Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4815

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
08-06-2017
Zaaknummer
200.152.494/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst wordt op grond van 7:685 BW (oud) ontbonden. Voordat verzoekschrift tot ontbinding door werkgever werd ingediend had werknemer werkgever gedagvaard en onder meer opschoning personeelsdossier en (na eiswijziging) schadevergoeding gevorderd. Baijingsleer. Voor een deel van de vorderingen wordt werknemer niet-ontvankelijk verklaard en het andere deel wordt afgewezen.

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens
Wet bescherming persoonsgegevens 36
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2909
JBP 2017/52
AR-Updates.nl 2017-0704
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.152.494/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 421261 \ CV EXPL 13-1007)

arrest van 6 juni 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.M. Boogaart, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Hochwald Foods B.V.,

gevestigd te Bolsward,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiseres in reconventie,

hierna: Hochwald,

advocaat: mr. S.M. Breukels, kantoorhoudend te ‘s-Gravenhage.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 9 september 2014 hier over.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 2 augustus 2013, 22 oktober 2013 en 8 april 2014 van de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Privaatrecht, locatie Leeuwarden (hierna: de kantonrechter).

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1

Bij tussenarrest van 9 september 2014 is een comparitie na aanbrengen gelast, welke op 21 oktober 2014 is gehouden. Partijen hebben op die comparitie geen overeenstemming bereikt, waarna de procedure is voortgezet.

2.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

  • -

    de memorie van grieven (met producties),

  • -

    de memorie van antwoord,

  • -

    het op 1 mei 2017 gehouden pleidooi, waarvan proces-verbaal is opgemaakt en aan het door [appellant] overgelegde procesdossier is toegevoegd.

Vervolgens heeft Hochwald haar procesdossier overgelegd, waarna het hof arrest heeft bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] , zoals laatstelijk bij akte gewijzigd, luidt:

"(…) het vonnis waarvan beroep te vernietigen, alsmede opnieuw rechtdoende, (...) bij arrest uitvoerbaar bij voorraad:

I. Te verklaren voor recht dat Hochwald toerekenbaar tekort is geschoten wegens het handelen in strijd met de verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst (...) en/of het niet nakomen van de op haar jegens [appellant] rustende verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst d.d. 24 april 2013, meer in het bijzonder de verplichting om [appellant] tot zijn pensioengerechtigde leeftijd in dienst te houden in zijn functie van productiechef melkfabriek processing en scm kleinverpakkingen (...);

II. Hochwald te veroordelen tot betaling aan [appellant] tot een schadevergoeding ex art. 6:74 BW ad € 514.190,- bruto, (...), te vermeerderen met de wettelijke rente (...);

III. Te verklaren voor recht dat de aan het adres van [appellant] in 2012 gemaakte verwijten onder A t/m F, als genoemd in de punten 25 t/m 53 van de inleidende dagvaarding, ongegrond zijn geweest, alsmede dat [appellant] op die grond ten onrechte uit zijn functie van productiechef melkfabriek processing en scm kleinverpakkingen is ontheven en daarvoor ten onrechte een berisping heeft ontvangen op 19 september 2012 en 16 oktober 2012;

IV. Hochwald te veroordelen de stukken met betrekking tot deze verwijten en berispingen uit het personeelsdossier van [appellant] te verwijderen, een en ander onder verbeurte van een dwangsom (...);

V. Hochwald te veroordelen tot rehabilitatie en eerherstel van [appellant] door aan de werknemers op de voormalige afdeling van [appellant] bij Hochwald een brief te zenden met de volgende inhoud: “In september en oktober 2012 zijn door ons aan de heer [appellant] ten onrechte ernstige verwijten gemaakt. Onder meer hebben wij hem ten onrechte beschuldigd van de SCM-besmetting die in 2012 heeft plaatsgevonden. De beschuldigingen zijn ongegrond gebleken. Wij nemen deze volledig terug”, een en ander op verbeurte van een dwangsom (...);

VI. Hochwald te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 800,-;

VII. Hochwald te veroordelen in de kosten van beide instanties, (...)

VIII. Hochwald te veroordelen tot terugbetaling van het bedrag van € 2.000,- netto, ter zake van de proceskostenveroordeling in prima, vermeerderd met de wettelijke rente (...);

IX. Hochwald te veroordelen tot betaling van de nakosten (...), bij gebreke waarvan Hochwald ook over deze nakosten de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW verschuldigd zal zijn.”

2.4

Hochwald heeft verweer gevoerd en geconcludeerd het bestreden vonnis, zo nodig onder verbetering van gronden, te bekrachtigen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het hoger beroep.

