Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4802

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
06-06-2017
Datum publicatie
21-06-2017
Zaaknummer
21-004320-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zeden art. 248d/239 Sr. Vrijspraak. Het hof kan onvoldoende uitsluiten dat de waarneming van aangeefster waar het gaat om het zien van de penis van verdachte niet op realiteit berust. Hiermee valt de strafwaardigheid van het primair en subsidiair ten laste gelegde weg.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004320-16

Uitspraak d.d.: 6 juni 2017

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 28 juli 2016 met parketnummer 18-830271-15 in de strafzaak tegen

[verdachte] ,

geboren te Leeuwarden op [geboortedatum 1] 1988,

wonende te [woonplaats] , [woonadres] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 23 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling van verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,
mr. M. Lubbers, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

De meervoudige kamer van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft verdachte ten aanzien van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen vervangende hechtenis. Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

primair:
hij of omstreeks 20 mei 2015 in [plaats] , althans de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, een persoon van wie hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum slachtoffer] , met ontuchtig oogmerk ertoe heeft bewogen getuige te zijn van seksuele handelingen, immers heeft/is verdachte

- naast die [slachtoffer] komen rijden en/of

- haar via het raam (aan de bestuurderszijde) van de auto aangesproken en/of

- aan die [slachtoffer] gevraagd of zij al haar op haar stringetje en/of spleetje had, althans woorden van gelijke strekking, en/of

- vervolgens zijn penis aan die [slachtoffer] laten zien;


subsidiair:
hij op of omstreeks 20 mei 2015 te [plaats] , althans in de gemeente [gemeente] , althans in Nederland, zich oneerbaar op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten [adres] , in elk geval op een openbare weg, met ontbloot geslachtsdeel heeft bevonden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ter terechtzitting in hoger beroep is door en namens verdachte bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zijn penis aan de 9-jarige [slachtoffer] heeft laten zien. Hiertoe is aangevoerd dat de verklaring van het meisje onvoldoende betrouwbaar is, er onvoldoende steunbewijs voorhanden is en het bovendien onmogelijk is geweest voor haar om de penis te zien. Dit dient te leiden tot algehele vrijspraak.

De advocaat-generaal heeft aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer] betrouwbaar moeten worden geacht. Op grond van die verklaringen en gelet op de deels bekennende verklaringen van verdachte kan het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de verklaringen van de 9-jarige [slachtoffer] en verdachte volgt dat [slachtoffer] op 20 mei 2015 (alleen) door haar woonwijk te [plaats] fietste toen verdachte op enig moment naast haar kwam rijden. Verdachte - die heeft verklaard dat hij op dat moment zijn broek open had om zijn overhemd beter in te stoppen - heeft het raampje van zijn auto omlaag gedaan en haar aangesproken. [slachtoffer] is vervolgens gestopt, waarop verdachte haar heeft gevraagd of zij al haar bij haar spleetje/stringetje had.

Door [slachtoffer] is daarnaast verklaard dat verdachte vervolgens zijn penis aan haar heeft laten zien.

Verdachte heeft telkens stellig ontkend dat hij zijn penis heeft getoond.

Nu verdachte ontkent zijn penis te hebben getoond en steunbewijs voor dit deel van de tenlastelegging ontbreekt ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de verklaring van [slachtoffer] ook op dit punt (voldoende) betrouwbaar kan worden geacht.

Voor deze beoordeling kijkt het hof allereerst naar de totstandkoming van de verklaring(en) van [slachtoffer] . Vanwege haar jeugdige leeftijd is het van belang dat het verhoor heeft plaatsgevonden onder de juiste condities. Dit is belangrijk omdat jeugdigen gevoeliger zijn voor suggestiviteit en vanwege het stadium van cognitieve ontwikkeling het vaak lastiger vinden fantasie en realiteit te onderscheiden. Het hof constateert dat, hoewel het verhoor heeft plaatsgevonden door speciaal daarvoor opgeleide rechercheurs in een studio, de vraagstelling op verschillende momenten suggestief en sturend is geweest doordat informatie in de vraagstelling werd gebracht. Dit doet afbreuk aan de betrouwbaarheid van haar verklaring.

Daarnaast volgt uit het dossier dat [slachtoffer] ondanks haar jeugdige leeftijd al vaker geconfronteerd is met verhalen met een seksuele component. Uit de verklaring van [slachtoffer] volgt dat een vriendinnetje van haar op de schommel een piemel of een neppiemel van een man zou hebben gezien. [slachtoffer] heeft het er ook over dat zij niet weet of zij een echte piemel zag, of een neppiemel.

De hiervoor genoemde aspecten tezamen zorgen ervoor dat het hof onvoldoende kan uitsluiten dat de waarneming van [slachtoffer] waar het gaat om het zien van de penis van verdachte niet op realiteit berust. Hoewel vaststaat dat verdachte onder buitengewoon twijfelachtige omstandigheden de hiervoor genoemde verwerpelijke bewoordingen heeft gebruikt in de richting van een negenjarig meisje, valt hiermee de strafwaardigheid van het primair en subsidiair ten laste gelegde weg. Verdachte wordt dan ook vrijgesproken.

Gelet op het voorgaande behoeft het voorwaardelijke verzoek van de raadsvrouw om een nader onderzoek door een deskundige geen nadere bespreking.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Aldus gewezen door

mr. T.H. Bosma, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr. J.A.A.M. van Veen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J. Brink, griffier,

en op 6 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.