Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4318

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2017
Datum publicatie
05-12-2017
Zaaknummer
200.115.117
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2018:595, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot verdeling/verrekening vermogensvermeerdering man. Bewijsopdracht. Peildatum. In dit geval verdeling bij helfte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.115.117

(zaaknummer rechtbank Arnhem 215159 / 222387)

beschikking van 23 mei 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats verzoekster] ,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Cortet te Utrecht,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats verweerder] ,

verweerder in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A. Boumanjal te Utrecht.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof heeft op 21 november 2013, 2 oktober 2014 en 29 september 2016 tussenbeschikkingen gegeven en neemt de inhoud van die beschikkingen hier over.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- een journaalbericht van mr. Cortet van 11 oktober 2016.

2 De motivering van de beslissing

2.1

Het hof blijft bij hetgeen is overwogen en beslist in de tussenbeschikking van 29 september 2016, voor zover hierna niet anders wordt overwogen of beslist.

2.2

In die tussenbeschikking heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de inhoud van een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) te Den Haag van 8 juni 2016 (uitgebracht in een zaak waarin een kwestie speelt vergelijkbaar met die in de onderhavige zaak) en iedere verdere beslissing aangehouden. Partijen hebben naar aanleiding van dat rapport geen aanleiding gezien (inhoudelijke) opmerkingen te maken.

2.3

Thans ligt eerst ter beoordeling voor de vraag of de vrouw geslaagd is in haar opdracht (zoals is bepaald bij tussenbeschikking van 2 oktober 2014) te bewijzen dat zij door haar inspanningen in de huishouding en door betaalde arbeid buitenshuis heeft bijgedragen aan de vermeerdering van het vermogen van de man tijdens het huwelijk.

2.4

De vrouw heeft bij journaalbericht van 27 oktober 2014 – onder meer – productie 10 in het geding gebracht (bankafschriften over de jaren 2003-2010). Voorts heeft zij in het getuigenverhoor zichzelf als partijgetuige en haar dochters [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] als getuigen doen horen. De man heeft in het tegengetuigenverhoor zichzelf als (partij)getuige doen horen.

2.5

Het hof stelt voorop dat aan de getuigenverklaring van de vrouw zelf slechts beperkte bewijskracht toekomt. Ingevolge artikel 164 lid 2 Rv kan de verklaring van een partijgetuige omtrent door hem te bewijzen feiten immers geen bewijs in zijn voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Met dit laatste wordt gedoeld op aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken.

2.6

Blijkens de getuigenverklaringen van [kind 1] en [kind 2] huurden partijen in het begin van de huwelijkse periode een woning in [woonplaats verweerder] en kochten zij later in [plaats 1] een woning. Voorts komt uit die verklaringen naar voren dat zowel de man als de vrouw steeds in loondienst hebben gewerkt en dat partijen aan het einde van het huwelijk de beschikking hadden over die koopwoning, twee auto’s en (spaar)geld. [kind 1] en [kind 2] hebben verder verklaard dat de vrouw maandelijks contant geld – dat zij aanvankelijk bij de bank aan het loket opnam en later met haar bankpas pinde – aan de man overhandigde en dat zij dat vaak hebben zien gebeuren. Volgens hen waren dat vroeger, in het guldentijdperk, bedragen van fl. 500,- per maand. Later waren dat volgens [kind 1] bedragen van meestal € 500,- per keer maar soms ook van € 700,- á € 800,- en volgens [kind 2] van € 400,- en hoger. Verder hebben zij verklaard dat ook zij geld aan de man hebben gegeven. [kind 3] heeft in haar verklaring bevestigd dat de vrouw en de twee oudste dochters contant geld aan de man gaven en verklaard dat daar vaak ruzie over was.

2.7

De vrouw heeft als partijgetuige verklaard dat de man geen vermogen had aan het begin van hun huwelijk en dat hij aan het einde van het huwelijk een huis, twee auto’s, geld op een bankrekening en aandelen had. Voorts heeft zij verklaard dat partijen samen de vaste lasten betaalden, dat zij tijdens het huwelijk altijd heeft gewerkt en dat zij de man tussen de € 500,- en € 700,- per maand in contanten gaf.

