Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4577

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
30-05-2017
Datum publicatie
09-06-2017
Zaaknummer
15/00515
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2015:1897, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Invoer auto’s uit Duitsland. Nieuw of gebruikt? Interne compensatie? Bewijslastverdeling. Taxatiemethodiek. Marge-auto. Rentevergoeding. Immateriële schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2017/1320
V-N 2017/41.20 met annotatie van Redactie
FutD 2017-1437
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummer 15/00515

uitspraakdatum: 30 mei 2017

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)

en het incidenteel hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Enschede (hierna: de Inspecteur)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 24 maart 2015, nummer AWB 13/6959, in het geding tussen belanghebbende, de Inspecteur

en

de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Staat)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Belanghebbende heeft voor de maand juli 2013 op aangifte een bedrag van € 55.361 aan belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) voldaan.

1.2

Belanghebbende heeft tegen de voldoening op aangifte bezwaar gemaakt.

1.3

De Inspecteur heeft met dagtekening 7 oktober 2013 bij uitspraak op bezwaar het bezwaar van belanghebbende afgewezen.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank).

1.5

De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.6

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. De Inspecteur heeft tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft daarop een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft voorts een conclusie van repliek ingediend en de Inspecteur een conclusie van dupliek. Voorts hebben partijen over een weer voorafgaande aan de zitting nadere stukken overgelegd.

1.7

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.8

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 9 maart 2017 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: mr. [A] RB als de gemachtigde van belanghebbende alsmede, namens de Inspecteur, mr. [B] , bijgestaan door mr. [C] , [D] , [E] en mr. [F] .

1.9

Ter zitting van het Hof zijn gelijktijdig de zaken behandeld met de hierna te noemen zaaknummers van het Hof: 15/00506, 15/00507, 15/00508, 15/00509, 15/00510, 15/00511, 15/00512, 15/00513, 15/00514, 15/00515, 15/00942, 15/01468 en 15/01472.

1.10

Belanghebbende heeft ter zitting, met instemming van de wederpartij, een pleitnota met bijlagen overgelegd. De Inspecteur heeft met instemming van de wederpartij ter zitting een nader stuk overgelegd

1.11

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende, een besloten vennootschap, handelt in auto’s van verschillende in het zogenoemd hogere segment gelegen merken. Belanghebbende is geen erkende autodealer. Ten einde auto’s vanuit Duitsland naar Nederland te importeren, maakt belanghebbende onder meer gebruik van in Duitsland gevestigde vennootschappen. Deze vennootschappen kopen de auto’s in die vervolgens via belanghebbende aan Nederlandse klanten worden doorverkocht.

2.2

Aan belanghebbende is krachtens artikel 8 van de Wet op de belastingen van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: de Wet BPM) vergunning verleend om per tijdvak van een kalendermaand aangifte te doen.

2.3

Belanghebbende heeft in de maand juli 2013 vanuit Duitsland, de hierna te noemen personenauto’s (hierna: de auto’s) naar Nederland overgebracht en deze doen registreren in het krachtens de Wegenverkeerswet 1994 aangehouden kentekenregister. In verband hiermee heeft zij, aan de hand van de data van eerste toelating en de tabel bij artikel 10 van de Wet BPM, kortingspercentage toegepast ter zake van de afschrijving en daarop de aangifte gebaseerd. Dit betreft de volgende kortingen en bedragen (in euro’s; voor de Audi RS4 is geen X-ray koerslijst gebruikt, voor de overige drie auto’s is de koerslijst X-ray BTW gebruikt) :

merk

type

km BLH

1e toelating

op naam

aangifte

nieuw

BPM nieuw

X Ray e.a.

Audi

RS4

45

24-6-2013

4-7-2013

32.505

155.540

32.505

101.683

Audi

A6

3258

31-5-2013

12-7-2013

9.741

98.417

15.739

60.918

Audi

A4

27-7-2012

19-7-2013

4.581

60.794

8.436

33.024

Audi

A6

17240

22-10-2012

20-7-2013

8.534

93.927

16.555

48.432

2.4

Ter onderbouwing van haar in bezwaar ingenomen stelling dat de door haar voldane BPM meer bedraagt dan het restant aan BPM dat nog drukt op vergelijkbare, reeds in Nederland geregistreerde personenauto’s, heeft belanghebbende een overzicht van de handelsinkoopwaarden van de auto’s overgelegd, afkomstig van [G] B.V. (hierna: [G] ) uitgaande van zogenoemde marge-auto’s.

2.5

De Inspecteur heeft ter zake van de voldoening op aangifte het standpunt in genomen dat de door belanghebbende gebezigde koeslijsten van [G] in het onderhavige geval niet bruikbaar zijn omdat daarin, aldus de Inspecteur, geen daadwerkelijk gerealiseerde transacties zouden zijn verwerkt van zeer jonge auto’s van naar zijn mening exclusieve merken.

