Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4781

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
07-06-2017
Datum publicatie
16-06-2017
Zaaknummer
16/01098
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:4178, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vpb. Afwaarderingsverlies vordering? Earn-outvordering. Deelnemingsvrijstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2017-1530 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2017/1559 met annotatie van Arco Bobeldijk

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 16/01098

uitspraakdatum: 7 juni 2017

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Zwolle (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 28 juli 2016, nummer AWB 15/6265, ECLI:NL:RBGEL:2016:4178, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] BV te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2012 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van € 42.049. Bij beschikking is belastingrente in rekening gebracht.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar het bezwaar ongegrond verklaard en de aanslag en de beschikking gehandhaafd.

1.3.

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de aanslag verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van nihil, het verlies voor het jaar 2012 vastgesteld op € 49.551 en de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 april 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende was tot 29 mei 2008 houder van 1/6e gedeelte van het totaal aantal geplaatste certificaten van aandelen (hierna ook: de certificaten) in [A] BV, waarvan de naam nadien is gewijzigd in [B] BV (welke vennootschap hierna zal worden aangeduid als [C] BV). De overige certificaten in [C] BV werden gehouden door vijf vennootschappen, die eveneens ieder houder waren van 1/6e gedeelte van de certificaten. Stichting [D] hield alle aandelen in [C] BV.

2.2.

Bij Koopovereenkomst inzake koop en verkoop certificaten van aandelen van 29 mei 2008 (hierna: de koopovereenkomst van 29 mei 2008) hebben belanghebbende en de overige vijf certificaathouders ieder 1/8e gedeelte van de door hen gehouden certificaten, ofwel 840 certificaten per certificaathouder, verkocht aan [E] BV (hierna: [E] BV) voor een koopprijs van in totaal € 735.307. Dit komt neer op een koopprijs van € 122.551,16 per certificaathouder. Bij dezelfde overeenkomst hebben belanghebbende en de overige vijf certificaathouders voorts ieder 1/8e gedeelte van de certificaten, wederom 840 certificaten per certificaathouder, voor dezelfde prijs verkocht aan [F] BV. De aandeelhouders van [E] BV en [F] BV waren twee werknemers van [C] BV.

2.3.

In de overeenkomst van 29 mei 2008 is, voor zover hier van belang, het volgende overeengekomen:

“3. betaling

Kwijting, omzetting

Kopers zullen de door ieder van hen te betalen koopprijzen (voor ieder 6x € 122.551,16) per de datum van het passeren van de Akte schuldig blijven aan ieder van de verkopers.

De verkopers zullen in de Akte ieder afstand doen van hun vorderingsrecht op kopers ter grootte van de aan iedere verkoper te betalen koopprijs, zulks onder de verplichting van ieder van de kopers om gelijktijdig in de Akte aan ieder van de verkopers een bedrag schuldig te erkennen ter grootte van eveneens € 122.551,16.

Kopers zullen vervolgens gerekend per 1 januari 2008 ieder in de Akte schuldig erkennen aan ieder van de verkopers een bedrag groot € 122.551,16 onder de navolgende lening-condities:

a. Over de hoofdsom of het niet afgeloste deel van de geldleningen is met ingang van 1 januari 2008 een rente verschuldigd van 5%, welk rentepercentage gedurende de gehele looptijd zal gelden.

b. Alle aan de koper uit te keren (interim) dividenden dienen door de koper te worden aangewend om allereerst de verschuldigde rente over het verstreken boekjaar, vervolgens eventuele achterstallige nog niet voldane rente over eerdere boekjaren en vervolgens aflossing van de verstrekte geldleningen te voldoen (waarbij op iedere geldlening gelijke bedragen dienen te worden afgelost en aan rente dienen te worden voldaan).

c. Periodiek wordt er (interim) dividend uitgekeerd, opdat ultimo het boekjaar de solvabiliteit circa 25 procent zal bedragen. lngeval (en wel uitsluitend in dat geval ) de omvang van de achtereenvolgens sedert 01.01.2008 uit te keren dividenden niet toereikend zullen zijn om de 6 leningen volledig af te lossen op uiterlijk 31.12.2016 zullen de resterende saldi van de leningen, alsmede de niet voldane rente, worden kwijtgescholden.

