Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4957

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
15/01488
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBNNE:2015:4797, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:271
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolheffing; geen overschrijding van de opbrengstlimiet en de vrijval van egalisatiereserve is terecht niet tot de geraamde baten gerekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2017/326 met annotatie van P. de Bruin
V-N Vandaag 2017/1407
FutD 2017-1509
Viditax (FutD), 23-02-2018
NTFR 2017/1641 met annotatie van
NLF 2017/1492 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Belastingkamer

Locatie Leeuwarden

nummer 15/01488

uitspraakdatum: 13 juni 2017

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

Stichting [X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 20 oktober 2015, nummer LEE 13/1204, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Hoogeveen (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft belanghebbende voor het jaar 2012 aanslagen in de rioolheffing opgelegd naar een te betalen bedrag van afgerond € 166.000 (3.824 objecten x € 43,50).

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de aanslagen gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Noord-Nederland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 20 oktober 2015 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2016 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord mr. [A] , als de gemachtigde van belanghebbende, bijgestaan door mr. [B] , alsmede mr. [C] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door [D]

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

1.9

Wegens defungeren van mr. Van Muijen na de zitting is mr. Van der Wal in diens plaats getreden in de zetel. Aan partijen is bij brief van 17 mei 2017 gevraagd of zij instemmen met afdoening van de zaak zonder nadere mondelinge behandeling. Beide partijen hebben daarmee schriftelijk ingestemd.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende heeft met betrekking tot de onderhavige zaak een uitspraak op bezwaar van de heffingsambtenaar – op diens briefpapier – met dagtekening 12 maart 2013 overgelegd.

2.2

De heffingsambtenaar heeft met betrekking tot de onderhavige zaak een uitspraak op bezwaar – op blanco papier – met dagtekening 25 januari 2013 overgelegd. Deze uitspraak heeft exact dezelfde inhoud als de onder 2.1 vermelde uitspraak. Tussen partijen staat vast dat deze (concept)uitspraak niet is verzonden.

2.3

Belanghebbende heeft een deel uit de paragraaf lokale heffingen gemeentebegroting 2012 gemeente Hoogeveen overgelegd. Daarin staat onder meer:

“In onderstaande tabel staan de componenten voor de tariefberekening van 2012.

Bedragen x € 1.000

2012

Kosten volgens deze begroting

4.128

BTW-component

383

Kwijtschelding

238

Kosten straatvegen, conform besluit in 2008

200

1% oninbaarverklaring

44

Uitvoering baggerplan

128

Totaal door te berekenen kosten

5.121

Af: ten laste reserve riolering

741

Te heffen voor 100%-kostendekking

4.381

Opbrengst op basis van huidig tarief

4.381

Conclusie: de egalisatiereserve is voldoende om in te zetten voor de 100% kostendekking, ook in latere jaren. Door deze inzet wordt de reserve afgebouwd tot € 1,3 miljoen per eind 2015. Dat vinden we voldoende. Dit betekent dat toepassing van de index en de in de vorige begroting afgesproken tariefsverhoging (voor 2015-2019) van € 3 per belastingplichtige per jaar voor 2015 achterwege kan blijven.”

2.4

Per e-mail van 17 april 2012 heeft [E] namens de heffingsambtenaar, de gemachtigde van belanghebbende onder meer als volgt geïnformeerd:

“In de bijlage nogmaals alle documenten inclusief een gespecificeerd overzicht van het totaal aantal objecten volgens de BAG-administratie en een overzicht van het totale aantal percelen in de rioolheffing is betrokken.”.

Bij de e-mail is een Excelbestand gevoegd met 35.928 regels.

2.5

Per e-mail van 6 juni 2012 heeft de heffingsambtenaar gemachtigde van belanghebbende onder meer als volgt geïnformeerd:

“In uw mail van maandag 7 mei 2012 stelt u dat u bij de rioolheffing op een overschrijding van € 898.269,- komt wanneer u uitgaat van de in de rioolheffing betrokken objecten en de in de BAG opgevoerde objecten.

De berekening van de substantiële afwijking die u constateert in uw mail ontstaat omdat uitgegaan is van verkeerde uitgangspunten.

Het aantal objecten welke is betrokken in de rioolheffing eigenaren is 35.927.

