Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4651

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2017
Datum publicatie
07-06-2017
Zaaknummer
200.173.022/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onrechtmatige daad door het oogsten van maïs die aan de buurman toebehoort. De buurman is ten onrechte niet ingegaan op een aanbod tot compensatie en heeft daardoor niet voldaan aan zijn verplichting tot beperking van de schade. Vordering afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/2901
NJF 2017/521
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.173.022/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel 3135266 CV 14-4635)

arrest van 30 mei 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna: [appellant],

2. [appellante] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

hierna: [appellante],

appellanten in het principaal hoger beroep,

geïntimeerden in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: [appellanten],

advocaat: mr. C.A. van Kooten-de Jong, kantoorhoudend te Montfoort,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] , gemeente [gemeente] ,

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.J. Schaatsbergen, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 22 juli 2014 en 27 januari 2015 die de kantonrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, heeft gewezen.

2 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

2.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 september 2015 hier over.

2.2.

Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de memorie van grieven (met producties),

  • -

    de memorie van antwoord/tevens van incidenteel hoger beroep (met productie),

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

2.3.

[appellanten] vorderen in het principaal hoger beroep - kort samengevat - dat het hof de vonnissen van de rechtbank van 22 juli 2014 en 27 januari 2015 vernietigt en, opnieuw rechtdoende, hun vorderingen in conventie alsnog toewijst, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten in beide instanties.

2.4.

[geïntimeerde] vordert in het incidenteel hoger beroep - kort samengevat – dat het hof het vonnis van de rechtbank van 27 januari 2015 vernietigt, voor zover daarin zijn vorderingen in reconventie zijn afgewezen, en opnieuw rechtdoende die vorderingen alsnog toewijst, met veroordeling van [appellanten] in de kosten in beide instanties.

2.5.

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1.

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 3 onder a tot en met 3 onder l van het bestreden vonnis van 27 januari 2015. In aanvulling daarop zal het hof nog enige vaststaande feiten opnemen.

3.2.

[appellanten] exploiteren te [woonplaats] aan [adres] een melkveebedrijf. [geïntimeerde] exploiteert aan [adres] eveneens een melkveebedrijf. Aan [adres] is gelegen het boerenbedrijf van dhr. [X] (hierna: [X] ). [adres] is een openbare, doodlopende weg.

3.3.

In het voorjaar en de zomer van 2008 hebben [appellanten] een geschil gehad met de gemeente [gemeente] (hierna: de gemeente), waarvan [woonplaats] deel uitmaakt, over het recht van gebruik van het perceel [perceelnr.] , op welk perceel [appellanten] in het begin van het voorjaar van 2008 maïs hadden ingezaaid. Op de aangrenzende percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] alsmede op het nabijgelegen perceel [perceelnr.] hadden zij eveneens maïs ingezaaid. De maïs diende als wintervoer voor het melkvee van [appellanten] Het perceel [perceelnr.] behoorde in 2008 in eigendom toe aan [X] ; [appellanten] hadden dit perceel in gebruik in verband met gebruiksruil van grond.

3.4.

De feitelijke situatie van de percelen [perceelnr.] , [perceelnr.] en [perceelnr.] laat zich als volgt samenvatten, een en ander steeds gezien links vanaf de openbare weg [adres] , zich voortbewegend vanaf de boerderij van [geïntimeerde] in de richting van de boerderij van [appellanten] : grond van perceel [perceelnr.] , een naar achter lopende sloot, een strook grond van perceel [perceelnr.] , aansluitend grond van perceel [perceelnr.] , aansluitend een smalle strook grond van perceel [perceelnr.] , een naar achter lopende sloot en grond van perceel [perceelnr.] . Door de feitelijke situatie lijkt het alsof het rechtergedeelte van perceel [perceelnr.] en ook de linkerstrook van perceel [perceelnr.] deel uitmaken van perceel [perceelnr.] .

3.5.

Op 25 juli 2008 is in het kader van een kort geding een minnelijke regeling getroffen tussen [appellanten] en de gemeente over het gebruik door [appellanten] van de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] . In dat verband is overeengekomen dat [appellanten] dat gebruik per 1 augustus 2008 zouden staken, onder betaling van een bedrag van € 1.000,00 als vergoeding voor het verwijderen van de daarop aanwezige maïs. De gemeente heeft het perceel [perceelnr.] met ingang van 1 augustus 2008 aan [geïntimeerde] in gebruik gegeven.

3.6.

Begin oktober 2008 hebben [appellanten] de door hen gezaaide maïs doen oogsten, behoudens de maïs op de rechterstrook van perceel [perceelnr.] als hiervoor bedoeld en behoudens de maïs op de linker strook van perceel [perceelnr.] , eveneens als hiervoor bedoeld. Op dat moment was de op perceel [perceelnr.] aanwezige maïs evenmin geoogst.

