Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4662

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-06-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
200.209.945
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WWZ-zaak. Verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst door de werknemer met betaling van transitievergoeding en billijke vergoeding. Opzegging door de werknemer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3698
AR-Updates.nl 2017-0869
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.209.945

(zaaknummer rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, 5263019)

beschikking van 2 juni 2017

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende te [plaatsnaam] ,

verzoeker in hoger beroep,
in eerste aanleg: verzoeker,

hierna: [verzoeker] ,

advocaat: mr. R. de Lange,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[verweerster] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

verweerster in hoger beroep,
in eerste aanleg: verweerster,

hierna: [verweerster] ,

advocaat: mr. R.H.G. Evers.

1
1. Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, locatie Zutphen) van 22 november 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- het beroepschrift met producties, ter griffie ontvangen op 21 februari 2017;

- de op 13 maart 2017 ontvangen productie D van [verzoeker] ;

- het verweerschrift in hoger beroep met producties van 24 maart 2017;

- de op 13 april 2017 ontvangen productie L van [verzoeker] ;
- de op 21 april 2017 gehouden mondelinge behandeling, waarbij mr. Evers een pleitnotitie heeft overgelegd.

2.2

Na afloop van de mondelinge behandeling heeft het hof beschikking bepaald op 2 juni 2017 of zoveel eerder als mogelijk is.

2.3

[verzoeker] heeft in zijn beroepschrift verzocht de beschikking van de kantonrechter te vernietigen en, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de arbeidsovereenkomst tussen partijen, met inachtneming van de voor [verzoeker] geldende opzegtermijn van twee maanden, te ontbinden;
- aan [verzoeker] een transitievergoeding van € 3.049,- (bruto) toe te kennen alsmede
- een billijke vergoeding van € 25.000,-, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen omvang;
- [verweerster] te veroordelen deze bedragen binnen twee dagen na beëindiging van het dienstverband tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoeker] te betalen;
- [verweerster] te veroordelen tot betaling aan [verzoeker] van de wettelijke rente vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van de hiervoor genoemde vergoedingen tot aan de dag der algehele voldoening;
- [verweerster] te veroordelen in de kosten van beide instanties.

3
3. De feiten

3.1

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.2

[verweerster] exploiteert een onderneming die zich bezighoudt met het verlenen van diensten in de pluimveesector, waaronder het vangen van kippen bij opdrachtgevers. Zij heeft circa

14 medewerkers in dienst.

3.3

[verzoeker] , geboren op 20 september 1976, is sinds 23 juni 2010 in dienst van [verweerster] in de functie van pluimveevanger. Het laatstelijk genoten salaris bedraagt € 1.429,86 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten. De opzegtermijn voor [verzoeker] is twee maanden.

3.4

Op 25 april 2016 hebben [verzoeker] , vergezeld van zijn echtgenote, en de directeur van [verweerster] , [persoon 1] (hierna: [persoon 1] ), met elkaar gesproken op het kantoor van [verweerster] . Tevens was de broer van [persoon 1] ( [broer] ) bij dit gesprek aanwezig. [verzoeker] heeft bij die gelegenheid aan [persoon 1] te kennen gegeven dat hij in de dan lopende salarisperiode al veel meer uren heeft gewerkt dan hij op grond van zijn arbeidsovereenkomst had moeten werken en heeft [persoon 1] om een overzicht van de in deze periode gewerkte uren gevraagd. Ook heeft [verzoeker] zich tijdens dit gesprek beklaagd over de planning van zijn werkzaamheden.

3.5

Op 27 april 2016 heeft [persoon 1] een e-mail aan [verzoeker] gestuurd met de volgende inhoud (productie 3 bij verzoekschrift):
[plaatsnaam] , 27-04-2016

Betreft: Uw ontslag
Geachte [verzoeker] ,
Graag delen wij u het volgende mee;
Op maandag 25-04-2016 kwam u met uw vrouw naar ons kantoor.
U gaf aan dat u niet meer werkzaam wilt zijn bij [verweerster] als pluimveevanger.
Hierbij bevestigen wij uw ontslag.
U heeft wettelijk een opzegtermijn van 1 maand, dat zal ingaan per 01-05-2016.
Vanaf 31-05-2016 bent u uit dienst bij [verweerster] .
Indien u niet aan uw verplichtingen voldoet, zal ik dit dossier overdragen aan ons juridisch afdeling met als schadevergoeding als gevolg.
Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Groeten,
[verweerster]

[persoon 1] .

