Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4796

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
21-004381-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:4160, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring openlijk geweld, vrijspraak strafverzwarende omstandigheid, toewijzing vordering benadeelde partij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004381-16

Uitspraak d.d.: 7 juni 2017

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Gelderland van 26 juli 2016 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 05-720320-14 en 05-840405-15, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1992] ,

wonende te [woonplaats] .

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 24 mei 2017 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennis genomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. O.N.J. Maatje, naar voren is gebracht.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Verdachte is bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van het in de zaak met parketnummer 05-840405-15 onder 2 ten laste gelegde. Hoger beroep tegen deze vrijspraak staat voor verdachte niet open. Het hof zal verdachte daarom in zoverre niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep verklaren.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 05-720320-14:

primair:
hij in of omstreeks de nacht van 19 op 20 december 2014 te Tiel ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven,

- meermalen, althans eenmaal met (zeer veel) kracht die [slachtoffer 1] op/tegen diens hoofd en/of in diens gezicht heeft/hebben geslagen en/of gestompt, ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen, en/of

- ( terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) deze met (zeer veel) kracht op/tegen diens hoofd en/of in diens gezicht heeft/hebben geslagen en/of gestompt en/of geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de nacht van 19 op 20 december 2014 te Tiel openlijk, te weten op of aan de openbare weg(en) Varkensmarkt en/of Ruiterstraat, in elk geval op of aan een openbare weg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het

- ( op de Varkensmarkt) meermalen, althans eenmaal met kracht die [slachtoffer 1] tegen diens lichaam schoppen en/of slaan en/of stompen en/of

- ( in de Ruiterstraat) meermalen, althans eenmaal met (zeer veel) kracht die [slachtoffer 1] op/tegen diens hoofd en/of in diens gezicht slaan en/of stompen ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen, en/of

- ( terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) deze met (zeer veel) kracht op/tegen diens hoofd en/of in diens gezicht slaan en/of stompen en/of schoppen

terwijl dit (door hem gepleegde) geweld zwaar lichamelijk letsel (te weten een schedelbreuk en/of meerdere/een hersenkneuzing(en) en/of meerdere/een slagaderlijke bloeding(en) in de hersenen), en/of enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair:
hij in of omstreeks de nacht van 19 op 20 december 2014 te Tiel tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel (te weten een schedelbreuk en/of meerdere/een hersenkneuzing(en) en/of meerdere/een slagaderlijke bloeding(en) in de hersenen ) heeft toegebracht, door

- meermalen, althans eenmaal met (zeer veel) kracht die [slachtoffer 1] op/tegen diens hoofd en/of in diens gezicht te slaan en/of te stompen ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen, en/of

- ( terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) deze met (zeer veel) kracht op/tegen diens hoofd en/of in diens gezicht slaan en/of stompen en/of schoppen.

meest subsidiair:

hij in of omstreeks de nacht van 19 op 20 december 2014 te Tiel [slachtoffer 1] heeft mishandeld door hem (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) met (zeer veel) kracht tegen het hoofd en/of in het gezicht te slaan en/of stompen terwijl dit feit zwaar lichamelijk letsel (te weten een schedelbreuk en/of meerdere/een hersenkneuzing(en) en/of meerdere/een slagaderlijke bloeding(en) in de hersenen) althans enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft gehad.


Zaak met parketnummer 05-840405-15 (gevoegd):

1;
hij op of omstreeks 14 april 2015 te Erichem, gemeente Buren, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door deze:

- een knietje tegen/op het lichaam te gegeven en/of

- ( krachtig) bij de armen vast te pakken en/of

- één of meermalen tegen/op het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of

- ten val te brengen.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overwegingen met betrekking tot het bewijs

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het in de zaak met parketnummer 05-720320-14 subsidiair en in de zaak met parketnummer 05-840405-15 onder 1 ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 05-840405-15 onder 1 ten laste gelegde, heeft de raadsman zich aan het oordeel van het hof gerefereerd.

