althans indien het vorenstaande niet leidt tot een veroordeling met strafoplegging, dat

[betrokkene 5] op of omstreeks 4 februari 2009 te [plaats 1] , althans in Nederland

opzettelijk en wederrechtelijk, een auto, BMW (met kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [benadeelde partij] , in elk geval aan een ander dan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt door het gieten of gooien van afbijtmiddel op/over die auto,

bij het plegen van welk misdrijf verdachte toen en daar opzettelijk behulpzaam is geweest en/of tot het plegen van welk misdrijf verdachte toen daar opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft,

immers:

- is verdachte betrokken geweest bij de beraadslaging over het plan om de auto van [benadeelde partij] te beschadigen en/of

- heeft verdachte (vervolgens) [betrokkene 5] met zijn, verdachtes, auto vervoerd naar een plek in de buurt van de auto van [benadeelde partij] , terwijl deze [betrokkene 5] een blik met afbijtmiddel bij zich had, en/of

- is verdachte met [betrokkene 5] meegelopen in de richting van de auto van [benadeelde partij] en heeft hij op een afstand staan kijken, terwijl [betrokkene 5] het afbijtmiddel op/over de auto van [benadeelde partij] goot of gooide, waardoor deze auto werd beschadigd.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Consultatie-/verhoorbijstand met betrekking tot feit 4

De raadsvrouw heeft, onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 6 van het EVRM, het arrest van het EHRM van 13 september 2016, nr. 40351/09 (Abdurahman) en de EU-Richtlijn 2013/48, aangevoerd dat verdachte ten onrechte niet is gewezen op zijn recht op verhoorbijstand en dat de verklaringen die door verdachte in het kader van het onder 4 ten laste gelegde zijn afgelegd daarom moeten worden uitgesloten van het bewijs, hetgeen ertoe dient te leiden dat verdachte bij gebrek aan voldoende wettig bewijs van dit feit moet worden vrijgesproken.

Het hof overweegt het volgende.

Verdachte is op 13 januari 2010 in verzekering gesteld. Het hof stelt vast dat uit het verhoor van verdachte op 14 januari 2010 is gebleken dat verdachte op 13 januari 2010 contact heeft gehad met een raadsvrouw. Derhalve heeft verdachte vanaf de dag dat hij in verzekering is gesteld de mogelijkheid gehad om een raadsman of raadsvrouw te consulteren en gebruik gemaakt van dat recht. Voor zover de raadsvrouw verweer voert ten aanzien van het niet-naleven van het consultatierecht overweegt het hof aldus dat verdachte vanaf het begin van de voorlopige hechtenis toegang heeft gehad tot rechtsbijstand.

Met betrekking tot het recht op verhoorbijstand overweegt het hof - onder verwijzing naar HR 22 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3608 en HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2018 en 2019 - dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing wordt gegeven aan de regel dat een verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens het politieverhoor. Deze regel heeft geen terugwerkende kracht, maar geldt vanaf het wijzen van arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015, waarbij bij wijze van overgangsrecht in de periode van 22 december 2015 tot 1 maart 2016 aan het verzuim van verhoorbijstand niet het rechtsgevolg van bewijsuitsluiting wordt verbonden.

Het voorgaande leidt ertoe dat het verweer van de raadsvrouw geen doel treft. Het verweer wordt verworpen.

Bespreking feit 4

Verdachte wordt in het onder 4 ten laste gelegde, voor zover aan hoger beroep onderworpen, verweten [slachtoffer 1] en/of [benadeelde partij] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] telefonisch te hebben bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, waarbij de volgende bewoordingen zijn gebezigd: 'Kutwijf jou maken we ook kapot' en/of 'Ik ga al je botten breken' en/of 'We zullen je terroriseren', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Daarnaast wordt verdachte verweten condoleancekaarten, waarvan een dreigende aard of strekking uitging, naar de hiervoor genoemde personen te hebben verstuurd.

Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het versturen van condoleancekaarten, bij gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Het hof is voorts van oordeel dat de zinsnedes 'We zullen je terroriseren' en 'We maken jou kapot' niet als bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht kunnen gelden. Verdachte wordt daarom ook vrijgesproken van deze delen van de tenlastelegging.

Uit de aangifte van [benadeelde partij] volgt dat hij op 24 juni 2008 door vier collega's (onder meer [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) is gebeld. Zij deelden mee telefonisch te zijn bedreigd door een anonieme beller. Als gevolg van deze telefonische bedreigingen in combinatie met een e-mailbericht van de voormalige secretaresse van medeverdachte [medeverdachte] (waarin [benadeelde partij] in een kwaad daglicht werd gesteld) voelde [benadeelde partij] zich eveneens bedreigd.

Uit de aangifte van [slachtoffer 1] (pagina's 394 e.v. en 409 e.v.) volgt dat hij op 23 juni 2008 is gebeld door een man die krijsend tegen hem heeft gezegd: 'We zullen je botten breken'.

Uit de aangifte van [slachtoffer 2] (pagina's 388 e.v. en 480 e.v.) volgt dat zij op 24 juni 2008 is gebeld door een man die tegen haar heeft geschreeuwd. Er werd ook gezegd dat haar botten zouden worden gebroken. Daarnaast is zij vanaf ongeveer 26 februari 2008 veelvuldig gebeld door iemand die vervolgens zweeg aan de telefoon.

[slachtoffer 3] heeft in haar aangifte verklaard (pagina 391 e.v.) dat zij op 24 juni 2008 is gebeld door een persoon die schreeuwde: 'Ik ga al je botten breken!'

Verdachte heeft tegenover verbalisanten verklaard (pagina's 193 e.v. en 204 e.v.) dat hij een nummer belde en dan verder niets over de telefoon zei. Hij heeft [benadeelde partij] een keer of drie gebeld, waarbij hij niets aan de telefoon zei. Hij heeft [slachtoffer 2] ook een aantal keren gebeld. Het was voor hem een actie om wat agressiviteit kwijt te raken en hij hoopte dat die gebelde personen ook eens een onrustige nacht hadden. Hij heeft verklaard dat hij in ieder geval [benadeelde partij] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft gebeld met dreigende woorden. Verdachte was alleen toen hij belde en heeft verklaard dat hij zich het gevoel van enige dreiging kan voorstellen.

Verdachte heeft ter zitting van het hof verklaard dat hij gebeld heeft naar personen maar dat hij, zodra de telefoon werd opgenomen, telkens heeft gezwegen.

De raadsvrouw heeft ter zitting van het hof voorts aangevoerd dat verdachte tijdens het verhoor het vermoeden kreeg dat de politie mogelijk een van zijn kinderen verdacht van de feiten. Verdachte heeft toen besloten de schuld op zich te nemen. In dit licht bezien is de verklaring van verdachte niet redengevend en deels niet betrouwbaar, aldus de raadsvrouw.

Zij heeft ter onderbouwing de volgende passages uit het verhoor voorgehouden, naar aanleiding van de vraag van de politie aan verdachte of een van zijn familieleden, bijvoorbeeld een van zijn kinderen, dit gedaan kan hebben:

'Als dat zo is, dan heb ik het gedaan. Ik zou het altijd voor mijn kinderen opnemen (…) Ik wil van het gezeik af. Ik heb de telefoontjes gepleegd(..). Ik heb [benadeelde partij] , [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] gebeld met dreigende woorden. Ik weet niet meer precies wat ik heb gezegd, maar er zaten zeker dreigende woorden bij. Ze hebben zeker niet de strekking zo het nu is verwoord in de tenlastelegging.'