3.7.

Op de ochtend van 18 oktober 2008 is loonwerkbedrijf [Y] (hierna: [Y] ) in

opdracht en op aanwijzing van [geïntimeerde] begonnen met het oogsten van de maïs op perceel [perceelnr.] . Daarbij is echter tevens een deel van de maïs geoogst die op de rechterstrook van [perceelnr.] en de linkerstrook van [perceelnr.] stond. De geoogste maïs is afgevoerd naar de boerderij van [geïntimeerde] . [Y] gebruikte bij dat oogsten een hakselaar, een sleeptrekker en twee trekkers met vulwagens.

3.8.

Kort na aanvang van het oogsten is [appellant] ter plaatse gekomen, gevolgd door [appellante] , en heeft hij de medewerkers van [Y] erop gewezen dat zij ook maïs oogstten die aan hen, [appellanten] , toebehoorde. Op zijn verzoek om daarmee te stoppen, is op dat moment geen gehoor gegeven. Het oogsten lag echter stil, omdat op of nabij de grens tussen de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] een trekker met vulwagen in het land was vastgelopen. [appellante] heeft daarop de politie gebeld en op enig moment daarna heeft de zoon van [appellanten] met een tractor van [appellanten] de vastzittende trekker met vulwagen geblokkeerd. Nadat de politie ter plaatse was gekomen, is [Y] aan de zijde van perceel [perceelnr.] op perceel [perceelnr.] doorgegaan met het oogsten van maïs. Omdat de situatie vanwege de boosheid van [appellant] over de gang van zaken verder dreigde te escaleren, heeft de politie korte tijd later het oogsten van de maïs geheel stilgelegd. De medewerkers van [Y] zijn daarop vertrokken, onder achterlating van de door [appellanten] geblokkeerde, in het land vastgelopen trekker met vulwagen.

3.9.

Op 21 oktober 2008 heeft [Y] de vastzittende trekker met vulwagen losgetrokken. De in de vulwagen aanwezige maïs is uitgedraaid en uitgestort op het land.

3.10.

Per brief van 7 november 2008 heeft de gemachtigde van [appellanten] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van de gebeurtenissen van 18 oktober 2008. In deze brief staat vermeld:

“Zoals u bekend is, heeft u op 18 oktober jl. via de door u ingeschakelde loonwerker [Y] gehakselde maïs

(21,6 ton) ontvangen welke in eigendom toebehoort aan cliënten, [ [appellant] ] u wel bekend. Deze maïs komt u niet

toe. Cliënten houden u mede verantwoordelijk voor het onrechtmatig toe-eigenen van de maïs nu loonwerker

[Y] in opdracht van u de maïs hakselde.

U heeft erkend dat de maïs u niet toekomt. Ondanks dat u inziet dat u op onrechtmatige wijze cliëntens maïs

heeft verkregen c.q. toegeëigend, heeft u de maïs tot op heden niet teruggegeven.

Cliënten hebben geprobeerd in der minne deze kwestie op te lossen. Aan de heer [Z] heeft u

aangegeven dat cliënten de nog aanwezige maïs op het perceel [perceelnr.] kunnen hakselen en in bezit nemen, ter

compensatie van de maïs in kwestie. Dit is echter geen reëel voorstel. De heer [Z] heeft

geconstateerd dat deze maïs, aangezien deze op een nat deel van het perceel [perceelnr.] staat, van beduidend

mindere kwaliteit is dan de wederrechtelijk verkregen maïs van cliënten. Verder zijn de loonwerkerskosten

veel hoger dan normaal, gezien het kleine oppervlak dat geoogst dient te worden. Cliënten gaan derhalve niet

in op dit aanbod. Inmiddels heeft u dit voorstel ook ingetrokken.

Cliënten constateren dat u willens en wetens hun maïs onder u houdt, terwijl u weet dat de maïs niet van u is.

U handelt derhalve zowel civielrechtelijk als strafrechtelijk onrechtmatig jegens cliënten. U bezit de maïs te

kwader trouw. Cliënten zullen de schade welke zij lijden door uw onrechtmatig handelen op u verhalen.

Hierdoor verzoek ik u, voor zover nodig sommeer ik u, de wederrechtelijk door u verkregen maïs van

cliënten, aan cliënten te retourneren binnen vijf dagen na dagtekening van deze brief. Voor het afleveren van

de maïs kunt u een afspraak maken met de heer [Z] .”

3.11.

[geïntimeerde] heeft aan deze sommatie geen gevolg gegeven. Partijen hebben ook voor het overige vergeefs gecorrespondeerd over een mogelijke oplossing van het geschil.

3.12.

