Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4894

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
22-06-2017
Zaaknummer
200.185.651/01 en 200.185.653/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie. Wet verevening pensioenrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummers gerechtshof 200.185.651/01 en 200.185.653/01

(zaaknummer rechtbank C/08/149874 / ES RK 13-2841)

beschikking van 6 juni 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. H.W. Bongers, kantoorhoudend te Ommen,

en

[verweerder] ,

wonende te [A] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. G.B.J.M. Spoormans, kantoorhoudend te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, van 17 november 2015, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 11 februari 2016;

- het verweerschrift met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bongers van 11 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Bongers van 22 juni 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Spoormans van 23 juni 2016;

- een journaalbericht van mr. Bongers van 23 juni 2016;

- een journaalbericht van mr. Spoormans van 1 juli 2016 met productie(s).

2.2

Hoewel het journaalbericht met producties van mr. Spoormans van 1 juli 2016 door het hof is ontvangen met overschrijding van de termijn die in artikel 1.4.4. van het procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven wordt genoemd, zal het hof de producties wel bij zijn beoordeling betrekken, nu de producties kort en eenvoudig te doorgronden zijn en mr. Bongers zonder nadere maatregel van het hof in redelijkheid voldoende moet hebben kunnen kennisnemen van die producties en zich voldoende moet hebben kunnen voorbereiden op een verweer daartegen.

2.3

Het hof heeft - zoals ter zitting reeds is medegedeeld - geen kennis genomen van de inhoudelijke reactie op het verweerschrift, zoals gevoegd bij het journaalbericht van 22 juni 2016 van mr. Bongers, wegens strijd met de goede procesorde, nu door de vrouw op deze wijze een tweede schriftelijke ronde is genomen die haar door het hof niet gegeven is en daartegen door de wederpartij bezwaar is gemaakt. Op de bij de reactie gevoegde producties slaat het hof wel acht.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben een pleitnotitie overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn [in] 1998 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. Het huwelijk is [in] 2015 ontbonden door echtscheiding.

3.2

De man en de vrouw zijn de ouders van [de minderjarige1] (hierna te noemen: [de minderjarige1] ) geboren [in] 2002, en [de minderjarige2] (hierna te noemen: [de minderjarige2] ) geboren [in] 2005, over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] hebben hun hoofdverblijf bij de vrouw.

De man heeft twee meerderjarige kinderen uit een eerdere relatie.

4 De omvang van het geschil

4.1

Het hof heeft de in hoger beroep aanhangig gemaakte zaak administratief gesplitst en twee zaaknummers aan de zaak toebedeeld.

4.2

De geschilpunten tussen partijen in de zaak met zaaknummer 200.185.651/01 betreffen de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] (hierna ook: kinderalimentatie) en de uitkering in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 17 november 2015 de te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 3 maart 2015 bepaald op € 151,-- per kind per maand en het verzoek van de vrouw om een uitkering in de kosten van haar levensonderhoud afgewezen.

4.3

De vrouw is met vijf grieven (grieven 1A t/m D en 2) in hoger beroep gekomen van voornoemde beslissingen betreffende de vastgestelde kinder- en partneralimentatie. Deze grieven zien op de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de vrouw, de zorgkorting en de ingangsdatum/de eventuele terugbetalingsverplichting.

4.4

De vrouw verzoekt het hof de beschikking van 17 november 2015 wat de kinder- en partneralimentatie betreft te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 3 maart 2015 te stellen op € 555,-- per kind per maand, en de uitkering in de kosten van haar levensonderhoud op € 12.969,-- per maand.

4.5

Het geschilpunt tussen partijen in de zaak met zaaknummer 200.185.653/01 betreft de verevening van het door de vrouw tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen.

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat het door haar tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen niet zal worden verevend, afgewezen.

De vrouw is het niet eens met deze beslissing en is ter zake met één grief (grief 3) in hoger beroep gekomen van de beschikking van 17 november 2015. De vrouw verzoekt het hof alsnog voor recht te verklaren dat de man geen aanspraak kan maken op verevening van het door de vrouw opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen met veroordeling van de man tot medewerking aan het inschrijven van deze verklaring bij het pensioenfonds onder verbeurte van een dwangsom van € 25,-- per dag dat de man in gebreke blijft medewerking te verlenen binnen een maand nadat deze beschikking zal zijn betekend.

