Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:448

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
01-02-2017
Zaaknummer
200.190.797/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Eenhoofdig gezag. Omgangsregeling in strijd met zwaarwegende belangen van de minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/64.10
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.190.797/01

(zaaknummer rechtbank C/08/176406/ES RK 15-2988)

beschikking van 19 januari 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [A] ,

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.C. Kiers, kantoorhoudend te Deventer,

en

[verweerster] ,

wonende te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.J.H. Mühlstaff, kantoorhoudend te Deventer.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 18 januari 2016 en, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 18 april 2016;

- het verweerschrift met productie(s), ingekomen op 13 juli 2016;

- een journaalbericht van mr. Kiers van 26 mei 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mühlstaff van 8 november 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Kiers van 10 november 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Mühlstaff van 20 november 2016 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 23 november 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Beide advocaten hebben ter zitting pleitaantekeningen overgelegd.

De vaststaande feiten

3.1

Het huwelijk van partijen is [in] 2016 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen zijn de ouders van:

- [de minderjarige1] (hierna te noemen [de minderjarige1] ), geboren [in] 2005 te [A] , en

- [de minderjarige2] (hierna te noemen [de minderjarige2] ), geboren [in] 2007 te [A] .

De kinderen hebben hun hoofdverblijf bij de moeder.

3.3

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en voorts - voor zover hier van belang - bepaald dat het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] voortaan alleen aan de moeder toekomt.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen zijn in geschil het gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , de zorgregeling en de informatieregeling betreffende de kinderen.

4.2

De vader is met twee grieven in hoger beroep gekomen van de (echtscheidings)beschikking van 18 januari 2016. De eerste grief ziet op het gewijzigde gezag over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . De tweede grief ziet op het ontbreken van een ouderschapsplan en van enige contact- en informatieregeling betreffende de kinderen.

De vader verzoekt het hof (naar het hof begrijpt) de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daarin wordt bepaald dat het ouderlijk gezag voortaan alleen aan de moeder toekomt en opnieuw rechtdoende

- het desbetreffende verzoek van de moeder af te wijzen en voor zoveel nodig te bepalen dat de ouders het gezag gezamenlijk zullen uitoefenen,

- een zorgregeling vast te leggen inhoudende dat de kinderen een weekend in de veertien dagen van vrijdagmiddag na school tot zondagavond, en gedurende de helft van de vakanties en feestdagen bij vader zijn en/of

- te bepalen dat de moeder aan de vader in het kader van een informatieregeling eenmaal per kwartaal informatie zal verschaffen over gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen, waarbij minstens melding wordt gemaakt van de volgende zaken, voor zover deze zich voordoen: het welzijn, de algemene ontwikkeling, gezondheid, schoolprestaties, sportieve activiteiten en de vrijetijdsbesteding van de kinderen en dat zij hem één maal per jaar een recente, goed gelijkende foto van de kinderen zal zenden.

4.3

De moeder heeft verweer gevoerd en het hof verzocht de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken in hoger beroep, althans hem deze te ontzeggen.

Voorts heeft de moeder het hof verzocht de vader te veroordelen tot betaling van de daadwerkelijk gemaakte advocaatkosten van de moeder, vanaf de start van de procedure in beroep, waarbij het hof de vrouw in de gelegenheid stelt een specificatie van de werkzaamheden en alle declaraties te overleggen van haar advocaat, waarna in een andere beschikking de man veroordeeld wordt die kosten aan de moeder, zonder compensatie, te voldoen, vermeerderd met wettelijke rente tot de dag der algehele voldoening.

5. De motivering van de beslissing

Algemeen

5.1

Voor de beoordeling van de onderhavige zaak is van belang dat de vader, bij vonnis van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 17 november 2016, is veroordeeld tot een taakstraf van 180 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van drie jaren wegens, kort weergegeven, bedreiging van de moeder met enig misdrijf tegen het leven gericht, wegens het feit dat hij zijn voornoemde kinderen meermalen heeft mishandeld en wegens het feit dat hij op 8 mei 2016 een inbraak heeft gepleegd in een woning waar de moeder met de kinderen haar toevlucht had gezocht. Niet bewezen acht de rechtbank dat de vader ontucht heeft gepleegd met zijn kinderen.

