Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4665

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
200.209.847/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

KG. Ontruiming. Beroep op duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW. Volwassen dochter keert met haar gezin terug in het door haar vader gehuurde deel van de woning die haar kort daarvoor nog zelf in eigendom toebehoorde. Nieuwe eigenaar vordert na het overlijden van de vader ontruiming. Het hof acht aannemelijk dat in dit specifieke geval geen sprake in van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en baseert dat voorlopige oordeel op zowel objectieve als subjectieve omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2017/178
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.209.847/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/172563 / KG ZA 16-351)

arrest in kort geding van 30 mei 2017

in de zaak van

1 [appellante 1] ,

wonende te [A] ,

hierna: [appellante 1],

2. [appellant 2] ,

wonende te [B] ,

hierna: [appellant 2],

3. [appellant 3] ,

wonende te [C] ,

hierna: [appellant 3],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten] c.s.,

advocaat: mr. N. Bouwman, kantoor houdend te Assen, die ook heeft gepleit,

tegen

1 mr. C.H.J. van der Maas,

in zijn hoedanigheid van curator in de faillissementen van [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] ,

kantoor houdend te Haren,

hierna: de curator,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

niet verschenen,

2 [geïntimeerde2] ,

wonende te [D] ,

hierna: [geïntimeerde2],

3. [geïntimeerde3] ,

wonende te [D] ,

hierna: [geïntimeerde3],

4. [geïntimeerde4] ,

wonende te [D] ,

hierna: [geïntimeerde4],

5. [geïntimeerde5] ,

wonende te [D] ,

hierna: [geïntimeerde5],

geïntimeerden in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagden,

advocaat: mr. J. Doornbos, kantoor houdend te Groningen, die ook heeft gepleit,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden c.s.] c.s. (1 tot en met 5) of de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] (2 tot en met 5.

Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 27 januari 2017 dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, heeft gewezen.

1 Het geding in hoger beroep

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de spoedappeldagvaarding in hoger beroep d.d. 13 februari 2017 (met grieven),

- het tegen de curator verleende verstek,

- de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep,

- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep,

- de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities, alsmede het proces-verbaal dat van de zitting is opgemaakt. Ter zitting is akte verleend van de stukken die namens [appellanten] c.s. zijn ingebracht.

1.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op de pleitstukken.

1.3

[appellanten] c.s. vorderen in het principaal hoger beroep kort gezegd veroordeling van de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] tot het ontruimen en ontruimd laten van de woning aan het adres [a-straat] [nr.] in [D] en van de curator tot het gehengen en gedogen van de ontruiming door [geïntimeerde2] en [geïntimeerde3] , alsmede de verwijdering door de curator van de faillissementsboedel uit de woning - een en ander met veroordeling van de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] in de proceskosten en tot terugbetaling van de door [appellanten] c.s. betaalde proceskosten in eerste aanleg.

1.4

De familie [geïntimeerden 2 t/m 5] vordert in het incidenteel hoger beroep kort gezegd dat [appellanten] c.s. in hun vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.17 van het bestreden vonnis. Daarnaast gaat het hof uit van enkele feiten die in hoger beroep verder zijn komen vast te staan. Hiermee staat - voor zover voor de beoordeling nog van belang - het volgende vast.

2.1.1

Op 5 mei 1989 hebben wijlen de heer [E] en wijlen mevrouw [F] (hierna: familie [G] , ofwel de ouders) het perceel aan de [a-straat] [nr.] / [nr. 2] te [D] in eigendom overgedragen aan hun dochter en schoonzoon, [geïntimeerde3] en [geïntimeerde2] . Het perceel bestaat uit een voor- en achterhuis, een voortuin, een oprit met schuren en carport, een achtertuin behorende bij het achterhuis, een moestuin en een kleine strook grond aan de rechterzijde van het perceel.

2.1.2

In de daartoe in maart 1989 opgestelde koopakte is het volgende opgenomen.