4.6

Het hof zal de grieven in hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing

In de zaak met zaaknummer 200.185.651/01

De ingangsdatum

5.1

De rechtbank heeft de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen kinder- en partneralimentatie op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (derhalve 3 maart 2015) gesteld. Het hof verenigt zich met dat oordeel van de rechtbank en zal mede gelet op hetgeen onder r.o. 5.46 tot en met 5.48 ten aanzien van terugbetalingsverplichting wordt overwogen ook van deze datum uitgaan.

De welstand van partijen gedurende het huwelijk, het netto besteedbare gezinsinkomen

5.2

Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de kinderen en de vrouw dient te worden bepaald, mede gelet op de welstand tijdens het huwelijk.

5.3

Het hof stelt voorop dat bij de bepaling van de behoefte rekening dient te worden gehouden met alle relevante omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de onderhoudsgerechtigde aan een door de onderhoudsplichtige te betalen bijdrage wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, gelet op de welstand tijdens het huwelijk.

Dit betekent dat zowel van belang is te weten wat de inkomsten waren tijdens het huwelijk als een globaal inzicht dient te bestaan in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zoveel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten - en gelet op de welstand redelijke - kosten van levensonderhoud door de rechter dienen te worden bepaald. Onder bijzondere omstandigheden kan van het hiervoor vermelde uitgangspunt worden afgeweken, maar van zodanige bijzondere omstandigheden is hier naar het oordeel van het hof onvoldoende gebleken.

Van belang is voorts dat de stelplicht, en bij (voldoende) betwisting, de bewijslast, en daarmee het bewijsrisico, voor het bestaan van de behoefte aan een onderhoudsbijdrage als hier bedoeld volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv ligt bij de onderhoudsgerechtigde, in dit geval de vrouw.

5.4

Voor de bepaling van de behoefte van minderjarige kinderen is een systeem ontwikkeld waarbij, naast de leeftijd van het kind, het netto gezinsinkomen in de laatste periode van het huwelijk een bepalende factor is. Zowel de man als de vrouw gaan bij vaststelling van behoefte van de kinderen uit van de door de expertgroep alimentatienormen op dit punt aanbevolen tabel "eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen".

Het hof constateert verder dat partijen het er over eens zijn dat bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw aangesloten kan worden bij de hofnorm (te weten: 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk verminderd met het eigen aandeel in de kosten van de kinderen).

Partijen twisten echter over de hoogte van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk.

5.5

De rechtbank heeft in dit verband het gezamenlijke netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk (in het kader van vaststelling van de behoefte van de vrouw) in de bestreden beschikking vastgesteld op € 4.368,-- per maand. De rechtbank is daarbij uitgegaan van het bruto inkomen van de man en de vrouw uit arbeid van respectievelijk € 40.176,-- per jaar en € 20.160,-- per jaar, vermeerderd met het netto inkomen uit verhuur (van de woning aan de [a-straat] 15 te [B] ) van € 8.000,-- per jaar, zoals dit ook in de beschikking van 9 december 2013 in de procedure om een voorlopige voorziening is gedaan.

Tegen deze vaststelling van het netto gezinsinkomen (uit arbeid en verhuur) zijn geen grieven gericht, zodat het hof dit als uitgangspunt neemt. Voor zover de man in zijn verweerschrift (als reactie op grief 1A van de vrouw) een ander bedrag aan netto gezinsinkomen noemt, te weten een gezamenlijk netto inkomen van circa € 3.500,-- per maand, zoals hij eveneens bij de rechtbank heeft betoogd, laat het hof dit buiten beschouwing. De man gaat namelijk voorbij aan de netto inkomsten uit huur die vaststaan en heeft overigens geen berekening ter onderbouwing van het genoemde inkomen ingebracht, zodat voor het hof onduidelijk is hoe de man tot genoemd bedrag is gekomen.

5.6

De vraag is vervolgens of naast voornoemd inkomen uit arbeid (en verhuur van de woning te [B] ) tevens rekening dient te worden gehouden met de eventuele effecten van het vermogen van de man op de welstand waarin partijen tijdens het huwelijk hebben geleefd.

De vrouw voert in hoger beroep aan (grief 1A en 2) dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het vermogen van de man, de onttrekkingen daaraan en het rendement daarvan c.q. met de door hem ontvangen bedragen uit erfenissen waardoor het inkomen van de man (zowel ten tijde van het huwelijk als daarna) te laag is vastgesteld.

