Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4292

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
23-05-2017
Datum publicatie
02-06-2017
Zaaknummer
1600533 tm 1600537
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2016:1895, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

OB. Engelse vennootschap. Handel in computeronderdelen. Ontvankelijkheid bezwaar. Bevoegdheid tot naheffen. Intracommunautaire leveringen. Fraude. Weigering aftrek voorbelasting. Verdedigingsbeginsel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2017/39.21.45
V-N Vandaag 2017/1274
NTFR 2017/1704 met annotatie van prof. mr. dr. R.A. Wolf
NLF 2017/1341 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

locatie Arnhem

nummers 16/00533, 16/00534, 16/00536 en 16/00537

uitspraakdatum: 23 mei 2017

Uitspraak van de derde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] ltd te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 7 april 2016, nummers AWB 13/7591, 13/7594, 13/7596 en 13/7598, ECLI:NL:RBGEL:2016:1895, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Kantoor Rotterdam (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 september 2011 tot en met 30 september 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 485.926.

1.2.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag verminderd tot € 341.246.

1.3.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 september 2011 tot en met 30 september 2011 bij beschikking geen teruggaaf omzetbelasting verleend.

1.4.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.5.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart 2011 tot en met 31 juli 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 663.998.

1.6.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.

1.7.

Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart 2011 tot en met 31 juli 2011 bij beschikking geen teruggaaf omzetbelasting verleend.

1.8.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.9.

Belanghebbende is tegen de voornoemde uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Gelderland (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft in dezelfde uitspraak een ander beroep van belanghebbende gegrond verklaard. Het tegen dit laatste oordeel gerichte hoger beroep heeft belanghebbende ter zitting van het Hof ingetrokken.

1.10.

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld.

1.11.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 april 2017. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 Vaststaande feiten

2.1.

Belanghebbende is opgericht op 23 december 2008 naar Engels recht. De ondernemersactiviteiten van belanghebbende bestaan uit handel in computeronderdelen en spelcomputers. De enig bestuurder van belanghebbende is [A] (hierna: [A] ).

2.2.

In de periode 2002 tot en met 2007 handelde [A] als eigenaar van eenmanszaak [B] (hierna: [B] ). [B] is in 2007 ingebracht in [B] B.V. (hierna: [B] B.V.). De ondernemersactiviteiten van [B] en [B] B.V. bestonden uit de handel in computeronderdelen. Aan [B] is over het tijdvak 1 januari 2004 tot en met 31 augustus 2007 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 5.400.611 met een boete van 50 percent. Bij uitspraken op bezwaar is de naheffingsaanslag verminderd tot € 423.887 met dienovereenkomstige vermindering van de heffingsrente en is de boete verminderd tot nihil. Deze verminderingen waren het gevolg van het later naar aanleiding van nieuwe jurisprudentie door de Belastingdienst ingenomen standpunt dat er onvoldoende aanleiding was om de correctie te handhaven. In beroep is de naheffingsaanslag verder verminderd tot € 356.027. De aldus verminderde naheffingsaanslag is na hoger beroep en beroep in cassatie gehandhaafd. Dit bedrag is nageheven omdat [B] niet kon aantonen dat het nultarief terecht was toegepast. Naar de aanvaardbaarheid van de aangifte omzetbelasting van [B] B.V. over het derde kwartaal 2007 is een onderzoek ingesteld. In het rapport dat naar aanleiding van dit onderzoek is opgesteld, concludeert de controlerend ambtenaar dat [B] B.V. in dat tijdvak bij een btw-carrousel was betrokken en dat wist of had behoren te weten. Als gevolg hiervan is de aftrek van voorbelasting geweigerd. Op deze weigering is de Belastingdienst als gevolg van nieuwe jurisprudentie ook teruggekomen. In het rapport uit de controlerend ambtenaar het vermoeden dat [A] een Belgische BVBA heeft opgericht met als enig doel om op papier het bewijs te kunnen leveren dat de goederen naar een andere lidstaat zijn gebracht.