De aanvaarding van het gekochte zal plaatshebben op 1 mei 1989 in eigen gebruik met uitzondering van dat gedeelte hetwelk thans door de verkoper en diens echtgenote in gebruik is en welk gedeelte zij als huurders in gebruik blijven houden terwijl de zakelijk lasten vanaf die datum ten laste van de koper komen. [...]

Ten aanzien van het door de verkoper in gebruik zijnde gedeelte van het perceel [a-straat] [nr.] te [D] , zijn partijen overeengekomen dat de verkoper en zijn echtgenote dit gedeelte in gebruik blijven houden op huurbasis, zolang zij zulks wensen en dat deze huurovereenkomst niet door de kopers kan worden opgezegd tegen een vroegere datum dan 4 weken na het overlijden van de langstlevende van de verkoper en diens echtgenote of bij

metterwoon verlaten der woning: de huurprijs zal in onderling overleg worden vastgesteld en bij gebreke van overeenstemming dienaangaande, door de daartoe bevoegde wettelijke instantie naar objectieve normen.

2.1.3

In de leveringsakte van 5 mei 1989 staat het volgende.

1. De aanvaarding van het gekochte kan terstond plaatshebben, voor wat het woongedeelte [a-straat] [nr.] betreft in genot van huur en voor wat het woongedeelte [a-straat] [nr. 2] betreft in eigen gebruik. [...].

Ten aanzien van het woongedeelte [a-straat] [nr.] te [D] is tussen partijen overeengekomen, dat de verkoper en zijn echtgenote dat gedeelte in gebruik blijven houden op huurbasis, zolang zij zulks wensen en dat deze huurovereenkomst niet door verhuurders kan worden opgezegd tegen een vroegere datum dan 4 weken na het overlijden van de langstlevende van de verkoper of diens echtgenote of bij het metterwoon verlaten van gemeld

woongedeelte; de huurprijs zal in onderling overleg worden vastgesteld bij gebreke van overeenstemming dienaangaande door de daartoe bevoegde wettelijke instantie naar objectieve normen.

2.1.4

De ouders woonden sinds de verkoop van de woning in het voorste gedeelte daarvan (nr. [nr.] ) en de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] woonde in het achterste gedeelte (nr. [nr. 2] ).

2.1.5

In de periode van 2006 tot en met 2009 hebben [geïntimeerde3] en [geïntimeerde2] driemaal een hypotheekrecht gevestigd op de door hen van de ouders gekochte woning. In de akten is niets vermeld over de verhuur van een deel van het perceel aan de ouders.

2.1.6

Het perceel is op 17 november 2011 op last van de bank executoriaal verkocht aan [bedrijf]

2.1.7

Na de executieveiling heeft in december 2011 een gedwongen ontruiming van huisnummer [nr. 2] van de woning plaatsgevonden. De familie [geïntimeerden 2 t/m 5] is daarna voor de duur van ongeveer zes maanden bij de ouders in het voorste deel van die woning (nr. [nr.] ) ingetrokken en heeft vervolgens een aantal jaren in [H] gewoond. De familie [G] is al die tijd in het voorste deel blijven wonen.

2.1.8

Na de ontruiming heeft [bedrijf] het gedeelte van de woning met huisnummer [nr.] doorverkocht en op 30 december 2011 geleverd aan [appellanten] c.s. Het gedeelte met huisnummer [nr. 2] is in 2012 verkocht aan de huidige eigenaar en bewoonster, mevrouw [I] .

2.1.9

Op 20 november 2012 zijn de heer [geïntimeerde2] en mevrouw [geïntimeerde3] failliet verklaard.

2.1.10

Na het overlijden van mevrouw [F] is de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] eind 2014 opnieuw ingetrokken bij de heer [geïntimeerde3] , in het voorste deel van de woning op nr. [nr.] . De familie [G] woonde daar tot aan de dood van [E] op 15 september 2016 in twee slaapkamers en een zoldertje. [E] woonde in de woonkamer en sliep daar ook.