De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het in de zaak met parketnummer 05-720320-14 subsidiair ten laste gelegde. Hij heeft aangevoerd dat niet uit de bewijsstukken kan worden afgeleid dat verdachte aangever heeft geslagen op het moment dat aangever op de grond lag. Als verdachte al zou hebben geslagen, is dat mogelijk geweest met de bedoeling om aangever weer bij bewustzijn te brengen. Het letsel van aangever kan dan ook niet door verdachte zijn veroorzaakt. Bovendien heeft verdachte met zijn handelen geen significante en wezenlijke bijdrage aan het geweld geleverd en was er tussen medeverdachte [medeverdachte] en verdachte geen sprake van een nauwe en bewuste samenwerking.

Oordeel van het hof

Met de advocaat-generaal en de rechtbank is het hof van oordeel dat het in de zaak met parketnummer 05-840405-15 onder 1 ten laste gelegde wettig en overtuigend worden bewezen.

Ten aanzien van de zaak met parketnummer 05-720320-14 overweegt het hof als volgt.

Uit de inhoud van het dossier is niet gebleken dat verdachte opzet, ook niet in de voorwaardelijke vorm, heeft gehad op de dood van aangever. Het hof zal verdachte dan ook vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Uit de camerabeelden, de verklaringen en de processen-verbaal waarvan het hof heeft kennis genomen blijkt dat er sprake is van openlijk in vereniging plegen van geweld tegen aangever. Dat geweld heeft op twee momenten plaatsgevonden, te weten op de Varkensmarkt en in de Ruiterstraat. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat aangever door verdachte en diens vader op de Varkensmarkt is belaagd. Aangever is daarbij geschopt, geslagen en gestompt. Na het moment op de Varkensmarkt is medeverdachte [medeverdachte] erbij gekomen. Op de camerabeelden is te zien dat verdachte en [medeverdachte] in gesprek zijn, elkaar bij de arm vastpakken en beiden de Ruiterstraat in kijken. Verdachte rent dan de Ruiterstraat in, waarna [medeverdachte] volgt. Verdachte heeft verklaard dat [medeverdachte] hem op het plein (het hof begrijpt: de Varkensmarkt) heeft gezegd: ‘Dan gaan we hem pakken’. [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat toen hij en verdachte samen de steeg (het hof begrijpt: de Ruiterstraat) inliepen, verdachte op dat moment heeft gezegd dat hij die andere jongen, het latere slachtoffer, wilde pakken. Vervolgens hebben zij zich dus samen in de richting van de Ruiterstraat begeven. Op enig moment zagen zij aangever in de Ruiterstraat lopen. Verdachte wees de Ruiterstraat in, zoals op de camerabeelden is te zien, en is vervolgens die kant op gerend. Aangever heeft verdachte op dat moment weten te ontwijken, maar is daarna door [medeverdachte] tegen de grond geslagen. Terwijl aangever vervolgens bewusteloos op de grond lag, heeft verdachte aangever nog een klap tegen het hoofd gegeven.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van het hof vast komen te staan dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het plegen van openlijk geweld tegen aangever. Anders dan de raadsman heeft bepleit is naar het oordeel van het hof sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte] . Zij hebben vervolgens uitvoering gegeven aan het plan om aangever te ‘pakken’ en hebben beiden een significante en wezenlijke bijdrage aan het toegepaste geweld geleverd.

Met de raadsman is het hof echter van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat het bij aangever ontstane letsel een gevolg is van (uitsluitend) het handelen van verdachte. Dat kan het geval zijn, maar uit de medische gegevens in het dossier blijkt dat de directe oorzaak van het letsel niet vast staat. Onduidelijk blijft dan ook of het letsel het gevolg is geweest van de klap van [medeverdachte] , van de val van aangever op de grond, van de klap van verdachte of van een combinatie van (enkele van) die factoren. Voor een bewezenverklaring van de in lid 2 van artikel 141 Sr strafbaar gestelde en aan verdachte subsidiair tenlastegelegde openlijke geweldpleging zwaar lichamelijk letsel ten gevolge hebbend, dient te worden vastgesteld dat dat zwaar lichamelijk letsel een gevolg is van (uitsluitend) de door verdachte gepleegde handelingen. Nu het hof dat niet kan vaststellen kan dat strafverzwarende onderdeel van het subsidiair tenlastegelegde niet bewezen worden.