d. De geldleningen zijn direct opeisbaar en dienen met de lopende en de eventueel achterstallige rente te worden terugbetaald:

1. bij niet nakoming door de desbetreffende koper van enige verplichting uit deze overeenkomst van geldlening indien niet binnen acht dagen na ingebrekestelling de betrokken verplichting alsnog is nagekomen;

2. bij faillissement van een koper of het verlenen van surséance van betaling aan de koper of aanvrage daartoe, en in alle andere gevallen waarin de koper het vrije beheer over een of meer van zijn goederen verliest, alsmede bij diens overlijden en/of, indien de schuldenaar een rechtspersoon is, bij ontbinding van die rechtspersoon;

3. indien en zodra de desbetreffende koper al dan niet op grond van een verplichting daartoe voortvloeiend uit de administratievoorwaarden en/of de overige tussen partijen gemaakte afspraken overgaat tot overdracht van een of meer van zijn certificaten, zulks tenzij alsdan anders wordt

overeengekomen.

e. Kopers geven de Vennootschap bij deze onherroepelijk volmacht om bij uitkering van dividend, na het informeren van de betreffende koper, de dividendbedragen namens die koper rechtstreeks aan de 6 verkopers te effectueren.

f. de schuldenaar heeft de bevoegdheid om te allen tijde over te gaan tot eerdere aflossing dan verplicht ingevolge deze overeenkomst.

(…)”

2.4.

Bij akte van 11 juli 2008, waarin de overeenkomst van 29 mei 2008 is aangeduid als ‘de Overeenkomst’, zijn de certificaten aan [E] BV en [F] BV geleverd. De akte luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Kwijting, omzetting

Kopers zijn voormelde koopprijzen per heden schuldig gebleven aan ieder van de verkopers.

De verkopers doen bij deze ieder afstand van hun vorderingsrecht op ieder van de kopers ter grootte van de door iedere koper aan iedere verkoper te betalen koopprijs, zulks onder de verplichting van ieder van de kopers om aan ieder van de verkoper een bedrag schuldig te erkennen ter grootte van eenhonderd tweeëntwintigduizend vijfhonderd eenenvijftig euro en zestien eurocent (€ 122.551,16).

De beide kopers erkennen bij deze ieder schuldig aan ieder van de verkopers een bedrag groot eenhonderd tweeëntwintigduizend vijfhonderd eenenvijftig euro en zestien eurocent (€ 122.551,16) onder separaat in de Overeenkomst overeengekomen lening-condities.

Verkopers verlenen kopers mitsdien kwijting voor de betaling van de koopprijzen, onverminderd voormelde geldleningen.”

2.5.

Bij overeenkomst van 19 december 2009 heeft één van de certificaathouders zijn certificaten in gelijke delen verkocht aan de overige certificaathouders voor een bedrag van € 1.200.000. Belanghebbende en de overige certificaathouders houden sindsdien ieder 1/7e deel van de certificaten. De kopers zijn de koopsommen schuldig gebleven. Er is geen kwijtscheldingsregeling overeengekomen.

2.6.

Bij overeenkomst van 22 juli 2011 zijn de certificaathouders een structuurwijziging overeengekomen vanwege de wens van vier certificaathouders, waaronder belanghebbende, om zich terug te trekken uit de vennootschap (de vertrekkers). De overige drie certificaathouders, waaronder [E] BV en [F] BV, zullen niet uittreden (de blijvers). De structuurwijziging bestond hierin dat de zeven aandeelhouders een nieuwe vennootschap, [G] BV, hebben opgericht, waarin zij als storting op de geplaatste aandelen hun (na decertificering verkregen) aandelen in [C] BV hebben ingebracht. In de overeenkomst van 22 juli 2011 is bepaald dat de koopovereenkomst van 29 mei 2008 onverkort van kracht blijft. Een vervroegde aflossing van de financiële verplichtingen uit hoofde van die overeenkomst wegens de herstructurering zal niet plaatsvinden. Tevens is vastgelegd dat onder dividenduitkering als bedoeld in de koopovereenkomst van 29 mei 2008 mede zal worden verstaan iedere terugbetaling van agiokapitaal op aandelen in [G] BV en terugbetaling van kapitaal bij intrekking. In een bijlage bij de overeenkomst van 22 juli 2011 zijn afspraken vastgelegd over het uitkeren van dividenden en de terugbetaling van agio door [G] BV in de jaren 2010 tot en met 2013.

