Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:5118

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-06-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
200.208.427/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezagsbeëindiging. De aanvaardbare termijn, waarbinnen de ouders de verantwoordelijkheid weer op zich kunnen nemen, is voor deze jonge kinderen verstreken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.208.427/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/150662/FA RK 16-1288)

beschikking van 15 juni 2017

inzake

[verzoekster] en [verzoeker] ,

wonende te [A] ,
verzoekers in hoger beroep,

verder te noemen: de ouders,

advocaat: mr. G.A. Pots te Leeuwarden,

en

de raad voor de kinderbescherming,

gevestigd te Leeuwarden,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

gevestigd te Amsterdam,

verder te noemen: de GI of voogdes,

[de pleegouders] ,

wonende op een geheim adres,

verder te noemen: de pleegouders.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van 30 november 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 23 januari 2017;

- het verweerschrift van de raad;

- een journaalbericht namens mr. Pots van 16 februari 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 16 mei 2017 plaatsgevonden. De ouders zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaat. Namens de raad is de heer

[B] verschenen. Namens de GI is verschenen mevrouw [C] .

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het huwelijk van de ouders zijn geboren [de minderjarige1] (verder te noemen: [de minderjarige1] ), geboren [in] 2012 en [de minderjarige2] (verder te noemen: [de minderjarige2] ), geboren [in] 2014.

3.2

Bij beschikking van 22 oktober 2014 heeft de kinderrechter, op verzoek van de raad, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] onder toezicht gesteld van de GI voor de duur van een jaar, welke termijn laatstelijk is verlengd bij beschikking van 14 oktober 2016 tot 22 oktober 2017.

3.3

Bij beschikking van 8 september 2015 heeft de kinderrechter de GI gemachtigd [de minderjarige1] en [de minderjarige2] uit huis te plaatsen; sindsdien verblijven zij in het huidige pleeggezin.

3.4

Bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaarde bestreden beschikking van 30 november 2016 heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, het ouderlijk gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] beëindigd en de GI tot voogdes benoemd.

4 De omvang van het geschil

De ouders zijn met één grief in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking van

30 november 2016. Deze grief beoogt het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. De ouders verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen en het verzoek van de raad strekkende tot beëindiging van het gezag van de ouders over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , met benoeming van de GI tot voogdes, af te wijzen en de raad te veroordelen in de kosten van dit geding.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter het gezag van een ouder beëindigen indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

b. de ouder het gezag misbruikt.

5.2

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot beëindiging van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

5.3

Het blijk geven van duurzame bereidheid van de ouders om het kind in het pleeggezin waar het verblijft te laten opgroeien dient in de beoordeling te worden betrokken, maar staat – gelet op het belang van het kind bij stabiliteit en continuïteit in zijn opvoedingssituatie – niet (zonder meer) in de weg aan beëindiging van het gezag.

5.4

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof overneemt en na eigen onderzoek tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:266 BW. In aanvulling daarop overweegt het hof als volgt.

5.5

Niet is gebleken dat er sinds de uithuisplaatsing een (structurele) verbetering heeft plaatsgevonden in de woon- en leefsituatie van de ouders. Er wordt weliswaar gewerkt aan de schuldenproblematiek, echter voor het overige hebben de ouders nog immer hulp en begeleiding nodig en hebben zij nog steeds geen eigen woning. Door zich desondanks op het standpunt te stellen dat zij in staat zijn de verzorging en opvoeding van de kinderen weer op zich te nemen, geven de ouders er blijk van de in het raadsrapport van 8 september 2016 uitvoerig beschreven ernstige problematiek binnen het gezin van de ouders volstrekt niet te zien en te erkennen, en niet te begrijpen wat de kinderen nodig hebben. Om te kunnen vertrouwen op een opvoeder en zich veilig te kunnen hechten en ontwikkelen is het noodzakelijk dat een kind langdurig wordt verzorgd door een betrouwbare en voorspelbare opvoeder die adequaat inspeelt op de behoeften van een kind. Een dergelijke noodzakelijke stabiele opvoedingssituatie heeft ontbroken in het gezin van de ouders en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ervaren die nu al wel ruim anderhalf jaar bij de pleegouders.

5.6

Het hof overweegt daarnaast nog als volgt. In een situatie als de onderhavige waarin sprake is van een uithuisplaatsing van minderjarigen op zeer jonge leeftijd, is het ontwikkelingsbelang van de minderjarigen vooral gelegen in het zo snel mogelijk verkrijgen van duidelijkheid middels een spoedige beslissing omtrent het opvoedingsperspectief en de verblijfsituatie. Voor deze kinderen is de termijn waarbinnen de ouders nog de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen zouden kunnen dragen, de zogenoemde aanvaardbare termijn, dan ook al verstreken. Daarmee is het vooruitzicht op terugkeer naar de ouders komen te vervallen.

5.7

Op grond van het vorenstaande is het naar het oordeel van het hof in het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de stabiliteit en continuïteit in hun opvoedingssituatie te waarborgen door het gezag van de ouders te beëindigen.

5.8

Tenslotte merkt het hof nog op dat het verheugend is dat de omgangsmomenten tussen de ouders en [de minderjarige1] en [de minderjarige2] positief verlopen. De ouders houden zich aan de afspraken en duidelijk is dat [de minderjarige1] en [de minderjarige2] de omgangsmomenten als fijn ervaren.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

6.2

Het hof zal, zoals gebruikelijk in dit soort zaken, de proceskosten van het geding in hoger beroep compenseren.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

30 november 2016;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.M. Dölle, A.W. Beversluis en

E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. I.G. Vos als griffier en is op 15 juni 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.