Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4920

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-06-2017
Datum publicatie
07-07-2017
Zaaknummer
200.210.171/01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHARL:2017:2986
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Tussentijdse beëindiging schuldsaneringsregeling.

Te laag vastgesteld Vrij te laten bedrag leidt tot boedelachterstand en nieuwe schulden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer 200.210.171

(zaaknummer rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen C05/14/647 C/05/14/648 RdJ)

arrest van 12 juni 2017

inzake

[appellant] ,

en

[appellante] ,

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten, respectievelijk hierna [appellant] en [appellante] ,

advocaat: mr. A.W. van Luipen.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar zijn tussenarrest van 6 april 2017. Samengevat is in dat tussenarrest de bewindvoerder verzocht om, in overleg met de rechter-commissaris, een nieuwe berekening van het vrij te laten bedrag (te weten de daartoe behorende beslagvrije voet als bedoeld in art. 295 lid 2 Fw) op te stellen en aan de hand daarvan opnieuw te berekenen of sprake is van een boedelachterstand. Het hof heeft daarbij tevens [appellant] en [appellante] in de gelegenheid gesteld om te reageren op de bevindingen van de bewindvoerder en daarbij tevens actuele informatie aan het hof te verstrekken. Tot slot heeft het hof de beschermingsbewindvoerder verzocht informatie over het saldo op de beheerrekening te verstrekken.

1.2

Het hof heeft kennis genomen van:

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder van 18 april 2017;

- de reactie van mr. Luipen met bijlagen van 10 mei 2017;

- de brief met bijlage van de beschermingsbewindvoerder van 17 mei 2017 en

- het e-mailbericht van de beschermingsbewindvoerder van 22 mei 2017.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

De bewindvoerder schrijft in haar brief van 18 april 2017 dat bij controle van de berekeningen van het vrij te laten bedrag is gebleken dat sprake is geweest van een omissie. In de vtlb-berekeningen was bij de geboortedatum van [appellante] per abuis de aanvangsdatum van de schuldsaneringsregeling vermeld. Naar het hof begrijpt, is daardoor van een te lage toepasselijke bijstandsnorm en daardoor van een te lage beslagvrije voet uitgegaan. Na wijziging hiervan is van een boedelachterstand geen sprake meer. Bij de correctie is de bijtelling auto verrekend, aldus de bewindvoerder.

Voorts blijkt uit de correspondentie tussen de bewindvoerder en mr. Luipen dat er thans sprake is van een boedelvoorstand van € 3.639,36. De beschermingsbewindvoerder heeft verklaard dat deze boedelvoorstand (ruim) voldoende is om de nieuw ontstane schulden af te kunnen lossen.

2.2

Op grond van het voorgaande gaat het hof ervan uit dat geen sprake is van een boedelachterstand. Het hof is verder van oordeel dat [appellant] en [appellante] van de nieuwe schulden, voor zover daar nu (nog) sprake van is, geen verwijt kan worden gemaakt, nu aannemelijk is geworden dat deze zijn ontstaan vanwege het verkeerd berekende vrij te laten bedrag waardoor zij van een te krap inkomen hebben moeten rondkomen. Daar komt bij dat deze schulden volledig afgelost kunnen worden uit de boedelvoorstand, zodat deze schulden niet bovenmatig zijn.

Nu de bewindvoerder heeft aangegeven dat de fiscale bijtelling van de auto in de berekening is verwerkt, begrijpt het hof dat ook deze kwestie is opgelost en dus geen bespreking meer behoeft.

2.3

Ten aanzien van het verwijt van de bewindvoerder aan [appellant] en [appellante] dat zij geen inspanningen hebben verricht om een goedkopere huurwoning te verkrijgen, oordeelt het hof als volgt. [appellant] en [appellante] hebben aangevoerd dat zij vanaf het begin van de schuldsaneringsregeling staan ingeschreven bij Omnia en bij diverse woningsites, van wie zij het woningaanbod per email ontvingen. Zij hebben ook op andere manieren naar goedkopere woonruimte gezocht. Dit heeft als resultaat opgeleverd dat zij een nieuw huis kunnen betrekken. Dit huis zou in het laatste kwartaal van 2016 worden opgeleverd, maar er is vertraging ontstaan. De uiteindelijke opleverdatum is 1 juli 2017 geworden. Per 1 juli aanstaande kunnen zij nu dus een goedkopere huurwoning betrekken. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [appellant] en [appellante] in dit opzicht aan hun inspanningsplicht hebben voldaan, te meer nu zij ervoor hebben gezorgd dat zij via de kerkelijke gemeente (vanaf augustus 2016) een maandelijkse bijdrage ontvingen als tijdelijke oplossing voor de hoge huur, zodat de boedel niet is benadeeld.