3 De feiten

3.1

De kantonrechter heeft onder de randnummers 2.2 t/m 2.10 van het bestreden eindvonnis van 8 april 2014 de feiten vastgesteld. In grief I klaagt [appellant] erover dat de kantonrechter de overwegingen in de procedure tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst en herroeping van de in die procedure gegeven beschikking in zijn oordeel heeft betrokken. Tussen partijen zijn beide procedures gevoerd en de kantonrechter heeft in die procedures een (onherroepelijk) oordeel gegeven, zodat de kantonrechter in het eindvonnis terecht deze feiten heeft gemeld. Voor zover grief I is gericht tegen de waardering van deze feiten en de daaraan gegeven juridische gevolgen zal het hof daarop bij de behandeling van de andere grieven ingaan. Verdere bezwaren tegen die feitenvaststelling is niet gebleken. Samen met wat in hoger beroep, mede gelet op de overgelegde en niet weersproken stukken, tussen partijen is komen vast te staan, zijn de feiten als volgt.

3.2

[appellant] , geboren op [geboortedatum] , is op 2 augustus 1971 in dienst getreden bij een rechtsvoorganger van Hochwald. Laatstelijk werkte [appellant] in dienst van Hochwald in de functie van productiechef melkfabriek kleinverpakkingen.

3.3

Hochwald heeft sedert 1 januari 1990 een Reglement bescherming persoonsgegevens Hochwald Nederland B.V. (hierna: Reglement Persoonsgegevens). Op grond van artikel 6 van het Reglement Persoonsgegevens kan een werknemer aanvulling, verbetering of vernietiging van gegevens vragen “indien hij van mening is dat die gegevens onjuist of onvolledig zijn, ten onrechte zijn opgenomen of ontbreken.” Ingevolge artikel 9 van het Reglement Persoonsgegevens worden gegevens tot uiterlijk 5 jaar nadat de rechtsverhouding met Hochwald is beëindigd uit het register verwijderd.

3.4

Op 21 september 2012 hebben [X] (fabrieksdirecteur) en [Y] (manager Productie en Techniek en leidinggevende van [appellant] ) met [appellant] gesproken over zijn functioneren en is medegedeeld dat hij niet langer als leidinggevende is te handhaven en naar een andere functie wordt overgeplaatst. Hochwald heeft het besprokene bij brief vastgelegd. In deze brief is onder meer opgenomen:

Aan de orde is geweest dat met u al langere tijd gesproken wordt over uw functioneren als leidinggevende en dat dit onder de maat blijft, (...)

U bent voor de organisatie niet langer houdbaar als afdelingschef in de melkfabriek. U bent historisch doorgegroeid vanuit procesoperator naar een leidinggevende functie. De wereld om ons heen verandert, van leidinggevenden worden eigenschappen verwacht waar u niet aan kunt voldoen (geen overall diepte inzicht in de reinigingsprocessen van uw afdeling, u houdt onvoldoende controle op werkzaamheden binnen uw afdeling, u maakt zelf te veel fouten in uw directe eigen werkzaamheden, het onvoldoende voeren van werkoverleg met uw medewerkers, het voeren van inhoudelijk goede taakgesprekken).

De SCM klacht met een schadepost van € 371.000,- heeft in uw verantwoordelijkheidsgebied plaatsgevonden. In deze kwestie bent u op de volgende punten als leidinggevende in gebreke gebleven:

  • -

    aansturing van uw afdeling;

  • -

    controle op uitvoering van de werkzaamheden binnen uw afdeling;

  • -

    het naleven van op schrift gestelde procedures, cq het organiseren van juiste naleving van op schrift gestelde procedures binnen uw afdeling.

Voor ons bent u niet langer handhaafbaar als leidinggevende. We beschouwen het niet als onwil uwerzijds, maar u hebt niet (meer) de vaardigheden of het denkniveau om als leidinggevende in de zich snel veranderde omgevingen overeind te blijven en uw functie goed te vervullen.

Aangezien u vanaf 02-03-1971 in dienst bent, voelen we ons als werkgever natuurlijk wel verantwoordelijk voor uw situatie (...). We willen u daarom herplaatsen naar een minder kritische positie, waarin het leidinggevend aspect niet aan de orde komt.

(...)

3.5

In een intern memo d.d. 16 oktober 2012 heeft [X] een resumé gegeven van de volgens hem met [appellant] besproken onderwerpen in het verantwoordelijkheidsgebied van [appellant] en de aan hem gegeven kritiek. Het gaat hierbij – samengevat – om:

  • -

    het beheersen van de artikelen rework (hergebruik van oudere producten),

  • -

    het aansturen en motiveren van de medewerker opensteek,

  • -

    het niet tijdig melden van incidenten volgens voorschrift aan het Wetterskip (op 18 mei 2012 en 10 september 2012),

  • -

    het onvoldoende verantwoordelijkheid tonen bij afwijkingen van de concentratienormen reinigingsvloeistoffen en chloorniveaus,

  • -

    geen actiegerichtheid bij herinvoeren machine-efficiencylijsten en storingslijsten,

  • -

    diverse malen aangesproken op voorbeeldfunctie,

  • -

    diverse malen aangesproken op slechte eindcontroles,

  • -

    onvoldoende betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid getoond, hetgeen o.a. geleid heeft tot een falende effectieve controle van en aansturing op interne regels, waardoor een besmetting van product met een directe waarde van circa € 370.000,- is ontstaan.