2.7.

De vorderingen van belanghebbende op [F] BV en [E] BV bedroegen per 1 januari 2012 elk € 81.250. Belanghebbende heeft deze vorderingen in het jaar 2012 ten laste van haar winst afgewaardeerd met een bedrag van € 45.800 per vordering. In het jaar 2012 is ter zake van de vorderingen geen rente ten gunste van de winst geboekt.

2.8.

Belanghebbende heeft aangifte voor de vennootschapsbelasting gedaan van een belastbare winst (verlies) van negatief € 49.551. De Inspecteur heeft de afwaardering op de vorderingen niet toegelaten, de belastbare winst gecorrigeerd met € 91.600 en een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 42.049.

3 Geschil

3.1.

In geschil is of het afwaarderingsverlies op de vorderingen ten laste van de winst van belanghebbende kan worden gebracht.

3.2.

De inspecteur neemt primair het standpunt in dat in 2008 sprake is geweest van de verkoop van een deelneming tegen een recht op een of meer termijnen waarvan de omvang ten tijde van de verkoop nog niet vaststaat (earn-out regeling) als bedoeld in artikel 13, lid 6, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet). De verkoopovereenkomst en de overeenkomst van geldlening (schuldigerkenning) moeten hierbij volgens de Inspecteur in onderlinge samenhang worden bezien. De afwaardering van het, in de twee vorderingen belichaamde, recht op betaling komt dan niet ten laste van de winst. Voor het geval zijn primaire standpunt onjuist zou zijn en de vorderingen afzonderlijk moeten worden beoordeeld, heeft de Inspecteur aangevoerd dat aan de vorderingen van begin af aan een lagere waarde dan de in de verkoopovereenkomst genoemde nominale waarde moet worden toegekend. Volgens de Inspecteur is het verschil tussen de nominale en de werkelijke waarde van de vorderingen toe te rekenen aan een informele kapitaalstorting door belanghebbende in [C] BV (bevoordeling van de toetredende aandeelhouders in hun hoedanigheid van werknemers van [C] BV). Ook heeft de Inspecteur aangevoerd dat belanghebbende met het verstrekken van de geldleningen aan de kopers een onzakelijk debiteurenrisico heeft aanvaard. Ten slotte heeft de Inspecteur aangevoerd dat de vorderingen minder waard zijn geworden omdat belanghebbende heeft aanvaard dat haar vorderingsrechten jegens [F] BV en [E] BV door de herstructurering in 2011 minder waard zijn geworden. Belanghebbende heeft hiermee volgens de Inspecteur onzakelijk gehandeld, op grond waarvan de waardedaling van de vorderingen niet ten laste van de winst mag worden gebracht.

3.3.

Belanghebbende stelt dat de verkoop van de aandelen en de financiering (schuldigerkenning koopsom) los van elkaar moeten worden beschouwd en dat genoemd artikel 13, lid 6, van de Wet niet van toepassing is. Zij wijst er daarnaast op dat de wijze van financiering op zakelijke basis plaats heeft gevonden, met name om in het belang van de onderneming capabele bedrijfsopvolgers in staat te stellen in de onderneming te participeren. Daarbij is volgens belanghebbende op volstrekt zakelijke wijze gehandeld. Hetzelfde geldt voor de herstructurering in het jaar 2011.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

De Rechtbank heeft geoordeeld dat de verkoop van de certificaten enerzijds en het verstrekken van een geldlening aan de kopers ter financiering van de koopsom anderzijds als afzonderlijke rechtshandelingen moeten worden aangemerkt. Op de afwaardering van de uit de geldlening voortvloeiende vordering is volgens de Rechtbank de earn-outregeling van artikel 13, lid 6, van de Wet niet van toepassing. Ook het standpunt van de Inspecteur dat sprake is van een onzakelijke lening heeft de Rechtbank verworpen.

4.2.