Op 18 november 2008 heeft [appellante] tegen [geïntimeerde] aangifte gedaan

van diefstal van maïs. Het Openbaar Ministerie is niet tot vervolging van [geïntimeerde]

overgegaan. [appellanten] hebben daarover vergeefs een klachtprocedure bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden gevoerd.

3.13.

Bij beschikking van 11 oktober 2011 is het door [appellanten] ingediende verzoek van 14 juli 2011 tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toegewezen. Vervolgens zijn op

11 januari 2012, 7 maart 2012 en 18 juli 2012 als getuigen gehoord: dhr. [getuige 1] , dhr. [X] , partij [appellant] , partij [appellante] , dhr. [getuige 2] , dhr. [getuige Y 1] , dhr. [getuige Y 2] , dhr. [getuige 3] en partij [geïntimeerde] . De van deze verhoren opgemaakte processen-verbaal bevinden zich bij de stukken en de inhoud ervan geldt als hier ingevoegd.

3.14.

Per brief van 4 oktober 2013 heeft de gemachtigde van [appellanten] , refererend aan de

gebeurtenissen van 18 oktober 2008, haar eerdere aansprakelijkstelling en het gehouden

voorlopig getuigenverhoor, medegedeeld eventueel lopende verjaringstermijnen te stuiten.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1.

[appellanten] hebben in eerste aanleg in conventie - samengevat - gevorderd dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] zich op 18 oktober 2008 wederrechtelijk eigendommen van [appellanten] , zijnde een hoeveelheid maïs, heeft toegeëigend, dat hij [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling aan [appellanten] van € 8.620,22 en verder dat hij [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van € 2.295,50 voor de kosten van het voorlopig getuigenverhoor, alsmede de buitengerechtelijke incassokosten en de proceskosten.

4.2.

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg in reconventie, kort samengevat, gevorderd dat de rechtbank [appellanten] veroordeelt tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van € 3.160,- en de proceskosten.

4.3.

De kantonrechter heeft bij vonnis van 27 januari 2015 in conventie de vordering tot verklaring voor recht toegewezen en [geïntimeerde] veroordeeld tot betaling van € 760,- vermeerderd met de wettelijke rente en de proceskosten aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten betaalt, onder afwijzing van het meer of anders gevorderde. De kantonrechter heeft de vordering in reconventie afgewezen.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

Tegen het tussenvonnis van 22 juli 2014 zijn geen grieven aangevoerd, zodat het hof het daartegen ingestelde hoger beroep zal verwerpen.

5.2

[appellanten] hebben in het principaal hoger beroep vijf grieven aangevoerd tegen het bestreden vonnis, terwijl [geïntimeerde] daartegen in incidenteel appel eveneens vijf grieven (doorgenummerd, de grieven VI tot en met X) heeft gericht. Deze grieven betreffen de beoordeling door de kantonrechter van de vorderingen in conventie en in reconventie. Het hof zal deze grieven hierna beoordelen, waarbij het principaal en incidenteel appel gelijktijdig worden behandeld. Daarbij zal het hof eerst ingaan op de verst strekkende grief, grief VII.

Grief VII : [appellanten] waren geen eigenaar van de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.]

5.3

[geïntimeerde] voert in deze grief aan dat [appellanten] geen recht op schadevergoeding toekomt, nu zij geen eigenaar zijn van de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] , maar daarvan alleen het gebruiksrecht hebben. Volgens [geïntimeerde] hebben [appellanten] blijkens de inleidende dagvaarding aan hun vordering een schending van hun eigendomsrecht ten grondslag gelegd, welke grondslag door hen naderhand niet is gewijzigd. De kantonrechter is daarom buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden door de gevorderde verklaring voor recht dat [geïntimeerde] wederrechtelijk eigendommen heeft ontnomen aan [appellant] , eigenmachtig te wijzigen. De door de kantonrechter in dit verband aangehaalde uitspraak van de Hoge Raad (HR 24 januari 1992, NJ 1992, 280) betrof een wezenlijk andere situatie en kan daarom in dit geval niet als ondersteuning worden gebruikt voor zijn oordeel.