3.6

[appellant] heeft tegen de overplaatsing en de daaraan ten grondslag gelegde redenen bezwaar gemaakt. [appellant] acht de gemaakte verwijten ongegrond en heeft in meerdere brieven, waaronder in de brieven van zijn gemachtigde van 20 december 2012 en 30 januari 2013, Hochwald gevraagd afstand van de aan hem gemaakte verwijten te nemen bij gebreke waarvan [appellant] een bodemprocedure zal starten. Zo schrijft de gemachtigde in de brief van 30 januari 2013 onder meer:

In december 2012 is u een overzicht verstrekt van meerdere verwijten die uw cliënte in de voorgaande periode richting mijn cliënt had gemaakt. Deze verwijten zijn in schriftelijke stukken opgenomen, waarbij het gaat om verwijten die ongegrond zijn en derhalve ten onrechte mijn cliënt blijven achtervolgen. Het is alleszins redelijk dat mijn cliënt dienaangaande de waarheid nastreeft, nadat hij eerst uw cliënte de gelegenheid heeft gegeven om van die ongegronde verwijten afstand te nemen.

Aangegeven is dat zonder afstand een bodemprocedure zal volgen. Deze procedure dient om de werkelijke toedracht van voorvallen uit het verleden boven tafel te krijgen. Dit ziet derhalve op waarheidsvinding. De waarheid in een bodemprocedure boven tafel te krijgen is enkel zinvol voor een medewerker die voor continuering van het dienstverband gaat en daartoe ook zijn dossier schoon wenst te houden van zaken die daarin niet thuis horen.(...)

Mijn cliënt is steeds helder geweest. Hij wil voortzetting van het dienstverband en het zuiver houden, juist ook door onzuiverheden met de bodemprocedure eruit te filteren. Bovendien is cliënt voorstander van mediation en heeft hij zich daartoe beschikbaar gesteld. De opdracht voor de mediator ziet niet op de waarheidsvinding over het verleden en de mediator zal daarover ook geen oordeel geven. Derhalve valt niet in te zien waarom een procedure die al eerder is aangekondigd in de weg van mediation zou staan. (...) De mediation kan niet gebruikt worden om het recht op een bodemprocedure te ontzeggen, te meer nu beiden op andere vraagstukken zien. Cliënt is overigens wel bereid om de dagvaarding op te schorten, zodat mediation op gang kan komen.”

3.7

Nadat [appellant] zich op 9 november 2012 wegens het arbeidsconflict ziek had gemeld, hebben partijen begin 2013 op advies van de bedrijfsarts een mediationtraject gevolgd, welk traject op 24 april 2013 heeft geleid tot de ondertekening door partijen van een overeenkomst, getiteld “mediation - vaststellingsovereenkomst”. Hierin zijn partijen onder meer het volgende overeengekomen:

Artikel 1 – Resultaat van de mediation

Betrokkenen verklaren met betrekking tot het resultaat het volgende te zijn overeengekomen:

  1. Er hebben zes mediation gesprekken plaatsgevonden, waarin betrokkenen open en duidelijk met elkaar gecommuniceerd hebben. Standpunten, meningsverschillen en pijnpunten zijn uit- en doorgesproken. Er is voldoende wederzijds begrip tot stand gekomen en de arbeidsverhouding is voldoende hersteld om de blik constructief op de toekomst te kunnen richten.

  2. Betrokkenen zijn beiden gericht op re-integratie van [appellant] [hof: [appellant] ] op de oude werkplek en voortzetting van het dienstverband van [appellant] . Bij eventuele meningsverschillen tijden de re-integratie en/of over de wijze van re-integratie zullen betrokkenen zich volledig conformeren aan het advies van de bedrijfsarts. Het re-integratieplan is geen onderdeel van deze overeenkomst.

  3. Het is de intentie van [Y] [hof: [Y] ] om [appellant] op een correcte wijze te begeleiden naar zijn pensioen.

  4. Betrokkenen verklaren zich bereid en in staat tot het onderhouden van een professionele werkrelatie, waarin:

  1. men het niet altijd met elkaar eens hoeft te zijn;

  2. men op een professionele wijze met elkaar weet om te gaan;

  3. men met elkaar op correcte wijze informatie uitwisselt, die professioneel uit hoofde van ieders functie uitgewisseld dient te worden;

  4. op basis van de in deze overeenkomst vastgelegde afspraken en een professionele samenwerking, het vertrouwen tussen betrokkenen weer zal kunnen toenemen.

5. Betrokkenen zullen zich in de toekomst naar derden op een respectvolle wijze en zonder negatieve uitlatingen over elkaar uitspreken, zullen zich respectvol uiten over en jegens elkaar en derden over Hochwald Nederland, haar medewerkers, klanten en opdrachtgevers.

6. Betrokkenen hebben en houden de ‘blik vooruit’ en hebben oog voor wat goed is voor de organisatie Hochwald Nederland.

7. Betrokkenen hebben aangegeven tevreden te zijn met deze uitkomst en gemaakte afspraken en hiermee zal na ondertekening van deze vaststellingsovereenkomst de mediation worden beëindigd.

