Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4996

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
19-06-2017
Zaaknummer
200.186.351/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Derdenbeslag op voorwaardelijke vordering. Beroep op artikel 6:23 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3129
NJF 2017/407
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.186.351/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/154720 / HA ZA 15-55)

arrest van 13 juni 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. P.B. Rietberg, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van

2 december 2015 dat de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 12 februari 2016 (met grieven en producties),

- de memorie van antwoord (met productie),

- de brief met bijlage van [geïntimeerde] van 18 november 2016,

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen gehouden op 8 december 2016.

2.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald op het comparitiedossier.

2.3

[appellante] vordert in het hoger beroep - samengevat - het vonnis op 2 december 2015 gewezen door de rechtbank Noord-Nederland locatie Groningen te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld om het bedrag dat [X] aan [appellante] is verschuldigd, zijnde € 48.755,51 vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten in beide instanties, alsmede de btw daarover aan [appellante] te voldoen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten die in eerste aanleg en in hoger beroep als gesteld en niet voldoende gemotiveerd betwist zijn komen vast te staan.

3.2

[appellante] heeft de heer [X] (hierna: [X] ), als advocaat bijgestaan in de echtscheidingsprocedure en een boedelscheidingsprocedure tussen [X] en [geïntimeerde] . De einddeclaraties die [appellante] aan [X] heeft toegezonden zijn door [X] onbetaald gelaten.

3.3

In het kader van de boedelscheidingsprocedure heeft de rechtbank Groningen bij

vonnis van 27 juni 2012 gelast dat [X] en [geïntimeerde] de tussen hen bestaande "fictieve gemeenschap" op een bepaalde wijze zullen verdelen, waarbij de rechtbank onder meer heeft bepaald dat:
" [geïntimeerde] aan [X] verschuldigd is een bedrag van € 116.720,00, welk bedrag eerst verschuldigd is aan [X] nadat de woning aan [adres 1] te [woonplaats] is verkocht en

geleverd (…)".

3.4.

De woning aan [adres 1] te [woonplaats] (hierna: de woning) is tot op heden niet verkocht.

3.5.

Op 25 januari 2013 heeft [appellante] voornoemde einddeclaraties ter begroting toegezonden aan de Raad van Toezicht. Op 11 juli 2013 heeft de Raad van Toezicht beslissingen genomen op de begrotingsverzoeken en de einddeclaraties vastgesteld op een bedrag van in totaal € 47.423,35.

3.6.

Bij beschikking van 20 januari 2014 van de voorzieningenrechter van de rechtbank

Noord-Nederland, locatie Groningen, is aan [appellante] verlof verleend om de beslissingen op de begrotingsverzoeken van de Raad van Toezicht te 's Gravenhage van 11 juli 2013 ten uitvoer te leggen uit hoofde waarvan [X] een bedrag van € 47.423,35 aan [appellante] dient te voldoen. Het daartegen door [X] ingestelde verzet is bij beschikking van 10 december 2014 door de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, ongegrond verklaard.

3.7.

Op 27 maart 2014 is uit kracht van voornoemde beschikking derdenbeslag gelegd onder [geïntimeerde] op:
“alle gelden (…) die de derde beslagene onder zich heeft en/of uit een reeds nu bestaande rechtsverhouding heeft en/of mocht krijgen te behoeve van (…) [X] (…).”
Op 4 april 2014 is het proces-verbaal van het derdenbeslag betekend aan [X] .

3.8.

Op 19 mei 2014 heeft [geïntimeerde] een verklaring derdenbeslag als bedoeld in

artikel 476a Rv aan de deurwaarder die het beslag heeft gelegd doen toekomen. Op deze

verklaring is aangegeven dat er tussen [geïntimeerde] en [X] een rechtsverhouding bestaat uit hoofde waarvan [X] iets van haar heeft te vorderen. Op de vraag wat deze rechtsverhouding betreft heeft [geïntimeerde] geantwoord:
“- voorwaardelijk uit hoofde van de boedelscheiding (vonnis al in uw bezit)

- (…)".

3.9.

Op enig moment heeft [geïntimeerde] de woning uit de verkoop gehaald. De woning wordt momenteel bewoond door [geïntimeerde] .

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft in eerste aanleg gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad [geïntimeerde] te veroordelen, op grond van artikel 477a lid 4 Rv haar verplichtingen ex artikel 477 Rv jo 476b Rv na te komen, alsmede tot betaling van vervangende schadevergoeding gelijk aan het bedrag wat [X] aan [appellante] is verschuldigd, zijnde een bedrag ad € 48.755,51, vermeerderd met de wettelijke rente sedert de dag van de dagvaarding over een bedrag ad € 48.755,51 alle kosten rechtens, onder de kosten begrepen het salaris van eiseres, alsmede de btw over de proceskosten.

4.2

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg (in reconventie) gevorderd het door [appellante] op

27 maart 2014 onder [geïntimeerde] gelegde beslag op te heffen, met veroordeling van [appellante] in de kosten van het geding te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 2 december 2015 de vorderingen in conventie en reconventie afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellante] is in hoger beroep gekomen van voormeld vonnis (voor zover gewezen in conventie) onder aanvoering van één grief. Deze grief richt zich tegen de volgende beslissing van de rechtbank:
“Tussen partijen staat vast dat de woning niet is verkocht. Nu de opschortende voorwaarde (nog) niet is ingetreden, is de vordering in het kader van de boedelscheiding (nog) niet opeisbaar door [X] . Derhalve is [geïntimeerde] niet gehouden met betrekking tot de vordering van [appellante] op [X] enig bedrag af te dragen.”