2.3.

Naar de aanvaardbaarheid van de aangifte omzetbelasting van belanghebbende over het eerste kwartaal 2009 is een onderzoek ingesteld. In het rapport dat naar aanleiding van dit onderzoek is opgesteld, is vermeld dat een aantal onderwerpen is besproken. In het rapport worden als onderwerpen genoemd de voorwaarden voor de toepassing van het nultarief, weten met wie gehandeld wordt en het kennen van de markt. In het rapport is vermeld dat wordt aangeraden een introductiesetje te maken van iedere handelspartner en regelmatig het btw-nummer te verifiëren. In het rapport staat voorts de constatering dat belanghebbende uitzonderlijke marges realiseert en dat de onderneming daarom extra alert dient te zijn op het mogelijk deel uitmaken van een btw-carrouselfraude. Het onderzoek heeft geen aanleiding gegeven voor correcties.

2.4.

Belanghebbende heeft in de onderhavige tijdvakken CPU’s en spelcomputers gekocht van [C] B.V. en van [D] , handelend onder de naam [E] (hierna: [E] ). De Belastingdienst heeft belanghebbende op 23 februari 2011 een informatiebrief gezonden, waarin het vermoeden wordt verwoord dat de door [C] B.V. geleverde goederen afkomstig waren van een keten van handelaren waarbinnen btw-fraude plaatsvond. De Belastingdienst heeft belanghebbende op 31 mei 2011 een brief met gelijke strekking gezonden voor de door [E] geleverde goederen.

2.5.

Bij brief van 29 maart 2011 heeft [F] namens [C] B.V. het volgende aan belanghebbende medegedeeld naar aanleiding van de informatiebrief van 23 februari 2011:

“Je hebt contact met ons gezocht, (…).

Ook wij hebben dergelijke brieven gehad met betrekking tot een vijftal leveranciers. Alhoewel het een vermoeden betreft en er verder nog geen stappen genomen zijn tegen de desbetreffende leveranciers, zij mogen nog gewoon handelen, kunnen wij bevestigen dat wij tot nader order geen inkopen bij deze leveranciers zullen doen om elke schijn en eventuele problemen te vermijden.

Ook melden wij eerst nieuwe leveranciers aan bij de belastingdienst ter goedkeuring zoals vermeld in de brief van de belastingdienst van 23 februari 2011.”

2.6.

Belanghebbende heeft over de tijdvakken maart 2011 tot en met juli 2011 verzocht om teruggaaf van € 865.892 aan omzetbelasting. Bij brief van 24 oktober 2011 heeft de Inspecteur zijn voornemen bekend gemaakt om deze verzoeken af te wijzen en een termijn van 14 dagen gegeven om het standpunt kenbaar te maken. De Inspecteur heeft vervolgens bij brief van 9 november 2011 gerappelleerd. Na een telefoongesprek met de gemachtigde heeft de Inspecteur bij brieven van 17 november en 2 december 2011 belanghebbende nogmaals in de gelegenheid gesteld om vragen en onduidelijkheden over het voornemen kenbaar te maken. De Inspecteur heeft de teruggaafverzoeken bij beschikking van 23 december 2011 afgewezen.

2.7.

Belanghebbende heeft over het tijdvak 1 september 2011 tot en met 30 september 2011 verzocht om een teruggaaf van € 15.029 aan omzetbelasting. Dit betreft het saldo van € 485.926 aan verschuldigde omzetbelasting, verminderd met € 500.955 aan voorbelasting. De Inspecteur heeft bij beschikking van 31 december 2011 dit verzoek afgewezen.

2.8.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 28 december 2011 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 485.926 over het tijdvak 1 september tot en met 30 september 2011. Bij brief van 12 januari 2012 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 september 2011 tot en met 30 september 2011. Belanghebbende heeft dit bezwaar op 21 februari 2012 gemotiveerd door middel van een verbeterde aangifte over die periode. Uit die aangifte volgt een verschuldigde omzetbelasting van € 341.246. Na aftrek van € 335.512 voorbelasting resteert per saldo een te betalen bedrag van € 5.734.

