Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4822

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
200.179.384/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen machtiging tegeldemaking voormalige echtelijke woning, hoewel man vrouw niet uit hoofdelijke aansprakelijkheid hypotheekschuld kan laten ontslaan. Belangenafweging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.179.384/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/105175 / HA ZA 14-125)

arrest van 6 juni 2017

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. M.H. Doornbos, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. W.J.P. Suringar, kantoorhoudend te Assen.

Het hof heeft op 28 juni 2016 een tussenarrest gewezen en verwijst daarnaar.

1 Het verdere geding in hoger beroep

1.1

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 14 september 2016 met de daarbij door [appellante] overgelegde producties;

- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 26 januari 2017 met de daarbij door [appellante] overgelegde producties;

- een akte van [geïntimeerde] ;

- een antwoordakte van [appellante] .

1.2

Vervolgens zijn de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

[appellante] vordert in hoger beroep - kort samengevat - dat haar door de rechtbank afgewezen vorderingen alsnog zullen worden toegewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten. Praktisch gezien betekent dit dat [appellante] gedeeltelijke ontbinding van het echtscheidingsconvenant wenst en verkoop van de voormalig echtelijke woning.

2 De beoordeling

de feiten

2.1

Tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank heeft geen der partijen bezwaren ingebracht, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Die luiden als volgt.

2.2

Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest in gemeenschap van goederen. Hun huwelijk is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Noord-Nederland van 24 april 2013 in de registers van de burgerlijke stand.

2.3

Voorafgaand aan de echtscheiding hebben partijen ten aanzien van de gevolgen daarvan een overeenkomst gesloten, waarin onder meer de verdeling van de gemeenschap van goederen geregeld is. De overeengekomen verdeling komt er kort gezegd op neer dat aan [appellante] wordt toegedeeld het saldo op een met name genoemde bankrekening. De inboedel is in onderling overleg verdeeld. Alle andere goederen worden aan [geïntimeerde] toegedeeld, onder de verplichting om alle tot de gemeenschap behorende schulden voor zijn rekening te nemen als eigen schulden. Tot deze schulden behoren de aan de woning verbonden hypothecaire schulden.

2.4

Tot op heden is [appellante] niet uit haar hoofdelijke verplichtingen ontslagen.

2.5

Het hof voegt aan deze feiten toe dat de hierboven onder 2.3 bedoelde overeenkomst mede de bepaling inhoudt dat [geïntimeerde] een inspanningsverplichting heeft om ervoor te zorgen dat de bank [appellante] ontslaat uit haar hoofdelijke verplichting met betrekking tot de hypothecaire schulden. Verder staat vast dat de aan [geïntimeerde] obligatoir toegedeelde woning nog niet op zijn naam is overgeschreven en nog niet aan hem is geleverd.

de vordering in eerste aanleg

2.6

In eerste aanleg heeft [appellante] gevorderd - kort samengevat - dat het convenant wordt ontbonden voor wat betreft de toedeling van de voormalige echtelijke woning en de daaraan verbonden hypothecaire verplichtingen aan [geïntimeerde] , en dat [appellante] gemachtigd wordt om deze woning te gelde te maken, met bijkomende vorderingen.

2.7

De rechtbank heeft deze vorderingen afgewezen.

de beoordeling door het hof

2.8

[appellante] is met zes grieven in beroep gekomen tegen het vonnis van de rechtbank. Deze grieven komen er in de strekking op neer dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er geen sprake is van onvoorziene omstandigheden die tot gedeeltelijke ontbinding van het echtscheidingsconvenant, namelijk met betrekking tot de echtelijke woning en de hypothecaire lening, zouden moeten leiden.

2.9

Met name tijdens de comparities van 14 september 2016 en 26 januari 2017 is naar voren gekomen dat het [appellante] het meest dwars zit dat [geïntimeerde] niet tijdig aan zijn financiële verplichtingen voldoet, ten gevolge waarvan zij met enige regelmaat aanmaningen tot betaling en andere verontrustende brieven van financiële instellingen ontvangt. Daarnaast betaalt [geïntimeerde] de alimentatie vaak niet op tijd. [appellante] wenst dat zij in rust kan leven zonder door aanmaningen te worden lastig gevallen, en met tijdige ontvangst van de alimentatie.