2.6

Op 21 september 2010 heeft de staatssecretaris van Financiën – voor zover hier van belang – de volgende toelichting op zijn besluit om af te zien van cassatie tegen een uitspraak van dit Hof gedagtekend 3 augustus 2010, nr. 09/00244, ECLI:NL:GHARN:2010:BN4420:

“Het verwijzingshof oordeelt dat de inspecteur, met verwijzing naar Autotelex en AutotelexPRO, onvoldoende aannemelijk maakt dat het restant BPM in de inkoopprijzen van referentieauto's € 9.994 bedraagt, zodat ook de door B verschuldigde BPM op dat bedrag gesteld moet worden. Gelet op de totstandkoming van die gegevens kunnen die niet leiden tot de inkoopprijs die een handelaar betaalt voor een referentieauto. Vervolgens is dan de vraag of B's berekening van het verschuldigde bedrag aan BPM kan worden gevolgd. Volgens het hof is dat inderdaad het geval. B maakt gebruik van het XRAY-inruilwaardesysteem (een landelijk erkend systeem voor autohandelaren ter bepaling van de inruilwaarde van gebruikte auto's). Hij maakt voldoende aannemelijk dat in dit geval de uit het XRAY-inruilwaardesysteem geputte inkoopprijs de inkoopprijs weergeeft die handelaren zouden betalen voor referentieauto's. Aan de hand van de netto catalogusprijs, de over deze prijs berekende BPM en de inkoopprijs van de referentieauto, kan het restant van de BPM berekend worden. Het gelijk is aan B (rolnr. 2009/00244).

De minister laat weten dat hij afziet van cassatie. Ter toelichting merkt hij op dat de hofuitspraak geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en voor het overige sterk is verweven met waarderingen van feitelijke aard. Het feitelijke oordeel van het hof is mede tot stand gekomen aan de hand van de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van bewijsmiddelen. Het oordeel is in het licht hiervan niet onbegrijpelijk en kan in cassatie dan ook niet met kans op succes worden bestreden. Hierbij moet worden bedacht dat in cassatie geen hernieuwd feitenonderzoek kan plaatsvinden. Het berusten in deze uitspraak impliceert voorshands ook dat het zogenoemde XRAY inruilwaardesysteem in beginsel kan worden aanvaard als maatgevend voor het bepalen van de inkoopwaarde van voor de BPM aan te geven motorrijtuigen. Overigens zal nog wel in overleg met de branche worden bezien of de inkoopwaarde van een auto eenduidiger kan worden bepaald.”

Toelichting minister van 17 september nr. DGB 2010-5248 n.a.v. uitspraak hof Arnhem na verwijzing van 3 augustus 2010, Bpm 1992 9 en 10 en EG-verdrag 90

2.7

In het kader van het gebruik van de koerslijst [G] vindt overleg plaats tussen de directeur van [G] , de heer [H] (hierna: [H] ), en de Inspecteur. In dat kader heeft [H] op 19 november 2010 de volgende mail aan de Inspecteur, in de persoon van [I] (plaatsvervanger projectleider transitie BPM; hierna: [I] ) gezonden:

“Graag even uw aandacht voor het volgende, XRAY ontvang inmiddels veel aanvragen voor het aanleveren van historische restwaarde calculaties. (…) Onze klanten willen een garantie dat de aangifte ook daadwerkelijk geaccepteerd zal worden. Natuurlijk kan ik die garantie niet afgeven, en ik verwacht ook niet dat de belastingdienst op voorhand die garantie afgeeft. Ik ga er echter wel vanuit dat alle belastingkantoren inmiddels richtlijnen hebben dat een XRAY calculatie, mits op de juiste wijze uitgevoerd, als geldig bewijs wordt gezien. De goede contacten die er vanuit XRAY met de verschillende backoffices zijn, geven ook geen enkele reden om hieraan te twijfelen. Ook zijn de ervaringen van mijn klanten tot dusver ook erg positief, met uitzondering van een aantal klanten die via het kantoor Enschede (?) aangiftes doen. Daar schijnt geen duidelijk beleid te zijn mbt de acceptatie van XRAY. Graag verneem ik van u wat de reden is voor deze afwijking van het landelijk beleid.”

Op 22 november 2010 heeft [I] per mail het volgende aan [H] geantwoord:

“Inzake uw onderstaande mailbericht kan ik u als volgt berichten: Aan de uitvoeringspraktijk van de Belastingdienst is uitgedragen dat XRAY een in de handel algemeen toegepaste koerslijst voor de inkoop van gebruikte motorrijtuigen door wederverkopers in Nederland is, en als zodanig kan worden aangewend en toegepast in het BPM-aangifteproces. Hierover kan en mag geen misverstand meer bestaan. Uw opmerking over de klantervaringen aan het kantoor Enschede kan ik moeilijk plaatsen. Mogelijk dat u mij daarover meer specifieke informatie kunt geven.

2.8

Tot de stukken van het geding behoort voorts een mail van 12 juni 2013 van [H] aan [I] . Hierin staat, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

“Naar aanleiding van het prettige gesprek (…) waarbij wij uitgebreid gesproken hebben over het acceptatiebeleid van de belastingdienst inzake XRAY en met name het afwijkende acceptatiebeleid betreffende kantoor Enschede, stuur ik hierbij een aanvullende onderbouwing van de twee besproken vraagstukken te weten:

  1. Waardering “jong/exclusief” in XRAY

  2. Waardering “marge/btw” in XRAY

Waardering jong/exclusief in XRAY

De XRAY waarde is mede gebaseerd op de kennis en transacties van de bij XRAY aangesloten (groot) handelaren die gezamenlijk jaarlijks ongeveer tussen de 120.000 en 150.000 gebruikte auto’s verhandelen. Zodra er van een auto een betrouwbare en marktconforme waarde is af te geven wordt deze opgenomen in de XRAYdatabase en ter beschikking gesteld worden middels het XRAYlive taxatiesysteem. XRAY baseert zich hierbij o.a. op de kennis van de aangesloten handelaren, (welke gebaseerd is op daadwerkelijke transacties), de courantheid van desbetreffende model/type en de courantheid van het voorafgaande merk/type. (Bijv. bij de introductie van een nieuwe BMW 7 serie kan er op basis van de courantheid van de huidige 7-serie een goede en betrouwbare restwaarde indicatie worden afgegeven.) Het is dus altijd een combinatie van factoren die tot een restwaarde leiden. In verband met de overcapaciteit op de Europese markt komt het steeds vaker voor dat nieuwe, maar wel geregistreerde auto’s in partijen worden aangeboden aan de groothandel. Dit resulteert in meer kennis en tevens inzage in het margebeleid van de verschillende fabrikanten. Ook dit speelt een rol in onze waarderingen.