Uit de stukken blijkt dat, nadat verdachte is gevraagd of één van zijn familieleden - bijvoorbeeld een van zijn kinderen - dit gedaan kan hebben, verdachte heeft verklaard dat als dat zo is, hij het heeft gedaan. Hij heeft voorts verklaard dat zijn kinderen niet in staat zijn om zoiets te doen. Twee van zijn kinderen hebben verhaal gehaald bij [slachtoffer 3] , maar dit stond los van het dreigtelefoontje en het is bij die ene keer gebleven.

Verdachte heeft verklaard dat hij van het gezeik af wilde en dat hij de telefoontjes heeft gepleegd, waarbij hij zijn stem vervormd heeft. Hij was op die momenten alleen en niet thuis.

Anders dan verdachte en de raadsvrouw hebben betoogd, leiden de hiervoor genoemde verklaringen naar het oordeel van het hof niet tot de conclusie dat de bij de politie afgelegde verklaring van verdachte onbetrouwbaar is. Het hof zal deze bezigen voor het bewijs van het feit.

Op grond van de voorgaande bewijsmiddelen acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd door hen telefonisch de woorden met zware mishandeling, waarbij verdachte de volgende bewoordingen heeft gebezigd: 'Ik ga al je botten breken', althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

Bewijsoverweging met betrekking tot feit 6

Verdachte wordt in het onder 6 ten laste gelegde verweten al dan niet met een ander de auto van [benadeelde partij] te hebben bewerkt met afbijtmiddel, waardoor de auto is beschadigd.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van dit feit.

Verdachte ontkent de auto van [benadeelde partij] te hebben beschadigd. Hij heeft met betrekking tot dit feit ter zitting van het hof verklaard dat hij en een aantal collega's met elkaar hebben gesproken over het gevoel van onrecht dat hen was aangedaan door [benadeelde partij] . Er werd gesproken over hoe zij [benadeelde partij] terug konden pakken. Toen is, om de inmiddels verhitte gemoederen te kalmeren, ook besproken om iets met de auto van [benadeelde partij] te doen. Verdachte heeft verklaard dat hij met een ander is meegereden, niet wetende dat die ander de auto daadwerkelijk zou beschadigen met afbijtmiddel. Hij heeft wel afbijtmiddel gezien. Hij heeft voorts verklaard dat hij niet daadwerkelijk heeft gezien dat de ander de auto met afbijtmiddel heeft overgoten.

Voorop wordt gesteld dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Uit de bewijsmiddelen leidt het hof met betrekking tot de betrokkenheid van verdachte bij het tenlastegelegde af dat hij met anderen heeft gesproken en dat het groepje elkaar heeft opgestookt. Zij hebben besproken dat er wat er met de auto van [benadeelde partij] moest gebeuren. Verdachte is vervolgens met een ander in een auto naar de auto van [benadeelde partij] gereden. Hij heeft gezien dat de ander afbijtmiddel had meegenomen. Hij wist ook dat er wat er zou gaan gebeuren; dat was immers besproken. Hoewel verdachte de uitvoering aan een ander heeft overgelaten, is naar het oordeel van het hof sprake geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte. Het hof acht derhalve bewezen dat verdachte het feit heeft medegepleegd.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1, aanhef en onder b, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.

Stichting [stichting] in de periode van 1 januari 2001 tot en met 1 augustus 2006

te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] en/of [plaats 4] en/of [plaats 5] ,

met het oogmerk om zichzelf en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen,

telkens door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft bewogen tot afgifte van meerdere geldbedragen,

hebbende de Stichting [stichting] toen en daar telkens listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen voorgehouden dat

a. [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en [betrokkene 3] en [betrokkene 4] werkzaamheden in het kader van een dienstverband hebben verricht,

waardoor het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen (telkens) werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,

tot vorenstaande feiten verdachte opdracht heeft gegeven en/of feitelijke leiding heeft gegeven aan de vorenstaande verboden gedraging(en);


3.