2.1.11

Bij brieven van 8 december 2016 hebben [appellanten] c.s. de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] gesommeerd om de woning te verlaten en te ontruimen. Op dezelfde dag hebben [appellanten] c.s. de erven van [G] aangeschreven met de mededeling dat het gebruiksrecht is geëindigd en hebben zij volledigheidshalve de huurovereenkomst per direct opgezegd.

2.1.12

De familie [geïntimeerden 2 t/m 5] heeft - ondanks sommatie daartoe – de woning aan de [a-straat] nr [nr.] niet verlaten of ontruimd.

2.1.13

De erven van [G] hebben de erfenis niet aanvaard, althans onder voorrecht van boedelbeschrijving.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1

Net als in dit hoger beroep hebben [appellanten] c.s. in eerste aanleg, kort gezegd, gevorderd dat de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning gelegen aan de [a-straat] nr. [nr.] , met veroordeling van de curator om die ontruiming te gehengen en te gedogen en alle zaken die in de boedel van het faillissement van de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] vallen uit bedoelde onroerende zaak te verwijderen.

3.2

De voorzieningenrechter heeft die vorderingen afgewezen.

4 De beoordeling van de grieven en de vordering

Het spoedeisende belang van [appellanten] c.s. (het incidenteel appel)

4.1

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat in de stelling dat de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] zonder recht of titel in de woning aan de [a-straat] [nr.] te [D] verblijft voldoende grond is gelegen om een spoedeisend belang aan de zijde van [appellanten] c.s. aan te nemen. Met hun vordering beogen zij immers beëindiging van deze beweerdelijke, ernstige inbreuk op hun eigendomsrecht te bereiken. Tegen dat oordeel is de grief van [geïntimeerden c.s.] c.s. gericht. Aangevoerd wordt dat ten onrechte het door [appellanten] c.s. zelf aangevoerde belang dat sprake is van een financiële noodzaak niet is meegewogen.

4.2

Deze grief wordt verworpen. De voorzieningenrechter heeft terecht en op goede gronden geoordeeld dat het spoedeisende belang in de aard van de vordering ligt besloten. Daarmee kon de vraag onbesproken blijven of aan de zijde van [appellanten] c.s. bij het voortduren van deze onrechtmatige situatie al dan niet financiële problemen ontstaan. De grief faalt dus.

De inhoudelijke beoordeling van het geschil (de grieven I en II in het principaal appel)

4.3

Tussen partijen is zowel in eerste aanleg als in dit hoger beroep uitgebreid gediscussieerd over de vraag of de ouders de woning met huisnummer [nr.] indertijd huurden van [geïntimeerde3] en [geïntimeerde2] (althans, na de executieverkoop: van [bedrijf] respectievelijk [appellanten] c.s.). Het hof zal die vraag hierna niet beantwoorden, maar er veronderstellenderwijs vanuit gaan dat dat inderdaad het geval is. Dan doet zich een andere vraag voor, die met de grieven I en II aan de orde wordt gesteld: kan de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] zich er na beëindiging van die huur door het overlijden van [E] op beroepen dat het met hem een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevormd in de betekenis die artikel 7:268 lid 2 BW aan dat begrip geeft? Deze vraag heeft de familie binnen de wettelijke termijn van zes maanden voorgelegd aan de rechtbank. In die procedure vordert de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] op grond van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met wijlen de heer [E] voortzetting van de huur. Als het hof echter in dit kort geding, voorshands oordelend, tot de conclusie komt dat die vordering in de bodemprocedure niet zal slagen, dan dwingt dat oordeel tot de conclusie dat de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] zonder recht of titel in de woning met huisnummer [nr.] verblijft. In dat geval ligt alleen al om die reden de tegen de gezinsleden en de curator ingestelde vordering tot ontruiming voor toewijzing gereed. Het hof oordeelt hierover - meer specifiek over het vereiste dat de gemeenschappelijke huishouding een duurzaam karakter heeft - als volgt.