Auto’s waar onvoldoende kennis voor aanwezig is en/of auto’s waarvan de waarderingen te ver uiteen lopen om een goed gemiddelde te berekenen en waarvan derhalve geen betrouwbare restwaarde op kan worden afgegeven worden niet in XRAY opgenomen. Enkele voorbeelden hiervan zijn: Bentley, Ferrari, Hummer, Lotus, Rolls Royce, Aston Martin, Maserati, Morgan, Maybach ed. Zodra er voldoende kennis aanwezig is wordt de betreffende auto in XRAY opgenomen en zal deze aan iedere periodieke taxatie update controle deelnemen.

Conclusie: indien de auto opgenomen wordt in de XRAYdatabase is de afgegeven handelswaarde betrouwbaar, indien er geen betrouwbare info voor handen is, is het niet mogelijk een XRAY calculatie te maken. XRAY blijft zelf bepalen of een voertuig in de koerslijst wordt opgenomen, dit is niet ter beoordeling van een individuele belastinginspecteur.

Tevens verwijs ik u ter informatie naar bijgaand schema waar we een aantal willekeurige jonge auto’s uit het “hogere” segment hebben doorgerekend in zowel XRAY als Autotelex. Zoals u ziet zijn de XRAY waarderingen structureel hoger dan de Telex waarderingen waarmee we aantonen dat XRAY als geen ander de huidige tendens van stijgende occasionprijzen volgt.

(…)

Afwaardering marge auto t.o.v. btw auto XRAY

Het XRAY taxatiesysteem voorziet in functionaliteit om aan te geven of het een marge of BTW auto betreft. In gevel van marge zal er een afwaardering van de bruto XRAYwaarde plaatsvinden. Deze afwaardering is afhankelijk van een aantal factoren zoals o.a. De nieuwprijs, de leeftijd, km stand, brandstof en het segment. Bij auto’s waarvan verwacht kan worden dat de volgende eigenaar een particulier is zal deze afwaardering praktisch nihil zijn. (Fiat 500, Renault Twingo e.d.). Bij auto’s die voornamelijk zakelijk bereden worden zal de afwaardering aanzienlijk groter zijn, de doelgroep/afzetmarkt en daarmee de kans op verkoop is nl aanzienlijk kleiner. (BMW 5 serie Diesel, MB E klasse D e.d.). De afwaardering varieert tussen de 0,15% en de 8%. (…)”

2.9

Op 23 april 2014 heeft [H] , tezamen met [J] grondlegger van het [G] live taxatiesysteem, ten kantore van [G] , de Inspecteur tekst en uitleg gegeven over de werking van [G] . Tot de stukken van het geding behoort een door de Inspecteur, in de persoon van mr. [B] , opgemaakt en door [H] voor akkoord ondertekend verslag:

“Het XRAY systeem wordt mede gebaseerd op de kennis en transacties van de bij XRAY aangesloten (groot) handelaren. Handelaren weten drommels goed wat de prijzen zijn. De Kamer van Koophandel kent 3.600 autohandelaren. Daar zitten echter ook louche figuren onder. We zochten goede, accurate en betrouwbare handelaren voor XRAY. Deze worden betaald om hun kennis met XRAY te delen. Als die mensen niet accuraat zijn en geen betrouwbare cijfers aanleveren, zijn ze ongeschikt. Het gaat erom een voorcalculatie te maken naast een nacalculatie.” Aldus dhr. [J] .

Dhr. [K] (Hof: namens de Inspecteur): “Wordt die voorcalculatie gebaseerd op daadwerkelijk gerealiseerde inkoopprijzen?”

Dhr. [J] antwoordt bevestigend: “Ja, bij onze handelaren is de omloopsnelheid hoog en de kennis van ingekochte auto’s navenant groot.

(…)

Over jong gebruikte auto’s heb ik vanochtend telefonisch gesproken met een aantal taxateurs. In verband met de overcapaciteit op de Europese markt komt het steeds vaker voor dat nieuwe, maar wel geregistreerde auto’s in grote partijen worden aangeboden aan de groothandel. Dit resulteert in meer kennis en tevens inzage in het margebeleid van de verschillende fabrikanten. Ook dit speelt een rol in onze waarderingen. Volgen cijfers van het RDC worden ruim 20% van de jaarlijks verkochte lees geregistreerde nieuwe auto’s geregistreerd op naam van de dealer, niet op naam van de eindgebruiker. Deze auto’s worden geforceerd geregistreerd en daarna met grote kortingen aangeboden, ook aan de handel. Daarnaast zijn er diverse acties op nieuwe auto’s (bijvoorbeeld BMW 6 serie met 30.000-35.000 korting en MB A-klasse met 3.500 korting). Deze acties op nieuw hebben direct invloed op restwaarde gebruikt. Al deze kennis komt direct via onze aangesloten handelaren terug in ons systeem.

(…)

Vorig jaar zijn 420.000 nieuwe auto’s geregistreerd in Nederland. Daarvan zijn om reden van de bonussen 10% op naam van dealers gesteld. In het 1e kwartaal van 2014 was dat al 20%. Dat geeft een neerwaartse druk op de waarden. Neem bijvoorbeeld de BMW 6-serie. Deze kent nu € 30.000-35.000 korting op de nieuwprijs als je die vandaag nieuw registreert. Dat is een informatiebron voor ons systeem.