2.9.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 24 februari 2012 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 663.998 over het tijdvak 1 maart 2011 tot en met 31 juli 2011.

2.10.

De Inspecteur heeft aan de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 5 juni 2012 het volgende bericht:

“Op 6 april 2012 heb ik u een brief verzonden waarin ik u gevraagd heb om mij voor 11 mei 2012 een nader onderbouwing te geven van de door u namens uw cliënte [X] Ltd, ingediende bezwaarschriften tegen de beschikking omzetbelasting met nummer [00000] en de naheffingsaanslagen omzetbelasting met nummers [00001] , Ik heb u telefonisch toegezegd dat de reactietermijn verlengd wordt tot en met 1 juli 2012. Desgevraagd keur ik goed dat deze termijn eveneens van toepassing is op de naheffingsaanslagen [00002] en [00003] .”

2.11.

De Inspecteur heeft aan de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 25 juni 2012 het volgende bericht:

“Naar aanleiding van uw telefonisch verzoek van 22 juni 2012 daartoe deel ik mede dat de door u namens uw cliënte [X] Ltd. ingediende bezwaarschriften tegen de naheffingsaanslagen [00001] , d.d. 28 december 2011, tijdig ontvangen is. Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag [00002] ,d.d. 24 februari 2012 is niet door mij ontvangen. Als reden hiervoor heeft u opgegeven dat deze naheffingsaanslag uw cliënte niet heeft bereikt. Deze aanslag is evenwel persoonlijk uitgereikt aan uw cliënte. Een door u nog in te dienen bezwaarschrift tegen deze naheffingsaanslag zal in het geval deze nog ingediend wordt in ieder geval buiten de wettelijke termijn van 6 weken door mij ontvangen worden.”

2.12.

De Inspecteur heeft aan de gemachtigde van belanghebbende bij brief van 5 november 2012 het volgende bericht:

“Op 26 juni 2012 heb ik uw motivering ontvangen van de door u, namens [X] Ltd. ingediende bezwaarschriften. Tegen één van de, door u in deze brief, genoemde naheffingsaanslagen is echter geen bezwaarschrift ingediend. Het betreft de op 24 februari 2012 opgelegde naheffingsaanslag omzetbelasting met nummer [00003] . Ik merk genoemde brief, ten aanzien van deze naheffingsaanslag, aan als een bezwaarschrift.

(…)

Aangezien het bezwaarschrift niet tijdig door mij is ontvangen, bent u niet ontvankelijk in uw bezwaar.”

2.13.

Op 1 april 2011 heeft de Inspecteur een boekenonderzoek aangekondigd, dat op 13 mei 2011 is aangevangen. Naar aanleiding van het concept-rapport van 12 november 2012 hebben de boekhouder en de gemachtigde van belanghebbende inzage gehad in de (geanonimiseerde) stukken. Er heeft daarna wel een briefwisseling plaatsgevonden, maar geen eindgesprek.

2.14.

Op 2 april 2013 heeft de Inspecteur het definitieve rapport uitgebracht met de bevindingen van het boekenonderzoek bij belanghebbende. In het rapport is onder meer vermeld:

“6.2.1 Transactie 1008 Nintendo 3DS

Met betrekking tot de inkoop bij [E] door [X] van 1008 Nintendo 3DS, PO 1105/1319, factuur 09201011-0300 van 16 mei 2011 en de daaropvolgende doorverkoop aan de Duitse afnemer [G] GmbH is een derden onderzoek ingesteld bij de opslaghouders en een externe vervoerder waarbij is bevonden dat:

- Op 17 mei 2011 de goederen bij DL Freight worden afgeleverd door een buitenlandse ondernemer bestemd voor Nederlandse afnemer (ploffer P3);

- Ploffer P3 op 16 mei 2011 factureert aan de Nederlandse tussenhandelaar T2;