Als bijzondere voorwaarde stelt de rechtbank in het vonnis van 17 november 2016 dat de vader zich voor zijn psychische problematiek onder behandeling moet laten stellen van de forensische polikliniek [B] of soortgelijke ambulante forensische zorg en dat hij gedurende de proeftijd van drie jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de moeder en de kinderen.

5.2

De vader heeft ter zitting van het hof aangegeven niet in hoger beroep te gaan tegen deze uitspraak.

5.3

Gelet op de inhoud van het vonnis van 17 november 2016, gaat het hof voorbij aan de verweren van de advocaat van de vader voor zover die zien op het in twijfel trekken van het waarheidsgehalte van de verklaringen van de moeder (mede) in het kader van de strafrechtelijke procedure.

Het gezag over de kinderen

5.4

Ingevolge artikel 1:251a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van een van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één van hen toekomt indien:

a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of

b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

5.5

Het hof is op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 23 november 2016 van oordeel dat het belang van de kinderen vereist dat het gezamenlijk gezag van partijen over de kinderen gewijzigd wordt naar eenhoofdig gezag van de moeder. Het hof heeft daarbij het volgende in overweging genomen.

5.6

Het ouderlijk gezag omvat de plicht en het recht van een ouder om zijn minderjarige kind te verzorgen en op te voeden. Het ouderlijk gezag houdt een aantal bevoegdheden in die nodig zijn voor de opvoeding en verzorging, zoals onder andere de bevoegdheid om belangrijke beslissingen in het leven van het kind (zoals over de verblijfplaats, de school, medische zaken, geloofsbeleving, vrije tijdsbesteding) te nemen. In geval van gezamenlijk gezag worden dergelijke beslissingen samen met de andere gezaghebbende ouder genomen.

5.7

Een minimale communicatie tussen de ouders is noodzakelijk om op een goede manier invulling te kunnen geven aan gezamenlijk ouderschap. In ieder geval moeten zij samen kunnen overleggen over de eventuele knelpunten in de opvoeding. In onderhavige zaak speelt dit temeer nu er zorgen zijn over de ontwikkeling van de kinderen en hulpverlening ingezet dient te worden, dan wel dient te worden voortgezet. Het hof acht de ouders hiertoe niet in staat.

5.8

Gelet op de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gebracht heeft het hof geconstateerd dat, hoewel beide ouders van mening verschillen over wat zich in het verleden heeft afgespeeld, duidelijk is dat de moeder en de kinderen zich in het verleden zeer onveilig hebben gevoeld in de thuissituatie. De verhoudingen tussen de moeder en de vader zijn volstrekt uit de hand gelopen. Er is in het geheel geen communicatie tussen de ouders en er is sprake van een ernstig verstoorde vertrouwensrelatie tussen hen. Verder zijn er geen aanwijzingen dat deze situatie zich op afzienbare termijn in positieve zin zal wijzigen.

5.9

Mede gelet op het gewelddadige gedrag van de vader ten opzichte van de moeder en de kinderen is door de moeder aangevoerd dat zij geen enkel contact met de vader wenst; ze wil hem niet meer spreken en niet meer zien. De moeder komt daarbij oprecht over in haar angst en in de door haar gevoelde spanningen die contact met de vader bij haar teweegbrengen. Zij draagt ook een alarmapparaat (Aware-systeem) waarmee zij 24 uur per dag een noodmelding naar de politie kan sturen. Uit dit laatste blijkt dat ook de politie de dreiging die van de vader uitgaat serieus neemt.

Voor het hof is evident dat iedere vorm van contact tussen de ouders veel spanningen bij de moeder zal opleveren, hetgeen onvermijdelijk een negatieve weerslag zal hebben op [de minderjarige1] en [de minderjarige2] , wat nu juist moet worden voorkomen.

5.10

Er bestaan ernstige zorgen over het gedrag en de sociaal-emotionele ontwikkeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Uit de stukken, waaronder diagnostiekbrieven van [C] (Kinder- en Jeugdpsychiatrie) aangaande de kinderen van respectievelijk 25 mei 2016 en 27 juni 2016, is gebleken dat zowel [de minderjarige1] als [de minderjarige2] veel last heeft van alle ingrijpende gebeurtenissen die ze hebben meegemaakt. Beide kinderen kampen met eigen, in de stukken beschreven problematiek.