Dhr. [B] : “Neemt u dit als effect mee in uw XRAY?”

Dhr. [H] : “Ja, dat wordt meteen in ons systeem verwerkt. Via onze experts verwerken we die gegevens in ons systeem.”

(…)

Dhr. [H] : “Wij baseren ons op transacties van onze handelaren en afgeleiden daarvan. Een Porsche 911 is gangbaar en staat ook in XRAY. Een Porsche 911 GT3 echter niet. Exoten worden in XRAY niet opgenomen. Wij baseren onze prijzen o.a. op de kennis van de bij XRAY aangesloten handelaren en groothandelaren die gezamenlijk ruim 150.000 gebruikte auto’s verhandelen, pure professionals. Bedrijven die op grote schaal gebruikte auto’s inkopen en verkopen. Al deze transacties en hiervan afgeleide informatie vormen dus mede de basis voor het bepalen van de marktwaarde. De wetenschap dat nieuwe auto’s met 10 tot soms wel 20 % korting in de markt worden aangeboden draagt ook bij aan de restwaardebepaling. Alle beschikbare informatie wordt meegenomen, en zodra er voldoende informatie aanwezig is, wordt de auto opgenomen in XRAY, en kan er een calculatie gemaakt worden. Zolang er niet voldoende informatie aanwezig is wordt de auto niet opgenomen en kan er geen calculatie gemaakt worden. Hier zijn legio voorbeelden van: Bentley, Ferrari, Lamborghini, Maserati, Aston Marting enz. Ook de exclusieve uitvoeringen van Mercedes, BMW of Porsche worden niet opgenomen. (bijv. Porsche 911 GT3, Mercedes SLS). We gaan niet op één transactie af. We middelen meerdere transacties.”

Dhr. [K] : “Ook als de auto in Nederland nog niet verkocht is? Kan dat ook in XRAY?”

Dhr. [J] antwoordt: “Indien een auto in Nederland niet nieuw geleverd is komt deze ook niet voor in XRAY.”

Dhr. [H] vult aan: “Stel die auto wordt mondjesmaat verkocht, en de handelaren zijn bijvoorbeeld op de hoogte van de € 30.000-regeling (korting), dan geven ze een aangepaste waarde af, gebaseerd op deze kennis. (…)”

(…)

Gerechtsprocedure [B]

Dhr. [B] verstrekt dhr. [J] een afschrift van een uitspraak van Rechtbank Arnhem en verzoekt dhr. [J] een kopie te maken van de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem. Hij wijst er op dat het bij die 56 auto’s om 10 gebruikte auto’s ging, waarbij de rechters de koerslijsten XRAY, opgemaakt in 2010, als taxatiekaarten omschreven en terzijde legden. [B] wijst met name op punt 4.3 tot 4.5 van de Hofuitspraak en het feit dat de betreffende handelaar kunstgrepen, zoals in de uitspraak vermeld, toepaste.

Dhr. [J] deelt mee eerder van de casus te hebben vernomen en het correct te achten dat de Belastingdienst zulke misstanden/constructies niet accepteert.

(…)

Dhr. [H] vindt deze uitspraak niet relevant. Het systeem XRAY stond hier niet ter discussie, maar de constructie van de betreffende aangever. Aangezien het Hof oordeelde dat het nieuwe auto’s betrof i.p.v. gebruikte is het meer dan logisch en terecht dat een eventueel XRAY taxatierapport niet van toepassing is. Het betrof hier overigens geen koerslijstaangifte maar taxatierapport aangifte, opgesteld door B. Inhoudelijk heeft XRAY geen kennis van desbetreffende rapporten. XRAY is niet betrokken geweest bij deze zaken en er is in deze procedures ons nooit gevraagd om enige onderbouwing aan te leveren. Indien er sprake is van constructies en/of manipulatie met het doel een lagere BPM afdracht te bewerkstelligen moet hiertegen opgetreden worden. In dat geval is dhr. [H] van mening dat deze aangiftes terecht zijn afgewezen.

(…)

Dhr. [B] heeft enkele voorbeelden aangeleverd welke dhr. [H] bespreekt. Dhr. [B] merkt op dat de door hem aangeleverde praktijkvoorbeelden XRAY zelfs met minder kilometers (3.000) en een jongere leeftijd (nog geen maand) een evident hogere afwaardering (40%) kennen ten opzichte van de in de e-mail d.d. 12 juni 2013 van dhr. [H] vermelde lijst met acht exclusieve auto’s (waardedaling ca. 20%) met een hogere kilometerstand (5.000) en een hogere leeftijd (3 maanden). Tevens deelt dhr. [B] deelt mee dat de belastingdienst Enschede het niet mogelijk acht dat van zo’n aangeleverde Porsche of BMW 6 Serie een daadwerkelijke transactie deel uit kan maken van de database XRAY. Zeker niet in grote aantallen. Volgens hem zal zo’n auto in Nederland hooguit incidenteel eens ter inkoop worden aangeboden bij een handelaar.

Dhr. [H] merkt op dat het verklaarbaar is dat voorbeelden uit de mail van 12 juni 2013 ander percentages vertonen dan de 6 genoemde praktijkvoorbeelden. Het betreft andere periodes en andere voertuigen.

Dhr. [B] merkt op dat al deze voertuigen niet te calculeren zijn met Autotelex.