- Tussenhandelaar T2 op 16 mei de goederen factureert aan [E] ;

- [X] aan [E] een inkooporder, gedagtekend 16 mei 2011 verstrekt voor levering op 17 mei 2011;

- [X] volgens eigen aantekening op 16 mei 2011 leverancier [E] betaalt;

- De goederen door opslaghouder DL Freight op 18 mei 2011 aan [E] worden vrijgegeven en direct daaropvolgend aan [X] worden vrijgegeven;

- Op vrijdag 20 mei 2011 de goederen bij DL Freight namens [X] afgehaald worden door Leffelaar Transport die de goederen vervoerd naar A2B Online BV te Schuttorf in Duitsland, in het kader van de levering van [X] aan [G] GmBh te Duitsland;

- Op vrijdag 20 mei 2011 dezelfde goederen tegen een zeer laag vervoerstarief met dezelfde auto’s terug naar Nederland worden vervoerd om op maandag 23 mei 2011 afgeleverd te worden bij opslaghouder [H] te [Y] ;

- Volgens informatie van [H] te [Y] deze goederen op 24 mei 2011 vrijgegeven zijn aan een Nederlandse afnemer;

- Volgens de administratie van de Belastingdienst de hiervoor genoemde Nederlandse afnemer ook niet aan zijn omzetbelastingverplichtingen heeft voldaan.

Uit de hierboven omschreven bevindingen en de daarbij behorende facturen blijkt dat:

- De partij Nintendo’s steeds in zijn geheel ongewijzigd is doorverkocht;

- De partij in een tijdsbestek van enkele dagen twee keer Nederland is binnengebracht en twee keer is afgeleverd aan een ploffer;

- [X] als laatste schakel in Nederland zijn leverancier heeft betaald voordat de goederen aan de eerste ploffer P3 zijn afgeleverd;

- Tussenhandelaar 2 een marge heeft van € 1,00 per stuk;

[E] een marge heeft van € xxxx per stuk [Hof: in een noot in het rapport staat vermeld dat het hier vertrouwelijke informatie betreft die om deze reden niet wordt weergegeven];

- [X] een marge heeft van € 14,50 per stuk.

Met betrekking tot de marge van [X] wordt opgemerkt dat de prijs van het vervoer € 650 bedraagt dit is € 0,65 excl. BTW per stuk. Waardoor de marge zonder vervoerskosten voor [X] uitkomt op € 13,85.

Grt bk 4640 transportkosten

Inkoop 6 09-06-2011 [G] 7 pallets 2 voertuigen 650,00

Inkoop 6 09-06-2011 [G] 6 pallets 2 voertuigen 650,00

De marge van [X] is hoger dan de marges van alle daar aan voorafgaande ketenhandelaren.

(…)

6.2.4

Derden onderzoek [I] Bank

[X] kon begin september 2011 niet voldoen aan een verzoek van de Belastingdienst om de bankgegevens van de [I] bankrekening digitaal, via een download van de mutaties, te verstrekken omdat de relatie met de [I] bank op dat moment was beëindigd

Naar aanleiding van deze mededeling is op 19 september 2011 bij de Rabobank informatie opgevraagd uit het klantendossier, waaruit blijkt dat het initiatief om de relatie te beëindigen is uitgegaan van de [I] .

Uit correspondentie tussen de bank en [X] blijkt dat:

- De [I] bank op 17 januari 2011 in een gesprek met [X] heeft medegedeeld twijfels te hebben over de transacties op de zakelijke bankrekening [00004] ;

- Middels een brief van 23 februari 2011 door de [I] dringend is verzocht om uiterlijk 4 maart 2011 jaarstukken en onderliggende facturen en dergelijke te overleggen waaruit de leveringen en bedrijfsvoering blijken;

- Middels een brief van 5 april 2011 de [I] schriftelijk aan [X] heeft medegedeeld de relatie te beëindigen daar de bank van mening is dat het betalingsverkeer over de bankrekening voor de bank niet transparant is en de integriteit van de bank ter discussie kan komen te staan waarbij strafrechtelijke vervolging van de bank mogelijk zou kunnen zijn.