Volgens de vrouw dient er in dit kader te worden gekeken naar de - ten opzichte van het in verhouding relatief lage inkomen uit arbeid van partijen - geconsumeerde extra welstand.

Zo had het gezin gedurende het huwelijk naar zeggen van de vrouw altijd voldoende contant geld in huis en werd daarvan in luxe geleefd.

5.7

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat het gezin tijdens het huwelijk op de door haar gestelde luxueuze wijze leefde van het vermogen van de man.

5.8

In de eerste plaats leidt het hof uit hetgeen partijen in dat verband hebben aangevoerd af dat de (grote) welstand van partijen ten tijde van hun huwelijk voornamelijk door de ouders van de man werd betaald.

Zo is gebleken dat het voor de ouders van de man te doen gebruikelijk was om partijen en kleinkinderen dure cadeaus (dure kleding, reizen, sieraden) te geven en dat ook het huwelijk van partijen is gefinancierd door de ouders. Deze uitgaven van de ouders van de man hebben in belangrijke mate bijgedragen aan een hogere welstand van partijen tijdens het huwelijk, maar zijn geen uitgaven van partijen zelf geweest. Aldus houden deze van de ouders van de man afgeleide uitgaven geen althans onvoldoende verband met het uitgavenpatroon (van partijen) dat volgens de hiervoor (in rechtsoverwegingen 5.2. en 5.3.) genoemde uitgangspunten mede in aanmerking dient te worden genomen bij de bepaling van de mate van welstand waarin zij tijdens hun huwelijk hebben geleefd.

5.9

Voorts heeft de vrouw - gelet op de gemotiveerde betwisting van de man - naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd dat partijen gedurende het huwelijk geleefd hebben van de door hem ontvangen bedragen uit de nalatenschappen van zijn ouders. Afgezien daarvan geldt dat indien er al bedragen uit de nalatenschappen in het gemeenschappelijke huishouden zouden zijn gevloeid, dit dan tot een structureel gewijzigd uitgavenpatroon zou moeten hebben geleid om in aanmerking te kunnen worden genomen. Hier is niet van gebleken.

5.10

Vast staat dat de man, tezamen met zijn twee broers, medegerechtigde is tot de in 2011 opengevallen nalatenschappen van zijn ouders. De vader van de man is overleden op 10 april 2003, de moeder op 9 april 2011. Uit de door de man in het geding gebrachte stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat de afwikkeling van de nalatenschappen vanwege enerzijds fiscale onduidelijkheden omtrent het door de vader van de man in een Antilliaanse Stichting [C] ondergebrachte vermogen (als gevolg van wetswijzigingen met betrekking tot vermogen in Antilliaanse rechtspersonen) en anderzijds vanwege de afwikkeling van een faillissement van een vennootschap in Duitsland, veel tijd in beslag neemt en daarmee ook dat de omvang van de nalatenschappen van zijn ouders thans onzeker is.

5.11

De man heeft wel voorschotuitkeringen op zijn aandeel in de nalatenschappen van zijn ouders ontvangen, welke voorschotten hij naar zijn zeggen met toestemming van de vrouw grotendeels heeft geïnvesteerd in de verbouwing van de woning in [A] aan de [b-straat] 41A. Niet in geschil is dat partijen, nadat zij eerst in de woning in [B] aan de [a-straat] 15 hebben gewoond, in 2012 de uit de nalatenschappen afkomstige woning van zijn ouders in [A] aan de [b-straat] 41A hebben betrokken.

De vrouw heeft ter zitting van het hof bevestigd dat partijen in 2011 samen hebben besloten om laatstgenoemde woning te gaan betrekken en dat de woning eerst grondig, voor circa

€ 400.000,--, is verbouwd. Na de verhuizing naar [A] heeft de man de woning in [B] tijdelijk verhuurd en te koop aangeboden. De inkomsten uit verhuur van deze woning heeft de rechtbank, zoals blijkt uit r.o. 5.5 reeds meegenomen in het vastgestelde gezinsinkomen. De woning is uiteindelijk in maart 2015 verkocht.