Dhr. [H] meldt dat dhr. [B] niet goed geïnformeerd is, deze auto’s zijn tevens met Auto Telex te berekenen en in de meeste gevallen met lagere uitkomsten, zie mail 12 juni 2013. Dhr. [H] zal de betreffende Autotelex taxaties nazenden.

Dhr. [H] merkt op dat de taxatieteams de waarden bepalen. “De handelaren uit de taxatieteams beschikken over de gegevens. De gegevens zitten niet in de database van XRAY, maar in die van de handelaren. Wij baseren ons op die transactiegegevens en op afgeleiden daarvan.”

2.10

In een ongedateerde verklaring van [H] is het volgende opgenomen:

“Betreft: Omschrijving XRAY handelswaarde

Officiële handelsprijs

Uitgangspunt binnen het XRAYlive taxatiesysteem is de enige reële en objectief vast te stellen marktwaarde van een geregistreerde auto: de handelsinkoopwaarde. Dit betreft de inkoopprijs zoals die bij inkoop van een particuliere of zakelijke klant door de handel wordt betaald. De handelswaarden in het Xray taxatie systeem worden bepaald uit input van een half miljoen prijsnotaties per jaar die op periodieke basis worden aangeleverd door een grote groep speciaal geselecteerde gebruikte auto specialisten. Op deze wijze kan ook de handelsinkoopwaarde worden bepaald van auto’s direct na het moment van 1e toelating. Daarnaast houdt XRAY nauw contact met leasemaatschappijen, dealerbedrijven en fleetowners over belangrijke marktveranderingen en verwerkt deze in de software.

Sinds 1991 legt XRAY de inkoopwaarde van auto’s vast voor handelaren, verzekeraars, banken, importeurs, leasemaatschappijen en andere marktpartijen. De waarden zijn mede gebaseerd op daadwerkelijke transacties van een groot aantal marktpartijen. Sinds 1991 is van steeds meer merken en typen auto’s informatie opgeslagen.

Door alle informatie vanuit het verleden goed vast te leggen (historische nieuwprijzen, historische inkoopprijzen ed.) bestaat de mogelijkheid om op een later tijdstip precies vast te stellen welke inkoopwaarden in het verleden voor een in het systeem opgenomen voertuig werden gehanteerd. Dit betekent dat XRAY de waarden van een voertuig niet naar het verleden herleidt, maar de daadwerkelijke waarde van het voertuig op enig moment in het verleden kan vaststellen.”

2.11

In de toelichting Aangifte, melding en berekening bpm is onder nummer 5 – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

“5. Vermindering bpm op basis van koerslijst

Gaat het om de eerste registratie in Nederland van een in het buitenland geregistreerd, gebruikt motorrijtuig? Dan kunt u de te betalen bpm onder bepaalde voorwaarden berekenen op basis van inkoopwaarde. In dat geval wordt de werkelijke afschrijving van het motorrijtuig gebruikt om de bpm vast te stellen. Uw motorrijtuig wordt dan vergeleken met vergelijkbare motorrijtuigen die al in Nederland zijn geregistreerd. Daarbij is het uitgangspunt de werkelijke waarde van het motorrijtuig bij inkoop door een handelaar van een particulier in Nederland.

Voorwaarden voor toepassing van deze regeling zijn:

  • -

    U moet de waarde van het motorrijtuig aantonen aan de hand van een koerslijst.

  • -

    De koerslijst geeft de waarde bij inkoop door handelaren van particulieren.

  • -

    (…)

U moet al bij de aangifte aanspraak maken op toepassing van de regeling.”

3 Geschil

3.1.

In hoger beroep is tussen partijen in geschil of de op aangifte voldane BPM tot het juiste bedrag berekend is met name de BPM geheven ter zake van de registratie van de twee Audi’s A6 en Audi A4 (2.3). Belanghebbende beantwoordt die vraag ontkennend en de Inspecteur bevestigend. Daarnaast beroept de Inspecteur zich op interne compensatie. Voor de specifieke geschilpunten wordt verwezen naar onderdeel 4 van deze uitspraak.

3.2.

Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur zijn incidenteel hoger beroep onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig ingetrokken.

3.3.

De vraag of belanghebbende recht heeft op vergoeding van de kosten van een deskundige (nota Vitex d.d. 20 december 2014) zal, zoals met partijen ter zitting van het Hof is overeengekomen, worden beoordeeld in de zaak met Hofkenmerk 15/00942.

3.4.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.5.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de uitspraak van de Inspecteur en tot vermindering van de op aangifte voldane BPM met een bedrag van € 1.829. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Nieuw of gebruikt

4.1.

De Wet BPM maakt voor de berekening van de verschuldigde Bpm onderscheid tussen een nieuwe personenauto en een gebruikte personenauto. Met betrekking tot gebruikte personenauto’s wordt voor de berekening van de verschuldigde BPM een vermindering (afschrijving) toegepast; met betrekking tot nieuwe personenauto’s niet. Onder een nieuwe personenauto moet worden verstaan een auto die na de vervaardiging ervan niet of nauwelijks in gebruik is geweest. Een personenauto die niet als een nieuwe personenauto in deze zin kan worden aangemerkt, moet als een gebruikte personenauto in de zin van de Wet BPM worden aangemerkt (vgl. HR 27 januari 2017, nr. 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:79).

4.2.

De Inspecteur heeft (ook) in hoger beroep met betrekking tot één van de in geschil zijnde auto’s, te weten de Audi A6 met datum eerste toelating 31 mei 2013 (2.3) het standpunt ingenomen dat die als nieuw in zo-even bedoelde zin dient te worden aangemerkt. Anders dan belanghebbende betoogt, kan naar het oordeel van het Hof niet worden gezegd dat de Inspecteur dit standpunt in de procedure bij de Rechtbank ondubbelzinnig heeft prijsgegeven (zie proces-verbaal van de zitting bij de Rechtbank). Dit betekent dat dit standpunt ook in hoger beroep dient te worden behandeld.