Dit aantal moet vermenigvuldigd worden met de rioolheffing eigenaren van € 43,50 = € 1.562.824,50

Van dit bedrag moet het gereduceerde tarief voor garages en boxen nog worden Afgetrokken.(…)

-/- € 27.086,50

€ 1.535.738,-

Het aantal objecten voor de rioolheffing gebruikers is 27.629.

Dit aantal moet vermenigvuldigd worden met de rioolheffing gebruikers van € 103,40 = € 2.856.826,60

Van dit bedrag moet de leegstand (831 objecten) niet gekoppelde percelen (93)

In mindering worden gebracht (924 x € 103,40= € 95.541,60) -/-

€ 95.541,60

€ 2.761.297,-

Totaal geraamde opbrengst € 4.297.035,- (…) ”.

2.6

De heffingsambtenaar heeft in zijn aanvullende verweerschrift bij de Rechtbank onder meer geschreven:

5. Standpunt van de heffingsambtenaar ten aanzien van de door belanghebbende aangevoerde motivering

(…)

Belanghebbende heeft in een mail van 13 april 2012 9:03 verzocht om:

- een gespecificeerd overzicht van het totaal aantal objecten volgens de Bag-administratie;

- een gespecificeerd overzicht van het totale aantal percelen dat in de rioolheffing is betrokken.

De gevraagde informatie is per mail aangeleverd op 17 april 2012 17:43. In de toegezonden lijst is een overzicht verstrekt van in totaal 35.927 BAG-panden. Tevens is aangegeven dat 27.629 percelen in de rioolheffing zijn betrokken. Belanghebbende baseert haar motivering voor een belangrijk deel op deze aantallen, waarbij het aantal BAG-panden wordt aangemerkt als het aantal percelen dat in de eigenarenheffing voor de rioolheffing kan worden betrokken.

In de BAG-administratie worden verschillende soorten objecten vastgelegd, zoals panden, verblijfsobjecten, stand- en ligplaatsen. In de BAG wordt een pand omschreven als “de kleinste bij de totstandkoming functioneel en bouwkundig-constructief zelfstandige eenheid die direct en duurzaam met de aarde is verbonden en betreedbaar en afsluitbaar is.” Een pand kan in de BAG zowel een geheel flatgebouw als een bijgebouw bij een object betreffen. Het uitgangspunt van belanghebbende om het aantal percelen voor de eigenarenbelasting bij de rioolheffing gelijk te stellen aan het aantal BAG-panden is niet juist omdat de begripsomschrijving van een perceel van de rioolheffing en de begripsomschrijving van een BAG-pand niet op elkaar aansluiten.

De heer [F] heeft de mailwisseling met belanghebbende na het vertrek van zijn voorgangster overgenomen, waarbij de heer [F] in zijn berekening heeft aangegeven dat opbrengst van de rioolheffing de lasten niet overschrijding.”.

2.7

De heffingsambtenaar heeft op de zitting bij de Rechtbank van 18 februari 2014 onder meer verklaard:

“In het zogeheten BAG-bestand kunnen bijvoorbeeld drie afzonderlijke objecten staan vermeld: een garage, een schuur en woning, terwijl die drie objecten in het bestand voor rioolheffing als één object worden beschouwd.

In de betreffende mailwisseling is een bestand bijgevoegd van 35.927 objecten. Eiseres had gevraagd om het BAG-bestand en daarom is dit bestand bijgevoegd.

Voor de rioolheffing is dit een vervuild bestand, omdat een aantal objecten voor de rioolheffing buiten beschouwing blijven en een aantal objecten worden samengevoegd tot één object, zoals in het voorbeeld dat ik zojuist gaf.”.

2.8

Belanghebbende heeft in haar pleitnota bij de Rechtbank onder meer geschreven:

Aantal objecten dat in de rioolheffing moet worden betrokken

De gemeente stelt nu in haar verweer dat het aantal objecten dat in de rioolheffing (eigenarenheffing) kan worden betrokken 27.629 bedraagt. Volgens de gemeente blijkt dit uit de email d.d. 17 april 2012, 17:43, die is verstuurd door [E] . [X] heeft reeds in de motivering van haar beroepschrift aangegeven dat uit dezelfde mail echter blijkt dat het aantal objecten 35.927 bedraagt. [X] verwijst in dat kader naar de in de producties opgenomen email en het eerste en het laatste blad van het betreffende excel-bestand “rioolheffing eigenaar.xlsx” (…). Het laatste blad geeft links via het regelnummer de telling aan. Het regelnummer is 35.928. Hiervan moet de eerste regel worden afgetrokken waardoor het aantal 35.927 bedraagt. Dit aantal blijkt ook uit de mail van de heer [F] d.d. 6 juni 2012(…). De heer [F] bevestigt in deze mail dat dit het aantal objecten is dat in de eigenarenheffing moet worden betrokken.