2.10

Niettemin heeft het hof zich te beperken - nu de comparities niet tot een oplossing van het probleem tussen partijen hebben geleid - tot wat formeel in deze procedure aan de orde is.

2.11

Voor zover [appellante] aanvoert dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat er van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW geen sprake is leidt dat niet tot vernietiging van het beroepen vonnis.

Naar het hof begrijpt stelt [appellante] dat de onvoorziene omstandigheden eruit bestaan dat de bedrijfsresultaten van [geïntimeerde] in 2013 en 2014 tegenvielen.

Zelfs wanneer dat als een onvoorziene omstandigheid als bedoeld in artikel 6:258 BW zou moeten worden beschouwd zou die omstandigheid niet van dien aard zijn dat [geïntimeerde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van het convenant niet mocht verwachten. Immers, gebleken is dat [geïntimeerde] tot op heden weliswaar met regelmaat de hypothecaire lasten te laat betaalt - hetgeen aanmaningsbrieven van de bank aan [appellante] oplevert - maar ook dat hij geen achterstand laat ontstaan of oplopen. Het hof stelt verder vast dat [geïntimeerde] niet gehouden is [appellante] uit haar hoofdelijke verplichtingen te doen ontslaan, maar dat hij daartoe slechts een inspanningsverplichting heeft; het is duidelijk, onder meer gelet op hetgeen ter gelegenheid van de comparities naar voren is gekomen, dat het geen zin heeft de bank onder de financiële omstandigheden waarin [geïntimeerde] thans verkeert te verzoeken [appellante] uit haar hoofdelijkheid te ontslaan. Ook stelt het hof vast dat in het convenant - zoals [geïntimeerde] terecht heeft aangevoerd - geen voorziening is opgenomen voor de situatie die thans ontstaan is, te weten dat [geïntimeerde] de aan hem toegedeelde voormalige echtelijke woning (nog) niet zoals overeengekomen per notariële akte op zijn naam heeft laten stellen, terwijl de daarvoor overeengekomen termijn van twee maanden na de echtscheiding ruimschoots verlopen is. Het convenant geeft op zichzelf dus geen grond om tot verkoop van de woning over te gaan. Dat beide partijen er kennelijk naar gestreefd hebben dat de woning en de hypotheek uitsluitend ten name van de man gesteld zouden worden brengt nog niet mee dat, nu dat vooralsnog niet realiseerbaar is gebleken, uit het convenant of de uitleg daarvan zou volgen dat de woning nu verkocht zou moeten worden. Ook een toetsing aan het zogeheten Haviltex-criterium levert naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten op voor gegronde verwachtingen van [appellante] die afwijken van de thans ontstane situatie.

Een afweging van de betrokken belangen brengt het hof tot het oordeel dat de onrust die voor [appellante] ontstaat doordat zij met enige regelmaat aanmaningsbrieven van de hypotheekbank ontvangt, niet opweegt tegen het belang van [geïntimeerde] om de bewoning van de woning te kunnen voortzetten. Bij dit oordeel speelt mee dat [appellante] geen plannen of noodzaak heeft om zelf een woning te kopen (hetgeen tot een andere weging van haar belang zou kunnen leiden).

Derhalve kan in het midden blijven of er sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 BW en falen de grieven 1, 2, 3 en 5.

2.12

Of [appellante] al dan niet is overbedeeld - de overweging daarover van de rechtbank stelt [appellante] met haar vierde grief ter discussie - maakt, gelet op het bovenstaande, geen verschil voor de beoordeling van de belangen van partijen zoals die nu aan de orde zijn. De grief faalt.

2.13

Grief 6 heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft geen behandeling.

de slotsom

2.14

Nu de grieven falen zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen.

2.15

[geïntimeerde] heeft geconcludeerd dat het hof [appellante] zal veroordelen in de proceskosten in beide instanties. Het hof ziet daarvoor geen aanleiding en zal, nu partijen gewezen echtgenoten zijn, de kosten compenseren zoals gebruikelijk.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 7 oktober 2015, waarvan beroep;

compenseert de proceskosten in hoger beroep aldus dat elk van partijen de eigen kosten draagt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.D.S.L. Bosch mr. G.M. van der Meer en mr. G. Jonkman en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2017.