3.6

[verzoeker] heeft bij e-mailbericht van 3 mei 2016 (productie 5 bij verweerschrift in hoger beroep) [verweerster] om betaling van zijn loon verzocht. Zo schrijft hij in deze e-mail:
OPROEP TOT HET BETALEN
Ik roep om te betalen voor het werk van 2016/04/01 tot 2016/04/30 en vakantiegeld van 2015/06/01 tot 30/04/2016.”
Bij berichten van 4 mei 2016 verzoekt [verzoeker] nogmaals aan [verweerster] zijn salaris over april 2016 te betalen (productie J bij verzoekschrift in hoger beroep).

3.7

Bij e-mail van 3 mei 2016 (productie I bij verzoekschrift in hoger beroep) heeft ook de echtgenote van [verzoeker] , [vrouw] , aan [verweerster] gevraagd om het salaris van haar man over april 2016 te betalen:
Morgen heb ik een bezoek aan [plaatsnaam] , mijn kind is ziek. Musze om te gaan en ik heb geen benzine te hebben. Morgen heb ik een bezoek aan [plaatsnaam] , mijn baby is ziek. Ik moet gaan en ik heb geen benzine te hebben. Betaal hem, [verzoeker] (hiermee wordt [verzoeker] bedoeld, toevoeging hof) salaris voor april 2016.”

3.8

Bij brief van 23 mei 2016 (productie 4 bij verzoekschrift in hoger beroep) heeft de advocaat van [verzoeker] , voor zover thans van belang, het volgende aan [verweerster] bericht:

(…) Daarbij is als eerste van belang, dat u het loon van cliënt over de maand april nog niet heeft voldaan, terwijl de betalingstermijn reeds lang is verstreken. (…)

In dit geval maakt cliënt, naast het loon, aanspraak op de wettelijke vastgelegde verhoging (…).

Hierbij sommeer ik u, binnen acht dagen na heden, de salarisachterstand, inclusief de verhoging te voldoen (…).

Daarnaast heeft u cliënt langdurig meer uren laten werken, dan u daadwerkelijk heeft uitbetaald, verzuimt u deugdelijke salarisspecificaties te verstrekken. U heeft cliënt veelvuldig 13 tot 14 uur per dag laten werken. U heeft systematisch geweigerd de uren die voor het vervoer naar uw klanten nodig zijn, als werktijd uit te betalen.
Toen cliënt op maandag 25 april 2016 daarover zijn beklag deed en u vroeg aan te geven hoeveel uren cliënt in de lopende periode al had gewerkt heeft u cliënt, zoals u wel vaker doet, onheus bejegend en hem van het werk weggestuurd. U noemde cliënt daarbij, zoals hij mij vertelde, een “idioot en een mongool” en beschreef zijn echtgenote als een “Poolse bitch”. Vervolgens werd cliënt weggezonden en niet meer tot het werk toegelaten.
Later heeft u zich op het standpunt gesteld, dat cliënt zelf ontslag zou hebben genomen. Dat is echter niet het geval. De arbeidsovereenkomst duurt nog altijd voort en u dient gewoon het loon te voldoen. Van cliënt kan daarentegen in redelijkheid niet worden gevergd dat hij onder deze arbeidsomstandigheden zijn werkzaamheden voortzet. Hij houdt zich dan ook beschikbaar om de overeengekomen arbeid te verrichten, zodra de aan uw zijde bestaande wanprestatie en de schending van normen van goed werkgeverschap tot een einde zijn gekomen en er voldoende waarborgen voor een vruchtbare samenwerking zijn verstrekt.

3.9

Bij brief van 26 mei 2016 (productie 5 bij verzoekschrift in hoger beroep) heeft (de gemachtige van) [verweerster] onder meer het volgende aan (de advocaat van) [verzoeker] bericht:

Uw cliënt is op 25 april 2016 bij cliënte op kantoor verschenen en heeft vervolgens aangegeven dat hij zijn dienstverband wilde opzeggen. Cliënte heeft getracht hierover het gesprek met uw cliënt aan te gaan, maar het is juist uw cliënt geweest die op geen enkele wijze voor rede vatbaar was. Hij wenste geen gesprek te voeren en hij gedroeg zich verbaal en non-verbaal agressief richting cliënte. Uw cliënt heeft op 25 april 2016 per direct zijn dienstverband opgezegd en is vervolgens naar huis gegaan. De volgende werkdagen is uw cliënt ook niet op het werk verschenen. Uw cliënt heeft zich evenmin (volgens de voorschriften) afgemeld voor zijn werk. (…) Kortom, uw cliënte heeft zelf de arbeidsovereenkomst (onregelmatig) laten doen eindigen. Daar de arbeidsovereenkomst door uw cliënt is geëindigd bestaat voor cliënte geen verplichting meer om loon te voldoen. Daarbij komt - en wel ten overvloede dat de reden dat niet is gewerkt door uw cliënt (namelijk diens eigen opzegging van de arbeidsovereenkomst met ingang van 25 april 2016) een omstandigheid is die voor zijn eigen rekening komt. De vordering tot betaling van salaris van uw cliënt is dan ook ongegrond. (…)

Hoe nu verder? Hoewel uw cliënt op 25 april 2016 zijn dienstverband heeft opgezegd, maakt cliënte uit uw brief op dat hij hierop terugkomt en aanspraak maakt op het dienstverband. Cliënte heeft hierover nagedacht. Cliënte is van mening dat (…) uw cliënt wat cliënte betreft zijn werkzaamheden kan hervatten. Uiteraard dient hierover en over de ontstane situatie tussen cliënte en cliënt worden gesproken. Derhalve nodigt cliënte uw cliënt op 29 mei (zondag) a.s. 15.00 uur uit om op het kantoor van cliënte overleg te voeren over de situatie en de hervatting van de werkzaamheden.

3.10

Bij brief van 30 mei 2016 (productie 2 bij verweerschrift in eerste aanleg) heeft [verweerster] [verzoeker] nogmaals opgeroepen voor een gesprek. [verweerster] schrijft hierin onder meer:

U bent 29 mei 2016 niet verschenen voor dit gesprek. U heeft ook niets van u laten horen. Ondanks dat u uw dienstverband op 25 april j.l. heeft opgezegd (…) kunt u wat ons betreft uw oude werkzaamheden weer starten. Hierom willen wij graag met u in gesprek over de ontstane situatie en het starten van de werkzaamheden. Derhalve nodigen wij u opnieuw uit om vrijdag 3 juni 2016 om 16.00 uur in gesprek te gaan. Tevens roepen wij (indien en voor zover sprake zou zijn van een arbeidsovereenkomst) u op om na afloop van dit gesprek op 3 juni 2016 uw werkzaamheden te starten.

3.11

[verzoeker] heeft noch op de brief van 26 mei 2016 noch op de brief van 30 mei 2016 gereageerd.

3.12

Met ingang van 9 december 2016 is [verzoeker] als kippenvanger bij een nieuwe werkgever in dienst getreden.

4 De verzoeken aan de kantonrechter en de beoordeling daarvan

4.1

[verzoeker] heeft de kantonrechter, samengevat, verzocht de arbeidsovereenkomst tussen partijen, met inachtneming van de geldende opzegtermijn, te ontbinden, [verweerster] te veroordelen tot betaling aan hem van een transitievergoeding van € 3.049,- (bruto) alsmede een billijke vergoeding van € 25.000,- met de wettelijke rente, een en ander met veroordeling van [verweerster] in de kosten.

4.2

[verweerster] heeft afwijzing van de verzoeken bepleit.

4.3

De kantonrechter heeft in de bestreden beschikking de verzoeken van [verzoeker] afgewezen en hem in de proceskosten veroordeeld. Volgens de kantonrechter is uit de feiten gebleken dat [verzoeker] de arbeidsovereenkomst wenste op te zeggen. Dit betekent, aldus de kantonrechter, dat is komen vast te staan dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen is geëindigd, zodat het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst moet worden afgewezen. De kantonrechter heeft [verzoeker] in de proceskosten van [verweerster] veroordeeld.

5 De beoordeling in hoger beroep

5.1

[verzoeker] heeft twee beroepsgronden tegen de bestreden beschikking aangevoerd, die hij als grieven heeft aangeduid. Het hof zal deze terminologie van [verzoeker] volgen.

5.2

Met grief 1 klaagt [verzoeker] erover dat de kantonrechter in rechtsoverweging 2.3 voorbij is gegaan aan de lezing die van zijn zijde is gegeven over de gebeurtenissen op

25 april 2016 door enkel op te nemen dat hij tijdens dat gesprek slechts over de planning zou hebben geklaagd.