Voorts stelt de gemeente dat het aantal leegstaande objecten 2.350 bedraagt en het aantal objecten dat niet is aangesloten op het buizenstelsel, 750. Dit aantal blijkt echter niet uit de mail van de heer [F] d.d. 6 juni 2012 (…). De heer [F] gaf in de mail aan dat de leegstand 831 bedroeg en het aantal niet gekoppelde percelen 93. Het aantal kleine percelen (…) is vrijwel in overeenstemming met de mail van de heer [F] .”

2.9

De Rechtbank heeft partijen bij brief van 20 februari 2014 onder meer als volgt geïnformeerd:

“De zaak is op de zitting van 18 februari jl. te Leeuwarden behandeld. Het onderzoek is ter zitting geschorst.

Partijen worden in de gelegenheid gesteld om in overleg met elkaar af te stemmen en zo mogelijk het eens te worden aangaande de vraag of verweerder voldoende inzicht heeft verschaft in de ramingen van baten en lasten van de rioolheffing.

Tijdens de zitting is gebleken dat op een drietal punten nader inzicht is gewenst:

  1. Is de opbrengst van de grootverbruikers in de ramingen van de opbrengsten meegenomen;

  2. Welke exacte aantallen objecten zijn in de ramingen gebruikt ten behoeve van de eigenaarsheffing respectievelijk gebruikersheffing;

  3. Wat is de omvang van de post ‘baggerkosten’ die in de ramingen tot de lasten is gerekend.

Tijdens de zitting heeft eiseres haar stelling dat het aantal objecten in de BAG-administratie gelijk is aan het aantal objecten voor de rioolheffing laten vallen.

Indien het verschil in aantal objecten dat in de ramingen is gebruikt voor de eigenaarsheffing respectievelijk gebruikersheffing in onderling overleg is vastgesteld, is eveneens ook het geschil tussen partijen op dit punt te kwantificeren door dit verschil te vermenigvuldigen met € 103,40.

De rechtbank geeft partijen in overweging om te bezien of aan de hand van de uitkomsten van dit overleg en gelet op de overige stellingen zij tot een vergelijk in deze zaak kunnen komen.”

2.10

Bij brief van 28 maart 2014 heeft de heffingsambtenaar de Rechtbank onder meer als volgt geïnformeerd:

“Hierop is met gemachtigde een afspraak gemaakt op 12 maart 2014. In dit gesprek

heeft gemachtigde de gemeente gewezen op feit de baten met 30% de kosten

overschrijden. Het voorstel van gemachtigde om tot compromis te komen was een

vermindering van 50% op de opgelegde aanslagen rioolheffing. Na een voorstel

van de gemeente is het voorstel verlaagd naar 20%.

Op 25 maart 2014 heeft de gemachtigde meegedeeld dat belanghebbende een

voorstel van een vergoeding van 25% van de opgelegde aanslag zal aanvaarden.

Dit voorstel zal op maandag 31 maart 2014 aan het bestuur van de gemeente

worden voorgelegd.”

2.11

Belanghebbende heeft de Rechtbank bij brief van 7 mei 2014 onder meer als volgt geïnformeerd:

“Vervolgens is het gesprek vrij snel in de fase beland waarin partijen hebben gesproken over hoe een eventuele compromis er uit zou kunnen zien. Daarbij hebben de gemachtigden van [eiseres] aangegeven dat zij het juridische standpunt huldigt dat de verordening rioolheffing geheel onverbindend is gezien de berekende overdekking. In het licht daarvan zou een schikking van 50% haar redelijk lijken. De gemeente heeft toen in een tegenvoorstel aangegeven dat zij een verminderingspercentage van 20% zou kunnen voorleggen aan het gemeentebestuur. De gemachtigden van [X] hebben toen toegezegd dat zij dit voorstel zouden voorleggen aan [X] . Voordat partijen uit elkaar zijn gegaan heeft de gemeente toegezegd de exacte bedragen van de aanslagen rioolheffingen toe te zenden. Daarop zouden de gemachtigden van [X] de gemeente informeren betreffende de

reactie van [X] op het voorstel van 20%.