Uit de door de man in het geding gebrachte stukken blijkt verder dat de voormalige echtelijke woning in [A] aan de [b-straat] 41A, tot dan de eigendom van de erven [D] , bij akte van 29 december 2015 is geleverd aan de man tegen een koopprijs van € 600.000,--, een bedrag dat gevloeid is in de onverdeelde nalatenschappen. De man heeft deze koopsom voldaan uit de opbrengst van de verkoop van de woning in [B] van € 500.000,-- en middels een hypothecaire geldlening bij zijn broers, groot € 66.666,--. De WOZ-waarde van de woning bedraagt € 609.000,--. Dat sprake is van inkomsten uit vermogen volgt hieruit niet.

5.12

Het hof constateert verder dat door de vrouw, op wie, zoals in r.o. 5.3 is overwogen de stelplicht rust, onvoldoende relevante bescheiden of objectief verifieerbare gegevens heeft overgelegd met betrekking tot de gestelde ten tijde van het huwelijk ontvangen bedragen uit het buitenland. Verder is de stelling van de vrouw in dit verband, dat op enig moment in 2011 vanuit Zwitserland een bedrag van € 150.000,-- in contant geld kwam niet komen vast te staan, nu deze niet volgt uit de stukken en door de man gemotiveerd is betwist. De vrouw heeft op dit punt geen bewijs aangeboden en het hof ziet geen aanleiding de vrouw op dit punt ambtshalve tot bewijslevering toe te laten.

5.13

De grieven van de vrouw op dit punt falen.

5.14

Het hof zal zowel de behoefte van de kinderen als de vrouw vaststellen uitgaande van het netto besteedbare gezinsinkomen gedurende het huwelijk van partijen zoals dit door de rechtbank is vastgesteld op € 4.368,-- per maand.

De kinderalimentatie

Behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2]

5.15

Het hof zal bij de bepaling van de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , in aansluiting op de richtlijnen van de expertgroep alimentatienormen, uitgaan van voornoemd netto besteedbare gezinsinkomen van partijen van € 4.368,-- per maand en de behoefte vaststellen aan de hand van de tabel "eigen aandeel van ouders in de kosten van kinderen", bijlage bij het rapport van de expertgroep alimentatienormen, versie 2013.

5.16

Gelet op de leeftijd van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in 2013 berekent het hof het aantal kinderbijslagpunten op 4. Uit voornoemd gezinsinkomen volgt dat de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in 2013 op € 1.020,68 per maand gesteld kunnen worden. Per 1 januari 2015 bedraagt deze behoefte, als gevolg van de wettelijke indexering, afgerond € 1.038,-- per maand.

Conform de uitspraak van de Hoge Raad van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3011) dient het kindgebonden budget, inclusief de daarvan deel uitmakende alleenstaande ouderkop, in aanmerking te worden genomen bij de berekening van de draagkracht van de ouder die het kindgebonden budget ontvangt en dient dit niet in mindering te komen op de behoefte van de kinderen.

5.17

Het hof zal dus uitgaan van een behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] van € 1.038,-- per maand. Partijen dienen naar rato van draagkracht in die behoefte te voorzien.

Het NBI en de draagkracht van de man (in het kader van de kinderalimentatie)

5.18

Voor de berekening van kinderalimentatie wordt in het rapport van de expertgroep een forfaitaire benadering aanbevolen. De draagkracht wordt daarbij vastgesteld aan de hand van een formule die gerelateerd is aan de hoogte van het netto besteedbaar inkomen (NBI), vermeld in de draagkrachttabel opgenomen in de bijlage bij het rapport van de expertgroep. Die draagkrachtformule houdt kort gezegd in dat het draagkrachtloos inkomen in beginsel wordt vastgesteld op 30% van het NBI ter zake van forfaitaire woonlasten, vermeerderd met een vast bedrag aan overige lasten, en dat van het bedrag dat van het NBI resteert na aftrek van dit draagkrachtloos inkomen 70% beschikbaar is voor kinderalimentatie.

5.19

De rechtbank heeft overwogen dat de man in staat moet worden geacht een inkomen gelijk aan zijn laatstverdiende inkomen (in een passende baan) te verwerven en heeft het door de man opgevoerde inkomensverlies bij het vaststellen van een bijdrage ten behoeve van de kinderen buiten beschouwing gelaten. De rechtbank is dan ook bij het vaststellen van de draagkracht van de man uitgegaan van een fictief maandsalaris van € 3.500,-- bruto per maand. Daarnaast heeft de rechtbank rekening gehouden met huuropbrengsten uit de woning aan de [c-straat] 170 te [E] ter hoogte van € 100,-- netto per maand.