5.2

In de toelichting op haar grief heeft [appellante] aangevoerd dat [geïntimeerde] gehouden is tot afdracht van het bedrag waarvoor [appellante] onder haar derdenbeslag heeft gelegd. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat [X] een vordering heeft op [geïntimeerde] onder de opschortende voorwaarde van verkoop van de woning. [geïntimeerde] heeft de vervulling van de voorwaarde belet nu zij de woning (nadat beslag was gelegd) uit de verkoop heeft gehaald. [appellante] heeft gewezen op artikel 6:23 BW. Volgens [appellante] kan [X] betaling van zijn vordering eisen en kan hieruit de vordering die [appellante] op [X] heeft worden voldaan. Zij heeft geconcludeerd dat het beslag doel treft zodat [geïntimeerde] het bedrag dat [X] aan [appellante] verschuldigd is, aan haar dient te voldoen.

5.3

Ter beoordeling ligt de vraag voor of [geïntimeerde] gehouden is tot afdracht van het bedrag waarvoor [appellante] (derden)beslag heeft gelegd. [appellante] laat zich er niet over uit, maar gaat klaarblijkelijk uit van de gedachte dat de regeling van artikel 6:23 BW, die van toepassing is op verbintenissen die die bij rechtshandeling van een toekomstige onzekere gebeurtenis afhankelijk zijn gesteld (zie artikel 6:21 BW) bij wijze van analogie ook van toepassing is op verbintenissen als de onderhavige, die door de rechter voorwaardelijk zijn opgelegd. De wetsgeschiedenis geeft steun aan die gedachte (Parl. Gesch. Boek 6, p. 145). Voorts gaat [appellante] er blijkbaar van uit dat sprake is van een opschortende voorwaarde en niet van een verbintenis onder tijdsbepaling. Het hof zal haar daarin vooralsnog volgen.

5.4

Een voorwaardelijke vordering is vatbaar voor derdenbeslag, waarbij geldt dat van een beslagen voorwaardelijke vordering slechts betaling kan worden gevorderd na vervulling van de voorwaarde (zie artikel 477 lid 3 Rv). In de onderhavige zaak is niet in geschil dat de woning niet is verkocht. Daarmee is de opschortende voorwaarde feitelijk (nog) niet vervuld zodat de vordering in beginsel (nog) niet opeisbaar is.

5.5

Door [geïntimeerde] is aangevoerd dat [X] als schuldeiser van de voorwaardelijke vordering zich niet beroept op het vervuld zijn van de voorwaarde via het bepaalde in artikel 6:23 BW en dat [appellante] als beslaglegger zich (mede daarom) jegens [geïntimeerde] niet kan beroepen op het bepaalde in artikel 6:23 BW. Het hof laat dit verder in het midden, nu wat daar verder van zij, [appellante] haar beroep op artikel 6:23 BW inhoudelijk onvoldoende heeft onderbouwd. Daartoe overweegt het hof als volgt. [appellante] beroept zich er op dat [geïntimeerde] de woning nadat daarop beslag was gelegd uit de verkoop heeft gehaald. Dat enkele feit volstaat in het licht van het gemotiveerde verweer echter niet ter onderbouwing van de stelling dat [geïntimeerde] het intreden van de voorwaarde (verkoop van de woning) heeft belet en de redelijkheid en billijkheid nu meebrengen dat de voorwaarde als vervuld moet worden beschouwd. Door [geïntimeerde] is immers gemotiveerd aangevoerd dat de woning zeer lang te koop heeft gestaan maar dat mede vanwege de slechte staat van de woning het niet mogelijk is geweest de woning te verkopen (tegen een waarde hoger dan de hypotheekschuld). Er was zelfs geen enkele belangstellende. De woning is daarom mede om tactische redenen (tijdelijk) uit de verkoop gehaald en dient eerst te worden opgeknapt, aldus [geïntimeerde] . Voorts heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat zij in de woning is gaan wonen en dat zij de woning waarin zij eerst woonde en waarop ook hypotheek rustte (aan [adres 2] te [woonplaats] ) met verlies heeft verkocht.

5.6

Het beroep dat [appellante] ter zitting in hoger beroep op artikel 6:248 BW heeft gedaan leidt, gelet op het voorgaande, niet tot een ander oordeel. Daar komt bij dat deze nieuwe grondslag in verband met de tweeconclusieregel (die voorschrijft dat behoudens uitzonderingen, de grieven, nieuwe verweren en eisvermeerderingen in de eerste conclusie in hoger beroep moeten zijn opgenomen) te laat is aangevoerd en reeds om die reden al niet kan leiden tot vernietiging van het bestreden vonnis.

5.7

Hoewel [appellante] in haar memorie van grieven (onder 18, een na laatste alinea) heeft opgemerkt dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld, heeft zij geen schadevergoeding uit hoofde van onrechtmatige daad gevorderd. Gelet op de toelichting die zij op haar vordering heeft gegeven (memorie van grieven nr. 18, laatste alinea), heeft zij haar vordering net als in eerste aanleg gebaseerd op nakoming van de verplichtingen uit hoofde van het beslag en heeft zij daarin geen wijziging beoogd. De vraag of [geïntimeerde] onrechtmatig jegens [appellante] heeft gehandeld kan derhalve niet tot toewijzing van de vordering leiden en behoeft geen verdere bespreking. Daar komt bij dat ook deze grondslag niet is onderbouwd in het licht van het door [geïntimeerde] gevoerde verweer (zie hiervoor onder rov. 5.5)

De slotsom

5.8.

De grief faalt, zodat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellante] in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 718,-

- salaris advocaat € 3.262,- (2 punten x tarief IV € 1.631)

Totaal € 3.980,-

5.9.

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van

2 december 2015;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 718,- voor verschotten en op € 3.262,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellante] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellante] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. I. Tubben en mr. J.N. Bartels en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

13 juni 2017.