Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4855

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-06-2017
Datum publicatie
08-12-2017
Zaaknummer
200.166.539
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek benoeming bijzondere curator. Bedoeling wetgever. 1:250 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.166.539

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, 347719)

beschikking van de familiekamer van 8 juni 2017 inzake het verzoek tot benoeming van een bijzondere curator

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats verzoeker] ,
verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. A. van den Berg te Arnhem,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats verweerster] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. I.M.B. Kramer te Amsterdam.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers,

gevestigd te Hilversum,

verder te noemen: de GI.

1 Het verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Voor het verloop van het geding tot 3 mei 2016 verwijst het hof naar zijn

tussenbeschikking van die datum.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

  • -

    een faxbericht van 24 juni 2016 van mr. Kramer;

  • -

    een faxbericht van 12 augustus 2016 van mr. Van den Berg;

  • -

    een brief van de raad van 19 augustus 2016 met als bijlage het raadsrapport van 1 augustus 2016;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van den Berg van 24 januari 2017 met producties 127 t/m 130;

  • -

    een faxbericht van de GI, ingekomen op 1 februari 2017;

  • -

    een brief van de GI met bijlagen (genaamd: verweerschrift), ingekomen op 19 mei 2017, met bijlagen 1 tot en met 12;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kramer van 22 mei 2017 met bijlagen 1 en 2;

  • -

    een journaalbericht van mr. Kramer van 22 mei 2017 met bijlagen 3 en 4;

  • -

    een journaalbericht van mr. Van den Berg van 29 mei 2017 met een aanvullend verzoek en producties 131 tot en met 134.

1.4

Op 1 juni 2017 is de mondelinge behandeling voortgezet. De man is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat. De vrouw is vertegenwoordigd door haar advocaat. Namens de GI is [medewerker GI] verschenen. Voorts is namens de raad voor de kinderbescherming (verder: de raad) [medewerker raad] verschenen.

1.5

Artikel 1.4.4 van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven luidt: “Een belanghebbende legt de stukken waarop hij zich wenst te beroepen, zo spoedig mogelijk over. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere overige belanghebbende. Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere overige belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist. Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaande aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.”

1.6

Desgevraagd heeft mr. Kramer ter mondelinge behandeling bezwaar gemaakt tegen overlegging van het journaalbericht van mr. Van den Berg van 29 mei 2017 met bijlagen, aangezien dit te laat is ingediend.

Het hof heeft daarop beslist dat acht wordt geslagen op deze bijlagen, omdat deze bekend zijn bij mr. Kramer, mr. Kramer deze bijlagen heeft besproken met de moeder en zij zich, gezien het feit dat deze stukken kort en eenvoudig zijn te doorgronden, moet worden geacht zich voldoende te kunnen hebben voorbereiden op een verweer daartegen.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de (tussen)beschikking van 3 mei 2016, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

De vader heeft in het op 29 mei 2017 ingediende stuk verzocht om in het belang van de kinderen een bijzondere curator te benoemen. Hij voert hiertoe aan dat de hulpverleners die voor de belangen voor de kinderen zouden moeten opkomen steeds worden afgewisseld of worden afgeserveerd. Het is in het belang van de kinderen om een continue vertrouwenspersoon en volledige onafhankelijk belangenvertegenwoordiger te benoemen.

2.3

De moeder refereert zich aan het oordeel van het hof ten aanzien van de benoeming van de bijzondere curator. Zij is het niet eens met de door de vader voorgestelde persoon als bijzondere curator, omdat deze persoon niet (meer) onafhankelijk is gelet op de contacten die deze reeds heeft gehad met de (advocaat van) vader.

2.4

De GI heeft ter mondelinge behandeling verklaard dat zij in principe geen bezwaar heeft tegen benoeming van een bijzondere curator. Het is in het belang van de kinderen dat hun stem goed wordt gehoord. De GI geeft echter de voorkeur eraan om indien nodig pas op een later moment een bijzondere curator te benoemen, omdat er nu al veel hulpverleners bij het gezin zijn betrokken.