3.8

[appellant] heeft vervolgens op 15 mei 2013 de dagvaarding in de onderhavige procedure uitgebracht.

3.9

Bij brief van 30 mei 2013 heeft Hochwald aan de advocaat van [appellant] bericht dat zij een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst zal indienen, tenzij [appellant] voor 10 juni 2013 de door hem gestarte dagvaardingsprocedure heeft beëindigd. [appellant] trekt de uitgebrachte dagvaarding niet in, waarna Hochwald op 20 juni 2013 het ontbindingsverzoek heeft ingediend.

3.10

Bij beschikking van 26 augustus 2013 heeft de kantonrechter de arbeidsovereenkomst tussen partijen per 1 september 2013 ontbonden, onder toekenning aan [appellant] van een ten laste van Hochwald komende ontbindingsvergoeding van € 125.000,- bruto. De kantonrechter heeft onder randnummer 2.17 van de beschikking melding gemaakt van de door [appellant] op 15 mei 2013 uitgebrachte dagvaarding en onder 2.23 dat [appellant] die dagvaarding tot op de datum van de beschikking niet heeft ingetrokken. Voorts heeft de kantonrechter onder meer overwogen:

5.4. De kantonrechter acht het ontbindingsverzoek van Hochwald toewijsbaar, nu Hochwald en [appellant] beiden hebben uitgesproken dat er een onhoudbare situatie tussen hen is ontstaan en dat zij geen vertrouwen meer hebben in een vruchtbare samenwerking. De kantonrechter zal de arbeidsovereenkomst ontbinden per 1 september 2013.

5.5.

Partijen verschillen van mening over de vraag of er gronden aanwezig zijn om aan [appellant] een ontbindingsvergoeding toe te kennen en meer in het bijzonder over de vraag aan wie de vertrouwensbreuk tussen hen te wijten is. De kantonrechter volgt [appellant] niet in zijn betoog dat de vertrouwensbreuk die ten grondslag ligt aan het ontbindingsverzoek is ontstaan door de omstandigheid dat Hochwald bij brieven van 21 september, 16 oktober en 19 november 2012 in toenemende mate kritiek op zijn functioneren heeft geuit. (...) partijen hebben nadien – op 24 april 2013 – een vaststellingsovereenkomst met elkaar gesloten, waarin wordt vermeld dat de arbeidsverhouding voldoende is hersteld om de blik constructief op de toekomst te kunnen richten. (...)

5.6.

Van belang is wat zich na de datum van de vaststellingsovereenkomst tussen partijen heeft afgespeeld, waardoor het eerder aanwezige vertrouwen in een vruchtbare samenwerking over en weer is geschaad. Hochwald heeft in dit kader aangevoerd dat zij het vertrouwen in een vruchtbare samenwerking is verloren doordat [appellant] – kort nadat partijen hun geschillen hadden beslecht door middel van de vaststellingsovereenkomst – onverwachts een bodemprocedure is begonnen over de verwijten die zij hem in 2012 heeft gemaakt. [appellant] heeft hiertegenover gesteld dat hij reeds voor het sluiten van de vaststellingsovereenkomst aan Hochwald duidelijk heeft gemaakt dat een bodemprocedure zou volgen. Alhoewel de brieven van [appellant] d.d. 23 en 30 januari 2013 bevestigen dat [appellant] een bodemprocedure heeft aangekondigd en dat [appellant] heeft aangegeven deze bodemprocedure op te zullen schorten gedurende het mediationtraject, doet de tekst van de nadien gesloten vaststellingsovereenkomst vermoeden dat partijen al hun geschillen en derhalve ook het geschil over de verwijten die Hochwald [appellant] in 2012 heeft gemaakt hebben afgekaart in deze overeenkomst. In artikel 1 lid 1 van de vaststellingsovereenkomst wordt immers in algemene bewoordingen bepaald dat standpunten, meningsverschillen en pijnpunten zijn uit- en doorgesproken en dat de arbeidsovereenkomst voldoende is hersteld om de blik constructief op de toekomst te kunnen richten. In dat licht, acht de kantonrechter het voorstelbaar dat de dagvaarding in de bodemprocedure, die volgens [appellant] is gericht op eerherstel, onverwachts kwam voor Hochwald. Dit geldt temeer nu partijen vele gesprekken met elkaar hebben gevoerd en Hochwald [appellant] een kans heeft gegeven op terugkeer in zijn eigen functie en zij daarmee tegemoet is gekomen aan de wens van [appellant] . [appellant] is ondanks de vele gesprekken met Hochwald en ondanks de geboden kans op terugkeer in zijn eigen functie kennelijk niet in staat gebleken om op een nuchtere manier met de situatie om te gaan. Door het starten van de bodemprocedure heeft hij de verhoudingen tussen partijen naar het oordeel van de kantonrechter onnodig op scherp gesteld. Gelet op het vorenstaande is de kantonrechter dan ook van oordeel dat de vertrouwensbreuk tussen partijen in overwegende mate is te wijten aan [appellant] .