Op 25 maart 2014 heeft de heer [F] de exacte bedragen voor 2014 aan de heer [A] toegezonden. Vervolgens heeft de heer [A] op dezelfde dag de heer [F] namens [X] het tegenvoorstel gedaan de aanslagen te verminderen met 25%.

Met dagtekening 28 maart 2014 heeft de gemeente vervolgens een brief naar uw Rechtbank gezonden waarin zij aangeeft het voorstel van 25% voor 15 april 2014 voor te leggen aan het gemeentebestuur.

Op 14 april 2014 heeft de heer [F] de heer [A] geïnformeerd dat het gemeentebestuur nader juridisch advies wil inwinnen. Afhankelijk van dat advies wil het bestuur de beslissing nemen wel of niet in te gaan op het voorstel.

Op 6 mei 2014 heeft de gemeente telefonisch contact opgenomen met de heer [A] inzake de toezending van opgevraagde stukken met betrekking tot de bezwaarschriften voor de jaren 2013 en 2014. In dit gesprek heeft de heer [A] aan de heer [F] gevraagd hoe de stand van zaken was met betrekking tot de beroepsprocedure voor het jaar 2012. De heer [F] gaf aan dat het juridisch advies dat de gemeente wil inwinnen allesomvattend is.

Dat wil zeggen dat ook de aantallen objecten/percelen wellicht weer ter discussie zullen worden gesteld door de gemeente. Verder heeft de heer [A] gevraagd of het sluiten van een compromis op basis van 20% nog tot de mogelijkheden behoorde. De heer [F] gaf aan dat de gemeente hier niet meer toe bereid was.”

2.12

Bij brief van 6 juni 2014 heeft de heffingsambtenaar de Rechtbank onder meer als volgt geïnformeerd:

Raming opbrengst gebruikers won. en niet-won. € 3.126.500,-

-/- Meeropbrengst waterverbruik boven de 100.000 m³

( 2 objecten) € 329.927,-

-/- Meeropbrengsten waterverbruik 10.000-100.000 m³

( 8 objecten) € 99.329,-

-/- Meeropbrengst waterverbruik 200- 10.000 m³

( 332 objecten(…)) € 239.644,-

totaal € 668.900,-

Resteert opbrengst voor de objecten met basisverbruik € 2.457.600,-

Dit wordt opgebracht door 2.457.600/103,40(basistarief) = 23.767 objecten.

Ten behoeve van de rioolheffing 2012 is aldus in de ramingen voor de gebruikersheffing uitgegaan van in totaal 23.767+2+8= 23.777 objecten.

Raming opbrengst eigenaren € 1.262.500,-

Opbrengst objecten met meer dan 1000 m² (1569 objecten) € 78.400,-

Opbrengst 1569 * 43,50 (basistarief0 € 68.252,-

-/- Meeropbrengst € 9.148,-

Opbrengt woningen conform raming € 1.104.000,-

Opbrengst objecten 23.844 * 43,50 € 1.037.214,-

-/- Meeropbrengst € 67.344,-

-/- Opbrengst kleine objecten 1537 * 25,75 € 39.577,-

Resteert opbrengt niet woningen en woningen

met het basistarief € 1.146.431,-

Dit zijn dus 1.146.431/43,50 (basistarief) = 26.354(…) objecten

Objecten met een kleinere oppervlakte dan 59 m², die een gereduceerd tarief van € 25,75 betalen = 1537 objecten moeten daarbij opgeteld worden.

In totaal zijn dus in de raming van de eigenarenheffing betrokken 27.891 objecten

Ten behoeve van de rioolheffing 2012 is aldus in de ramingen voor de eigenarenheffing uitgegaan van in totaal 27.891 objecten.

(…)

Tenslotte wil ik nogmaals benadrukken dat de door belanghebbende aangevoerde 35.927 objecten het aantal panden betreft die in de BAG-administratie zijn opgenomen. Omdat de objectafbakeningsregels voor de BAG anders zijn dan de objectafbakeningsregels van de rioolheffing, wil ik dan ook nogmaals benadrukken dat het een onjuist uitgangspunt is om voor de rioolheffing aansluiting te zoeken bij de afbakeningsregels in het kader van de BAG.”.