7 Meldingen Intracommunautaire BTW fraude

Uit onderzoek van de Belastingdienst is gebleken dat de door beide leveranciers aan [X] geleverde goederen afkomstig zijn uit een lijn van opeenvolgende handelaren waarbinnen deze goederen zijn verhandeld en waarin, zoals bij intracommunautaire btw-fraude, door tenminste een partij niet aan de btw verplichtingen, is voldaan (…).

Op het moment dat de Belastingdienst sterke vermoedens had dat de door [C] BV geleverde goederen afkomstig waren uit een keten van handelaren waarbinnen BTW fraude plaatsvond is [X] hiervan schriftelijk op de hoogte gesteld.

Voor leverancier [C] BV is dit gedaan middels een brief van 23 februari 2011 en voor leverancier [E] is dit gedaan middels een brief van 31 mei 2011. Beide brieven zijn persoonlijk uitgereikt.

7.1

Tekst brief aan [X] Ltd. inzake [C] BV d.d. 23-2-2011

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij deel ik u mede dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat u van [C] B.V. goederen heeft aangeschaft waarbij, gelet op de omstandigheden, een sterk vermoeden bestaat dat deze goederen worden verhandeld binnen een keten waarin, zoals bij intracommunautaire btw-fraude, door tenminste één partij niet aan de btw-verplichtingen, wordt voldaan. Een keten welke eigenschappen vertoont van intracommunautaire btw-fraude heeft vaak één of meer van onderstaande kenmerken:

• handel in partijen risicogoederen;

• het betreft grensoverschrijdende handel;

• er is sprake van een keten van meerdere bedrijven;

• goederen worden in groot transactievolume aangeboden, hoge waarde en soms onder de gangbare marktprijs; vaak wordt er gesproken over parallelhandel;

• het kan branchevreemde goederen betreffen;

• leveranciers en afnemers in de keten wisselen veelvuldig, het betreft vaak nieuwe bedrijven, of opnieuw gestarte bedrijven of bedrijven met nieuwe bestuurders/aandeelhouders;

• door anderen wordt bepaald van wie u kan c.q. moet inkopen of aan wie u kan c.q. moet leveren. Deze anderen kunnen uw leverancier of afnemer zijn of een bemiddelaar;

• er is sprake van snelle handel, goederen die worden ingekocht worden veelal direct doorgeleverd, er worden geen voorraden aangehouden; soms geeft de leverancier zelfs aan aan wie de goederen doorverkocht kunnen worden;

• er vinden regelmatig contante betalingen en deelbetalingen plaats. Ook komt het voor dat er betaald wordt aan anderen dan de leveranciers;

• goederen blijven veelal in opslag bij freight forwarders of transportbedrijven en gaan niet naar bedrijfsadressen van de handelende bedrijven.

Als ondernemer moet u zorgvuldig zijn in het kiezen van uw leveranciers en afnemers om zo te voorkomen dat u betrokken raakt in bijvoorbeeld een btw-fraude. Door het Hof van Justitie en andere rechterlijke instanties is al meerdere malen bepaald dat van handelaren mag worden verwacht dat zij alles doen wat redelijkerwijs van hen mag worden verwacht om te voorkomen dat zij onderdeel gaan vormen van een keten waarin btw-fraude wordt gepleegd. Indien u niet zorgvuldig genoeg bent, loopt u het risico dat u hoofdelijk aansprakelijk wordt gesteld voor bijvoorbeeld de belastingschuld van uw leverancier of dat het recht op aftrek van voorbelasting vervalt.