4.4

Het antwoord op de vraag of sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding hangt af van alle omstandigheden van het geval, bezien in hun onderling verband. Bij de beoordeling van die omstandigheden moet in acht worden genomen dat het begrip duurzaam blijkens de wetsgeschiedenis een toekomstverwachting inhoudt. Die verwachting kan worden afgeleid uit objectieve omstandigheden, zoals de tijd dat de gemeenschappelijke huishouding reeds bestaat, de leeftijd van betrokkenen en subjectieve omstandigheden, zoals hun bedoelingen (Kamerstukken II 1978/79, 14 249, nr. 6, p. 10).

4.5

Normaal gesproken is tussen ouder en kind sprake van een aflopende samenlevingssituatie en kan alleen onder bijzondere omstandigheden geconcludeerd worden dat sprake is van een blijvende samenwoning met gemeenschappelijke huishouding (HR 12 maart 1982, ECLI:NL"HR:1982:AG4340). Daarbij past echter wel de kanttekening dat in een situatie als deze, waarbij een dochter en haar gezinsleden in het ouderlijk huis terugkeren, aan het oordeel dat sprake is van een duurzaam karakter op zichzelf niet in de weg staat dat de gemeenschappelijke huishouding naar verwachting niet langdurig zal zijn als gevolg van de hoge leeftijd of de gezondheidstoestand van de ouder. Laatstgenoemde objectieve omstandigheden kunnen echter wel bijdragen aan de conclusie dat geen sprake is van een duurzaam samenlevingsverband. Of die conclusie kan worden getrokken, hangt dan af van de overige specifieke omstandigheden van het geval. Daarbij kan in het bijzonder worden gedacht aan het woongedrag van de dochter en haar gezin in de periode voorafgaand aan de hernieuwde samenleving, de omstandigheden die tot die samenleving aanleiding zijn geweest en de redenen die het gezin voor die keuze heeft gehad.

4.6

In dit concrete geval staat vast dat de heer [E] op het moment dat de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] in 2014 bij hem introk niet lang voordien zijn vrouw had verloren. Vanwege zijn slechte gezondheidstoestand en zijn hoge leeftijd ontving hij intensieve thuiszorg. Dat de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] toen heeft gehandeld in het besef dat de nieuwe woonsituatie slechts tijdelijk zou zijn, valt - behalve uit de al genoemde omstandigheden - af te leiden uit het feit dat de gezinsleden al in 2012 de ervaring hadden opgedaan dat samenwoning op nr. [nr.] met (toen nog) beide ouders van [geïntimeerde3] binnen de beperkte ruimte van huisnummer [nr.] moeizaam was en slechts korte tijd kon worden volgehouden. Uit mededelingen die [geïntimeerde2] indertijd, kort voor de ontruiming en de daarop volgende samenwoning heeft gedaan, blijkt dat het ook niet de bedoeling was om een duurzame samenwoning in familieverband aan te gaan; het ging de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] er specifiek om dat zij de status van huurder zouden krijgen in de woning die tot kort daarvoor hun eigendom was, en waar zij naar hun gevoel ten onrechte uit verdreven waren. Het was dus de bedoeling om de ouders - die toen al op hoge leeftijd waren - te zijner tijd in hun hoedanigheid van huurders op te volgen. [geïntimeerden 2 t/m 5] formuleerde dat voornemen in een e-mailbericht van december 2011 aldus: "Als u tot ontruiming over wilt gaan zullen wij bij mijn schoonouders intrekken. Wij zullen huur en energiekosten mee gaan betalen zodat wij medehuurders zullen worden. Hierdoor zal de verkoop van het voorste gedeelte op termijn dus niet meer lukken. U heeft dan niet met twee, maar met zes huurders te maken."
Nadat deze woonsituatie in de loop van 2012 onhoudbaar was gebleken, heeft de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] elders een woning betrokken. Nadat mevrouw [F] was overleden, is deze familie in 2014 echter opnieuw bij de heer [E] ingetrokken. Nog meer dan in 2012 was toen sprake van een situatie die niet alleen naar objectieve maatstaven van tijdelijke aard was ( [E] was hoogbejaard, ziek en hulpbehoevend), maar die door de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] andermaal als zodanig moet zijn bedoeld: gelet op de moeizaam verlopen eerdere poging tot samenwonen met de ouders en de redenen die daarvoor indertijd zijn gegeven, is aannemelijk dat ook in 2014 de bedoeling voorop heeft gestaan om na het overlijden van [F] de status van huurder te verkrijgen - en niet de bedoeling om met [E] duurzaam te gaan samenleven. Aan dat oordeel draagt bij dat de hiervoor geciteerde e-mail van [geïntimeerden 2 t/m 5] door [appellanten] c.s. uitdrukkelijk ten grondslag is gelegd aan de vordering ( [appellanten] c.s. hebben onder meer betoogd dat de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] zich schuldig maakt aan misbruik van recht en daarmee aan onrechtmatig handelen), zonder dat de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] de inhoud en strekking daarvan op enigerlei wijze heeft gerelativeerd, en zonder dat van die zijde is betoogd dat (en waarom) aan die e-mail in 2014 geen betekenis meer toekwam. Ook overigens heeft de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] niets aangevoerd dat af kan doen aan de conclusie dat in dit geval sprake was van een aflopende samenlevingssituatie.