4.3.

Wanneer een inspecteur gemotiveerd stelt dat een auto als nieuw dient te worden aangemerkt, is het aan de belastingplichtige – die immers een afschrijving claimt – feiten aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat sprake is van een gebruikte auto. In het onderhavige geval is belanghebbende daarin geslaagd. Gelet op met name de kilometerstand van de onderhavige auto ten tijde van de voldoening, namelijk 3.261, kan immers niet worden gezegd dat de auto na de vervaardiging niet of nauwelijks is gebruikt. Aangetekend hierbij zij nog dat de onderhavige dossiers naar het oordeel van het Hof geen aanknopingspunten bieden voor het standpunt dat de kilometerstand zou zijn gemanipuleerd.

Interne compensatie

4.4.

In zoverre de Inspecteur zich wenst te beroepen op, kort gezegd, het leerstuk van interne compensatie met betrekking tot de verschillende auto’s die door belanghebbende in een bepaald tijdvak vanuit het buitenland naar Nederland zijn overgebracht, slaagt dat beroep niet (zie Hof Arnhem-Leeuwarden 10 januari 2017, nrs. 15/00182 tot en met 15/00270, ECLI:NL:GHARL:2017:131). Dat geldt naar het oordeel van het Hof niet alleen in procedures inzake naheffingsaanslagen maar ook in procedures betreffende de voldoening op aangifte van BPM door een vergunninghouder. Gelet hierop, behoeft de stelling van belanghebbende, dat de Inspecteur zijn beroep op interne compensatie uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven, geen behandeling.

Bewijslast

4.5.

Ingevolge artikel 10, lid 1, van de Wet BPM wordt, voor zover hier van belang, met betrekking tot gebruikte personenauto’s het op de voet van artikel 9 van de Wet BPM bepaalde bedrag aan BPM berekend met inachtneming van een vermindering (de afschrijving). In de volgende leden van artikel 10 is de wijze van berekening van de vermindering nader uitgewerkt.

4.6.

Het geschil van partijen heeft, na het in 4.4 gegeven oordeel, betrekking op de hoogte van de ter zake van de twee Audi’s A6 en de Audi A4 in aanmerking te nemen afschrijving. In dat kader rijst de vraag op wie de bewijslast rust.

4.7.

In dit verband is het volgende van belang. Wanneer procespartijen, zoals hier, strijden over feiten in het kader van een wettelijke regeling die leidt tot een vermindering van de belastingschuld, ligt het in de regel op de weg van de belastingplichtige die feiten te stellen, en bij gemotiveerde betwisting door de inspecteur, aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat terecht aanspraak wordt gemaakt op de desbetreffende vermindering. Als uitgangspunt heeft deze regel van bewijslastverdeling ook te gelden in zaken als de onderhavige betreffende de voldoening op aangifte van BPM (zie het arrest van 12 mei 2017, nr. 15/03459, ECLI:NL:HR:2017:847, r.o 2.4.)

Taxatiemethodiek

4.8.

Belanghebbende is bij de berekening van de waarde van een referentieauto (en de vermindering van de BPM) uitgegaan van koerslijsten van [G] . Die methode strookt met de Wet BPM (artikel 10, lid 7, van de Wet BPM in verbinding met artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992) en is algemeen aanvaard in de jurisprudentie, ook in die van de Hoge Raad. Het betreft immers een in de handel algemeen toegepaste koerslijst. Ook de Belastingdienst gaat bij de toepassing van de Wet BPM daarvan uit. Verwezen wordt naar de onder 2.6 e.v. vermelde feiten.

4.9.

De Inspecteur meent niettemin dat de koerslijsten van [G] hier niet bruikbaar zijn omdat daarin geen transacties zouden zijn verwerkt van zeer jonge auto’s van exclusieve merken. Nog daargelaten wat onder auto’s van exclusieve merken moet worden verstaan en of daarvan sprake is in het onderhavige geval, verwerpt het Hof het standpunt van de Inspecteur. De door de Inspecteur overgelegde verklaringen van medewerkers van Autotelex zijn te dezen niet relevant, aangezien belanghebbende met betrekking tot de in geschil zijnde auto’s gebruik heeft gemaakt van de koerslijsten van [G] . Gelet op de tot de gedingstukken behorende – en onder de feiten opgenomen – verklaringen van de heer [H] van [G] acht het Hof aannemelijk dat de, het zij nogmaals benadrukt in de praktijk algemeen toegepaste, koerslijsten van [G] te dezen bruikbaar zijn voor de bepaling van de afschrijving met betrekking tot de onderhavige uit het buitenland overgebrachte auto’s. Het aanbod van de Inspecteur om medewerkers van [G] als getuigen op te roepen, wordt door het Hof gepasseerd, aangezien de directeur van [G] , in de persoon van de heer [H] , reeds meerdere verklaringen heeft afgelegd die tot de stukken van het geding (zie 2.7 e.v).

Marge-auto

4.10.

Voor zover belanghebbende, in afwijking bij de voldoening op aangifte, in plaats van – kort gezegd – een koerslijst op basis van een BTW-auto de vermindering in bezwaar, beroep of in hoger beroep wenst te berekenen aan de hand van een koerslijst op basis van een marge-auto, is zij daartoe gerechtigd (vgl. HR 18 maart 2016, nr. 14/04111, ECLI:NL:HR:2016:422, en HR 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:H:2017:45).