5.7.

Gezien voornoemde vertrouwensbreuk kon van Hochwald – anders dan [appellant] heeft aangevoerd – niet verwacht worden dat zij onverkort zou meewerken aan de re-integratie van [appellant] in zijn eigen functie. Door meteen een ontbindingsverzoek aan te kondigen in reactie op de bodemprocedure is de handelwijze van Hochwald echter ook niet bevorderlijk geweest voor het onderlinge vertrouwen. Gelet op het mediationtraject dat partijen achter de rug hadden en de vaststellingsovereenkomst die naar aanleiding daarvan was gesloten, had het in de rede gelegen dat Hochwald eerst een gesprek met [appellant] was aangegaan over de bodemprocedure en de hierdoor ervaren beschadiging van haar vertrouwen alvorens een ontbindingsverzoek aan te kondigen.

5.8.

Op grond van het vorenstaande, alsmede gelet op de belangen van [appellant] en de overige omstandigheden van het geval, komt het de kantonrechter billijk voor dat [appellant] ten laste van Hochwald een ontbindingsvergoeding wordt toegekend van € 125.000,- bruto. (...)

3.11

[appellant] heeft een verzoek tot herroeping van de ontbindingsbeschikking ingediend. Dit verzoek is bij beschikking van 17 december 2013 afgewezen.

4 De vorderingen en beoordeling in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft, samengevat, in conventie na wijziging van eis gevorderd, waarbij [appellant] de vorderingen met romeinse cijfers heeft genummerd:

- ( I en II) een verklaring voor recht dat de aan hem gemaakte verwijten genoemd onder de letters A t/m F in de dagvaarding ongegrond zijn en dat Hochwald zich niet als goed werkgever heeft gedragen door die ongegronde verwijten aan te wenden om [appellant] uit zijn functie te plaatsen,

- ( X) een verklaring voor recht dat Hochwald de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen en/of daarmee in strijd heeft gehandeld,

- ( III) te vernietigen de berisping van 19 september 2012 en 16 oktober 2012,

- ( IV) Hochwald op straffe van een dwangsom te veroordelen het personeelsdossier te zuiveren althans te rectificeren, in het bijzonder door het verwijderen van de brieven van 19 september 2012 en 16 oktober 2012 danwel Hochwald op te dragen aan [appellant] een passende rectificatie te schrijven,

- ( V) Hochwald op straffe van een dwangsom te veroordelen een brief aan de werknemers van de afdeling van [appellant] te sturen waarin wordt gemeld dat de aan [appellant] in september en oktober 2012 gemaakte verwijten ongegrond zijn gebleken,

- ( XI) Hochwald op straffe van een dwangsom te veroordelen een brief aan de werknemers van de afdeling van [appellant] te sturen waarin wordt gemeld dat de rechter tot het oordeel is gekomen dat Hochwald de begin 2013 gemaakte afspraken over de re-integratie van [appellant] niet is nagekomen,

- ( VIII en IX) Hochwald te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 666.090,21,

- ( VI, VII, XII) Hochwald te veroordelen tot betaling van € 800,- aan buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten in conventie en in reconventie.

4.2

Hochwald heeft de vorderingen in conventie bestreden en in reconventie gevorderd [appellant] te veroordelen tot betaling van € 14.151,72 excl. BTW wegens alle door haar in het kader van het (mee-)werken aan een regeling buiten rechte gemaakte (buitengerechtelijke) kosten en tot betaling van de proceskosten in conventie en in reconventie.

4.3

De kantonrechter heeft in conventie [appellant] in zijn vorderingen onder I t/m IV, VII, VIII, IX en X niet-ontvankelijk verklaard en de vorderingen onder V, VI, en XI afgewezen met veroordeling van [appellant] in de proceskosten. In reconventie heeft de kantonrechter de vordering van Hochwald afgewezen en Hochwald in de proceskosten veroordeeld.

5 De beoordeling in hoger beroep

wijziging van eis

5.1

[appellant] heeft bij memorie van grieven zijn eis gewijzigd. Tegen deze eiswijziging heeft Hochwald zich niet verzet en deze wijziging is naar het oordeel van het hof evenmin in strijd met de goede procesorde.

Vervolgens heeft [appellant] bij akte, die bij het pleidooi is genomen, het gevorderde bedrag aan schadevergoeding van € 666.090,21 bruto verminderd tot € 514.190,- bruto. Het daartegen door Hochwald gemaakte bezwaar wordt verworpen. [appellant] is, zolang geen eindarrest is gewezen, op grond van de artikelen 353 Rv jo 129 Rv te allen tijde gerechtigd zijn eis te verminderen.

