Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4612

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-06-2017
Datum publicatie
13-07-2017
Zaaknummer
WAHV 200.180.353
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is sprake van een in- of uitrit?

Niet door verbalisant ondertekend brondocument brengt mee dat aan de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht van het CJIB geen bijzondere bewijskracht toekomt, maar houdt niet in dat dient te worden getwijfeld aan de juistheid van die gedragingsgegevens.

Overschrijding termijn voor inzending van stukken door officier van justitie aan de rechtbank als bedoeld in artikel 11, eerste lid, WAHV leidt niet tot enig gevolg. De officier van justitie heeft op grond van artikel 11, eerste lid, WAHV geen plicht om in de procedure bij de kantonrechter een verweerschrift uit te brengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.180.353

1 juni 2017

CJIB 179482266

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

locatie Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 26 oktober 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

Bij het beroepschrift is verzocht om een behandeling ter zitting.

Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep. Op 17 juni 2016 is van de gemachtigde een aanvulling op deze nadere toelichting ontvangen.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Op 23 september 2016 en op 25 april 2017 zijn nog brieven van de gemachtigde ontvangen.

De zaak is behandeld ter zitting van 18 mei 2017. De gemachtigde van de betrokkene is verschenen. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. P. Belopavlovic.

Beoordeling

  1. De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep onder meer aan dat de kantonrechter ten onrechte niet is ingegaan op de stelling dat de termijn van artikel 11, eerste lid, van de WAHV is overschreden.

  2. Het hof stelt vast dat de gemachtigde bij brief van 10 april 2014 beroep heeft ingesteld tegen de beslissing van de officier van justitie, waarbij hij meerdere gronden heeft aangevoerd. In een aanvullend beroepschrift van 8 september 2015 heeft de gemachtigde aangevoerd dat de termijn van artikel 11, eerste lid, van de WAHV is overschreden.

  3. De kantonrechter heeft in diens beslissing enkel de gronden van de gemachtigde betrokken die in het beroepschrift van 10 april 2014 zijn aangevoerd. De kantonrechter is in het geheel niet ingegaan op hetgeen door de gemachtigde is het aanvullend beroepschrift is aangevoerd ten aanzien van de termijn van artikel 11, eerste lid, van de WAHV. Aldus heeft de kantonrechter een beroepsgrond niet besproken. Derhalve zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en doen hetgeen de kantonrechter had behoren te doen, te weten het beroepschrift tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen. Gelet hierop behoeven de overige klachten van de gemachtigde ten aanzien van de beslissing van de kantonrechter geen bespreking meer.

  4. De gemachtigde heeft tegen de beslissing van de officier van justitie aangevoerd dat uit de wetsgeschiedenis blijkt dat aan overschrijding van de termijn als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WAHV gevolgen moeten worden verbonden, tenzij de officier van justitie bijzondere dan wel verschoonbare omstandigheden aanvoert voor deze termijnoverschrijding. De gemachtigde is van mening dat van dergelijke omstandigheden geen sprake is en vermoedt dat sprake is van een structurele werkwijze waarbij de officier van justitie de termijn van artikel 11, eerste lid, WAHV stelselmatig overschrijdt. Dat het hof enkel gevolgen aan deze termijnoverschrijding verbindt indien de betrokkene in enig te respecteren belang is geschaad, wijkt dan af van de bedoeling van de wetgever dat de termijn van artikel 11, eerste lid, van de WAHV een fatale termijn is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt namelijk dat het belang van de bezwaarde voor de wetgever een gegeven is.
    In zijn hoger beroepschrift verzoekt de gemachtigde het hof om te toetsen of de termijnoverschrijding het gevolg is van bijzondere omstandigheden aan de zijde van de officier van justitie en of deze omstandigheden dusdanig bijzonder zijn dat de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie achterwege kan blijven.

  5. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WAHV worden het beroepschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken door de officier van justitie aan de rechtbank ter kennis gebracht binnen zes weken nadat de indiener zekerheid heeft gesteld voor de betaling van de sanctie en de administratiekosten, dan wel nadat de termijn daarvoor is verstreken.

  6. Uit het dossier blijkt dat het beroepschrift, gericht tegen de beslissing van de officier van justitie d.d. 20 maart 2014, is gedateerd op 10 april 2014 en blijkens het op de envelop gesteld stempel op 11 april 2014 bij de CVOM is ingekomen. Blijkens het zaakoverzicht van het CJIB is de zekerheidstelling op 7 april 2014 ontvangen. Vervolgens is het beroep op of omstreeks 31 maart 2015 naar de rechtbank gestuurd ter verdere behandeling.