5.4

Het hof overweegt ten aanzien van deze grief dat tussen partijen vast staat dat [appellanten] in oktober 2008 weliswaar geen eigenaar waren van de betrokken percelen, maar dat zij op grond van daartoe strekkende afspraken met de eigenaren daarvan wel het exclusieve gebruik hadden en uit hoofde daarvan gerechtigd waren tot de opbrengsten daarvan. De maïsopbrengst van beide percelen kwam daarmee uitsluitend aan [appellanten] toe, waardoor in dit geval voor hen de mogelijkheid van een schadevergoedingsactie wegens onrechtmatige daad op grond van artikel 6:162 BW open staat. Het hof wijst erop dat [appellanten] in punt 19 van de inleidende dagvaarding hun vordering ook uitdrukkelijk baseren op artikel 6:162 BW vanwege onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] jegens hen. Dat zij dat handelen daarbij mede hebben gekwalificeerd als in strijd met hun eigendomsrecht op de maïs doet niet af aan hun vorderingsrecht op grond van artikel 6:162 BW, nu zij zich op het standpunt hebben gesteld dat [geïntimeerde] met zijn handelen inbreuk heeft gemaakt op het recht van [appellanten] op de maïsopbrengst van de betrokken percelen. De kantonrechter is met zijn oordeel hieromtrent dan ook niet buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Grief VII faalt daarom.

Grief VIII : prijsgeven door [appellanten] van de resterende maïs

5.5

In grief VIII komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de kantonrechter dat hij onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellanten] Hij stelt zich op het standpunt dat [appellanten] de maïs op de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] begin oktober 2008 al hadden prijsgegeven, omdat deze percelen met trekkers en een hakselaar slechts via perceel [perceelnr.] konden worden bereikt. [appellanten] mochten perceel [perceelnr.] ingevolge een vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad bovendien niet betreden. [geïntimeerde] verwijst ter ondersteuning van deze stelling naar de aangifte tegen hem door [appellante] van 18 november 2008 waarin zij onder meer verklaart dat zij de maïs op de betrokken percelen grond hadden laten staan, omdat zij daar niet goed bij konden komen. [geïntimeerde] meent dan ook niet onrechtmatig jegens [appellanten] te hebben gehandeld door de maïs van die percelen te halen.

5.6

[appellanten] betwisten dat zij in het najaar van 2008 hadden afgezien van het oogsten van de maïs op de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] . Het enkele feit dat zij dat niet voor 18 oktober 2008 hadden gedaan, terwijl zij toen wel de maïs op hun andere percelen hadden geoogst, kan niet tot die conclusie leiden. Ook uit de aangifte blijkt niet dat [appellanten] afstand hebben gedaan van de maïs. [appellanten] waren van plan om pas tot hakselen daarvan over te gaan, nadat [geïntimeerde] zijn maïs van perceel [perceelnr.] zou hebben gehaald. [appellanten] hebben ook nooit kenbaar gemaakt dat zij de maïs op deze percelen hadden prijsgegeven en ook [geïntimeerde] ging daar kennelijk niet van uit, aangezien hij vóór 18 oktober 2008 nog bij de eigenaar van perceel [perceelnr.] , [X] , heeft geïnformeerd of deze de maïs van dat perceel wenste te ontvangen.

5.7

Het hof is van oordeel dat deze grief niet kan slagen. Het enkele feit dat [appellanten] op 18 oktober 2008 al wel de maïs van andere percelen hadden laten halen, maar nog niet van deze twee percelen, is onvoldoende om te mogen aannemen dat zij de maïs op die percelen hadden prijsgegeven. Ook als het juist zou zijn dat [appellanten] de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] met een hakselaar slechts via perceel [perceelnr.] hadden kunnen bereiken, ter comparitie hebben [appellanten] dat overigens gemotiveerd betwist, dan betekent dit nog niet dat [appellanten] de op die percelen staande maïs hadden prijsgegeven. Grief VIII faalt daarom.

Grief IX: het ontbreken van schuld

5.8

[geïntimeerde] stelt zich in de toelichting op deze grief op het standpunt dat hem ter zake van het oogsten van de maïs van [appellanten] geen verwijt kan worden gemaakt, omdat sprake is van afwezigheid van schuld. Hij kon niet weten dat perceel [perceelnr.] in gebruik was bij [appellanten] , terwijl hij er evenmin van op de hoogte was en ook niet hoefde te zijn dat er tussen perceel [perceelnr.] en de sloot over perceel [perceelnr.] nog een smalle strook lag die ook bij [perceelnr.] hoorde. [geïntimeerde] had de betrokken percelen pas kort voor oktober 2008 in gebruik gekregen, op de kadastrale grenzen daarvan stonden geen aanduidingen, terwijl [appellanten] alle drie percelen met dezelfde maïs hadden ingezaaid, zodat er op het land geen verschillen te zien waren.