Wel acht het hof bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het openlijk in vereniging plegen van geweld.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel -ook in onderdelen- slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat ten laste gelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 05-720320-14 subsidiair en in de zaak met parketnummer 05-840405-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

Zaak met parketnummer 05-720320-14:

subsidiair:
hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de nacht van 19 op 20 december 2014 te Tiel openlijk, te weten op of aan de openbare weg(en) Varkensmarkt en/of Ruiterstraat, in elk geval op of aan een openbare weg in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] , welk geweld bestond uit het

- ( op de Varkensmarkt) meermalen, althans eenmaal met kracht die [slachtoffer 1] tegen diens lichaam schoppen en/of slaan en/of stompen en/of

- ( in de Ruiterstraat) meermalen, althans eenmaal met (zeer veel) kracht die [slachtoffer 1] op/tegen diens hoofd en/of in diens gezicht slaan en/of stompen ten gevolge waarvan deze ten val is gekomen, en/of

- (terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) deze met (zeer veel) kracht op/tegen diens hoofd en/of in diens gezicht slaan en/of stompen en/of schoppen

terwijl dit (door hem gepleegde) geweld zwaar lichamelijk letsel (te weten een schedelbreuk en/of meerdere/een hersenkneuzing(en) en/of meerdere/een slagaderlijke bloeding(en) in de hersenen), en/of enig lichamelijk letsel voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad.

Zaak met parketnummer 05-840405-15 (gevoegd):

1:
hij op of omstreeks 14 april 2015 te Erichem, gemeente Buren, in elk geval in Nederland, zijn levensgezel, [slachtoffer 2] , heeft mishandeld door deze:

- een knietje tegen/op het lichaam te gegeven en/of

- ( krachtig) bij de armen vast te pakken en/of

- één of meermalen tegen/op het lichaam te slaan en/of te stompen en/of te schoppen en/of te trappen en/of

- ten val te brengen.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 05-720320-14 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Het in de zaak met parketnummer 05-840405-15 bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar en oplegging van bijzondere voorwaarden zoals door de rechtbank is gedaan.

De raadsman heeft verzocht om, in geval van bewezenverklaring, geen hogere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Het hof is van oordeel dat de hierna te melden strafoplegging in overeenstemming is met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich samen met anderen ’s nachts tijdens het uitgaan twee maal schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1] . [slachtoffer 1] heeft aan dat geweld onder meer een schedelbreuk en hersenletsel overgehouden. Zelfs na een lange periode van opname en revalidatie ondervindt [slachtoffer 1] nog dagelijks de gevolgen van dit zinloze geweld. Het hof rekent het verdachte in het bijzonder zeer zwaar aan dat hij [slachtoffer 1] die hulpeloos en weerloos op de grond lag nog een klap tegen het hoofd gegeven.

Ook heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan huiselijk geweld.

In het voordeel van verdachte heeft het hof meegewogen dat verdachte niet eerder onherroepelijk voor een geweldsdelict is veroordeeld.

Al met al acht het hof een deels voorwaardelijke gevangenisstraf zoals opgelegd aan medeverdachte [medeverdachte] passend en geboden. De omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld dat het bij [slachtoffer 1] ontstane letsel een gevolg is van (uitsluitend) het handelen van verdachte, terwijl de rechtbank dat bij [medeverdachte] wel heeft vastgesteld, maakt het handelen van verdachte niet minder strafwaardig. Het hof legt om die reden een lagere straf op dan gevorderd door de advocaat-generaal.

Het hof zal aan het voorwaardelijke deel van de straf dezelfde bijzondere voorwaarden verbinden die de rechtbank daaraan verbond.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 120.328,58. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 60.347,04. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal verzocht de vordering van de benadeelde partij toe te wijzen. Ten aanzien van het verlies aan verdienvermogen heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het verlies in de jaren 2015 en 2016 duidelijk zijn onderbouwd. Hierbij dient teven de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht te worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat beoordeling van de posten verlies van verdienvermogen, huishoudelijke hulp en verlies van zelfwerkzaamheid een onevenredige belasting voor het strafproces vormen.