Omdat het hof de feiten opnieuw heeft vastgesteld, heeft [verzoeker] geen belang bij deze grief.

5.3

Met grief 2 komt [verzoeker] op tegen de afwijzing van zijn verzoeken en de daaraan ten grondslag gelegde motivering. In de eerste plaats dient door het hof beoordeeld te worden of, zoals [verweerster] stelt en [verzoeker] betwist, op 25 april 2016 door opzegging door [verzoeker] een rechtsgeldig einde is gekomen aan de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst. Hiertoe voert [verweerster] in de kern genomen het volgende aan. Het is juist [verzoeker] geweest die zich in voormeld gesprek op 25 april 2016 agressief heeft opgesteld, onder meer door tegen [persoon 1] te schreeuwen en te vloeken, hetgeen [persoon 1] als bedreigend heeft ervaren. [persoon 1] heeft hem geprobeerd tot rede te brengen, maar dat is niet gelukt. Vervolgens heeft [verzoeker] aan [persoon 1] te kennen gegeven dat hij zijn dienstverband per direct wenste te beëindigen en niet meer zou komen werken en is boos vertrokken. [persoon 1] heeft zijn betoog toegelicht aan de hand van een viertal verklaringen van werknemers (productie 1 bij verweerschrift in eerste aanleg) die erop neerkomen dat [verzoeker] boos wegliep en na wat woordewisselingen te kennen gaf dat hij niet meer kwam werken.

[verzoeker] betwist dat hij de arbeidsovereenkomst heeft opgezegd. Hij is in voormeld gesprek onheus door [verweerster] bejegend. Dat is de reden geweest voor hem om het kantoor te verlaten, niet omdat hij een einde aan zijn dienstverband wilde maken, aldus [verzoeker] .

5.4

Vooropgesteld moet worden dat voor de opzegging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer een duidelijke en ondubbelzinnige verklaring is vereist, die erop is gericht om de beëindiging van de arbeidsovereenkomst te bewerkstelligen. De volgens vaste rechtspraak (zie onder meer HR 10 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS8387) geldende strenge maatstaf ter beantwoording van de vraag of een werknemer zijn dienstbetrekking vrijwillig heeft willen beëindigen, dient ertoe de werknemer te behoeden voor de ernstige gevolgen die vrijwillige beëindiging van het dienstverband voor hem kan hebben, kort gezegd het verloren gaan van de mogelijkheid zich op ontslagbescherming te beroepen, en het mogelijk verlies van aanspraken ingevolge de sociale zekerheidswetgeving, met name een werkloosheidsuitkering. De werknemer moet bovendien voldoende tijd worden gegeven op zijn verklaring terug te komen.

5.5

Naar het oordeel van het hof mocht [verweerster] er niet in gerechtvaardigd vertrouwen van uit gaan dat [verzoeker] tijdens het gesprek op 25 april 2016 de bedoeling had daadwerkelijk de arbeidsovereenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen. Evenmin mocht [verweerster] dit afleiden uit de, overigens door [verzoeker] betwiste, uitlatingen die [verzoeker] na afloop van het gesprek buiten het kantoor zou hebben gedaan. Bij deze beoordeling betrekt het hof de context waarbinnen deze woorden zijn uitgesproken, te weten een gesprek over teveel gewerkte maar niet uitbetaalde uren in een (door [verweerster] niet betwiste) emotionele sfeer. Maar ook al zou [verweerster] voornoemde uitlatingen van [verzoeker] als een ontslagname hebben mogen opvatten, dan geldt dat zij had moeten onderzoeken of [verzoeker] daadwerkelijk de bedoeling had ontslag te nemen, hetgeen zij heeft nagelaten. Uit de gedragingen van [verweerster] na het gesprek op 25 april 2016 blijkt bovendien dat zij er zélf ook niet van uitging dat [verzoeker] op die dag daadwerkelijk ontslag had genomen. Zoals ter zitting door [persoon 1] is toegelicht, heeft [verweerster] daags erna (op 26 april 2016) het werkbusje naar [verzoeker] gestuurd om hem, zoals gebruikelijk, op te halen om naar een klant te gaan om daar kippen te gaan vangen.