hij te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] , in de periode van 1 juni 2002 tot en met 5 september 2005,

tezamen en in vereniging met een ander meermalen valselijk heeft opgemaakt bescheiden,

te weten drie benoemingsbrieven afkomstig van Stichting [stichting] , te weten:

a. een benoemingsbrief d.d. 25 juni 2002 gericht aan [betrokkene 1] (D-095), en

b. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 3] (D-033), en

c. een benoemingsbrief d.d. 5 september 2002 gericht aan [betrokkene 4] ;

zijnde telkens enig geschrift dat bestemd is om tot bewijs van enig feit te dienen, zulks met het oogmerk om deze als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken,

bestaande de valsheid hierin dat voornoemde personen nimmer een dienstbetrekking met Stichting [stichting] zijn aangegaan;


4:
hij in de periode van 24 juni 2008 tot en met 18 juni 2009 te [plaats 1] en/of [plaats 2] en/of [plaats 3] ,

[slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers heeft verdachte hen telefonisch de woorden toegevoegd 'Ik ga al je botten breken' althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

6.

hij op 4 februari 2009 aan de [adres] te [plaats 1] ,

tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een auto, BMW (met kenteken [kenteken] ), toebehorende aan [benadeelde partij] , heeft beschadigd,

immers heeft hij, verdachte en zijn mededader die auto bewerkt met afbijtmiddel waardoor deze auto werd beschadigd.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

feitelijke leiding geven aan en opdracht geven tot het door een rechtspersoon begaan van oplichting.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd.

Het onder 4 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft, als directeur Centrale Diensten belast met de financiën van [stichting] , niet-bestaande dienstverbanden opgevoerd in de administratie van [stichting] . Daardoor werd het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen bewogen tot afgifte van geldbedragen, bestemd voor de bekostiging van de directe personeelskosten. Deze geldbedragen zijn echter (deels) gebruikt voor bekostiging van het bovenmatig ophogen van het salaris van de Algemeen Directeur. De valselijk opgemaakte benoemingen zijn ook gebruikt om vergoedingen van het ministerie te verkrijgen voor kosten die daarvoor bij een opgave overeenkomstig de waarheid niet in aanmerking kwamen. Ook een afscheidsbonus ten behoeve van de Algemeen Directeur werd uit deze gelden bekostigd. Om het ministerie tot de afgifte van de gelden te bewegen heeft verdachte valse benoemingsbrieven laten opmaken en deze in de administratie van de school laten opnemen.

Nadat de opvolgend directeur onregelmatigheden in de boekhouding had ontdekt, werd een (fraude)onderzoek opgestart. Nadat het (fraude)onderzoek was opgestart heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan bedreiging van personeel van [stichting] en heeft hij samen met een ander de auto van de opvolgend directeur beschadigd door deze te bewerken met afbijtmiddel.

Het hof neemt verdachte deze gedragingen bijzonder kwalijk. Door het verlenen van medewerking aan en de instandhouding van een systeem van valse boekhouding is gemeenschapsgeld ten onrechte terecht gekomen op onder meer de bankrekening van de Algemeen Directeur en zijn kosten ten onrechte ten laste van het ministerie gebracht. Verdachte heeft door aldus te handelen zowel zich als ambtenaar onbehoorlijk gedragen en het vertrouwen beschaamd dat in het maatschappelijk verkeer in de juistheid van benoemingsbrieven moet kunnen worden gesteld.

Bovendien neemt het hof verdachte bijzonder kwalijk dat, nadat op initiatief van de opvolgend directeur een fraudeonderzoek was gestart en in dat kader schoolpersoneel is gehoord, verdachte juist deze personeelsleden heeft bedreigd en de auto van de opvolgend directeur heeft beschadigd.

Het hof heeft bij de straftoemeting een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 4 mei 2017. Daaruit is gebleken dat verdachte niet eerder ter zake van strafbare feiten onherroepelijk tot een straf of maatregel is veroordeeld. Ook is niet gebleken van nieuwe feiten, gepleegd na het bewezen verklaarde.