2.4

Wat betreft de verkoop van de auto oordeelt het hof als volgt. [appellant] en [appellante] moesten hun Mercedes uit 1986 verkopen. Afgesproken was met de bewindvoerder dat zij met drie offertes zouden komen in verband met een objectieve vaststelling van een reële prijs. Volgens [appellant] , ook nu ter mondelinge behandeling, is hij naar drie verschillende garages geweest waar hem respectievelijk € 500,-, € 250,- en € 600,- werd geboden voor de auto. Zijn dochter heeft de auto uiteindelijk verkocht voor € 750,- en het geld is overgemaakt naar de bewindvoerder. De bewindvoerder heeft bevestigd dat zij contact heeft gehad met de dochter van [appellant] en [appellante] , maar dat zij pas na verkoop van de auto de offertes heeft ontvangen. Het hof is van oordeel dat [appellant] en [appellante] ten onrechte buiten de bewindvoerder om de auto hebben verkocht, maar dat dit uiteindelijk geen nadeel heeft opgeleverd voor de boedel, nu de auto voor een reëel bedrag is verkocht. Hoewel voldoende aannemelijk is gemaakt dat de auto voor een marktconform bedrag is verkocht, zodat de boedel niet is benadeeld, moet het hof constateren dat [appellant] en [appellante] niet hebben voldaan aan hun informatieverplichtingen jegens de bewindvoerder.

2.5

Tot slot de kwestie met betrekking tot de vaststellingsovereenkomst die [appellant] , na een naar eigen zeggen onterechte dreiging met ontslag op staande voet, zonder overleg met de bewindvoerder heeft getekend. Het hof stelt hierbij voorop dat uit de wettelijke schuldsaneringsregeling als primaire verplichting voortvloeit dat de schuldenaar zich tijdens de duur van die regeling maximaal inspant om door middel van het verrichten van betaalde arbeid zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers in de boedel te brengen. Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] niet naar behoren aan deze verplichting voldaan. [appellant] heeft erkend dat hij verzuimd heeft de bewindvoerder te consulteren alvorens hij de vaststellingsovereenkomst heeft getekend. Ook direct na tekenen heeft hij de bewindvoerder hierover niet ingelicht. Deze beëindiging van de arbeidsovereenkomst heeft geleid tot een inkomensdaling van zo'n € 100,- per maand. Daarnaast is een schadebedrag van € 1.995,13 verrekend met het nog aan [appellant] toekomende salaris en vakantiegeld. Als de werkgever inderdaad ten onrechte dreigde met ontslag op staande voet, zoals [appellant] stelt, had hij zich daartegen moeten verzetten en niet met een beëindiging van het dienstverband (en verrekening van schade) akkoord moeten gaan. Als [appellant] de bewindvoerder had geraadpleegd, had zij hem daarop kunnen wijzen. In dat geval had hij wellicht voormeld inkomensverlies kunnen voorkomen of beperken. De stelling dat hij door zijn werkgever onder druk werd gezet, is onvoldoende om aan te nemen dat [appellant] op dit punt geen verwijt kan worden gemaakt.

2.6

Hoewel het onder 2.4 besproken verzuim van [appellante] aanleiding zou kunnen zijn de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellante] tussentijds te beëindigen, is het hof van oordeel dat een dergelijke maatregel te ver zou gaan. Daarvoor is het verzuim onvoldoende ernstig. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat het verzuim niet tot gevolg heeft gehad dat [appellante] haar schuldeisers heeft benadeeld. Voor een verlenging van de looptijd ziet het hof om deze reden ook onvoldoende aanleiding. Het hof neemt hierbij mede in aanmerking dat [appellante] lange tijd onder druk heeft gestaan in verband met het te laag vastgestelde vrij te laten bedrag en houdt ook rekening met haar gezondheidssituatie.

Wat betreft [appellant] is het hof eveneens van oordeel dat voornoemd verzuim aanleiding zou kunnen zijn de wettelijke schuldsaneringsregeling van [appellant] tussentijds te beëindigen, maar ook in zijn geval is het hof van oordeel dat een dergelijke maatregel te ver zou gaan. Een verlenging van de looptijd acht het hof wel aangewezen, nu [appellant] tweemaal op dezelfde wijze is tekortgeschoten en het onder 2.5 besproken verzuim wel nadeel heeft opgeleverd voor de schuldeisers. Het hof weegt hierbij mee dat [appellant] lange tijd onder grote druk heeft gestaan in verband met het te laag vastgestelde vrij te laten bedrag en de ziekte van [appellante] . De verlenging van de looptijd stelt het hof in redelijkheid vast op zes maanden.

2.7

Voor het succesvol tot een einde brengen van de schuldsaneringsregeling wordt van [appellant] en [appellante] verwacht dat zij zich gedurende de resterende looptijd van de regeling stipt houden aan alle uit de regeling voortvloeiende verplichtingen. Het hof wijst [appellant] en [appellante] er daarom met nadruk op dat zij de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd steeds tijdig dienen te informeren en zo nodig met haar dienen te overleggen over alles wat voor hun regeling van belang is of zou kunnen zijn.

2.8

Tot slot geeft het hof [appellant] en [appellante] in overweging om in overleg met de bewindvoerder te bezien hoe de voorstand het beste kan worden afgewikkeld, nu de schuldsaneringsregeling van [appellant] nog tot januari 2018 zal doorlopen.

2.9

Het hof zal in overeenstemming met het voorgaande beslissen als hierna te melden.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bepaalt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellante] wordt voortgezet zonder verlenging van de looptijd, derhalve tot 17 juli 2017;

bepaalt dat de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [appellant] wordt voortgezet en verlengt daartoe de looptijd met een half jaar, tot 17 januari 2018.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, B.J. Engberts en A.S. Gratama en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 juni 2017.