Onderhavige geval

4.11.

Voor de in het onderhavige tijdvak in geschil zijnde auto’s heeft belanghebbende de navolgende bedragen aan verschuldigde BPM berekend, waarbij “HW [G] ” staat voor handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst van [G] , en de toevoeging “BTW” of “marge” aangeeft of het de handelsinkoopwaarde volgens de koerslijst voor BTW auto’s, dan wel die voor marge-auto’s betreft (in euro’s):

Merk

type

Nieuw

prijs

Bruto BPM

HW [G] BTW

HW [G] marge

BPM BTW auto

BPM margeauto

Verschil

Audi

A6

98.417

15.739

60.918

56.045

9.742

8.963

779

Audi

A4

60.794

8.437

33.024

30.382

4.583

4.216

367

Audi

A6

93.927

16.556

48.432

44.557

8.536

7.853

683

De Inspecteur heeft ter zitting verklaard deze berekening als zodanig niet te betwisten.

4.12.

Zoals geoordeeld in 4.3 is de Audi A6 met datum eerste toelating 31 mei 2013 – anders dan de Inspecteur heeft gesteld – aan te merken als een gebruikte auto. Met betrekking tot de andere Audi A6 en de Audi A4 verschillen partijen niet er over van mening dat sprake is van gebruikte auto’s.

4.13.

Belanghebbende staat een vermindering van de over het tijdvak verschuldigde BPM voor van in totaal € 1.829 (€ 779 + € 367 + € 683). Zij onderbouwt haar stellingen door overlegging van koerslijsten [G] marge. Zoals reeds geoordeeld in 4.8 en 4.9 acht het Hof deze methode van berekening van de verschuldigde BPM in overeenstemming met artikel 10, lid 7, van de Wet BPM in verbinding met artikel 8 van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat de door haar gehanteerde handelsinkoopwaarden juist zijn (4.7).

4.14.

De Inspecteur heeft in verschillende dossiers en bij de mondelinge behandeling ter zitting – onder verwijzing naar HR 29 mei 2009, nr. 08/00824, ECLI:NL:HR:2009:BI5100 en HR 22 maart 2013, nr. 12/02620, ECLI:NL:HR:2013:BZ5058 – nog gewezen op de feitelijke in- en verkoopprijzen van de auto’s. Tevens wijst de Inspecteur op onderdeel 2.4.1 van het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:HR:2017:45. Voor zover de Inspecteur deze stellingen ook voor de hier in geschil zijnde auto’s heeft willen innemen, overweegt het Hof als volgt.

4.15.

In het arrest van 29 mei 2009 heeft de Hoge Raad het oordeel van het Gerechtshof Arnhem bevestigd dat de door belanghebbende in dat geval overgelegde taxatierapporten niet kunnen dienen ter onderbouwing van de door belanghebbende verdedigde vermindering, nu in de taxatierapporten is uitgegaan van gebruikte voertuigen en het Hof heeft vastgesteld dat de auto’s voor de toetsing aan het gemeenschapsrecht hebben te gelden als nieuwe, nog niet gebruikte auto’s. In de onderhavige situatie heeft het Hof echter juist vastgesteld dat alle drie in geschil zijnde auto’s dienen te worden aangemerkt als gebruikte auto’s (4.12).

4.16.

In de procedure die heeft geleid tot het arrest van 22 maart 2013 heeft het Gerechtshof Arnhem geoordeeld dat de door belanghebbende overgelegde taxatierapporten en taxatiekaart niet kunnen dienen om het afschrijvingspercentage vast te stellen. In de rapporten worden – aldus het Gerechtshof – de vastgestelde waarden slechts onderbouwd met zeer algemene stellingen, zoals dat de auto ‘een niet gemakkelijk te verkopen auto is’, of extreem in waarde is gedaald omdat het een via parellelimport in Nederland ingevoerde auto is, en op de taxatiekaarten ontbreekt elke onderbouwing. Op die gronden heeft het Gerechtshof geoordeeld dat de in deze rapporten weergeven waardebepaling bij verkoop aan particulier en waardebepaling bij inkoop (handelsinkoopwaarde) niet kan worden gevolgd, en dat de verschuldigde BPM terecht is bepaald aan de hand van het forfait van artikel 10 van de Wet BPM. De Hoge Raad heeft die oordelen met toepassing van artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie afgedaan. Ook hieraan kan de Inspecteur naar het oordeel van het Hof in de onderhavige zaken niet met succes argumenten ontlenen voor zijn stelling dat de door belanghebbende overgelegde koerslijsten niet bruikbaar zijn.

4.17.

De Inspecteur heeft op r.o. 2.4.1 van het arrest van de Hoge Raad van 27 januari 2017, nr. 15/02273, ECLI:NL:HR:2017:45, gewezen, waarin is geoordeeld dat bij registratie van een uit een andere lidstaat afkomstig gebruikt motorvoertuig een reële waardevermindering van het motorvoertuig in aanmerking moet worden genomen en dat het daarbij dient te gaan om een redelijke benadering van de werkelijke waarde. In dat verband heeft de Inspecteur gewezen op de door belanghebbende voor de onderhavige auto’s betaalde in- en verkoopprijzen.

4.18.