  7. Uit het bovenstaande volgt dat de stukken niet binnen de bij artikel 11, eerste lid, van de WAHV gestelde termijn naar de rechtbank zijn verzonden. In vaste jurisprudentie heeft het hof bepaald dat in de wet geen sanctie is gesteld op de overschrijding van deze termijn en dat er geen reden is om aan de termijnoverschrijding gevolgen te verbinden wanneer niet blijkt dat de betrokkene hierdoor in enig rechtens te respecteren belang is geschaad. Het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding om in de onderhavige zaak van deze vaste jurisprudentie af te wijken, ook niet in het licht van de omstandigheid dat - zoals de gemachtigde heeft betoogd - de overschrijding van deze termijn door de CVOM geen incident meer is, doch structureel voorkomt.

8. Ter behoud van zijn rechten heeft de gemachtigde in zijn hoger beroepschrift gesteld dat hij door de termijnoverschrijding in een rechtens te respecteren belang is geschaad. Volgens de gemachtigde blijkt uit de wetgeschiedenis, een rapport van de Nationale Ombudsman van 27 februari 2014 (nummer 2014/012) en de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen dat de bezwaarde er een groot belang heeft dat zijn beroepschrift met bekwame spoed door de rechtbank wordt behandeld en dat de overheid zich houdt aan de wettelijke termijnen. Het hof is van oordeel dat hieruit onvoldoende blijkt in welk rechtens te respecteren belang de gemachtigde zou zijn geschaad. Er is derhalve geen reden om in dit geval aan de termijnoverschrijding gevolgen te verbinden. Het verweer van de gemachtigde treft dan ook geen doel.

9. Voorts is de gemachtigde van mening dat uit de wetgeschiedenis blijkt dat de officier van justitie een verweerschrift moet indienen bij de kantonrechter, nu het verweerschrift tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoort die de officier van justitie op grond van artikel 11 WAHV aan de rechtbank dient door te sturen. Het niet indienen van een verweerschrift is in strijd met de beginselen van een goede procesorde, equality of arms en fair trial, hetgeen dient te leiden tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie.

10. Het hof overweegt dat de WAHV geen verplichting kent dat door de officier van justitie in de fase bij de kantonrechter een verweerschrift wordt ingediend. Dat uit de wetgeschiedenis blijkt dat de officier van justitie er voor dient te zorgen dat het beroepschrift, het dossier uit de fase van het administratief beroep en, in beginsel, een verweerschrift binnen de in artikel 11, eerste, lid, van de WAHV gestelde termijn naar de kantonrechter worden doorgestuurd, maakt dit niet anders. De klacht van de gemachtigde faalt derhalve.

11. De gemachtigde heeft ook op meerdere onderdelen verweer gevoerd tegen de inleidende beschikking. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 230,- opgelegd ter zake van “uit uitrit de weg oprijden zonder overige verkeer voor te laten gaan”, welke gedraging zou zijn verricht op 15 februari 2014 om 11.16 uur op de Schonauwen te [plaats] met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

12. De gemachtigde heeft aangevoerd dat de verbalisant hem de mogelijkheid heeft ontnomen een begin van bewijs aan te dragen dat hij de gedraging niet heeft begaan dan wel dat de gedraging hem niet kan worden verweten door hem niet staande te houden. Dat de verbalisant in privétijd een boete uitschreef, is onvoldoende reden om niet tot staande houding over te gaan. De gemachtigde is hiermee welbewust in zijn bewijs- en procespositie geschaad, hetgeen dient te leiden tot het niet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie in diens vordering.

13. Artikel 5 van de WAHV bepaalt - voor zover hier van belang - dat indien is vastgesteld dat de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, en niet aanstonds is vastgesteld wie daarvan de bestuurder is, de administratieve sanctie wordt opgelegd aan degene op wiens naam het kenteken ten tijde van de gedraging in het kentekenregister was ingeschreven. Deze bepaling moet aldus worden verstaan dat ingeval zich een reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder van het motorrijtuig, waarmee de geconstateerde gedraging is verricht, voordoet, die bepaling buiten toepassing dient te blijven en de sanctie aan die bestuurder dient te worden opgelegd. De rechter zal, indien de gedraging met toepassing van artikel 5 van de WAHV is opgelegd, zoals in dezen het geval, in het algemeen - dus ook zonder dat dat met zoveel woorden uit het dossier blijkt - ervan mogen uitgaan dat zich geen reële mogelijkheid tot staandehouding van de bestuurder heeft voorgedaan.

14. De ambtsedige verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB houdt onder meer in: "Was privé derhalve niet staande gehouden." In een aanvullend proces-verbaal van 14 april 2016, door de advocaat-generaal overgelegd bij zijn verweerschrift, verklaart de verbalisant het volgende: "de reden dat ik privé niet staande houd, is dat ik op dat moment géén geweldsmiddelen en verbindingsmiddelen tot mijn beschikking heb en dus op dat moment heb besloten te volstaan met een beschikking op kenteken." Het hof ziet geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze verklaring. De mededeling van de gemachtigde ter zitting dat hij kennis heeft gekregen van vele processen-verbaal, waaruit blijkt dat deze verbalisant in andere gevallen waarin hij buiten diensttijd was wel heeft staande gehouden, leidt niet tot een ander oordeel. In dit geval mocht de verbalisant dus volstaan met het bekeuren op kenteken. Het verweer van de gemachtigde hieromtrent faalt derhalve.