Uw zorgvuldigheid kan bijvoorbeeld uit de volgende punten naar voren komen:

• de wijze waarop u in contact bent gekomen met uw leveranciers en afnemers;

• uw contactpersonen bij deze bedrijven zijn bevoegd de bedrijven te vertegenwoordigen;

• u kunt via normale kanalen - bezoek bedrijfsadres, (vaste) telefoon, (herkenbaar) emailadres - in contact komen met deze bedrijven en de contactpersonen;

• u weet waar de goederen zich op het moment van levering bevinden en kunt er ook fysiek over beschikken;

• u controleert de goederen zelf of laat u de zending inspecteren door een derde

de goederen zijn verzekerd tijdens het transport;

• u kunt bij uw leverancier reclameren indien de goederen gebreken vertonen.

Bovenstaande opsomming is niet volledig, u kunt uw zorgvuldigheid ook op andere wijze laten zien.

Indien u vermoedt dat u ongewild mogelijk betrokken bent in een (intracommunautaire) btw-fraude kunt u dat melden via het meldpunt carrouselfraude, te vinden op de website van de Belastingdienst [Hof: In een noot in het rapport staat het volgende vermeld: www.belastingdienst.nl, ondernemers, omzet, meldpunt carrouselfraude].

Ook kunt u contact opnemen met de later in deze brief genoemde ambtenaar.

Sinds 1 januari 2002 is artikel 42c opgenomen in de Invorderingswet 1990. Dit artikel betreft een hoofdelijke aansprakelijkheid voor de omzetbelasting die verschuldigd is over de levering van bepaalde aangewezen goederen voor ondernemers aan wie is geleverd en die wisten of behoorden te weten dat de over die levering verschuldigde omzetbelasting niet of niet volledig is of zal worden voldaan. Deze aangewezen goederen kunnen worden aangemerkt als risicogoederen. Onder andere zijn aangewezen als risicogoederen computeronderdelen, waaronder CPU’s. Ondernemers die in dergelijke risicogoederen handelen moeten extra alert zijn op intracommunautaire btw-fraude.

Graag ontvang ik van u een overzicht van alle leveranciers en afnemers vanaf 1 juli 2010 tot en met heden, met daarbij een inen verkoopfactuur.

Verder verzoek ik u alle nieuwe leveranciers en kopers voorafgaand aan de eerste transactie te melden aan de heer [J] . U kunt bij de Belastingdienst navragen of het bedrijf waarmee u wenst te handelen bekend is als ondernemer en - voorzover het een bedrijf in het buitenland betreft - over een geldig btw-identificatienummer beschikt. Tevens kunt u de Belastingdienst vragen met u te kijken naar de voorzorgsmaatregelen die u treft bij het kiezen van uw handelspartners.

(…)

7.2

Tekst brief aan [X] Ltd. Inzake [E] d.d. 31-5-2011

Geachte heer/mevrouw,

Hierbij deel ik u mede dat uit onderzoek naar voren is gekomen dat u van [D] handelend onder [E] goederen heeft aangeschaft waarbij, gelet op de omstandigheden, een sterk vermoeden bestaat dat deze goederen worden verhandeld binnen een keten waarin, zoals bij intracommunautaire btw-fraude, door tenminste één partij niet aan de btw-verplichtingen, wordt voldaan.

(…)

Gezien hetgeen in de eerste alinea van deze brief is opgenomen, wijs ik u er expliciet op dat het risico betrokken te raken bij BTW EU fraude ook aanwezig is bij andere (niet met name genoemde) zakenpartners waarmee u op (ongeveer) gelijke wijze zaken doet of wilt gaan doen. Graag ontvang ik van u een overzicht van alle leveranciers en afnemers vanaf 1 april 2011 tot en met heden, met daarbij een in en verkoopfactuur. Verder verzoek ik u alle nieuwe leveranciers en kopers voorafgaand aan de eerste transactie te melden aan de heer [J] .

(…)

7.3

Voorafgaande meldingen in 2009 aan [X] Ltd.

In 2009 zijn de aangiften over de periode januari-maart 2009 gecontroleerd voor de omzetbelasting

Tijdens dit onderzoek is [X] en de adviseur gewezen op de mogelijke betrokkenheid bij BTW fraude gelet op de uitzonderlijke winstmarges die [X] kon behalen en is [X] en de adviseur gewezen op de arresten Axel Kittel C-439/04 (06-07-2006) en Recolta Recycling BVBA-C-440/04 (11-07-2006).