Waar de Hoge Raad spreekt van “een redelijke benadering van de werkelijke waarde” kan de Hoge Raad blijkens zijn hiervoor vermelde arrest van 27 januari 2017 met “werkelijke waarde” niet anders bedoelen dan “de prijs waarvoor de referentieauto (…) door een handelaar van een particulier (Hof: in Nederland) wordt aangekocht” (r.o 2.4.2). Belanghebbende heeft de onderhavige auto’s echter niet gekocht van een particulier, zodat reeds hierom de inkoopprijzen van de onderhavige auto’s niet als uitgangspunt kunnen worden genomen. Hetgeen de Inspecteur heeft gesteld met betrekking tot de door belanghebbende gerealiseerde verkooprijzen is naar het oordeel onvoldoende om te komen tot het oordeel dat de door belanghebbende gehanteerde – op de koerslijst [G] marge-auto gebaseerde – inkoopprijzen te laag zouden zijn en daarmee belanghebbende niet in haar bewijslast zou zijn geslaagd.

4.19.

Op grond van het voorgaande dient de over het tijdvak verschuldigde BPM overeenkomstig het standpunt van belanghebbende te worden verminderd met € 1.829.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

4.20.

Gelet op het voorgaande behoeft het beroep van belanghebbende op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het vertrouwensbeginsel, geen behandeling meer.

Rentevergoeding

4.21.

Belanghebbende heeft recht op een rentevergoeding over de door haar terug te ontvangen BPM, die is berekend overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Om in aanmerking te komen voor een hogere rentevergoeding dient belanghebbende zich, gelet op het bepaalde in artikel 28c van de Invorderingswet 1990, tot de ontvanger te wenden (HR 3 maart 2017, nr. 16/01176, ECLI:NL:HR:2017:341).

Immateriëleschadevergoeding

4.22.

Het hoger beroep is door belanghebbende ingediend op 1 mei 2015. Het Hof doet uitspraak op 30 mei 2017. Dit betekent dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Bijzondere omstandigheden die een verlenging van de redelijke termijn in deze rechtvaardigen, is het Hof niet gebleken. Belanghebbende heeft derhalve recht op een immateriëleschadevergoeding ten bedrag van € 500. Aangezien in hoger beroep de zaken met de Hofkenmerken 15/00512 tot en met 15/00515 in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp, heeft de vergoeding van € 500 betrekking op al deze zaken. De vergoeding van € 500 zal door het Hof worden toegekend in de zaak met Hofkenmerk 15/00512. Nu de overschrijding in de hogerberoepsfase is toe te rekenen aan de rechter, dient dit bedrag te worden vergoed door de Staat. Gelet op de omvang van het bedrag dat door de Minister van Veiligheid en Justitie dient te worden vergoed, hoeft hij niet als partij in deze procedure te worden gehoord (Beleidsregel van de Minister van Veiligheid en Justitie van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, 20210).

5 Proceskosten

5.1.

Belanghebbende komt in aanmerking voor een forfaitaire proceskostenvergoeding. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 23 september 2011, nr. 10/04238, ECLI:NL:HR:2011:BT2293 en HR 27 november 2015, nr. 15/02072, ECLI:NL:HR:2015:3370, geoordeeld dat de rechter zelfstandig – op grond van een eigen waardering – dient te beoordelen in welke gewichtscategorie een zaak valt. De wegingsfactor kan variëren van 0,25 voor een zeer lichte zaak tot wegingsfactor 2 voor een zeer zware zaak. Blijkens de toelichting op de wijziging van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb) van 25 februari 2002, Stb. 113, blz. 6, dient de uitkomst steeds in overeenstemming te zijn met de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandsverlener. Gelet op de grote hoeveelheid aan stukken in het dossier en de wijze van procederen door de Inspecteur, hanteert het Hof in het onderhavige geval een wegingsfactor van 2.

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat de zaken met de Hofkenmerken 15/00512 tot en met 15/00515 voor de bezwaar-, beroeps- en hogerberoepsfase samenhangende zaken zijn als bedoeld in artikel 3, lid 2, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

5.3.

Gelet op het voorgaande berekent het Hof de proceskosten op de voet van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand op € 738 (1 punt voor bezwaarschrift, waarde per punt € 246, wegingsfactor 2, factor 1,5 voor samenhangende zaken), € 2.970 voor de beroepsfase (1 punt voor beroepschrift, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 495, wegingsfactor 2, factor 1,5 voor samenhangende zaken) en € 5.197,50 voor de hogerberoepsfase (1 punt voor hogerberoepschrift, 1 punt voor zienswijze na incidenteel hoger beroep, 0,5 punt voor de conclusie van repliek, 1 punt voor zitting, waarde per punt € 495, wegingsfactor 2, factor 1,5 voor samenhangende zaken). In totaal derhalve € 8.905,50. Deze vergoeding zal door het Hof worden toegekend in de zaak met Hofkenmerk 15/00512.

5.4.

Belanghebbende komt in aanmerking voor vergoeding voor de kosten van de deskundige ad € 1.075. Deze vergoeding zal door het Hof worden toegekend in de zaak met Hofkenmerk 15/00512. Het Hof verwijst hiervoor naar onderdeel 5.6 tot en met 5.9 van de betreffende uitspraak.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende gegrond.

6 Beslissing

Het Hof:

– vernietigt de uitspraak van de Rechtbank,

– vernietigt de uitspraak van de Inspecteur,

– vermindert de verschuldigde BPM voor het tijdvak juli 2013 met een bedrag van € 1.829, en

– gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende een rentevergoeding betaald overeenkomstig het bepaalde in rechtsoverweging 4.21.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.J.M. van Kempen, voorzitter, mr. R. den Ouden en mr. B.F.A. van Huijgevoort, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 30 mei 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier is verhinderd de uitspraak

te ondertekenen, De voorzitter,

(C.E. te Brake) (M.G.J.M. van Kempen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 2 juni 2017

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.