5.9

[appellanten] wijzen erop dat, zelfs als [geïntimeerde] gedwaald zou hebben omtrent de ligging en de grensafbakening van perceel [perceelnr.] , het oogsten van niet aan hem toebehorende maïs naar verkeersopvattingen aan hem moet worden toegerekend. [geïntimeerde] heeft tegen die overweging van de kantonrechter ook geen grief aangevoerd. Bovendien wist [geïntimeerde] wel degelijk hoe de grenzen van de verschillende percelen liepen. Dat blijkt uit zijn eigen opgave in het kader van de mei-telling van 2008 waarbij [geïntimeerde] de verschillende grenzen precies heeft aangegeven. Het feit dat [geïntimeerde] voor het hakselen op 18 oktober 2008 naar [X] is gegaan met de vraag of deze de maïs van perceel [perceelnr.] wilde hebben, wijst hier ook op. Mocht [geïntimeerde] al hebben getwijfeld over de perceelgrens tussen [perceelnr.] en [perceelnr.] , dan had hij daarover contact met [appellanten] of de gemeente moeten opnemen, hetgeen hij heeft nagelaten.

5.10

Het hof stelt voorop dat krachtens artikel 6:162 lid 3 BW een onrechtmatige daad aan de dader kan worden toegerekend indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt. Het hof onderschrijft het oordeel van de kantonrechter dat mag worden aangenomen dat een boer goed op de hoogte is van de ligging en afbakening van zijn percelen land. Alleen al op grond daarvan moet het ervoor worden gehouden dat [geïntimeerde] er een verwijt van kan worden gemaakt dat hij op 18 oktober 2008 [Y] daarover niet voldoende heeft geïnformeerd, zodat ook maïs op de aangrenzende percelen van [appellanten] ten behoeve van [geïntimeerde] is geoogst. [geïntimeerde] is vóór het oogsten op 18 oktober 2008 naar [X] toegegaan met de vraag of hij de maïs van perceel [perceelnr.] wilde ontvangen, waaruit duidelijk blijkt dat [geïntimeerde] wel degelijk op de hoogte was van de perceelgrens tussen de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] . Het hof wijst er in dit verband verder op dat [geïntimeerde] de perceelgrenzen in het kader van de mei-telling 2008 zelf heeft ingetekend. Ook grief IX is daarom vergeefs voorgedragen.

5.11

Het voorgaande brengt de conclusie mee dat [geïntimeerde] zich jegens [appellanten] onrechtmatig heeft gedragen door op 18 oktober 2008 maïs van de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] te doen hakselen en zich die maïs toe te eigenen.

Grief I : inzet Lacotec cracker bij het oogsten van de resterende maïs

5.12

Grief I richt zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken dat [appellanten] van plan waren om de resterende, niet door [geïntimeerde] meegenomen, maïs (met een oppervlak van 7.425 m2) op de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] met een Lacotec cracker (korrelkneuzer) te laten hakselen. De kantonrechter verwijst daarvoor naar de brief van 7 november 2008 van de gemachtigde van [appellanten] aan [geïntimeerde] waarin deze – onder meer – schrijft dat [appellanten] aanspraak maken op teruggave door [geïntimeerde] van de ten onrechte door hem gehakselde maïs van [appellanten] De kantonrechter heeft uit die passage opgemaakt dat [appellanten] genoegen namen met maïs welke door een gewone hakselaar was geoogst en niet door een Lacotec cracker, waartoe zij na 18 oktober 2008 nog opdracht hadden kunnen geven. Zij hebben dat echter nagelaten, zodat [geïntimeerde] het niet oogsten van deze maïs niet kan worden toegerekend, aldus de kantonrechter.

5.13

[appellanten] betogen in de toelichting op deze grief dat zij wel degelijk het voornemen hadden om deze maïs, welke een substantiële hoeveelheid betrof, met een Lacotec cracker te oogsten. Deze kneust de maïs extra, waardoor de maïs beter verteerbaar is voor de koeien, hetgeen past in hun voerprogramma voor de koeien. Blijkens de door [appellanten] overgelegde verklaring van [A] wordt een hakselaar met een Lacotec cracker slechts verhuurd voor het hakselen van oppervlakken van ten minste 1 ha. De oppervlakte van de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] bedraagt 1.16 ha, waardoor met de Lacotec cracker kon worden geoogst. [appellanten] waren dat ook van plan, maar doordat [geïntimeerde] van dat oppervlak 4.175 m2 had geoogst, bleef er slechts een oppervlak over van 7.425 m2, zodat [appellanten] deze resterende maïs niet meer konden doen oogsten op de door hen gewenste wijze. De kantonrechter heeft volgens [appellanten] de brief van hun gemachtigde van 7 november 2008 onjuist uitgelegd, aangezien daarin aanspraak werd gemaakt op schadevergoeding en daarnaast teruggave van de door [geïntimeerde] ten onrechte gehakselde maïs. De laatste vordering strekte er slechts toe te voorkomen dat [geïntimeerde] daarvan voordeel zou krijgen. Die maïs was evenwel niet bedoeld om aan de koeien van [appellanten] te voeren.