Op grond van deze gegevens heeft de rechtbank het NBI van de man becijferd op € 2.698,-- per maand.

Zowel de vrouw als de man heeft geen grieven gericht tegen dit oordeel van de rechtbank.

5.20

Ook hier spitst het geschil van partijen zich toe op de vraag in hoeverre er bij de vaststelling van de draagkracht van de man rekening moet worden gehouden met (inkomsten uit) vermogen van de man.

Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen hierover is overwogen in de rechtsoverwegingen 5.10 tot en met 5.12 en concludeert op grond daarvan dat ook in het kader van de vaststelling van de draagkracht van de man, niet is gebleken van (inkomen uit) vermogen.

Het hof betrekt daarbij tevens dat de nalatenschappen van de ouders nog onvoldoende zijn afgewikkeld.

5.21

Zoals hiervoor reeds overwogen gaat het hof ervan uit dat de man het vermogen/de voorschotten, afkomstig uit de nalatenschappen van zijn ouders, meteen geïnvesteerd heeft in de woning te [A] .

In de omstandigheid dat de woning erg duur is voor iemand met de verdiencapaciteit van de man vindt het hof in dit bijzondere geval, anders dan de vrouw voorstaat, geen grond van de man te vergen dat hij zijn woonsituatie aanpast aan zijn huidige financiële positie en aldus vermogen vrij te maken. Daartoe overweegt het hof dat de man vrijwel geen kosten heeft aan de woning, dat hij verlies zou leiden als hij het daarin vast zittende vermogen liquide zou maken en dat dit vermogen, eenmaal liquide gemaakt, relatief weinig inkomsten zou opleveren. Verder laat het hof meewegen dat partijen er samen voor hebben gekozen om het aan de man ter beschikking staande vermogen aan te wenden voor de aankoop/verbouwing van de door de man bewoonde woning in [A] .

5.22

Opgemerkt zij dat tussen partijen niet in geschil is dat de aandelen en obligaties die staan vermeld in de door de man overgelegde aangiftes IB (2011, 2012 en 2013) op de rekeningnummers AAB 60.31.81.384, 60.27.02.771, 60.27.26.433 en 60.31.51.655 toebehoren aan de vier kinderen van de man. Het gaat hier om giften van zijn ouders bij de geboorte van hun kleinkinderen.

5.23

Al het voorgaande brengt het hof ertoe om evenals de rechtbank uit te gaan van het NBI van € 2.698,-- per maand en de daarbij horende draagkracht van € 709,-- per maand.

5.24

De man heeft in het kader van de vast te stellen kinderalimentatie geen beroep gedaan op zijn bijdrage in de kosten van de levensonderhoud en studie aan zijn uit een eerdere relatie geboren, thans meerderjarige zoon [F] , van € 300,-- per maand, zodat het hof net als de rechtbank de draagkracht van de man zal verdelen over de twee minderjarige kinderen van partijen, [de minderjarige1] en [de minderjarige2] .

Het NBI en de draagkracht van de vrouw

5.25

Het hof zal als uitgangspunt voor de berekening van de draagkracht van de vrouw het inkomen hanteren, zoals dat blijkt uit het overzicht van de cumulatieven op de door de vrouw overgelegde salarisspecificatie van december 2015. Uit dat stuk, dat onweersproken vergelijkbaar is met een jaaropgave, blijkt dat het loon van de vrouw voor inkomstenbelasting tot eind december 2015 € 22.175,17 heeft bedragen.

Het hof overweegt daarbij dat in voornoemd loon voor inkomstenbelasting - anders dan waarvan de man en de rechtbank uitgaan - de door de vrouw ontvangen ‘leeftijdstoeslag Cabine’ van € 59,23 bruto per maand al is verwerkt, alsmede de door de vrouw in dat jaar ontvangen eindejaarsuitkering van € 1.614,90 bruto per jaar.

5.26

Daarnaast heeft de vrouw aanspraak op een kindgebonden budget, dat het hof op basis van voornoemd inkomen becijfert op € 4.921,-- in 2015, zijnde gemiddeld € 410,-- per maand.

5.27

Uitgaande van het jaarinkomen van € 22.175,17 en de belastingtarieven 2015, rekening houdend met de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting (van in totaal € 6.094,--) en het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget van € 4.921,--, stelt het hof het NBI van de vrouw over 2015 op een bedrag van
(€ 1.671,-- + € 410,-- =) € 2.081,-- per maand.