2.13

Bij brief van 30 juni 2014 heeft belanghebbende de Rechtbank onder meer als volgt geïnformeerd:

“Voorts begrijpt [X] de opmerking van de heffingsambtenaar niet dat de aangevoerde 35.927 objecten het aantal BAG-objecten betreft. Uit de reeds eerder aangevoerde mail d.d. 17 april 2014 kan worden afgeleid dat dit een ander bestand betrof, genaamd “BAGobjecten_Hoogeveen.xlsx.” Dit aantal bedroeg 27.629. In Productie 3 is een afschrift van de eerste pagina en de laatste opgenomen waarmee voornoemd cijfer is onderbouwd. De afwijking tussen het aantal objecten voor de rioolheffing en het aantal objecten volgens de BAG werd destijds door mevrouw [E] in haar mail d.d. 19 april 2012 als volgt verklaard (…).

“Het verschil in aantal objecten tussen de BAG en rioolheffing eigenaren is te verklaren doordat in de rioolheffing de hieronder genoemde objectsoorten als meerdere objecten zijn meegenomen. Voor de BAG is het slechts één object.

- stapelbouw;

- appartementen;

- flats;

- bovenwoningen;

- sluimerde objecten;

- woning met bedrijf;

- etc.”

Voorts worden bijvoorbeeld hoogspanningsmasten, zendmasten, trafo’s, ongebouwde percelen, enzovoort, niet opgenomen in de BAG. Het is dan ook logisch dat het aantal objecten met betrekking tot de rioolheffing hoger is dan het aantal BAG-objecten.

In zijn reactie geeft de heffingsambtenaar aan dat het geraamde aantal objecten voor de gebruikers heffing 23.777 bedraagt. [X] heeft in haar schrijven d.d. 7 mei 2014 aangegeven dat dit aantal 23.957 bedraagt. Om de voortgang van de procedure te bespoedigen is [X] bereid om met dit aantal akkoord te gaan.”

2.14

Ter zitting bij de Rechtbank heeft de heffingsambtenaar verklaard de onder 2.2 vermelde (concept)uitspraak op bezwaar niet te hebben verzonden en heeft belanghebbende verklaard niet de onder 2.2 vermelde uitspraak te hebben ontvangen, doch slechts de onder 2.1 vermelde uitspraak op bezwaar. Mede gelet op het briefpapier van de door belanghebbende overgelegde uitspraak op bezwaar, heeft de Rechtbank geen aanleiding gevonden om partijen niet in hun standpunten in deze te volgen. Het voorgaande heeft de Rechtbank tot de conclusie geleid dat belanghebbende met haar beroepschrift, dat de Rechtbank op 9 april 2013 heeft ontvangen, tijdig in beroep is gekomen tegen de uitspraak op bezwaar van 12 maart 2013.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

Partijen houdt verdeeld of de onderhavige aanslagen in de rioolheffing terecht aan belanghebbende zijn opgelegd. Deze vraag dient in twee deelvragen te worden onderverdeeld:

a. of de heffingsambtenaar in strijd met artikel 228a van de Gemeentewet heeft gehandeld, meer in het bijzonder of de vrijval van de egalisatiereserve groot € 741.000 tot de geraamde opbrengsten worden gerekend, en

b. of de gemeente bij de raming van de opbrengsten een deel van de eigenaren voor de hen in eigendom toebehorende objecten ten onrechte niet in de heffing heeft betrokken, en in het verlengde daarvan of de gemeente dusdoende het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de opgelegde aanslagen, met vergoeding van de proceskosten en vergoeding van het griffierecht in eerste aanleg en in hoger beroep.

3.4

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Vrijval egalisatiereserve; overschrijding van de opbrengstlimiet

4.1

Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat de vrijval van een deel van de egalisatiereserve groot € 741.000, onderdeel dient te zijn van de geraamde opbrengsten van de rioolheffing. De heffingsambtenaar heeft dat gemotiveerd bestreden en heeft daartoe – zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de reserve in het verleden is gevormd voor toekomstige grote uitgaven voor onderhoud van het rioolstelsel. Een vrijval is volgens de heffingsambtenaar om die reden geen jaarbate in het onderhavige jaar. Ook is er volgens de heffingsambtenaar geen sprake van een overschrijding van de opbrengstlimiet.

