Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4585

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2017
Datum publicatie
09-06-2017
Zaaknummer
16/00811
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:2840, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:798, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

IB/PVV. Persoonsgebonden aftrek. Scholingsuitgaven. Programma verkeersvlieger tot behoud brevet. Kosten medische keuring.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1325
V-N 2017/39.1.3
FutD 2017-1413
Viditax (FutD), 23-03-2018
Viditax (FutD), 01-06-2018
NTFR 2017/1696 met annotatie van
NLF 2017/1366 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Belastingkamer

Locatie Arnhem

nummer 16/00811

uitspraakdatum 30 mei 2017

uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Amsterdam (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank) van 3 juni 2016, nummer AWB 15/6846, in het geding tussen de Inspecteur en

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft ten aanzien van belanghebbende bij beschikking het bedrag van de niet in aanmerking genomen persoonsgebonden aftrek per 31 december 2012 vastgesteld op € 2.087.

1.2.

Na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur dat bedrag bij uitspraak op bezwaar gehandhaafd.

1.3.

Het door belanghebbende tegen deze uitspraak op bezwaar ingestelde beroep is door de Rechtbank gegrond verklaard. De Rechtbank heeft het in 1.1 bedoelde bedrag nader vastgesteld op € 4.073.

1.4.

De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

Tot de stukken van het geding behoort voorts het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6.

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgehad op 11 mei 2017 te Arnhem. Aldaar zijn verschenen en gehoord: belanghebbende, diens gemachtigde mr. [A] , alsmede mr. [B] en mr. [C] namens de Inspecteur.

1.7.

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt. Een afschrift hiervan is aan deze uitspraak gehecht.

2 Feiten

2.1.

Belanghebbende heeft in de jaren 2008 en 2009 een opleiding tot piloot gevolgd bij de [D] . Eind 2009 heeft hij zijn vliegbrevet behaald.

2.2.

Het vliegbrevet is één jaar geldig. Belanghebbende heeft, evenals in 2011, in het onderhavige jaar (2012) een overeenkomst met de [D] gesloten voor het volgen van het [E] Programma. Dit met het oog op het behoud van de geldigheid van het vliegbrevet (het in stand houden van de vliegvaardigheden en bevoegdheden).

2.3.

Tot het [E] Programma behoorden onder meer: (1) twee keer per jaar een sessie op een FNPT II (2 manscrew), (2) één lesvlucht (1:15) op de Be58 en (3) één profcheck, af te nemen op de Be58.

2.4.

Ter zake van het [E] Programma heeft belanghebbende in 2012 € 2.486 aan kosten betaald. Tot deze kosten behoort een bedrag van € 229 ter zake van een Class 1 medische keuring.

2.5.

In 2014 is belanghebbende als piloot in dienstbetrekking gaan werken bij [F] .

2.6.

Belanghebbende heeft ter zake van het [E] Programma een bedrag van € 1.986 (€ 2.486 min de drempel van € 500) in zijn aangifte IB/PVV 2012 als scholingsuitgaven in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft die aftrek (aanvankelijk) niet aanvaard.

2.7.

De Rechtbank heeft belanghebbende in het gelijk gesteld en het bedrag van € 1.986 als scholingsuitgaven in aftrek toegelaten.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of de onderhavige kosten van het [E] Programma (volledig) als scholingsuitgaven in aanmerking kunnen worden genomen. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2.

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke door hen zijn aangevoerd in de stukken. Voor hetgeen zij daaraan ter zitting hebben toegevoegd, wordt verwezen naar het proces-verbaal van de zitting.

3.3.

De Inspecteur concludeert (nader) tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vaststelling van het bedrag van nog te verrekenen persoonsgebonden aftrek op kennelijk € 3.844.

3.4.

Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

In hoger beroep wordt door de Inspecteur – terecht – niet langer bestreden dat het door belanghebbende in 2012 gevolgde [E] Programma van de [D] als een opleiding of studie in de zin van artikel 6.27, eerste lid (tekst 2012), van de Wet inkomstenbelasting 2001 dient te worden aangemerkt. De door belanghebbende voor dat programma in 2012 gedane uitgaven dienen, aldus het nadere standpunt van de Inspecteur, als scholingsuitgaven in aanmerking te worden genomen, behoudens de kosten van de medische keuring. Die kosten (€ 229) staan volgens de Inspecteur in een te ver verwijderd verband met de opleiding of studie.

4.2.

Gelijk belanghebbende betoogt, vormen de onderhavige kosten van de medische keuring naar het oordeel van het Hof evenzeer scholingsuitgaven als bedoeld in de in 4.1 genoemde wetsbepaling. Redengevend hiervoor acht het Hof de omstandigheid dat tot het [E] Programma onder meer een verplichte lesvlucht behoort (zie 2.3) die, zoals belanghebbende ter zitting heeft betoogd en hetgeen door de Inspecteur niet is weersproken, niet zonder een (positieve) medische keuring kan worden afgelegd. Alsdan moet worden geconcludeerd dat de onderhavige kosten van de medische keuring in een rechtstreeks verband staan met de door belanghebbende gevolgde opleiding of studie. De omstandigheid dat piloten, naar de Inspecteur heeft gesteld, jaarlijks in het kader van hun beroep – derhalve los van een opleiding – ook medisch dienen te worden gekeurd, doet aan deze conclusie niet af.

4.3.

De Rechtbank heeft terecht het bedrag van € 1.986 als scholingsuitgaven in aanmerking genomen.

Slotsom

Het hoger beroep van de Inspecteur is ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling van de Inspecteur in de door belanghebbende in hoger beroep gemaakte proceskosten. Het Hof stelt het bedrag van de vergoeding, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, vast op € 990 (2 x € 495) ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Opmerking hierbij verdient dat de beslissing van de Rechtbank inzake de proceskosten voor de fase van beroep in stand wordt gelaten door het Hof.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 990, en

  • -

    bepaalt dat de Inspecteur na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een griffierecht is verschuldigd van € 503.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. M.G.J.M. van Kempen en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 30 mei 2017

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 2 juni 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.