2.5

Ingevolge artikel 1:250 Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen in strijd zijn met die van de minderjarige, een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen indien de rechter dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen.

Uit de wetsgeschiedenis valt af te leiden dat het bij de herziening van dit wetsartikel in 1995 niet de bedoeling van de wetgever is geweest algemene opvoedingsproblemen met behulp van een bijzondere curator tot een oplossing te brengen. Beoogd is te voorzien in de mogelijkheid van benoeming van een bijzondere curator wanneer met betrekking tot de verzorging en opvoeding een wezenlijk conflict is ontstaan tussen de minderjarige en degene die als wettelijke vertegenwoordiger met zijn verzorging en opvoeding is belast (vgl. Hoge Raad 4 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4850). Blijkens de wetsgeschiedenis treedt de bijzondere curator slechts ter oplossing van een bepaald concreet probleem ten behoeve van de minderjarige op, en niet, zoals een mentor, in het algemeen ter behartiging van de immateriële belangen van een minderjarige. Bij de beantwoording van de vraag of benoeming van een bijzondere curator is aangewezen, zal het belang van de minderjarige de eerste overweging voor de rechter moeten vormen. De rechter heeft bij de beantwoording van de vraag of een bijzondere curator nodig is, een grote mate van beoordelingsvrijheid.

2.6

Het hof is van oordeel dat het verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator dient te worden afgewezen.

Bij deze beoordeling wordt voorop gesteld dat voor de benoeming van een bijzondere curator slechts aanleiding bestaat indien in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarigen de belangen van de met het gezag belaste ouder(s) in strijd zijn met die van de minderjarigen. Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen is besproken op de mondelinge behandeling blijkt evenwel dat (nog steeds) en voornamelijk sprake is van een heftige en niet aflatende strijd tussen de ouders en van ernstige communicatieproblemen tussen hen waarvan de kinderen last hebben, maar dat hierdoor daarnaast sprake is van strijd tussen de belangen van de ouders of een van hen enerzijds en die van de minderjarigen anderzijds, is niet komen vast te staan. Naar het oordeel van het hof kan het verzoek van de vader tot benoeming van een bijzondere curator niet worden losgezien van voormelde strijd en communicatieproblemen tussen de ouders. Een dergelijke strijd valt evenwel niet onder het bereik van artikel 1:250 BW. Daarbij komt nog dat de bijzondere curator met name tot taak heeft de vertegenwoordiging van de minderjarigen in en buiten rechte. De bijzondere curator is geen maatschappelijk werker of vertrouwenspersoon, maar treedt slechts op in een bepaalde concrete situatie, waarbij zijn taak door de rechter steeds concreet en expliciet dient te worden omschreven. Zijn benoeming heeft dus niet tot doel het verlenen van (langdurige en/of gezinsbrede) hulpverlening.

Het hof merkt daarnaast nog op dat in het onderhavige geval niet het gevaar bestaat dat de belangen van de kinderen in de procedure niet of onvoldoende voor het voetlicht worden gebracht en dat de stem van de kinderen niet (voldoende) wordt gehoord. De kinderen staan immers onder toezicht van de GI. Tot de taken van de GI behoort dat zij zich in de procedure over de omgangsregeling rekenschap geeft van de belangen van de kinderen en hun belangen in deze procedure naar voren brengt en daarbij - op een voor de kinderen veilige manier - ook aandacht schenkt aan de stem van de kinderen, eventueel door het aanstellen van een tweede jeugdbeschermer die zich uitsluitend richt op de behartiging van hun belangen.

2.7

Op grond van het hiervoor overwogene zal het hof het verzoek tot benoeming van de bijzondere curator afwijzen en de beslissing voor het overige aanhouden.

3 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

wijst het verzoek van de vader tot het benoemen van een bijzondere curator af;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.J. Laurentius-Kooter, R. Feunekes en

T. ter Brugge, bijgestaan door mr. I.T.M.W. Smulders-Jacobs als griffier, en is op 8 juni 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.