15. Het hof deelt evenmin het standpunt van de gemachtigde dat hij, doordat hij niet in staande gehouden, in zijn verdedigingsbelang is geschaad. Artikel 4, tweede lid, WAHV houdt in: ''(…) De bekendmaking van de beschikking geschiedt binnen vier maanden nadat de gedraging heeft plaatsgevonden, door toezending aan het adres dat betrokkene heeft opgegeven of, indien dat niet mogelijk is en de gedraging heeft plaatsgevonden met of door middel van een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven, aan het adres dat is opgenomen in het kentekenregister. (...)". De gedraging is op 15 februari 2014 geconstateerd en de inleidende beschikking is op 27 februari 2014 aan de betrokkene toegezonden. Niet valt in te zien dat deze termijn zo lang is dat de gemachtigde hierdoor in zijn verdedigingsbelang geschaad is.

16. Voorts stelt de gemachtigde dat noch uit het proces-verbaal noch uit de beschikking blijkt welke wettelijke regel hij zou hebben overtreden. Door het woord "hinderde" toe te voegen aan de woorden in de delictsomschrijving heeft de verbalisant een nadere nuancering toegebracht aan het element "niet voor liet gaan". In het proces-verbaal is echter niet omschreven op welke wijze het verkeer zou zijn gehinderd, zodat niet te beoordelen is of de verweten gedraging voldoet aan het element in de delictsomschrijving. Indien hij het verkeer wel heeft gehinderd, kan hem dit niet worden verweten nu dit het gevolg was van de op dat moment bestaande verkeerssituatie.

17. Ten aanzien van het vorenstaande, overweegt het hof het volgende. In de beschikking staat de omschrijving van de gedraging vermeld, zodat op basis hiervan reeds voldoende duidelijk is waartegen de betrokkene zich dient te verdedigen. Uit het zaakoverzicht volgt eveneens voor welke soort gedraging aan de betrokkene een sanctie is opgelegd en welk artikel is overtreden. De klacht van de gemachtigde hierover faalt derhalve. De verklaring van de verbalisant, dat de betrokkene vanaf de uitrit op de Schonauwen de Gunterstein opreed en het verkeer op de Gunterstein niet voor liet gaan/hinderde, is voldoende om vast te stellen dat de gedraging is verricht. Onder verwijzing naar de notitie "Eisen aan de Processtukken" van de Ketenregiegroep Feitgecodeerde Zaken van het Openbaar Ministerie d.d. 11 juli 2013 heeft de gemachtigde in hoger beroep aangevoerd dat het proces-verbaal van de verbalisant niet is gedagtekend en niet door de verbalisant is ondertekend. Voorts bevat het proces-verbaal niet de voornamen, de achternaam en de rang van de verbalisant en het korps waar de verbalisant werkzaam is. Aan dit proces-verbaal komt dan ook geen bijzondere bewijskracht toe. Daarnaast acht de gemachtigde het aannemelijk dat de verbalisant als verkeersdeelnemer betrokken was bij de vermeende gedraging.

18. Het hof stelt vast dat de administratieve sanctie conform artikel 4, eerste lid, van de WAHV is opgelegd bij een gedagtekende beschikking. Voorts staan in het zaakoverzicht de achternaam en de rangomschrijving van de verbalisant vermeld en blijkt hieruit voor welke opsporingsinstantie hij werkzaam is en dat hij de ambtsbelofte heeft afgelegd. Het dossier bevat eveneens een afschrift van het brondocument, maar dit is niet ondertekend door de verbalisant. Dit brengt mee, zoals de gemachtigde heeft betoogd, dat aan de op basis van dit document in het zaakoverzicht opgenomen verklaring van de verbalisant geen bijzondere bewijskracht toekomt. De enkele omstandigheid dat die ondertekening ontbreekt, in verband met de omstandigheid dat dit document digitaal is aangemaakt, geeft echter op zichzelf geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de in het zaakoverzicht opgenomen gedragingsgegevens. Het hof stelt verder vast dat door de advocaat-generaal bij zijn verweerschrift een door de verbalisant op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend aanvullend proces-verbaal is overgelegd, waarin eveneens alle voornoemde gegevens van de verbalisant staan vermeld. Uit dit aanvullend proces-verbaal blijkt dat de verbalisant zelf niet is gehinderd door de vermeende gedraging en dat hij geen proces-verbaal zou hebben geschreven als dit wel het geval was geweest. Het hof heeft geen reden om aan deze verklaring van de verbalisant te twijfelen.