4.7

Omdat met het voorgaande aannemelijk is dat de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] ervan is uitgegaan (en ook heeft bedoeld) dat het samenlevingsverband tijdelijk en aflopend zou zijn, kan deze samenleving niet geacht worden te hebben voldaan aan de eisen die de wet omtrent het duurzame karakter ervan stelt. Dat betekent dat grief II van [appellanten] c.s. doel treft.

4.8

Omdat grief II terecht is voorgedragen, komt het hof niet toe aan de bespreking van andere geschilpunten die in hoger beroep aan de orde zijn gesteld. Met name gaat het daarbij om de hiervoor al genoemde vraag of de ouders huisnummer [nr.] wel huurden (grief I). Hetzelfde geldt voor de vraag of de vordering van [appellanten] c.s. kan worden gebaseerd op door gezinsleden veroorzaakte ernstige en langdurige overlast (grief IV) en de overige door [appellanten] c.s. opgevoerde stellingen, zoals met betrekking tot de vraag of de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur als bedoeld in artikel 7:268 lid 3 onder b BW c.q. of deze familie inmiddels al een huurachterstand heeft opgelopen die ontbinding van de huur rechtvaardigt (grief III en - opnieuw - grief IV). Grief V ten slotte, ziet op de proceskosten en heeft verder geen bijzondere betekenis.

4.9

De positieve zijde van de devolutieve werking van het hoger beroep brengt mee dat eventueel door [geïntimeerden c.s.] c.s. aan de orde gestelde, maar verworpen of buiten behandeling gebleven stellingen en weren, alsnog ambtshalve door het hof moeten worden behandeld, voor zover deze in hoger beroep niet uitdrukkelijk zijn prijsgegeven.

4.10

[geïntimeerden c.s.] c.s. hebben zich erop beroepen dat de erfenis van de ouders niet, althans onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard. Het hof ziet daarin echter geen belemmering voor toewijzing van de vordering zoals hierna te melden. [geïntimeerden c.s.] c.s. zal voor de ontruiming twee maanden de tijd worden gegund.