5.14

[geïntimeerde] stelt zich, onder verwijzing naar de brief van 7 november 2008 van de gemachtigde van [appellanten] , op het standpunt dat [appellanten] kennelijk van plan waren om die resterende maïs op de gewone wijze, dus zonder Lacotec cracker, te laten hakselen. Immers, in die brief staat dat alleen door teruggave van de door [geïntimeerde] gehakselde maïs van de percelen [perceelnr.] en [perceelnr.] een procedure zou kunnen worden voorkomen. [geïntimeerde] wijst er verder op dat hij aan [appellanten] een deel van de nog niet gehakselde maïs van perceel [perceelnr.] heeft aangeboden, waardoor de totale oppervlakte nog ten behoeve van [appellanten] te oogsten maïs meer dan 1 ha zou bedragen. Hoewel het hier dus ging om maïs op stam, hebben [appellanten] dat aanbod geweigerd, hetgeen erop wijst dat zij niet werkelijk van plan waren om deze maïs te doen hakselen met behulp van een Lacotec cracker. Overigens hadden [appellanten] volgens [geïntimeerde] de maïs ook op de gewone wijze, dus niet met een Lacotec cracker, kunnen oogsten, omdat ook op die wijze gehakselde maïs goed voer voor koeien oplevert.

5.15

Het hof is van oordeel dat deze grief [appellanten] niet kan baten. [appellanten] hebben immers de stelling van [geïntimeerde] erkend dat hij ter compensatie aan hen maïs op stam van perceel [perceelnr.] heeft aangeboden waardoor het oppervlak te hakselen maïs, samen met het oppervlak van 7.425 m2, groter zou zijn geweest dan 1 ha, hetgeen inzet van de Lacotec cracker zonder meer mogelijk maakte. [appellanten] hebben dat geweigerd. In de brief van 7 november 2008 van de gemachtigde van [appellanten] aan [geïntimeerde] wordt als reden daarvoor opgegeven dat deze maïs van mindere kwaliteit zou zijn dan de maïs van [appellanten] , omdat deze op een nat gedeelte van perceel [perceelnr.] zou staan. [geïntimeerde] heeft dat betwist. [appellant] heeft zelf ter comparitie van 23 maart 2017 voor zijn weigering als reden opgegeven dat hij [geïntimeerde] niet vertrouwde en bang was dat hij het beste deel van perceel [perceelnr.] voor zichzelf zou houden en [appellanten] de kwalitatief slechtere maïs zou geven.

5.16

Het hof acht een dergelijke redengeving niet voldoende. In het kader van de plicht van [appellanten] om de schade zo veel als redelijkerwijs mogelijk te beperken, hebben zij geen overtuigende argumenten gegeven voor hun weigering om op dit aanbod van [geïntimeerde] in te gaan. De stelling dat de door [geïntimeerde] aangeboden maïs van perceel [perceelnr.] van mindere kwaliteit zou zijn, dan wel dat hij de beste kwaliteit maïs van [perceelnr.] voor zichzelf zou willen houden, hebben zij onvoldoende onderbouwd. Hierbij komt nog dat [appellanten] die maïs zelf hadden ingezaaid welke dus van de door hen gestelde betere kwaliteit was. Nu zij hebben nagelaten een deugdelijke onderbouwing van deze stellingen te geven, kunnen zij zich er niet op beroepen dat de Lacotec cracker voor het overblijvende oppervlak met maïs van 7.425 m2 in oktober 2008 niet kon worden ingezet en dat zij daarom hebben afgezien van het oogsten van de maïs. Het argument van [appellanten] dat zij ingevolge een rechterlijke uitspraak perceel [perceelnr.] niet mochten betreden, wijst het hof van de hand. Wanneer zij op het aanbod van [geïntimeerde] zouden zijn ingegaan, zouden zij immers diens toestemming hebben gehad om dat perceel te betreden, waarmee de grond aan dat verbod zou komen te ontvallen. Dat de gemeente de eigenaar van dat perceel was, maakt dit niet anders. Het hof laat dan nog daar dat in dat geval ook voor een oplossing had kunnen worden gekozen waarbij de maïs op perceel [perceelnr.] in opdracht van [geïntimeerde] zou zijn geoogst.

Op al deze gronden faalt grief I.

5.17

Op grond van het voorgaande is de conclusie dat de vordering van [appellanten] met betrekking tot het niet geoogste oppervlak maïs van 7.425 m2 niet toewijsbaar is, zodat het bestreden vonnis in zoverre, onder verbetering van de gronden, moet worden bekrachtigd.