5.28

De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule dan

70% x [€ 2.081,-- - (0,3 x € 2.081,-- ,-- + € 875,-- )] = afgerond € 407,-- per maand.

De draagkrachtvergelijking

5.29

Zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.17 is overwogen dient de totale behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in 2015 te worden gesteld op een bedrag van € 1.038,-- per maand. Aangezien de totale draagkracht van de man en de vrouw groter is dan de totale behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , zal het hof het aandeel van de man in de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking.

5.30

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.

5.31

Het eigen aandeel van de man bedraagt: (€ 709,-- /€ 1.116,--) x € 1.038,-- = afgerond € 659,--. Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: (€ 407,-- /€ 1.116 ,--) x € 1.038 = afgerond € 379,--. Dat is samen € 1.038,--.

5.32

Derhalve komt van de totale behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 659,-- per maand voor rekening van de man.

De zorgkorting

5.33

Door middel van de zorgregeling voorziet de man deels feitelijk in de behoefte van de kinderen, vanuit de veronderstelling dat de ouder bij wie het kind verblijft op dat moment ook de uitgaven voor het kind voor zijn of haar rekening neemt. De expertgroep beveelt in zo'n geval aan om een zorgkorting toe te passen, zijnde een percentage van de behoefte dat in mindering strekt op het aandeel van de man in de behoefte. De hoogte van dat percentage is gerelateerd aan het gemiddeld aantal verblijfsdagen per week en loopt trapsgewijs op. Bij een gemiddeld aantal verblijfsdagen van 1-2 per week behoort een zorgkortingspercentage van 15%, bij 2-3 dagen per week is dat 25% en bij 3 of meer dagen per week is dat 35%.

5.34

[de minderjarige1] en [de minderjarige2] staan - vanwege de grote impact die de echtscheiding op hen heeft gehad - onder toezicht van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel (hierna de GI).

Ter zitting van het hof hebben partijen verklaard dat de ondertoezichtstelling met een jaar is verlengd en dat er een zorgregeling tussen de man en de kinderen geldt en ook daadwerkelijk wordt uitgevoerd conform de met de ouders en de GI gemaakte afspraken, gedetailleerd opgenomen in de door de jeugdzorgwerker van de GI, de heer [G] , verzonden brief van 8 maart 2016. Kort weergegeven komt deze zorgregeling neer op een reguliere zorgregeling van een weekend van vrijdag 16.00 uur tot zondag 19.00 uur per twee weken, alsmede de helft van de vakanties en feestdagen. Gelet op deze zorgregeling is sprake van -gemiddeld- meer dan een dag in de week omgang maar minder dan twee dagen in de week omgang, zodat zal worden uitgegaan van een zorgkorting van 15%.

5.35

Nu de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] € 1.038,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting (afgerond) € 156,-- per maand. Dit bedrag wordt volledig in mindering gebracht op het aandeel van de man in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , omdat partijen samen voldoende draagkracht hebben om in de behoefte van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] te voorzien.

5.36

Het hof zal derhalve de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met ingang van 3 maart 2015 bepalen op (€ 659,00 -
€ 156,00 =) € 503,00 per maand, zijnde afgerond € 252,-- per kind per maand.

De partneralimentatie

De behoefte van de vrouw

5.37

Uit rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.14 hierboven volgt dat het gezamenlijk netto besteedbare gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk van partijen € 4.368,-- per maand bedroeg. Dit bedrag dient verminderd te worden met de kosten van de kinderen in 2013 van

€ 1.020,68 per maand voor de twee kinderen van partijen samen en het door de vrouw niet betwiste bedrag van € 300,-- per maand ten behoeve van [F] , de jongste zoon van de man uit zijn eerdere relatie, welke last door de man in het kader van zijn verweer tegen de door de vrouw verzochte partneralimentatie is opgevoerd en door de vrouw niet als zodanig is betwist, zodat destijds € 3.047,32 per maand resteerde voor partijen samen. Na toepassing van de zogenaamde hofnorm, kan de behoefte van de vrouw worden gesteld op 60% van dit bedrag, te weten afgerond € 1.828,-- netto per maand. Geïndexeerd naar 2015 bedraagt de behoefte € 1.859,21, afgerond € 1.859,-- netto per maand.