Dit alles betekent dat van opzegging van de arbeidsovereenkomst van de zijde van [verzoeker] geen sprake is en dat de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ook na 25 april 2016 is blijven voortduren.

5.6

Vervolgens komt het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met betaling door [verweerster] van een transitievergoeding van € 3.049,- (bruto) en een billijke vergoeding van € 25.000,- aan de orde. Artikel 7:671c lid 1 BW bepaalt dat de rechter op verzoek van de werknemer de arbeidsovereenkomst kan ontbinden wegens omstandigheden die van dien aard zijn dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen. Op grond van artikel 7:671c lid 2 aanhef en onder b BW kan de rechter de werknemer een billijke vergoeding toekennen indien de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Op grond van artikel 7:673 lid 1 aanhef en sub b onder 2 BW is de werkgever een transitievergoeding aan de werknemer verschuldigd indien de arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer is ontbonden als gevolg van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de wergever.

5.7

Nu uit het verzoek van [verzoeker] blijkt dat hij niet langer bij [verweerster] in dienst wenst te blijven en [verweerster] zich refereert ( [verweerster] heeft alleen betwist dat zij als werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, zie hierna), is naar het oordeel van het hof sprake van een omstandigheid die van dien aard is dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve na korte tijd dient te eindigen. Het verzoek om ontbinding is dan ook toewijsbaar. In zoverre slaagt grief 2.

5.8

[verzoeker] heeft met betrekking tot zijn stelling dat sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] het volgende aangevoerd. [verweerster] heeft stelselmatig geweigerd alle gewerkte uren uit te betalen en ook heeft zij geweigerd een deugdelijke administratie van de gewerkte uren bij te houden. Daarnaast werd zijn loon regelmatig te laat voldaan en kreeg hij stelselmatig minder betaald dan het voor hem geldende wettelijk minimumloon. Een andere oorzaak die volgens [verzoeker] tot deze duurzame ontwrichting heeft geleid, is het discriminerende, agressieve en neerbuigende gedrag van [verweerster] .

5.9

Het hof is van oordeel dat geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van [verweerster] . Daartoe geldt het volgende. [verzoeker] heeft ten behoeve van de mondelinge behandeling in eerste aanleg een overzicht van de volgens hem gewerkte uren overgelegd (bij brief van 30 augustus 2016 aan de rechtbank Gelderland). [verweerster] heeft gemotiveerd, onder overlegging van de loonstroken van [verzoeker] over de laatste zes maanden (productie 4 bij verweerschrift in eerste aanleg), de roosters en een overzicht van de door [verzoeker] gewerkte uren (productie 5 bij verweerschrift in eerste aanleg), werkbonnen van de opdrachten waarop [verzoeker] werd ingezet (productie 2 bij verweerschrift in hoger beroep) en een uitdraai van het internetbankieren waarop de salarisbetalingen aan [verzoeker] vanaf 28 september 2015 zijn te zien (productie 3 bij verweerschrift in hoger beroep), betwist dat er sprake zou zijn van het niet, te laat of te weinig uitbetalen van loon en het niet bijhouden van een deugdelijke administratie. In het licht van de gemotiveerde betwisting van de zijde van [verweerster] , zijn de stellingen van [verzoeker] dat hij stelselmatig zijn gewerkte uren niet kreeg uitbetaald, [verweerster] geen deugdelijke administratie van de gewerkte uren wenste bij te houden, zijn loon regelmatig te laat werd voldaan en hij stelselmatig minder betaald kreeg dan het voor hem geldende wettelijk minimumloon, door het enkele overleggen van voormeld overzicht van de volgens hem gewerkte uren, onvoldoende onderbouwd. Het feit dat hij over de maand april 2016 zijn salaris te laat uitbetaald kreeg, doet niet aan het voorgaande af omdat deze te late betaling, mede in het licht van hetgeen ter betwisting door [verweerster] naar voren is gebracht, onvoldoende is om te concluderen dat het loon van [verzoeker] regelmatig te laat werd voldaan. Evenmin heeft [verzoeker] voldoende onderbouwd gesteld dat hij recht heeft op uitbetaling van reisuren.