2.8

Hoewel de man als partijgetuige de verklaringen van de dochters van partijen en de vrouw op diverse punten heeft weersproken, is de vrouw – gelet op de inhoud van die verklaringen in onderlinge samenhang bezien en de door haar in het geding gebrachte rekeningafschriften – in haar bewijsopdracht geslaagd. Zij heeft naar het oordeel van het hof genoegzaam aangetoond dat zij door haar inspanningen in de huishouding en door betaalde arbeid buitenshuis gedurende bijna de gehele huwelijkse periode heeft bijgedragen aan de vermeerdering van het vermogen van de man tijdens het huwelijk. Dat uit de door de man bij zijn conclusie na het getuigenverhoor overgelegde bankafschriften blijkt dat eerst van de en/of-rekening van partijen en later, in 2012, van de bankrekening van de man de hypothecaire lasten en andere vaste lasten werden voldaan, maakt dat niet anders. Terecht voert de vrouw aan dat haar uitgaven vanuit haar eigen inkomen ten behoeve van de huishouding van partijen besparingen hebben opgeleverd aan de zijde van de man die hebben bijgedragen aan zijn vermogensvermeerdering. Het niet eerder dan in die conclusie uitgesproken vermoeden van de man dat de vrouw tijdens het huwelijk de door haar opgenomen bedragen in een kluis zou hebben bewaard (omdat in de periode van 1 januari 1993 tot 31 december 1995 betalingen zijn verricht voor het huren van een kluis), is zonder nadere toelichting, die ontbreekt, suggestief en onvoldoende onderbouwd. Gelet op het voorgaande zal derhalve verrekening van het tijdens het huwelijk bij de man ontstane vermogen moeten plaatsvinden.

2.9

Als peildatum voor de berekening van de verzochte vergoeding dient naar het oordeel van het hof te worden uitgegaan van 24 februari 2011, de datum waarop partijen feitelijk uiteen zijn gegaan. Deze datum ligt het meest voor de hand, nu – met inachtneming van artikel 49 van de [nationaliteit 1] (zie r.o. 5.2 van de beschikking van 21 november 2013, waarin is overwogen dat [nationaliteit 1] recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime) – vanaf die datum de inspanningen van de vrouw ten behoeve van de gezamenlijke huishouding en haar bijdrage aan de vermeerdering van het vermogen van de man zijn geëindigd. Zoals de vrouw ook zelf heeft gesteld (akte uitlating bij journaalbericht van 19 december 2013), heeft zij tot en met januari 2011 bijgedragen in de kosten van de huishouding (waaronder begrepen de hypothecaire lasten en de premie voor de aan de hypotheek gekoppelde kapitaalverzekering).

2.10

De vrouw heeft verzocht haar de helft te vergoeden van de waarde van de voormalige echtelijke woning en de aan de hypothecaire geldlening verbonden kapitaalverzekering, van het opgebouwde vermogen in de [bedrijf] en van de drie verzekeringspolissen bij Reaal Verzekeringen. Zoals het hof reeds in zijn tussenbeschikking van 21 november 2013 heeft overwogen (in r.o. 5.3) kan een echtgenoot ingevolge artikel 49 [nationaliteit 1] aanspraak maken op vergoeding voor de tijdens het huwelijk geleverde inspanningen die hebben bijgedragen aan de vermogensvermeerdering van de andere echtgenoot in de vorm van een deel van de vermogensaanwas en omvat dit artikel mede de werkzaamheden die een echtgenoot heeft verricht in de huishouding. Uit dat artikel blijkt echter niet dat een verrekening van de vermogensaanwas bij helfte het uitgangspunt is.

Het hof verwijst in dit verband naar het proefschrift van [schrijver proefschrift + titel proefschrift] waarin, voor zover thans van belang, op pagina’s 780 en 782 het volgende staat:

“Artikel 49 [nationaliteit 1] bevestigt de geldende algehele scheiding van goederen: ieder der echtgenoten beschikt over een eigen, onafhankelijk vermogen. Partijen zijn echter vrij om afspraken te maken over het beheer van het vermogen dat gedurende het huwelijk verkregen zal worden en over de wijze van verdeling ervan [pagina 780 van het proefschrift, hof]. (…)

Hebben partijen geen afspraken bij huwelijkssluiting gemaakt of rijst onenigheid hierover, dan beslist de rechter hierover rekening houdend met ‘wat is ingebracht aan inspanning en wat is gedragen aan lasten met betrekking tot de ontwikkeling van het vermogen van het gezin’ (artikel 49, laatste alinea [nationaliteit 1] ).