[de minderjarige1] is gediagnosticeerd met posttraumatisch stress-stoornis (PTTS) en heeft last van andere psychosociale en omgevingsproblemen. Voor [de minderjarige1] wordt er vanuit [C] EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing)-therapie geadviseerd.

Bij [de minderjarige2] is er sprake van een reactieve hechtingsstoornis van het ontremde type. Dit - zoals uit het verslag van [C] blijkt - komt voort uit een onveilige, instabiele thuissituatie waarbij in het eerste jaar de hechting mogelijk al onder druk heeft gestaan ten gevolge van de refluxproblematiek, waarbij de vader onvoldoende oog had voor de behoeftes van zijn kinderen en een veilige thuissituatie door hem niet gerealiseerd kon worden. In deze situatie zat de moeder ten gevolge van de ernstige relatieproblematiek klem in een patroon van angst en ‘overleven’ en was hierdoor onvoldoende in staat om tot een stabiele ouder-kindrelatie te komen. De behandeling van [de minderjarige2] en de opvoedingsondersteuning van de moeder vindt momenteel plaats via [D] en [E] .

Vast staat dat in verband met de ingrijpende gebeurtenissen die hebben plaatsgevonden de kinderen nog de nodige therapieën moeten volgen en begeleiding nodig hebben.

Uit de stukken blijkt voorts dat beide kinderen tot nu toe niet zijn toegekomen aan de behandeling van hun problematiek vanwege de onrustige situatie.

5.11

Het hof constateert dat de gedragingen waarvoor de vader is veroordeeld, nog steeds een grote impact hebben op het leven van de moeder en de kinderen. Alleszins begrijpelijk is dat de moeder (mede) als gevolg hiervan bang is voor de vader en geen vertrouwen heeft in diens vaardigheden om als volwaardig gesprekspartner te overleggen over beslissingen ten aanzien van de kinderen.

Naar het oordeel van het hof kan in redelijkheid ook niet van de moeder worden gevergd dat zij binnen afzienbare tijd met de vader in overleg treedt althans daartoe initiatieven onderneemt.

Daarbij komt dat in het kader van de strafrechtelijke veroordeling als bijzondere voorwaarde is gesteld dat de vader gedurende de 3-jarige proeftijd op geen enkele wijze -direct of indirect- contact zal opnemen, zoeken of hebben met de moeder en de kinderen, waardoor het ook feitelijk niet mogelijk is dat de ouders beslissingen van enig belang over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] in gezamenlijk overleg kunnen nemen, dan wel afspraken maken over situaties die zich rond [de minderjarige1] en [de minderjarige2] kunnen voordoen.

5.12

De door de vader beweerde gang van zaken in eerste aanleg, in het bijzonder de omstandigheid dat de vader zich misleid voelt door de moeder vanwege beweerdelijk door haar gedane manipulatieve toezeggingen omtrent (regelmatige) omgang met de kinderen in ruil voor het eenhoofdige gezag, - wat daar ook van zij - maakt de beoordeling van het hof over de onmogelijkheid van gezamenlijk gezag niet anders.

5.13

Onder deze omstandigheden is er een onaanvaardbaar risico dat de kinderen (verder) klem of verloren raken tussen de ouders als het gezamenlijk gezag voortduurt. Eenhoofdig gezag biedt meer duidelijkheid en brengt in elk geval voor wat betreft de rechten en plichten die voor een ouder voortkomen uit het gezag, de voor de kinderen hoogst noodzakelijke rust.

Het hof is dan ook van oordeel dat een wijziging van het gezag in het belang van de kinderen noodzakelijk is. De beslissing van de rechtbank om de moeder, bij wie de kinderen hun hoofdverblijf hebben, voortaan alleen te belasten met het gezag over de kinderen, zal het hof dan ook bekrachtigen.

De omgang tussen de vader en de kinderen

5.14

Het hof stelt voorop dat het verzoek van de vader om een omgangsregeling tussen hem en de kinderen vast te stellen een verzoek tot het treffen van een nevenvoorziening in de zin van artikel 827 Rv betreft, welk verzoek ook voor het eerst in hoger beroep kan worden gedaan. Het hof acht de vader, anders dan de moeder stelt, dan ook ontvankelijk in zijn verzoek.