De relevante tekst uit het rapport van 16-09-2009 luidt:

Tijdens het onderzoek is gewezen op een aantal zaken die van belang kunnen zijn bij de (internationale) handel in het algemeen en de handel in computeronderdelen en aanverwante artikelen in het bijzonder.

Onder andere de volgende onderwerpen zijn besproken:

- De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om het 0% tarief bij intracommunautaire leveringen en uitvoer toe te mogen passen.

- Weten met wie gehandeld wordt.

Geadviseerd is om bij aanvang van de handel een zogenaamd introductiesetje te maken. Hierin kunnen worden opgenomen (kopieën van) een recent uittreksel van de inschrijving bij de Kamer van Koophandel, het legitimatiebewijs van de persoon met wie contact is, stukken waaruit blijkt dat hij/zij gemachtigd is om namens de onderneming te handelen, verificatie BTW-nummer. Thans vindt verificatie plaats via de internetsite http://ec.europa.eu/taxation_customs/vies en via de belastingtelefoon. Gewezen is op de mogelijkheid om een schriftelijke bevestiging van de verificatie bij de belastingtelefoon te vragen. Geadviseerd is regelmatig opnieuw te verifiëren en de bevestigingen in de administratie op te nemen.

- Het kennen van de markt.

Hierbij wordt met name gedoeld op het op de hoogte zijn van de actuele prijzen en marges van de goederen.

Goederen die tegen een (veel) lagere prijs dan de dan geldende marktprijs worden aangeboden, of partijen waar een grotere marge dan gebruikelijke gerealiseerd kan worden, kunnen afkomstig zijn van (fiscaal) dubieuze handelspraktijken. Met betrekking tot [X] Ltd kan het volgende opgemerkt worden:

Aan de hand van de ter inzage verstrekte transacties realiseert dhr. [A] met [X] Ltd marges die uitzonderlijk zijn in de markt. Ook ondanks dat hij behoorlijke kennis heeft van de markt.

De onderneming dient daarom extra allert te zijn op het deelnemen aan een BTW carrouselfraude.

Bij enige verdenking van alle binnen de onderneming werkzame personen, dat de koop en/of verkoop van goederen deel uitmaakt van een BTW (carrousel) fraude, kan dit gevolgen hebben voor de aftrek van voorbelasting met betrekking tot de transacties.

In verband hiermee is gewezen op twee arresten van het Hof van Justitie van de EG: Axel Kittel C-439/04 (06-07-2006) en Recolta Recycling BVBA-C-440/04 (11-07-2006). De adviseur is op de hoogte van deze arresten.

Slotopmerkingen

Het onderzoek geeft op dit moment geen aanleiding tot correcties. Ik volg de aangifte omzetbelasting over het tijdvak 1 januari 2009 tot en met 31 maart 2009.

(…)

7.4.1

Rapport [B] BV van 13-02-2008

In het rapport van 13-02-2008 van de Belastingdienst Oost Brabant naar de aangiften omzetbelasting van [B] BV over het derde kwartaal 2007 zijn ondermeer de volgende teksten opgenomen:

Bedrijfsactiviteiten

De ondernemingsactiviteit bestaat uit de handel in computeronderdelen.

[B] BV is actief geworden m.i.v. 01-09-2007. Tot die datum vonden dezelfde activiteiten plaats in de éénmanszaak van de directeur/aandeelhouder dhr. [A] .

Bij de eenmanszaak van dhr. [A] loopt, gelijktijdig met dit onderzoek, een onderzoek m.b.t. de aangiften omzetbelasting over de jaren 2004 en volgende. Door de controlerend ambtenaar dhr. [K] zijn voor de toekomst aanvullende voorwaarden gesteld inzake het aantonen van het nultarief m.b.t. intracommunautaire leveringen.