Grieven II en X : de toegewezen schadevergoeding

5.18

Met grief II maken [appellanten] bezwaar tegen het oordeel van de kantonrechter dat [geïntimeerde] de door hem ten onrechte geoogste maïs aan [appellanten] moet vergoeden tegen de prijs van reguliere maïs en dus niet de prijs van maïsmeel of luzerne. De kantonrechter heeft hierbij volgens [appellanten] ten onrechte geoordeeld dat niet aannemelijk is geworden dat [appellanten] de maïs in kwestie hadden willen oogsten met de Lacotec cracker, waarbij zij verwijzen naar hetgeen daarover bij grief I door hen is aangevoerd. De brief van 7 november 2008 van de gemachtigde van [appellanten] aan [geïntimeerde] kan naar hun mening niet zodanig worden uitgelegd dat zij teruggave van de door [geïntimeerde] geoogste maïs beoogden zonder nadere schadevergoeding. Bovendien was de kwaliteit van de door [appellanten] gezaaide maïs beter dan die van gewone snijmaïs en de door de kantonrechter gehanteerde prijs voor de maïs van € 28,- per ton is lager dan de gemiddelde maïsprijs in dat jaar. [appellanten] konden in oktober 2008 geen vervangende maïs meer kopen en op basis van de verklaring van de heer [Q] menen zij dat de aankoop van maïsmeel en luzerne het enige voor de hand liggende alternatief was, omdat zij daarmee een vergelijkbare hoeveelheid voer hebben aangeschaft met overeenkomstige voedingswaarde.

5.19

In grief X voert [geïntimeerde] aan dat de kantonrechter hem ten onrechte heeft veroordeeld tot betaling van € 585,-, omdat hij 20.875 kilo maïs van [appellanten] zou hebben weggenomen. [geïntimeerde] wijst erop dat hij [appellanten] daarvoor herhaaldelijk compensatie heeft aangeboden. In zijn toelichting op deze grief spreekt [geïntimeerde] in dat kader van compensatie in de vorm van gehakselde maïs, maar het hof betrekt hierbij ook dat hij in het kader van zijn reactie op de grieven I en II heeft gesteld dat hij [appellanten] ook maïs op stam heeft aangeboden.

5.20

Het hof overweegt hieromtrent dat grief II de vraag betreft of [appellanten] schade hebben geleden als gevolg van het feit dat [geïntimeerde] de maïsoogst van een oppervlak van 4.125 m2, waarvan het gebruik aan [appellanten] toebehoorde, voor zichzelf heeft behouden. De stelling van [geïntimeerde] dat hij ter compensatie van deze maïs aan [appellanten] maïs op stam heeft aangeboden, is door [appellanten] niet betwist. Gelet op het (hiervoor beoordeelde) debat tussen partijen met betrekking tot het oppervlak maïs (van 7.425 m2) dat door [appellanten] in 2008 niet is geoogst, houdt het hof het ervoor dat deze door [geïntimeerde] op stam aangeboden maïs ook afkomstig was van perceel [perceelnr.] . Niet is gesteld of gebleken dat de op dat perceel staande hoeveelheid maïs onvoldoende zou zijn voor die compensatie. De redenen van [appellanten] om dat aanbod te weigeren heeft het hof in rechtsoverweging 5.16 reeds als onvoldoende onderbouwd van de hand gewezen. Op grond daarvan is het hof ten aanzien van grief II van oordeel dat deze vergeefs is voorgedragen, nu [appellanten] niet hebben voldaan aan hun schadebeperkingsplicht en als gevolg daarvan geen aanspraak kunnen maken op schadevergoeding. Om diezelfde reden slaagt grief X.

5.21

Op voormelde gronden komt het hof tot de conclusie dat de schadevordering van [appellanten] in conventie moet worden afgewezen, zodat het bestreden vonnis op dit punt niet in stand kan blijven.

Grieven III en IV

5.22

Op grond van het voorgaande is ook grief III met betrekking tot de door [appellanten] gestelde kosten van onderzoek vergeefs voorgedragen. Grief IV waarmee [appellanten] zich verzetten tegen de door de kantonrechter gegeven beslissing inzake de proceskosten, slaagt evenmin. Het hof is van oordeel dat de beslissing van de kantonrechter om de proceskosten te compenseren juist is, nu partijen in conventie over en weer in het ongelijk zijn gesteld. De door de kantonrechter in conventie uitgesproken veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van schade zal ingevolge de beoordeling in hoger beroep door het hof weliswaar worden vernietigd, maar het hof ziet daarin onvoldoende aanleiding om anders te oordelen over de uitgesproken proceskostenveroordeling.