Het hof zal van de aldus gewijzigde eis, zoals hiervoor onder 2.3 is weergegeven, uitgaan.

schadevergoeding

5.2

Met de grieven I t/m IX komt [appellant] op tegen de randnummers 4.14 t/m 4.16 van het bestreden vonnis, waarin de kantonrechter [appellant] niet ontvankelijk heeft verklaard in zijn vorderingen tot vergoeding van de schade die hij ten gevolge van het tekortschieten van Hochwald in haar verplichtingen uit de vaststellingsovereenkomst – welke vorderingen in de kantongerechtprocedure zijn genummerd VIII en IX en thans in hoger beroep zijn geherformuleerd, samengevoegd en vernummerd tot II – heeft geleden. Volgens de kantonrechter bestaat voor die vordering(en) geen ruimte meer, omdat de kantonrechter in een andere procedure op de voet van artikel 7:685 BW, zoals dat gold voor de inwerkingtreding van de wet Werk en Zekerheid – hierna: artikel 7:685 BW (oud) -, aan [appellant] een schadevergoeding wegens ontbinding van de arbeidsovereenkomst van € 125.000,- heeft toegekend.

5.3

Voor de beoordeling van deze grieven stelt het hof het navolgende voorop.

De bijzondere aard van de wettelijke regeling met betrekking tot de arbeidsovereenkomst brengt mee dat in de regeling betreffende de ontbinding van de arbeidsovereenkomst, zoals neergelegd in artikel 7:685 BW (oud) het resultaat van de rechterlijke toetsing aan de eisen van redelijkheid en billijkheid in beginsel ten volle, onder meeweging van alle voor zijn oordeel relevante factoren, tot uitdrukking behoort te komen in de hoogte van de vergoeding die de rechter op de voet van artikel 7:685 lid 8 BW (oud) met het oog op de omstandigheden van het geval naar billijkheid aan een der partijen ten laste van de wederpartij toekent, zodat er daarnaast voor zodanige toetsing geen plaats is.

De op grond van artikel 7:685 lid 8 BW (oud) toegekende vergoeding betreft niet aanspraken van de werknemer die zijn ontstaan tijdens de dienstbetrekking en betrekking hebben op de periode vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst en die geen verband houden met de (wijze van) beëindiging van de arbeidsovereenkomst en de gevolgen van die beëindiging.

De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat niet uitgesloten is dat feiten die ten grondslag zijn gelegd aan een vordering die betrekking heeft op de periode voorafgaand aan de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, ook in aanmerking (kunnen) worden genomen bij de beoordeling van de vraag of de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens verandering in de omstandigheden en toekenning van een vergoeding naar billijkheid gerechtvaardigd zijn. In een zodanig geval kan de rechter rekening houden met het in de andere procedure toegekende bedrag.

(ECLI:NL:HR:1997:AM1905 en ECLI:NL:HR:2004:AR4062).

5.4

[appellant] stelt dat Hochwald zich in de vaststellingsovereenkomst heeft verplicht zich in te zetten voor de re-integratie van [appellant] in zijn oude functie met de uitdrukkelijke intentie om [appellant] tot aan zijn pensioen in dienst te houden en dat Hochwald deze verplichting heeft geschonden.

5.5

Het hof stelt vast dat [appellant] zich beroept op een schending van een contractuele verplichting die voor het beëindigen van de arbeidsovereenkomst tussen partijen op 24 april 2013 in de vaststellingsovereenkomst is overeengekomen.

Tussen partijen is niet in geschil dat Hochwald tot 15 mei 2013, zijnde de datum waarop [appellant] aan Hochwald een dagvaarding liet betekenen, aan deze verplichting uitvoering heeft gegeven.

De op Hochwald rustende verplichting tot re-integratie in zijn oude functie is in ieder geval geëindigd op 1 september 2013, zijnde de datum waarop de kantonrechter bij beschikking van 26 augustus 2013 de arbeidsovereenkomst heeft ontbonden.

Voorts heeft [appellant] in hoger beroep de schade die hij door het tekortschieten van Hochwald in haar verplichting heeft geleden gesteld op € 514.190,- bruto, bestaande uit € 393.195,- bruto aan inkomensverlies vanaf 1 september 2013 tot aan zijn AOW-leeftijd en € 120.995,- aan pensioenschade over de periode vanaf 1 september 2013 tot aan zijn pensioen.

Het geschil tussen partijen spitst zich daardoor toe op de vraag of Hochwald in de periode vanaf 15 mei 2013 tot 1 september 2013 haar verplichting in de vaststellingsovereenkomst tot re-integratie en begeleiding van [appellant] heeft geschonden en zo ja, of de door [appellant] gevorderde schade voor vergoeding in aanmerking komt.

5.6

Bij de beantwoording van deze vraag neemt het hof tot uitgangspunt dat de verplichting van Hochwald tot re-integratie en “op correcte wijze” verder begeleiden van [appellant] naar zijn pensioen, anders dan [appellant] lijkt te veronderstellen, geen resultaats- maar een inspanningsverplichting is.