Wettelijk kader

4.2

Het Hof is van oordeel dat uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 228a van de Gemeentewet en de bewoordingen van dat artikel blijkt dat, naar de bedoeling van de wetgever, de geraamde baten van de rioolheffing de lasten ter zake niet mogen overtreffen. Voor het onderhavige belastingjaar komt aan artikel 229b van de Gemeentewet in dit verband geen betekenis toe. Dit laat onverlet dat de rechtspraak van de Hoge Raad omtrent de limietoverschrijding als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet overeenkomstig kan worden toegepast (vergelijk Hoge Raad 23 mei 2014, nummer 13/02955, ECLI:NL:HR: 2014:1192).

4.3

Het Hof overweegt voorts dat de Hoge Raad in zijn arresten van 24 april 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1968 en van 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:777, regels heeft gegeven voor de bewijslastverdeling voor gevallen waarin de belastingplichtige zich beroept op de overschrijding van de opbrengstlimiet. Naar het oordeel van het Hof volgt uit de hiervoor weergegeven regels omtrent de bewijslastverdeling dat de heffingsambtenaar allereerst inzicht in de desbetreffende ramingen dient te verschaffen. Pas wanneer hij zich van deze taak heeft gekweten, kan van belanghebbende worden gevergd dat zij ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming onderbouwt waarom er redelijke twijfel over bestaat of er sprake is van een last ter zake of, zoals in dit geval, alle baten in de raming zijn meegenomen. Het Hof betrekt hierbij in zijn overwegingen dat in het kader van de toetsing van de opbrengstlimiet het volgens de gemeentelijke begroting geraamde bedrag aan opbrengsten pas dan niet kan worden aanvaard indien de heffingsambtenaar die opbrengsten in redelijkheid niet op dat bedrag heeft kunnen ramen (vgl. Hoge Raad 4 april 2014, nr. 12/05118, ECLI:NL:HR:2014:780 en 26 april 1989, nr. 25542, ECLI:NL:HR:1989:ZC4027).

4.4

Gelet op de inhoud van de door de heffingsambtenaar overgelegde stukken en de daarop ook ter zitting gegeven toelichting is het Hof op gelijke wijze als de Rechtbank van oordeel dat de heffingsambtenaar daarmee naar behoren en in voldoende mate inzicht heeft verschaft in de ramingen van de baten en lasten in de gemeentebegroting voor zover deze de rioolheffing betreffen. Alsdan kan het verstrekken van nadere inlichtingen uitsluitend van de heffingsambtenaar worden verlangd voor zover belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar haar mening ten aanzien van de door haar genoemde posten in de raming er redelijke twijfel over bestaat of alle ‘baten ter zake’ zijn meegenomen.

4.5

Het Hof is van oordeel, mede bezien in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 16 januari 2015, nr. 13/04173, ECLI:NL:HR:2015:67, dat belanghebbende met hetgeen zij heeft aangevoerd niet, althans onvoldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar haar mening de door de heffingsambtenaar in de opstelling opgenomen egalisatiereserve tot de baten ter zake zou moeten worden gerekend. Deze laatste heeft onweersproken gesteld dat de egalisatiereserve in het verleden is gevormd voor toekomstige uitgaven om het rioolstelsel houdbaar te houden. De gemeente heeft daartoe een deel (€ 741.000) van de totaal geraamde kosten van € 5.121.000 (zie 2.3) ten laste gebracht van de egalisatiereserve, zodat deze kosten die zijn besteed aan het onderhoud van het riool niet afzonderlijk zijn opgenomen onder de lasten ter zake. De enkele stelling dat het bedrag van € 741.000 tot de baten ter zake zou moeten worden gerekend, brengt geen wijziging in de uitkomst van de berekening waaruit blijkt of de geraamde baten de geraamde kosten niet overschrijden, nu tevens de kosten niet als lasten ter zake zijn meegenomen. Van redelijke twijfel op dit punt is naar het oordeel van het Hof geen sprake.

4.6

De namens belanghebbende bij faxbericht van 3 november 2016 toegezonden bladzijde uit de “Toelichting op de balans – Jaarrekening 2009”, maakt het voorgaande oordeel niet anders. Bijgevolg faalt in zoverre het hoger beroep van belanghebbende.

Aantal te belasten objecten

4.7

Voorts houdt partijen verdeeld of de heffingsambtenaar ten onrechte een deel van de objecten buiten de heffing van rioolheffing ter zake van de eigenaren heeft gehouden, en in het verlengde daarvan of de heffingsambtenaar dat heeft gedaan met het oogmerk de eigenaren daarvan bewust te bevoordelen. De heffingsambtenaar heeft al het vorenstaande gemotiveerd bestreden. Het aantal objecten (23.777) dat in de gebruikersheffing is betrokken, is tussen partijen niet in geschil.