Oordeel van het hof

De vordering van de benadeelde partij dient te worden beoordeeld naar de maatstaven van civielrechtelijke aansprakelijkheid. Met name bezien in het licht van het bepaalde in artikel 6:166 van het Burgerlijk Wetboek is het hof dan ook van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar die civielrechtelijke maatstaven, wél voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak met parketnummer 05-720320-14 subsidiair bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

De volgende posten zullen worden toegewezen, nu beoordeling daarvan naar het oordeel van het hof geen onevenredige belasting van het strafproces opleveren en deze niet dan wel niet onderbouwd, zijn weersproken en deze hof niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen:

  1. Beschadigde en verloren zaken : € 545,00;

  2. Medische kosten (eigen risico) : € 1.071,72;

  3. Ziekenhuis- en revalidatiedaggeldvergoeding : € 1.190,00;

  4. Verhoging premie ziektekostenverzekering : € 103,20;

  5. Reis- en parkeerkosten : € 6.963,20;

  6. Telefoon- en portokosten : € 81,12;

  7. Kosten in verband met keuring rijbewijs : € 407,80;

  8. Kosten motorrijtuigenbelasting : € 387,00;

  9. Kosten relatietherapie : € 260,00;

  10. Huishoudelijke hulp : € 3.221,50;

  11. Verlies aan zelfwerkzaamheid : € 7.078,04;

  12. Verlies aan verdienvermogen (door het hof geschat) : € 25.000,00;

  13. Smartengeld : € 35.000,00.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 141, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart verdachte niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het onder parketnummer 05-840405-15 tenlastegelegde feit 2.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 05-720320-14 subsidiair en in de zaak met parketnummer 05-840405-15 onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 05-720320-14 subsidiair en in de zaak met parketnummer 05-840405-15 onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of de verdachte gedurende de proeftijd van 3 (drie) jaren ten behoeve van het vaststellen van zijn/haar identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde verplicht is zich gedurende de volledige proeftijd te melden bij Reclassering Nederland, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat het de veroordeelde verboden is gedurende de volledige proeftijd alcohol te gebruiken en dat hij verplicht is ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde zich gedurende de volledige proeftijd onder behandeling zal stellen van [naam] op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling vast te stellen, teneinde zich te laten behandelen voor agressieregulatieproblematiek.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd, zal verblijven in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang te weten [naam] te Tiel of een soortgelijke instelling, en zich zal houden aan het (dag-) programma dat deze instelling in overleg met de reclassering heeft opgesteld.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de volledige proeftijd zal deelnemen aan een gedragsinterventie, bestaande uit een CoVa plus training, waarbij veroordeelde zich dient te houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens de instelling aan de veroordeelde zullen worden gegeven.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-720320-14 subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 81.308,58 (eenentachtigduizend driehonderdacht euro en achtenvijftig cent) bestaande uit € 46.308,58 (zesenveertigduizend driehonderdacht euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen totale bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 05-720320-14 subsidiair en in de zaak met parketnummer 05-840405-15 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 81.308,58 (eenentachtigduizend driehonderdacht euro en achtenvijftig cent) bestaande uit € 46.308,58 (zesenveertigduizend driehonderdacht euro en achtenvijftig cent) materiële schade en € 35.000,00 (vijfendertigduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 365 (driehonderdvijfenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 21 december 2014 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat daarmee de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee de verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr. H.H.M. van Dijk, voorzitter,

mr. L.J. Bosch en mr. A. van Maanen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. R.W.P. Soons, griffier,

en op 7 juni 2017 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Proces-verbaal van het in dezelfde zaak voorgevallene ter openbare terechtzitting van het gerechtshof van 7 juni 2017.

Tegenwoordig:

mr. C. Caminada, voorzitter,

mr. J.W.M. Grimbergen, advocaat-generaal,

G. Heeres, griffier.

De voorzitter doet de zaak uitroepen.

De verdachte is niet in de zaal van de terechtzitting aanwezig.

De voorzitter spreekt het arrest uit.

Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal, dat door de voorzitter en de griffier is vastgesteld en ondertekend.