Grief VI: de schadevordering in reconventie van [geïntimeerde]

5.23

In grief VI verzet [geïntimeerde] zich tegen de afwijzing van zijn vordering in reconventie op grond van het oordeel van de kantonrechter dat het staken van de maïsoogst voortvloeit uit het onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] en niet van [appellanten] In de eerste plaats wijst [geïntimeerde] erop dat hij perceel [perceelnr.] pas erg laat (augustus 2008) in gebruik kon nemen, waardoor hij pas laat kon beginnen met oogsten. Bovendien kon de maïsoogst op 18 oktober 2008 niet worden voltooid, omdat [appellanten] met een trekker een vulwagen hadden geblokkeerd. Uiteindelijk is het oogsten helemaal stilgelegd door de politie, omdat [appellant] dreigde van het dak van zijn stal te springen. [geïntimeerde] kon daardoor pas in november van dat jaar de resterende maïs van zijn land halen, die door deze late oogst van een dermate slechte kwaliteit was dat hij maïs heeft moeten bijkopen.

5.24

[appellanten] betwisten deze stellingen. Zij betogen dat [geïntimeerde] perceel [perceelnr.] al vanaf eind juli 2008 kon gebruiken, terwijl maïs pas in september/oktober pleegt te worden geoogst. Zij stellen [geïntimeerde] op 18 oktober 2008 niet te hebben belet om de maïsoogst op zijn eigen perceel voort te zetten en dat hij daarmee na het incident ook nog enige tijd is doorgegaan. Het is volgens [appellanten] uiteindelijk de politie geweest die vanwege alle problemen de oogst heeft doen stilleggen.

5.25

Het hof ziet niet in waarom het feit dat [geïntimeerde] perceel [perceelnr.] pas eind juli of begin augustus 2008 in gebruik heeft gekregen, een argument zou kunnen vormen voor een te late oogst. [geïntimeerde] heeft niet betwist dat maïs pas in september en oktober wordt geoogst en heeft verder ook geen argumenten gegeven waarom een en ander nadelig voor hem zou hebben uitgepakt. Voor zover [geïntimeerde] met deze grief doelt op het feit dat [appellanten] op 18 oktober 2008 met een trekker een combinatie van trekker met vulwagen van [Y] hebben geblokkeerd, wijst het hof erop dat [appellanten] onweersproken hebben gesteld dat dit is gebeurd op perceel [perceelnr.] en dus niet op het perceel [perceelnr.] van [geïntimeerde] . Ook blijkt uit de stukken, waaronder de getuigenverklaringen van [getuige Y 2] en [getuige 3] , dat [Y] na die blokkade is doorgegaan met oogsten. Weliswaar kon [Y] dat doen met nog slechts één vulwagen, maar ook daarmee kon feitelijk worden doorgegaan met oogsten. Ook wat dat betreft is deze grief vergeefs voorgedragen. Waar [geïntimeerde] met deze grief doelt op het stilleggen van alle oogstwerkzaamheden op 18 oktober 2008 kan in het midden blijven om welke reden op 18 oktober 2008 uiteindelijk de hakselwerkzaamheden zijn stilgelegd. Het hof is namelijk van oordeel dat [geïntimeerde] zijn stelling dat hij niet eerder dan in november 2008 het restant van de mais heeft kunnen oogsten, in het geheel niet heeft onderbouwd, zeker niet in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [appellanten]

5.26

Het voorgaande betekent dat grief VI vergeefs is voorgedragen.

5.27

Grief V ten slotte heeft geen zelfstandige betekenis en behoeft daarom niet te worden behandeld.

6 De slotsom

6.1.

Met uitzondering van grief X falen de grieven. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, behoudens voor zover [geïntimeerde] daarbij in conventie is veroordeeld tot betaling van schadevergoeding aan [appellanten] , zoals weergegeven in het petitum van het bestreden vonnis onder punt 6.2.

6.2.

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellanten] in de kosten van het principaal hoger beroep veroordelen. [geïntimeerde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het incidenteel hoger beroep worden veroordeeld.

De kosten voor de procedure in het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 311,-

- salaris advocaat € 1.264,- (2 punten x tarief I)

Totaal € 1.575,-

De kosten voor de procedure in het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellanten] zullen worden vastgesteld op:

- salaris advocaat € 1.264,- (2 punten, tarief I)

7 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter te Zwolle van 27 januari 2015, behoudens voor zover [geïntimeerde] daarbij in conventie tot betaling van schadevergoeding is veroordeeld;

vernietigt dat vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

wijst de vordering van [appellanten] tot schadevergoeding af;

veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak wat betreft het principaal hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 311,- voor verschotten en op € 1.264,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van het geding, tot aan deze uitspraak wat betreft het incidenteel hoger beroep aan de zijde van [appellanten] vastgesteld op € 1.264,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordelingen betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.J. Keur, I.F. Clement en J.N. Bartels en is door de rolraadsheer, in tegenwoordigheid van de griffier, in het openbaar uitgesproken op

30 mei 2017.