Het Hof zal eerst beoordelen of de afwaarderingslast op grond van artikel 13, lid 6, van de Wet bij het bepalen van de winst buiten aanmerking moet worden gelaten.

4.3.

Ingevolge artikel 13, lid 1, van de Wet blijven bij het bepalen van de winst buiten aanmerking de voordelen uit hoofde van een deelneming, alsmede de kosten ter zake van de verwerving of de vervreemding van een deelneming (deelnemingsvrijstelling). Niet in geschil is dat de door belanghebbende verkochte certificaten tot een deelneming behoorden.

4.4.

Op grond van het zesde lid van artikel 13 van de Wet blijven waardeveranderingen van zogenaamde earn-outvorderingen (eerste volzin) en prijsaanpassingen (tweede volzin) ook buiten aanmerking. Dit zesde lid luidt in het onderhavige jaar als volgt:

“Indien een deelneming of een deel daarvan is vervreemd of verkregen tegen een prijs welke geheel of ten dele bestaat uit een recht op een of meer termijnen waarvan het aantal of de omvang in het jaar van de vervreemding of de verkrijging nog niet vaststaat, behoren bij de vervreemder de waardeveranderingen van dat recht en bij de verkrijger de waardeveranderingen van de met dat recht corresponderende verplichting tot de voordelen uit hoofde van de deelneming. De eerste volzin is van overeenkomstige toepassing bij aanpassingen van de prijs waartegen is vervreemd of verkregen; voorts is die volzin van overeenkomstige toepassing op de houder van een deelneming van wie door de vennootschap waarin de deelneming wordt gehouden, aandelen zijn ingekocht.”

4.5.

De hiervoor genoemde regeling was tot 1 januari 2007 opgenomen in het eerste lid van artikel 13 van de Wet. De earn-outregeling (eerste volzin) is ingevoerd met ingang van 1 januari 2002 (Wetsvoorstel 28034, Belastingplan 2002 II – Economische infrastructuur). In de wetsgeschiedenis is over deze wetswijziging het volgende opgemerkt:

“Dit wetsvoorstel bevat een aanpassing van de deelnemingsvrijstelling in de vennootschapsbelasting voor de situatie waarin een deelneming wordt verkocht tegen een zogenoemde earn-outregeling. Dat is een verkoopovereenkomst waarbij de prijs van de deelneming (ten dele) bestaat uit een recht op toekomstige uitkeringen waarvan het totale bedrag onzeker is. Gaan koper en verkoper uit van een verschillende schatting, dan kan dat leiden tot langdurige discussies met de inspecteur. Vanuit de praktijk (zowel de Belastingdienst als het bedrijfsleven) is daarom meermalen aangedrongen op een wettelijke regeling waarbij de waardeontwikkeling van het als tegenprestatie verkregen recht onder de deelnemingsvrijstelling wordt gebracht. De voorgestelde regeling voorziet daarin.”

(Kamerstukken II 2001/2002, nr. 3 pag. 12)