De behoeftigheid van de vrouw

5.38

De vrouw stelt dat zij niet (geheel) in die behoefte kan voorzien. De man betwist dat en voert aan dat de vrouw haar parttime werk bij [H] kan uitbreiden en daarmee in haar eigen levensonderhoud moet kunnen voorzien.

5.39

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om te voorzien in haar levensonderhoud, noch zich deze in redelijkheid kan verwerven.

5.40

Anders dan de man acht het hof niet onredelijk dat de vrouw de door haar in mei 2013 ingediende aanvraag om haar dienstverband uit te breiden van 50 % naar 66,7 % in november 2013, gegeven de echtscheidingsproblematiek en in het belang van de kinderen, weer heeft ingetrokken. Uitbreiding van haar dienstverband bij [H] op dit moment acht het hof, gelet op de door de vrouw op dit punt gegeven uitvoerige toelichting en de ter zake ingebrachte stukken, niet realistisch vanwege de bij [H] ingezette reorganisatie en van de vrouw kan niet worden gevergd dat zij haar vaste dienstverband inruilt voor een tijdelijk dienstverband elders als daar slechts een geringe inkomenstoename tegenover zou staan. Desalniettemin gaat het hof er wel van uit dat de vrouw zich blijft inspannen om haar verdiencapaciteit zoveel mogelijk te benutten en uit te breiden.

5.41

Niet gesteld of gebleken is dat de vrouw samenwoont met haar nieuwe partner. Het hof merkt op dat ook al zou het zo zijn dat de huidige partner van de vrouw (die geen wettelijke onderhoudsverplichting heeft jegens de kinderen en de vrouw) haar maandelijks een bedrag betaalt om haar te helpen "rond te komen", dit niet de wettelijke onderhoudsverplichting van de man kan doorbreken die hij heeft als primair onderhoudsplichtige jegens de kinderen en de vrouw. Het hof laat dan ook deze eventuele bijdrage van de nieuwe partner in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw buiten beschouwing bij het beoordelen van haar behoeftigheid.

5.42

Het inkomen van de vrouw bedroeg in 2015 - zoals vastgesteld in r.o. 5.27 -
(€ 1.671,-- + 410,-- =) € 2.081,-- per maand. Dit bedrag dient echter nog te worden verminderd met het aandeel van de vrouw in de kosten van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] ter hoogte van € 379,-- per maand. Dit brengt met zich dat de vrouw gelet op haar inkomsten ter hoogte van € 2.081,-- behoefte heeft aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud van [€ 1.859,-- minus (€ 2.081,-- minus € 379,- )] € 157,-- netto per maand. Na brutering bedraagt de (resterende) behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud afgerond € 358,-- bruto per maand.

De drachtkracht van de man (in het kader van de partneralimentatie)

5.43

De man stelt zich op het standpunt dat hij onvoldoende draagkracht heeft om enige partneralimentatie ten behoeve van de vrouw te kunnen voldoen. De vrouw betwist dit.

5.44

Het hof stelt vast dat de man in het kader van de door de vrouw verzochte partneralimentatie geen draagkrachtberekening heeft overgelegd, ter onderbouwing van zijn stelling dat het hem aan draagkracht ontbreekt. Ook heeft de man in dit verder zeer complexe dossier zijn lasten niet onderbouwd.

Nu de man zijn stelling dat het hem ontbreekt aan draagkracht - in het licht van het verweer van de vrouw - niet heeft onderbouwd, is niet komen vast te staan dat de draagkracht van de man ontoereikend is om in de resterende behoefte van de vrouw - zoals vastgesteld in
r.o. 5.42 - van € 358,-- bruto per maand te voldoen. Één en ander komt geheel voor rekening en risico van de man, zodat het hof het ervoor houdt dat de man in staat is te voorzien in de resterende behoefte van de vrouw. Ook overigens acht het hof op basis van de beschikbare gegevens voornoemd bedrag aan partneralimentatie in het onderhavige bijzondere geval niet onredelijk.

5.45

Het hof ziet dan ook in het voorgaande aanleiding om de door de man met ingang van 3 maart 2015 te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te bepalen op € 358,-- bruto per maand.