Gezien de ernst van de feiten en de maatschappelijke impact daarvan, acht het hof de door de rechtbank opgelegde onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden een alleszins passende straf.

Uit het verhandelde ter zitting en de stukken is aannemelijk geworden dat verdachte zich onder druk gezet voelde door de Algemeen Directeur, tevens medeverdachte in deze zaak. Verder is aannemelijk geworden dat verdachte niet het eerste initiatief heeft genomen voor de oplichting. Verder heeft hij geen financieel voordeel gehad van het bewezen verklaarde. Wel staat vast dat hij heeft meegedacht bij de uitvoering van de feiten. Verdachte heeft in de procedure in hoger beroep enigszins blijk gegeven inzicht te hebben in de strafwaardigheid van het feit en de verwijtbaarheid van zijn handelen.

In de procedure in hoger beroep is inzichtelijker geworden welke consequenties het fraudeonderzoek en de strafrechtelijke procedure hebben gehad voor verdachte. Uit het verdachte betreffende reclasseringsrapport van 18 mei 2017 volgt dat verdachte in 2008 op non-actief is gesteld en in 2009 is ontslagen. Sindsdien is hij werkloos. Hij had na het wegvallen van zijn baan een flink financieel gat te vullen en leeft op dit moment van een WIA-uitkering. Verdachte verricht momenteel veel vrijwilligerswerk.

Ook volgt uit het reclasseringsrapport dat hij last heeft gehad van psychische klachten, volgens eigen zeggen naar aanleiding van de rechtszaak. Daarnaast heeft hij lichamelijke klachten.

Op initiatief van de verdediging heeft de reclassering de mogelijkheden van elektronisch toezicht in combinatie met een taakstraf onderzocht. De reclassering acht het toepassen van elektronische controle in beginsel mogelijk, omdat aan alle praktische voorwaarden kan worden voldaan. Daarnaast beschikt de reclassering over een project geschikt voor mensen met lichamelijke en/of psychische problemen waar verdachte werkzaamheden in het kader van een taakstraf zou kunnen uitvoeren.

Het hof stelt vast dat in hoger beroep sprake is van - kort gezegd - 'undue delay' in de zin van artikel 6 van het EVRM. Het dossier is niet binnen 8 maanden na het instellen van hoger beroep ingezonden, maar pas na 1 jaar en 11 maanden. Daarnaast zijn tot aan de uitspraak van het hof in totaal 5 jaren en ruim 7 maanden verstreken, zodat sprake is van een forse overschrijding. Het hof ziet in het voorgaande, maar ook gelet op verdachtes persoonlijke omstandigheden, aanleiding om over te gaan tot oplegging van een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof acht de door de advocaat-generaal gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf en werkstraf passend en zal deze aan verdachte opleggen. Dit komt neer op oplegging van een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen voor de duur van 4 maanden, met een proeftijd van 1 jaar en een taakstraf van maximale duur. Het hof ziet op dit moment geen aanleiding om de door de advocaat-generaal gevorderde bijzondere voorwaarde, elektronisch toezicht gedurende de eerste vier maanden van de proeftijd, aan verdachte op te leggen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.500 (immateriële schade). De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 300. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 6 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Gelet op het vorenstaande dient verdachte, als de in het ongelijk gestelde partij, te worden veroordeeld in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt, tot aan deze uitspraak begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 47, 51, 57, 225, 285, 326 en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 1, aanhef en onder b, en 4, voor zover het betreft het versturen van dreigbrieven, ten laste gelegde

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 3, 4 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 3, 4 en 6 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 1 (één) jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij] ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 300,00 (driehonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij] , ter zake van het onder 6 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 300,00 (driehonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. O. Anjewierden, voorzitter,

mr. J.J. Beswerda en mr. E. de Witt, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. I.N. Koers, griffier,

en op 20 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.