“Wanneer een deelneming is vervreemd tegen een zogenoemde earn-outregeling, waarbij de prijs bijvoorbeeld geheel of ten dele bestaat uit een winstrecht, waardoor het aantal of de omvang van de termijnen in het jaar van de vervreemding nog niet vaststaat, rijst de vraag hoe daar voor de deelnemingsvrijstelling mee moet worden omgegaan. In het arrest BNB 1993/180 besliste de Hoge Raad ten aanzien van de verkoper dat deze de opbrengst van de deelneming moet bepalen met inachtneming van de geschatte waarde van dat recht, en dat waardeveranderingen van dat recht die zich naderhand voordoen niet kunnen worden aangemerkt als voordelen uit hoofde van de deelneming. In het arrest BNB 2001/139 besliste de Hoge Raad ten aanzien van de koper van de deelneming dat deze de op hem rustende verplichting uit hoofde van de earn-outregeling bij het ontstaan ervan dient te waarderen en dat latere waardeveranderingen van die verplichting in het belastbare resultaat vallen. Indien een deelneming wordt verkocht tegen een earn-outregeling en de uiteindelijke betalingen lager zijn dan de bij vervreemding geschatte prijs, leidt dit bij de verkoper tot een aftrekbaar verlies op een vordering en bij de koper tot belaste vrijval van een verplichting. De verkoper heeft daardoor in de regel belang bij een zo hoog mogelijke waardering, de koper bij een zo laag mogelijke. Indien koper en verkoper in een dergelijk geval de overdrachtsprijs niet op hetzelfde bedrag schatten, kan dat leiden tot langdurige discussies met de inspecteur. Vanuit de praktijk is daarom meermalen aangedrongen op een wettelijke regeling waarbij de waardeontwikkeling van een als tegenprestatie verkregen recht onder de deelnemingsvrijstelling wordt gebracht. De voorliggende aanpassing van artikel 13, eerste lid, strekt hiertoe. De waardeveranderingen van een bij de verkoop van een deelneming verkregen winstrecht vallen dus voortaan onder de deelnemingsvrijstelling. Dit geldt ook bijvoorbeeld voor waardeveranderingen die het gevolg zijn van oprenting van de contant gemaakte termijnen en als gevolg van valutawijzigingen. Bij de koper gaan de waardeveranderingen van zijn verplichting deel uitmaken van de kostprijs van de deelneming. Voorts gaan bij de koper die waardeveranderingen op grond van de aanpassing van artikel 13d deel uitmaken van het voor de deelneming opgeofferde bedrag.”

(Kamerstukken II 2001/2002, nr. 3, pag. 29)

4.6.

De regeling voor prijsaanpassingen (tweede volzin, eerste deel) is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2012 ingevoerd (Wetsvoorstel 28487, Vervolgwijzigingen in samenhang met Belastingherziening 2001).

4.7.

Belanghebbende betoogt dat de in artikel 13, lid 6, van de Wet opgenomen regeling niet van toepassing kan zijn omdat de koopsom voor de vervreemding van de certificaten bij levering is voldaan en de overeenkomst van schuldigerkenning volledig los van de verkoop staat. Dit standpunt komt erop neer dat de civielrechtelijke kwalificatie van de verrichte rechtshandelingen beslissend is. Het Hof verwerpt dit standpunt. Uit de jurisprudentie volgt dat onder omstandigheden voor de belastingheffing kan worden afgeweken van de civielrechtelijke kwalificatie. Voor een dergelijke zelfstandige fiscaalrechtelijke kwalificatie, met als consequentie daarvan andere fiscale gevolgen dan de contracterende partijen op grond van de gekozen civielrechtelijke vorm verwachtten, en daardoor veelal een hogere of lagere belastingheffing, kan plaats zijn indien de aan de gekozen rechtsvorm verbonden fiscale gevolgen niet aanvaardbaar zijn gezien het economische resultaat ervan en gelet op de strekking van de belastingwet. Voor een zodanige kwalificatie is niet noodzakelijk dat de betrokken belastingplichtige partij is geweest bij of anderszins heeft deelgenomen aan alle handelingen die tot dat resultaat hebben geleid (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 15 december 1999, nr. 33830, ECLI:NL:HR:1999:AA3862, BNB 2000/126).

4.8.

Naar het oordeel van het Hof bestaat er in het onderhavige geval een onverbrekelijke samenhang tussen de verkoop van de certificaten en de daarvoor bedongen koopsom enerzijds en de vordering die voortvloeit uit de overeenkomst van schuldigerkenning anderzijds. Die samenhang blijkt uit de omstandigheid dat de verkoop van de aandelen en de financiering van de koopsom gelijktijdig tussen kopers en verkopers zijn overeengekomen, dat de voorwaarden van de schuldigerkenning zodanig zijn opgesteld dat overname van die certificaten door de twee personeelsleden mogelijk was, dat in de overeenkomst waarin de verkoop van de aandelen is vastgelegd tevens de omzetting van de koopsom in een vordering wegens schuldigerkenning is opgenomen en dat de voorwaarden van die schuldigerkenning eveneens in de koopovereenkomst zijn opgenomen. Het risico op niet-betaling van de koopsom is weliswaar door de kwijting in formele zin tenietgegaan, maar is door de schuldigerkenning in materiële zin in stand gebleven. Dat, zoals belanghebbende heeft gesteld, kopers en verkopers in de akte van levering ter voorkoming van een beroep op ontbinding wegens wanprestatie (6:265 BW) hebben laten opnemen dat de koopsom is voldaan, doet hier niet aan af. Uit hetgeen tussen kopers en verkopers is overeengekomen vloeit naar het oordeel van het Hof voort dat tussen de ter zake van de verkoop van de certificaten bedongen koopsom, de kwijting daarvan en de schuldigerkenning een zodanige samenhang bestaat dat zij in economische zin als één geheel moeten worden beschouwd en dat, gelet op de uit de wetshistorie blijkende ruime strekking van de earn-outregeling, de rechten die voortvloeien uit de vordering wegens schuldigerkenning voor de toepassing van die regeling moeten worden aangemerkt als de prijs waarvoor de certificaten zijn vervreemd als bedoeld in de eerste volzin van artikel 13, lid 6, van de Wet.