4.8

Anders dan belanghebbende heeft verdedigd, dient naar het oordeel van het Hof bij het vaststellen van het aantal in de heffing te betrekken objecten niet te worden uitgegaan van het aantal onroerende zaken dat in de Basisregistraties Adressen en Gebouwen, (hierna; de BAG-administratie) is vermeld. De heffingsambtenaar heeft met juistheid aangevoerd dat onderscheid dient te worden gemaakt tussen het aantal daarin vermelde objecten enerzijds en het aantal objecten dat in de eigenarenheffing respectievelijk in de gebruikersheffing ter zake van de rioolheffing is betrokken anderzijds. Het Hof is van oordeel dat gelet op de doelstelling van de BAG-administratie daaraan geen bindende conclusies kunnen worden getrokken ter zake van het aantal in de rioolheffing te betrekken objecten.

4.9

Voorts heeft de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift in hoger beroep op overtuigende wijze uiteengezet en daarmee aannemelijk gemaakt dat bij het heffen van de eigenarenheffing niet dient te worden uitgegaan van het aantal van 34.734, het aantal dat belanghebbende bepleit, objecten maar van een aantal van 27.891 objecten. De benadering in de pleitnota van de zijde van belanghebbende, waarin wordt uitgegaan van het begrip object in de Wet waardering onroerende zaken, wordt door het Hof derhalve niet als juist aanvaard. Deze vormt in de eerste plaats in wezen niet meer dan een teruggrijpen op het reeds door de Rechtbank op goede gronden verworpen uitgangspunt dat uitgegaan dient te worden van het BAG-bestand vermelde aantal objecten. Daarnaast kent de voormelde wet een geheel eigen objectafbakening. Uitgaande van het aantal objecten dat de heffingsambtenaar heeft gesteld en onderbouwd kan derhalve niet worden geoordeeld dat het door belanghebbende gestelde deel van objecten ten onrechte buiten de heffing is gebleven. Dat een aantal van 842 objecten buiten de heffing is gebleven heeft de heffingsambtenaar ter zitting in hoger beroep toegelicht, welke verklaring het Hof aannemelijk oordeelt.

4.10

De heffingsambtenaar heeft tevens toegelicht waarom objecten buiten de gebruikersheffing zijn gebleven, namelijk omdat de Verordening voor die objecten die heffing niet toelaat, aangezien ten gevolge van het ontbreken van een aansluiting op een waterleiding niet kan worden gesproken van water dat naar die objecten wordt toegevoerd of opgepompt en nadien direct of indirect wordt afgevoerd. Het standpunt van de heffingsambtenaar dat alsdan heffing achterwege dient te blijven, is juist. Er is in die gevallen immers niet voldaan aan de in artikel 5 van de Verordening opgenomen heffingsmaatstaf.

Schending gelijkheidsbeginsel; bewuste bevoordeling

4.11

Op de hiervoor onder 4.10 vermelde grond faalt de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel in de vorm van een bewuste bevoordeling, zulks bij het ontbreken van steun in de feiten. Ook overigens heeft belanghebbende geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd om haar stelling van een bewuste bevoordeling te onderbouwen of die de conclusie zouden rechtvaardigen dat het achterwege blijven van een heffing voortvloeit uit begunstigend beleid. Evenmin zijn feiten gesteld of anderszins gebleken welke tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de zogenoemde meerderheidsregel is geschonden.

Onredelijke en willekeurige belastingheffing

4.12

Voor zover belanghebbende heeft betoogd dat sprake is van een willekeurige dan wel en onredelijke belastingheffing – zulks in het verlengde van het standpunt van belanghebbende dat een aantal objecten ten onrechte niet in de eigenarenheffing zouden zijn betrokken – faalt die stelling op dezelfde gronden als de gestelde schending van het gelijkheidsbeginsel. Ook anderszins heeft belanghebbende haar stelling niet met feiten en/of omstandigheden onderbouwd.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Walderveen, voorzitter, mr. J.W. baron van Knobelsdorff en mr. P. van der Wal, in tegenwoordigheid van mr. H. de Jong als griffier.

De beslissing is op 13 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

De voorzitter is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen. In verband daarmee is de

uitspraak ondertekend door mr. Van Knobelsdorff.

(H. de Jong) (J.W. baron van Knobelsdorff)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 14 juni 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.