De (eventuele) terugbetalingsverplichting van de vrouw

5.46

Volgens vaste rechtspraak (zie bijvoorbeeld HR 6 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:232, NJ 2015/92) dient de rechter die een onderhoudsverplichting verlaagt met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, steeds aan de hand van hetgeen ten processe is gebleken te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Bij die beoordeling is onder meer van belang in hoeverre de eerder betaalde bijdragen reeds zijn verbruikt en of deze bijdragen in overeenstemming waren met de behoefte. Een onderhoudsgerechtigde die te hoge bedragen heeft ontvangen, zal immers in beginsel gehouden zijn tot terugbetaling daarvan.

5.47

Ingevolge de bestreden beschikking diende de man in de periode vanaf 3 maart 2015 een kinderalimentatie te betalen van € 151,-- per kind per maand oftewel in totaal € 302,-- per maand. Het hof zal de kinderalimentatie met ingang van dezelfde datum op een hoger bedrag vaststellen, te weten in totaal op € 504,-- per maand. Dat brengt mee dat als de man de kinderalimentatie uit de bestreden beschikking heeft voldaan, hij in de periode in de periode vanaf 3 maart 2015 te weinig heeft betaald.

Daaruit vloeit geen terugbetalingsverplichting van de vrouw jegens de man voort.

5.48

Het hof stelt vervolgens vast dat, zoals ter zitting is gebleken, hetgeen de vrouw als gevolg van betalingen van de man op grond van de bij beschikking van 9 december 2013 bepaalde voorlopige voorzieningen te veel aan kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] heeft ontvangen, inmiddels tussen partijen is verrekend. Daaruit vloeit thans evenmin een terugbetalingsverplichting van de vrouw jegens de man voort.

In de zaak met zaaknummer 200.185.653/01

5.49

De vrouw heeft in haar derde grief aangevoerd dat zij een verklaring voor recht wenst te verkrijgen dat de man geen aanspraak kan maken op verevening van het door de vrouw gedurende het huwelijk opgebouwde ouderdoms- en nabestaandenpensioen. Zij stelt dat het gezien de situatie van partijen in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat de man een beroep doet op de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wet VPS), ook al is de toepasselijkheid van die wet later vastgelegd in de gewijzigde huwelijkse voorwaarden. De vrouw heeft namelijk in het geheel geen spaargeld/vermogen, aangezien al haar inkomsten ten tijde van het huwelijk zijn opgegaan aan het huishouden, terwijl de man weliswaar niet over een bij een pensioenfonds opgebouwd pensioen beschikt, maar wel over een aanzienlijk vermogen en daarmee over een goede oudedagsvoorziening.

De man heeft zich tegen dit verzoek verweerd.

5.50

Het hof stelt vast dat de Wet VPS van toepassing is, nu partijen na 30 april 1995 van elkaar zijn gescheiden. Het wettelijk uitgangspunt is dat na de huwelijkssluiting opgebouwde pensioenrechten op grond van de Wet VPS verevend worden, tenzij de echtgenoten de verevening hebben uitgesloten. In artikel 2 van de Wet VPS is bepaald dat de toepassing daarvan kan worden uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding.

5.51

Vast staat dat partijen in artikel 9 van de (op 29 maart 2012 gewijzigde) huwelijkse voorwaarden hebben bepaald dat bij echtscheiding en scheiding van tafel en bed de door de echtgenoten opgebouwde pensioenaanspraken verevend worden conform het bepaalde in de artikelen 2 en 3 van de Wet VPS. Partijen hebben derhalve de toepassing van de Wet VPS niet uitgesloten, maar juist bevestigd. Het ligt dan ook niet in de rede om - zoals door de vrouw verzocht - af te wijken van de wettelijke bepalingen.

5.52

Daarbij komt dat de vrouw onvoldoende feiten en omstandigheden heeft aangevoerd waaruit de conclusie zou moeten volgen dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat de vrouw gehouden wordt aan de huwelijkse voorwaarden. De enkele omstandigheid dat het vermogen van de man aanzienlijk hoger zou zijn dan dat van de vrouw, maakt dat niet anders.

Naar het oordeel van het hof is het verzoek van de vrouw dan ook niet toewijsbaar.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof beslissen als na te melden.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 17 november 2015, voor wat betreft de kinderalimentatie en de partneralimentatie, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 3 maart 2015 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige1] , geboren [in] 2002, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2005, € 252,-- per kind per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 3 maart 2015 als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud € 358,-- per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 17 november 2015, wat betreft de verevening van de pensioenrechten;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. A.W. Beversluis en
mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 6 juni 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.