De tweede grond waarop [verzoeker] zijn vordering baseert - het discriminerende, agressieve en neerbuigende gedrag van [verweerster] - is eveneens door [verweerster] gemotiveerd betwist. Zelfs al zou [verweerster] zich in het gesprek van 25 april 2016 op discriminerende, agressieve en neerbuigende toon tegen [verzoeker] (en zijn echtgenote) hebben uitgelaten, dan nog is deze omstandigheid onvoldoende om uit te gaan van ernstig verwijtbaar handelen van de zijde van [verweerster] op grond waarvan [verzoeker] ontbinding van de arbeidsovereenkomst heeft verzocht. In dit verband weegt voor het hof zwaar dat [verweerster] tot twee maal toe (bij brieven van 26 en 30 mei 2016, deels geciteerd in de rechtoverwegingen 3.9 en 3.10) [verzoeker] heeft uitgenodigd om over de ontstane situatie te praten en de mogelijkheid te verkennen om het werk weer te hervatten, maar dat [verzoeker] hieraan geen gehoor heeft gegeven. Dit betekent ook dat aan het bewijsaanbod van [verzoeker] (randnummer 31 bij verzoekschrift, herhaald bij grief 2 onder A in zijn beroepschrift) als niet terzake dienend wordt voorbijgegaan.

5.10

Zoals in 5.5 is overwogen, is de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet door opzegging op 25 april 2016 geëindigd zodat deze ook na 25 april 2016 is blijven voortduren. Dit geldt ook voor de loondoorbetalingverplichtingen van [verweerster] . [verweerster] heeft (in een andere procedure) de kantonrechter verzocht om het dienstverband tussen partijen - voor zover er nog een dienstverband zou bestaan - te ontbinden. De kantonrechter heeft dat verzoek bij beschikking van 22 november 2016 met zaaknummer 5311156 (productie 1 bij verweerschrift in hoger beroep) echter afgewezen omdat er geen sprake meer is van een arbeidsovereenkomst, daarbij verwijzend naar zijn beschikking van dezelfde datum in de onderhavige procedure.

5.11

Uit het voorgaande volgt dat (zoals reeds overwogen) grief 2 in zoverre slaagt dat het verzoek van [verzoeker] tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen, maar in zoverre faalt dat deze ontbinding niet het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerster] . Dit betekent dat het verzoek tot toekenning van een transitievergoeding (zo volgt uit artikel 7:673 lid 1 aanhef en sub b onder 2 BW) en een billijke vergoeding (zo volgt uit artikel 7:671c lid 2 sub b BW) zal worden afgewezen.

5.12

Het systeem van de Wet werk en zekerheid (artikel 7:683 lid 5 BW) brengt mee dat indien de rechter in hoger beroep oordeelt dat het verzoek van de werknemer om ontbinding van de arbeidsovereenkomst ten onrechte is afgewezen (zoals hier het geval is), hij bepaalt op welk tijdstip de arbeidsovereenkomst eindigt. Het hof kan de beschikking van de kantonrechter voor zover daarbij de verzochte ontbinding is afgewezen, niet vernietigen. De wet schrijft niet voor dat bij de bepaling van het tijdstip waarop de arbeidsovereenkomst eindigt, rekening moet worden gehouden met de opzegtermijn die de werknemer in acht zou moeten nemen of met een minimaal in acht te nemen termijn. Sinds de afwijzing van het ontbindingsverzoek is al weer geruime tijd verstreken. Het hof zal bepalen dat de arbeidsovereenkomst eindigt op 16 juni 2017.

5.13

Gelet op het bepaalde in artikel 7:686a lid 7 BW zal het hof een termijn stellen, waarbinnen [verzoeker] zijn ontbindingsverzoek zal kunnen intrekken.

5.14

Aangezien beide partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld dienen de proceskosten in beide instanties te worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen haar eigen kosten draagt. In zoverre dient de bestreden beschikking, voor zover het de daarin uitgesproken kostenveroordeling van [verzoeker] betreft, te worden vernietigd.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter (rechtbank Gelderland, locatie Zutphen) van 22 november 2016, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft en in zoverre opnieuw beschikkende:


compenseert de proceskosten in eerste aanleg in die zin dat ieder van partijen haar eigen kosten draagt;

bepaalt dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen eindigt op 16 juni 2017 tenzij [verzoeker] uiterlijk op 14 juni 2017 schriftelijk aan de griffie van het hof, met afschrift aan de wederpartij, heeft meegedeeld zijn verzoek tot ontbinding in te trekken;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van de partijen haar eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.A. van Rossum, E.B. Knottnerus en M.E.L. Fikkers en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op

2 juni 2017.