5.15

Een kind heeft recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind (artikel 1:377a BW). Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van een ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen (artikel 1:247 lid 3 BW).

5.15

De rechter stelt op verzoek van de ouders of van één van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.

Ingevolge artikel 1:377a lid 3 BW ontzegt de rechter het recht op omgang slechts, indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

5.16

Elke afwijzing van een verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling en elke beslissing waarbij de omgang is ontzegd, is tijdelijk van aard, in die zin dat de ouder wiens verzoek is afgewezen of aan wie de omgang is ontzegd, zich in geval van wijziging van omstandigheden en in ieder geval na verloop van een jaar opnieuw tot de rechter kan wenden teneinde een omgangsregeling te doen vaststellen.

5.17

Hoewel voorop staat dat een niet-verzorgende ouder het recht heeft op een omgangsregeling met haar of zijn kinderen, zal een omgangsregeling naar het oordeel van het hof in onderhavige zaak vanwege de reeds hierboven genoemde omstandigheden een negatieve invloed hebben op het welzijn van de kinderen. In deze zaak is het een gegeven dat door de gedragingen van de vader in het verleden een zeer onveilige thuissituatie is ontstaan die zonder meer impact heeft gehad op de verzorgings- en opvoedingssituatie van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Daarbij is de vader strafrechtelijk veroordeeld voor mishandeling van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . In het kader van die veroordeling heeft de rechtbank ten aanzien van de proeftijd van drie jaren als bijzondere voorwaarde gesteld dat de vader gedurende die proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met de moeder en de kinderen.

5.18

De stellingen van de vader komen erop neer dat hij geen stelselmatige stalker is maar slechts een gefrustreerde vader. Niet alleen de moeder en haar beleving van de gebeurtenissen moeten worden meegenomen in de behandeling van de kinderen, maar ook die van de vader. De vader meent dat hij wordt gedemoniseerd, hetgeen zijn rol als vader niet ten goede komt. In het belang van de kinderen zou hij juist weer bij hen betrokken moeten raken. De vader wijst er daarbij op dat hij het weliswaar het afgelopen jaar moeilijk heeft gehad in verband met de echtscheiding maar dat het hem op dit moment goed gaat en dat de behandeling bij [B] goed aanslaat. De vermeende agressieproblematiek wordt volgens hem door zijn behandelaar niet onderkend.

Volgens de vader wordt de onrust bij de kinderen voornamelijk veroorzaakt door het feit dat hij in het verleden veel voor ze heeft gezorgd en dat hij nu voor de kinderen als opvoeder plots is weggevallen.

5.19

Invoelbaar is dat de vader, zoals hij te kennen heeft gegeven, zijn kinderen mist en zich zorgen maakt over hun ontwikkeling, mede gelet op de goede band die hij met hen stelt te hebben en vanwege het gemis van een actieve rol als hun vader. Anders dan de vader is het hof echter van oordeel dat de door de vader gewenste omgang niet in het belang van de kinderen is, gelet op hun ernstige traumatisering en de noodzaak van behandeling en stabilisatie van de kinderen. Het belang van de kinderen vergt rust om hen aldus in de gelegenheid te stellen zonder druk van een omgangsregeling hun hulpverleningstrajecten te doorlopen.

Ook is er op dit moment nog geen draagkracht bij de moeder aanwezig om een omgangsregeling te stimuleren en te ondersteunen.

5.20

Ten slotte merkt het hof nog op dat het geen, althans onvoldoende, termen aanwezig acht om - zoals namens de vader ter zitting is verzocht - een nader onderzoek door de raad voor de kinderbescherming te gelasten. Het hof acht zich voldoende geïnformeerd om thans een beslissing te kunnen nemen. Een dergelijk onderzoek zou bovendien voor de kinderen, gelet op hun problematiek, een onnodige belasting vormen.

5.21

Op grond van de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat het belang van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] met zich brengt dat het recht op omgang aan de vader wordt ontzegd. Het vaststellen van een omgangsregeling moet onder de huidige omstandigheden in strijd worden geacht met de zwaarwegende belangen van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] . Het hof zal het verzoek van de vader dan ook afwijzen.