19. Volgens de gemachtigde is de aansluiting van de Schonauwen op de Guntersteijn geen uitrit, maar is er sprake van een kruising van twee gelijkwaardige wegen. Op beide wegen geldt een maximumsnelheid van 30 km/h en er wordt geen voorrangssituatie aangegeven middels verkeerstekens. Beide wegen zijn even breed en zijn er geen schuine inritblokken aanwezig. Ook loopt het trottoir langs de Guntersteijn niet door over de Schonauwen, hetgeen blijkt uit de verschillende tegels die zijn gebruikt voor de uitmonding en het trottoir. In een arrest van het hof (ECLI:NL:GHLEE:2011:BR1297) is bepaald dat het ononderbroken doorlopen van het trottoir en het niet afwijken van de type en kleur bestrating ter hoogte van de uitmonding van belang kan zijn bij de herkenning van een uitrit.

20. Het hof stelt het volgende voorop. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een in- en/of uitrit, is van belang of van iedere verkeersdeelnemer ter plaatse mag worden verwacht dat hij die uitmonding op duidelijk herkenbare wijze als uitrit kan herkennen. Daarbij speelt de bestemming van de uitmonding (bijvoorbeeld de toegang tot een erf van een woning of bedrijfsunit) en de constructie van de uitmondingsituatie een belangrijke rol. Bij de vormgeving van een uitritconstructie kan daarbij worden gedacht aan een trottoir of fietspad langs de doorgaande weg dat op nagenoeg dezelfde hoogte en in soortgelijke verharding doorloopt over de zijweg en/of de toepassing van zogenaamde inritblokken.

21. Uit de door de gemachtigde overgelegde foto's blijkt naar het oordeel van het hof dat voor een verkeersdeelnemer voldoende duidelijk herkenbaar is dat ter plaatse er sprake is van een uitrit. Er is een duidelijk zichtbare drempel, bestaande uit inritblokken, aanwezig en langs de Guntersteijn loopt een trottoir op dezelfde hoogte van deze drempel. Dat de vorm van de tegels van het trottoir en de uitmonding van de uitrit op de Schonauwen van elkaar verschillen is in het onderhavige geval geen omstandigheid die er toe leidt dat de uitrit niet als zodanig herkenbaar is. De kleur van de tegels komt wel met elkaar overeen en er is geen scheiding aangebracht, bijvoorbeeld in de vorm van een biels, tussen het trottoir en de uitmonding.

22. Ten aanzien van de stelling van de gemachtigde, dat het ontbreken van een heldere definitie van het begrip "uitrit" in strijd is met de rechtszekerheid en artikel 6 EVRM, overweegt het hof dat dit standpunt geen steun vindt in de wet en regelgeving en dat uit de jurisprudentie voldoende duidelijk volgt op grond van welke kenmerken een uitrit als zodanig kan worden herkend.

23. Al met al ziet het hof ziet in hetgeen de gemachtigde heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de gedraging is verricht. Nu de gemachtigde geen voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, noch uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie wordt derhalve ongegrond verklaard.

24. Het hof acht termen aanwezig om een proceskostenvergoeding toe te kennen voor de reiskosten die de gemachtigde heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van de kantonrechter. Ingevolge artikel 2, eerste lid, onder c, van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden reiskosten vergoed overeenkomstig artikel 11, eerste lid, onderdeel d, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003. Ingevolge die bepaling wordt een tarief vergoed waarvan de hoogte gelijk is aan de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse. Dit komt neer op het bedrag van € 5,48 [woonplaats] - Vrouwe Justitiaplein te Utrecht v.v.).

25. Voorts heeft de gemachtigde verzocht om vergoeding van verletkosten. Verletkosten komen voor vergoeding in aanmerking overeenkomstig artikel 2, eerste lid, onder d, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De door de gemachtigde ter zitting verzochte verletkosten van in totaal € 172,56 (3 uren x € 57,52) voor de zitting bij de kantonrechter kunnen worden vergoed.

26. Voor wat betreft de reis- en verletkosten die de gemachtigde heeft gemaakt voor het bijwonen van de zitting van het hof, verwijst het hof naar de vergoeding die daarvoor is toegekend in de zaak met WAHV-nummer 200.180.864, die gelijktijdig met deze zaak ter zitting van het hof is behandeld en waarin het hof heden eveneens arrest heeft gewezen.

27. Gelet op het voorgaande zal het hof de advocaat-generaal veroordelen tot het vergoeden van de proceskosten tot een bedrag van € 178,04. Hetgeen meer of anders is verzocht wordt afgewezen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 178,04, over te maken op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [gemachtigde] te [woonplaats] ;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Arntz als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.