4.9.

Uit de voorwaarden die in de overeenkomst van 29 mei 2008 met betrekking tot de schuldigerkenning zijn opgenomen vloeit voort dat de kopers in beginsel een bedrag van € 122.551,16 per pakket certificaten aan belanghebbende (en haar mede-aandeelhouders) zijn verschuldigd, waarbij een rente van vijf percent per jaar in aanmerking wordt genomen. Daarnaast is bepaald dat de kopers verplicht zijn de door hen van [C] BV te ontvangen dividenden volledig aan te wenden voor betaling van rente en aflossing. Die aflossings- en rentebetalingsverplichtingen zijn echter beperkt tot maximaal het bedrag dat uit de jaarlijkse dividenduitkeringen door [C] BV kan worden voldaan. De schuldenaren hebben geen andere aflossings- en rentebetalingsverplichtingen. Indien de dividenduitkeringen door [C] BV ultimo 2016 niet voldoende zijn om aan deze verplichtingen te voldoen, volgt uit de overeenkomst dat het restant van de schuld, met inbegrip van nog niet voldane rente, wordt kwijtgescholden.

4.10.

Deze voorwaarden leiden er naar het oordeel van het Hof toe dat belanghebbende in het jaar 2008 haar certificaten heeft vervreemd tegen een prijs die geheel bestaat uit een recht op een of meer in de jaren 2008 tot en met 2016 uit te keren termijnen waarvan het aantal of de omvang in 2008 nog niet vaststonden als bedoeld in de eerste volzin van het zesde lid van artikel 13 van de Wet (earn-outvordering). Het aantal termijnen stond in het jaar 2008 nog niet vast. Dit aantal bedroeg maximaal negen, maar kon ook minder zijn omdat betaling van een termijn afhankelijk was van de vraag of [C] BV (vanaf 2011 [G] BV), gelet op de vastgelegde vereiste solvabiliteit, in staat zou zijn dividend uit te keren. Ook de hoogte van de termijnen stond in het jaar 2008 nog niet vast omdat iedere termijn afhankelijk was van de (onzekere) hoogte van een uitkering van dividend door [C] BV. De omstandigheid dat het totaalbedrag was gemaximeerd tot € 122.551,16 verhoogd met rente, doet aan de toepasselijkheid van voornoemd artikel niet af (vergelijk het arrest van de Hoge Raad van 8 februari 2013, nr. 12/03657, ECLI:NL:HR:2013:BZ0731, waarin werd geoordeeld dat een overeengekomen minimumbetaling niet aan de toepassing van artikel 13, lid 6, van de Wet in de weg staat).

4.11.

Op grond van artikel 13, lid 6, van de Wet komen waardeveranderingen van earn-outvorderingen niet ten laste van de winst. De door belanghebbende bepleite afwaardering van haar vorderingen op [E] BV en [F] BV ziet op een dergelijke waardeverandering. De Inspecteur heeft daarom terecht deze waardeverandering niet in aftrek toegelaten. Gelet hierop hoeven de overige standpunten van de Inspecteur geen behandeling meer.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep gegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.I. van Amsterdam, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. G.W.J.M. Kampschöer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Riethorst als griffier.

De beslissing is op 7 juni 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.H. Riethorst) (A.I. van Amsterdam)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 8 juni 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.