Ten aanzien van de informatieregeling

5.22

De vader heeft in het appelschrift verzocht om een informatieregeling vast te stellen.

Ingevolge artikel 1:377b lid 1 BW is de ouder die met het gezag is belast, gehouden de niet met het gezag belaste ouder op de hoogte te stellen omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van het kind en deze te raadplegen - zo nodig door tussenkomst van derden - over daaromtrent te nemen beslissingen. Op verzoek van een ouder kan de rechter daaromtrent een regeling vaststellen. Ingevolge het tweede lid van dat artikel kan de rechter zowel op het verzoek van de met het gezag belaste ouder als ambtshalve bepalen dat het eerste lid van dit artikel buiten toepassing blijft indien het belang van het kind zulks vereist.

5.23

Het hof zal een informatieregeling vaststellen.

Het hof is niet gebleken dat het belang van de kinderen zich verzet tegen het vaststellen van een informatieregeling, ook al beschouwt de moeder dat als een emotionele belasting. Het hof acht het, nu er tussen de vader en de kinderen geen omgang zal plaatsvinden, van belang dat de vader naast informatie over de kinderen, ook met enige regelmaat een foto van de kinderen krijgt, zodat de vader zich een beeld kan vormen van hun opgroeien.

5.24

Het hof is van oordeel dat de moeder met ingang van 1 april 2017 de vader één keer per kwartaal kort (dat wil zeggen in een paar regels) moet informeren over belangrijke ontwikkelingen van de kinderen aangaande onder meer hun school, hobby's en medische aangelegenheden (waaronder onderzoeken en behandelingen). Tevens dient de moeder twee keer per jaar de schoolrapporten en één keer per jaar een goedgelijkende, actuele foto van de kinderen aan de vader op te sturen.

Hoewel het hof begrijpt dat het verstrekken van informatie over [de minderjarige1] en [de minderjarige2] aan de vader bij de moeder op een emotionele barrière kan stuiten, is dit onvoldoende om de wettelijke informatieplicht terzijde te stellen. De moeder zal, nu zij - gezien de belaste voorgeschiedenis tussen haar en de vader - niet rechtstreeks met de vader wil communiceren, bedoelde informatie via een derde aan de vader kunnen doen toekomen of indien nodig hulpverlening kunnen inschakelen voor het verstrekken van die informatie.

5.25

Voorts wijst het hof nogmaals op het aan de vader bij vonnis van 17 november 2016 opgelegde contactverbod, welk verbod het hem verbiedt om op geen enkele wijze -direct of indirect- contact op te nemen met de moeder of de kinderen. Het hof begrijpt dit verbod aldus dat de vader ook niet richting de moeder of kinderen mag reageren op de door de moeder te verstrekken informatie. Het is dan ook niet de bedoeling dat de vader op de door de moeder gestuurde informatie reageert, ook niet door tussenkomst van zijn advocaat.

6 De slotsom

6.1

Op grond van het voorgaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover die het gezag over de kinderen betreft. Het hof zal een informatieregeling vaststellen zoals hierna wordt weergegeven. Het verzoek om een omgangsregeling zal worden afgewezen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de uit dat huwelijk geboren kinderen betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 18 januari 2016 voor zover daarin bepaald is dat de moeder voortaan alleen met het gezag over de minderjarigen [de minderjarige1] , geboren [in] 2005, en [de minderjarige2] , geboren [in] 2007, zal zijn belast;

stelt de volgende informatieregeling vast:

bepaalt dat de moeder de vader (zo nodig via een derde) één keer per kwartaal, ingaande per 1 april 2017, kort (dat wil zeggen in een paar regels) dient te informeren omtrent gewichtige aangelegenheden met betrekking tot de persoon en het vermogen van de kinderen, zoals belangrijke zaken betreffende de school, de schoolkeuze, hobby's en medische behandelingen, en dat de moeder daarbij twee keer per jaar de schoolrapporten en één keer per jaar een goedgelijkende actuele foto van [de minderjarige1] en [de minderjarige2] dient te verstrekken;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. E.B.E.M. Rikaart-Gerard, mr. I.A. Vermeulen en

mr. F. Kleefmann, bijgestaan door mr. M. Marsnerova als griffier, en is op 19 januari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.