Voorts heeft het hof acht te slaan op de aan [appellant] bij beschikking van 29 augustus 2013 toegekende vergoeding naar billijkheid van € 125.000,- bruto wegens beëindiging van het dienstverband, waarbij de kantonrechter bij de bepaling van dat bedrag rekening heeft gehouden met het aan [appellant] gemaakte verwijt dat hij met het uitbrengen van de dagvaarding op 15 mei 2013 de verhoudingen tussen partijen onnodig op scherp heeft gesteld, het aan Hochwald gemaakte verwijt dat zij daarop meteen een ontbindingsverzoek heeft ingediend en niet eerst een gesprek met [appellant] is aangegaan, “de belangen van [appellant] en de overige omstandigheden van het geval”.

Voor zover [appellant] van oordeel is dat Hochwald de op haar rustende inspanningsverplichting heeft geschonden door een verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst in te dienen en in dat verzoek te volharden, miskent [appellant] dat die omstandigheid door de kantonrechter in de beschikking tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is betrokken en bij het bepalen van de vergoeding op grond van 7:685 lid 8 BW (oud) is meegewogen. Gelet op hetgeen hiervoor tot uitgangspunt is genomen, is daardoor in deze procedure geen plaats meer voor vergoeding van die schade op die grondslag. Hiervan uitgaande heeft de kantonrechter [appellant] terecht in zijn vordering niet-ontvankelijk verklaard en falen de grieven van [appellant] daartegen.

Voor zover [appellant] de schending van de inspanningsverplichting op andere feiten en omstandigheden grondt, waaronder kennelijk dat Hochwald vanaf 15 mei 2013 tot einde dienstverband geen concrete handelingen gericht op re-integratie heeft verricht, heeft [appellant] niet gesteld en onderbouwd dat hij als gevolg daarvan de door hem gestelde schade aan inkomensverlies en pensioenschade vanaf 1 september 2013 heeft geleden. Dat lag op zijn weg, nu die schade het gevolg is van de ontbinding van de arbeidsovereenkomst wegens de verstoorde arbeidsverhouding en zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat die schade (ook) het gevolg is van een gebrek aan inspanning van Hochwald tot re-integratie en verdere begeleiding in de periode vanaf 15 mei 2013 tot 1 september 2013. Dit heeft tot gevolg dat de vordering, voor zover ontvankelijk, op deze grond dient te worden afgewezen. In zoverre slagen de grieven evenmin.

5.7

[appellant] klaagt in grief II er voorts over dat de kantonrechter de conventionele en reconventionele vorderingen ongelijk heeft behandeld en het vonnis daardoor innerlijk tegenstrijdig is. De reconventionele vordering van Hochwald is door de kantonrechter afgewezen en Hochwald is van die beslissing niet in hoger beroep gekomen. Hierdoor heeft [appellant] bij de behandeling van deze klacht geen belang, nu de vordering van [appellant] door het hof zelfstandig dient te worden beoordeeld.

verklaring voor recht schending vaststellingsovereenkomst

5.8

Met grief IX komt [appellant] tevens op tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij bij zijn vordering tot verklaring voor recht dat Hochwald de vaststellingsovereenkomst niet is nagekomen, althans daarmee in strijd heeft gehandeld, geen belang heeft en derhalve niet-ontvankelijk wordt verklaard. In hoger beroep heeft [appellant] de verklaring voor recht geherformuleerd (onder sub I).

5.9

Ingevolge HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010: BM2337, NJ 2012, 226, leidt het ontbreken van procesbelang tot een afwijzing van de vordering. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de vordering van [appellant] tot schadevergoeding wegens (mogelijke) schending door Hochwald van de vaststellingsovereenkomst terecht is afgewezen. [appellant] heeft niet gesteld welk zelfstandig rechtens te respecteren belang hij (dan nog) heeft bij zijn gevorderde verklaring voor recht, zodat grief X niet slaagt.

verwijdering en verbetering personeelsdossier

5.10

[appellant] vordert in hoger beroep voorts een verklaring voor recht dat Hochwald in 2012 aan hem ongegronde verwijten heeft gemaakt, hem ten onrechte op 19 september 2012 en 16 oktober 2012 een berisping heeft gegeven en hem op die grond ten onrechte uit zijn functie heeft ontheven. [appellant] vordert voorts verwijdering van die ongegronde verwijten en ten onrechte gegeven berispingen uit zijn personeelsdossier en eerherstel bij de werknemers van de voormalige afdeling van [appellant] door Hochwald te gelasten een brief met een door [appellant] voorgeschreven inhoud te zenden.

Ten opzichte van de vorderingen in eerste aanleg, zoals weergeven onder de nummers sub I t/m V heeft [appellant] in hoger beroep zijn vorderingen gewijzigd, geherformuleerd en vernummerd tot III t/m V.

De kantonrechter heeft in de randnummers 4.4. t/m 4.7 geoordeeld, dat [appellant] bij zijn vorderingen geen belang heeft, zodat die vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard. Met grief X komt [appellant] tegen dit oordeel op.