4.11

Het hof zal de gevorderde bevoegdheid om de sterke arm in te schakelen afwijzen nu deze niet op de wet berust. Artikel 556 lid 1 Rv schrijft voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door de deurwaarder. Onverenigbaar met die regel is dat de rechter niettemin [appellanten] c.s. zou machtigen om zelf de ontruiming te bewerkstelligen. In zoverre derogeert artikel 556 lid 1 Rv bij ontruimingsbeslissingen aan artikel 3:299 BW. De deurwaarder zelf behoeft geen rechterlijke machtiging om bevoegd te zijn de hulp van de sterke arm in te roepen. Die bevoegdheid ontleent hij immers rechtstreeks aan artikel 557 Rv, waarin artikel 444 Rv van overeenkomstige toepassing wordt verklaard.

5 De slotsom

5.1

De grieven in het principaal appel treffen doel, zodat het bestreden vonnis moet worden vernietigd en de vorderingen tegen de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] moeten worden toegewezen. Het incidenteel appel moet stranden. De vordering tegen de curator is van meet af aan onbestreden gebleven, en is eveneens toewijsbaar.

5.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] in de kosten van beide instanties veroordelen.

5.3

In het incidenteel appel blijft een kostenveroordeling echter achterwege, nu dat strekt tot handhaving van verweer en het hof daarover ook zonder incidenteel appel (ambtshalve) had behoren te beslissen vanwege de devolutieve werking van het principaal appel (vaste jurisprudentie: HR 3 oktober 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD7478).

5.4

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellanten] c.s. zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 200,88

- griffierecht € 287,-

subtotaal verschotten €

- salaris advocaat € 816,-

Totaal € 1.303,88

5.5

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellanten] c.s. zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 202,22

- griffierecht € 313,-

subtotaal verschotten €

- salaris advocaat € 2.682,- (3 punten x tarief II)

Totaal € 3.143,-

5.6

Als niet weersproken zal het hof ook de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten en de nakosten toewijzen zoals hierna vermeld.

6. De beslissing

Het hof, recht doende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 27 januari 2017 en doet opnieuw recht;

veroordeelt de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] , elke geïntimeerde afzonderlijk, om de onroerende zaak te [D] aan de [a-straat] [nr.] , met al degenen die en al hetgeen dat zich daarin of daarop bevinden respectievelijk bevindt (met uitzondering van zaken van derden), binnen twee maanden na de betekening van dit arrest volledig en behoorlijk te verlaten en te ontruimen en met afgifte der sleutels in behoorlijke staat ter vrije beschikking van [appellanten] c.s. te stellen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden;

veroordeelt de curator om de ontruiming door c.q. van geïntimeerden sub 2 en 3 te gehengen en te gedogen en om voorts van en uit de onroerende zaak te [D] aan de [a-straat] [nr.] alle zaken te verwijderen die in de boedel van het faillissement van geïntimeerde sub 2 en 3 vallen;

veroordeelt de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] tot terugbetaling aan [appellanten] c.s. van de door

[appellanten] c.s. betaalde proceskosten in eerste aanleg ad € 1.025;

veroordeelt de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellanten] c.s. in eerste aanleg begroot op € 487,88 aan verschotten en € 816,- aan salaris van de advocaat en in hoger beroep op € 515,22 aan verschotten en € 2.682,- aan salaris van de advocaat;

veroordeelt de familie [geïntimeerden 2 t/m 5] , elke geïntimeerde afzonderlijk, in de nakosten begroot op € 131,- aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat betekening heeft

plaatsgevonden en deze geïntimeerden niet binnen één dag na aanschrijving aan het arrest hebben voldaan, met een bedrag van € 68,- aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf één dag na de bedoelde aanschrijving tot de dag der algehele voldoening en te vermeerderen met de na het vonnis te maken kosten van tenuitvoerlegging daarvan;

verklaart dit arrest ten aanzien van de daarin uitgesproken veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst al het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. D.J. Keur en mr. J.N. Bartels en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

30 mei 2017.