Uit deze woorden zouden twee conclusies getrokken kunnen worden. Ten eerste dat ook zonder het aangaan van een overeenkomst bij het aangaan van het huwelijk, de belanghebbende partij een deel van het opgebouwde vermogen kan opeisen, bijvoorbeeld bij huwelijksontbinding. De tweede conclusie is dat ook de soort ‘inspanning’ en werkzaamheden die tot een verdeling mogen leiden door de rechter beoordeeld moeten worden. Artikel 49 [nationaliteit 1] specificeert niet de soort bijdrage die door iedere echtgenoot geleverd moet worden om aanspraak op een deel van het vermogen te doen gelden. Tijdens de parlementaire behandeling wordt door de regering erop gewezen dat artikel 49 [nationaliteit 1] ruim geredigeerd is en hiermee aan de rechter de mogelijkheid geeft om allerlei vormen van inspanning van de echtgenoten een rol te laten spelen in zijn beoordeling. Van essentieel belang hierbij is de mededeling van de [nationaliteit 1] regeling [het hof leest: regering] dat het zwijgen van de wet over de bijdrage van de vrouw aan de huishouding niet mag worden uitgelegd als een uitsluiting hiervan; integendeel. De wet is juist ruim opgesteld ‘om de gelijke behandeling van de man en vrouw in de familiewet te benadrukken’. Van belang zijn ten slotte de ‘geruststellende’ woorden van de toelichting op artikel 49 [nationaliteit 1] , die heel waarschijnlijk tot het mannelijke gedeelte van de [nationaliteit 1] bevolking zijn gericht. Hierin benadrukt het ministerie van Justitie dat de evaluatie door de rechter van de inspanning en bijdrage van iedere echtgenoot geenszins tot een verdeling ‘door de helft’ van het vermogen leidt. De strekking van dit verbod is mijns inziens onduidelijk. Ligt hierin een verbod aan de rechter om het vermogen dat tijdens het huwelijk verkregen is gelijkelijk tussen beide echtgenoten te verdelen of wordt hiermee een verbod geuit op een afwijking van de gewone uitsluiting van goederen die nog steeds [het hof begrijpt: geldt] met betrekking tot de goederen die ieder de echtgenoten bij huwelijkssluiting had? [pagina 782 van het proefschrift, hof] (...)”.

2.11

In het onderhavige geval is vast komen te staan dat de vrouw ten tijde van het huwelijk van partijen steeds inkomen uit arbeid heeft verworven dan wel gedurende korte periodes een werkloosheidsuitkering heeft ontvangen. Haar belastbaar (fiscaal) loon bedroeg blijkens de overgelegde jaaropgaven, belastingaanslagen en inkomensverklaringen over de jaren 1994 tot en met 2010 gemiddeld ongeveer € 9.500,- per jaar, waarmee zij bijna een derde van het totale inkomen van partijen verdiende. Nu zij daarnaast door haar inspanningen ten behoeve van de gezamenlijke huishouding – zij heeft tijdens het huwelijk (het grootste deel van) de zorg voor de kinderen op zich genomen en het huishouden verzorgd – heeft bijgedragen aan vermeerdering van het vermogen van de man acht het hof het, alle feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang beziend, redelijk in dit geval bij de verdeling van de vermogensaanwas uit te gaan van een verdeling bij helfte.

2.12

Het gaat om de waarde op 24 februari 2011 van:

- de voormalige echtelijke woning minus de hypothecaire geldlening,

- de aan de hypothecaire geldlening verbonden kapitaalverzekering,

- de [bedrijf] ,

- het stamrecht jegens de [bedrijf] ( [bedrijf 1] ),

- de drie verzekeringspolissen bij Reaal Verzekeringen, nummers [polisnummers] .

Nu de vrouw in hoger beroep heeft verzocht te bepalen dat haar als vergoeding voor haar inbreng in de bestanddelen die de man heeft verworven gedurende het huwelijk de helft van de waarde van deze vermogensbestanddelen toekomt maar zij niet heeft verzocht de waarde vast te stellen, zal het hof volstaan met de vaststelling dat de vrouw recht heeft op een vergoeding als na te melden.

2.13

Ten slotte overweegt het hof dat de man de stelling (in zijn getuigenverklaring) dat hij 15.000,- gulden heeft ingebracht ten tijde van de huwelijkssluiting door de vrouw is betwist en dat hij geen (nader) bewijs heeft aangeboden, zodat het hof aan die stelling voorbijgaat.

3 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, slagen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

4 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 20 juli 2012 en opnieuw beschikkende:

bepaalt dat partijen de vermogensaanwas aan de zijde van de man aldus verrekenen, dat zij de waarde van

- de voormalige echtelijke woning minus de hypothecaire geldlening,

- de aan de hypothecaire geldlening verbonden kapitaalverzekering,

- de [bedrijf] ,

- het stamrecht jegens de [bedrijf] ( [bedrijf 1] ) en

- de drie verzekeringspolissen bij Reaal Verzekeringen, nummers [polisnummers]

verdelen bij helfte.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.H. Lieber, R. Prakke-Nieuwenhuizen en R. Feunekes, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb, en is op 23 mei 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.