5.11

Het hof heeft tot uitgangspunt te nemen dat het dienstverband van [appellant] bij Hochwald op 1 september 2013 is geëindigd. Doordat [appellant] vanaf die datum niet meer bij Hochwald in dienst is, kan Hochwald de volgens [appellant] ongegronde verwijten in het personeelsdossier en de onterecht gegeven berispingen niet meer aan hem tegenwerpen. Hierdoor heeft [appellant] op zichzelf geen belang meer bij opschoning van het personeelsdossier. Het hof merkt verder nog op dat van een formele berisping in de zin van een disciplinaire maatregel die gegrond is op een geldend arbeidsreglement of de CAO in dit geval geen sprake is, maar dat de onder 3.4 geciteerde brief van Hochwald door [appellant] als een berisping is opgevat.

5.12

[appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij ten gevolge van de ongegronde verwijten ziek is geworden. Als dat wordt vastgesteld geeft dat volgens [appellant] ondersteuning aan zijn vordering tot schadevergoeding.

Daargelaten de vraag of dat belang toereikend is voor zijn vorderingen tot opschoning van het personeelsdossier heeft het hof hiervoor geoordeeld dat de vordering tot schadevergoeding niet ontvankelijk is en voor zover ontvankelijk wordt afgewezen. Daarmee ontvalt dat door [appellant] gestelde belang.

Voorts blijkt uit de overgelegde stukken weliswaar dat ten gevolge van de aan [appellant] gemaakte verwijten een arbeidsgeschil is ontstaan over de vraag of [appellant] nog wel geschikt was voor de uitoefening van zijn functie en dat hij zich in verband met het arbeidsconflict ziek heeft gemeld, maar niet gesteld of gebleken is dat de verwijten tot arbeidsongeschiktheid van [appellant] hebben geleid. Bovendien heeft [appellant] ook in hoger beroep geen vergoeding van de schade gevorderd die hij ten gevolge van zijn gestelde ziekte heeft geleden. Dit leidt ertoe dat [appellant] ook in hoger beroep geen belang bij opschoning van het personeelsdossier heeft.

Het hof voegt daaraan toe dat op grond van artikel 36 Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) ook een werknemer kan verzoeken om gegevens te verbeteren, aan te vullen, te wijzigen of af te schermen, wanneer deze gegevens feitelijk onjuist zijn, voor het doel van de verwerking onvolledig of niet ter zake dienend zijn dan wel anderszins in strijd met een wettelijke voorschrift worden verwerkt. Het recht op verbetering en verwijdering van gegevens in het personeelsdossier ziet niet op indrukken, beoordelingen en conclusies, waarmee de werknemer zich niet kan verenigen, te wijzigen of te verwijderen. De werknemer kan in die gevallen zijn commentaar geven en de werkgever kan dan volstaan dat commentaar aan het personeelsdossier toe te voegen. Hochwald heeft de regeling van artikel 36 Wbp uitgewerkt in het Reglement Persoonsgegevens. De aan [appellant] gemaakte verwijten zien niet zozeer op door hem zelf gemaakte verwijtbare handelwijze maar op beoordelingen en conclusies van incidenten die volgens Hochwald onder zijn verantwoordelijkheid vallen. Voor dergelijke gegevens kan de werkgever volstaan met het bieden van de mogelijkheid het commentaar van de werknemer aan het personeelsdossier toe te voegen. Hochwald is daardoor niet tot opschoning van het personeelsdossier gehouden.

5.13

De grief tegen de afwijzing van de vordering van [appellant] Hochwald te veroordelen tot rehabilitatie en eerherstel van [appellant] door aan de werknemers van zijn voormalige afdeling een brief met de door [appellant] opgegeven inhoud te zenden, stuit al af op de omstandigheid dat, zoals [appellant] ter zitting heeft erkend, niet Hochwald maar derden geruchten in [woonplaats] hebben verspreid. Door derden verspreide berichten kan niet leiden tot een verplichting van de (voormalige) werkgever aan werknemers een bericht met een door de (voormalige) werknemer bepaalde inhoud te zenden.

buitengerechtelijke kosten en proceskosten

5.14

Doordat de grief gericht tegen het opschonen van het personeelsdossier niet slaagt, slaagt evenmin de grief tegen de afwijzing van de vordering tot vergoeding van de buitengerechtelijke werkzaamheden die zijn gemaakt om Hochwald tot opschoning van het personeelsdossier te bewegen.

5.15

Nu de vorderingen terecht door de kantonrechter niet-ontvankelijk zijn verklaard, althans afgewezen, slaagt grief XII tegen de proceskostenveroordeling evenmin.

Slotsom

De grieven falen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld, waarbij het salaris van de advocaat zal worden bepaald op 3 punten in tarief VII. De uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de (proceskosten)veroordeling is door Hochwald niet gevorderd.

De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van 8 april 2014,

verklaart [appellant] in zijn (gewijzigde) vorderingen niet-ontvankelijk, althans wijst die vorderingen af,

veroordeelt [appellant] in de kosten van het appel, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Hochwald begroot op € 5.114,- voor verschotten en op 11.685,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. D.H. de Witte, mr. J.H. Kuiper en mr. W.A. Zondag en is door de rolrechter in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 6 juni 2017.