[B] BV heeft slecht één afnemer t.w. [B] BVBA gevestigd aan de [a-straat] 4 te [L] , België. Aandeelhouder van [B] BVBA is eveneens dhr. [A] .

Feitelijke gang van zaken m.b.t. goederen [C]

Op het moment van aankoop door [B] BV bij [C] liggen de goederen op voorraad bij het warehouse [M] BV aan de [b-straat] 35 te [N] . De goederen worden aan de hand van e-mails van [C] “vrijgegeven” voor levering aan [B] BV.

(…)

Overige bemerkingen

(…)

- Tijdens het door dhr. [K] ingestelde boekenonderzoek is duidelijk geworden, dat dhr. [A] vanaf het jaar 2004 tot 01 september 2007 met zijn éénmanszaak betrokken is in een BTW-carrouselfraude, waarin het zelf actief in mee participeert. Uit de bij dat onderzoek geconstateerde feiten is gebleken, dat dhr. [A] te kwader trouw heeft gehandeld. De activiteiten van de éénmanszaak zijn door [B] BV onveranderd voortgezet. De BVBA is slechts op papier ertussen gezet om aan de door dhr. [K] nader gesteld voorwaarden te ontkomen en heeft in deze dan ook geen feitelijk betekenis.

(…)

Conclusie

De gevraagde teruggave omzetbelasting zal niet worden verleend. Enerzijds is de BV betrokken bij een BTW-caroussel, op grond waarvan geen recht op aftrek voorbelasting bestaat en anderzijds kan de BV de toepassing van het nultarief niet aannemelijk maken aan de hand van boeken en bescheiden.

Afloop van de correcties [B] en [B] BV:

In de bezwaarfase zijn de correcties van de voorbelasting op grond van de jurisprudentie van het Hof van Justitie (Kittel) vervallen omdat onvoldoende aanleiding aanwezig werd geacht om deze te handhaven. (…)”

2.15.

Onder de naam “ [O] ” is de FIOD een strafrechtelijk onderzoek aangevangen in verband met het mogelijk in georganiseerd verband plegen van btw-carrouselfraude door onder anderen belanghebbende en [A] . Van het formele onderzoek is op 10 maart 2013 een overzichtsproces-verbaal (0-OPV-1) opgemaakt. Op 31 januari 2014 heeft de FIOD een proces-verbaal (8-OPV-1) uitgebracht met de bevindingen van een onderzoek naar strafbare feiten door onder anderen belanghebbende en [A] . In het laatstgenoemde proces-verbaal is onder meer vermeld:

2 AANLEIDING ONDERZOEK / VERMOEDELIJKE WIJZE VAN FRAUDEREN

(…)

De deelnemers aan de criminele organisatie pleegden vermoedelijk btw-fraude met gebruikmaking van katvangers, ploffers, buffers, valse facturen en valse bedrijfsadministraties. Uit aangetroffen Skype-berichten komt onder meer naar voren dat [P] ( [Q] ) en [R] ( [E] ) vermoedelijk de inkoop en facturering van de goederen onderling regelden. [P] en [R] werkten hierbij nauw samen en deden rechtstreeks zaken met elkaar. Alle tussengeschoven ploffers en buffers kregen feitelijk geen enkele beschikkingsmacht over de goederen. De criminele organisatie regelde en verzorgde een complex geheel van schijntransacties. Deze organisatie deed voorkomen alsof sprake was van een reële handelsketen, terwijl het uitsluitend een facturenketen was die diende om btw-fraude mogelijk te maken:

- [Q] ( [P] ) maakte valse facturen op, of liet deze opmaken, steeds gericht aan verschillende ploffers die elkaar in de tijd opvolgden. Deze facturen zijn vals omdat [P] geen zaken deed met deze ploffers;

- Op naam van de ploffers werden valse facturen opgesteld, altijd gericht aan één van de twee ‘buffers’ [S] ( [T] ) of [U] ( [V] ). Deze facturen zijn vals omdat de ploffers geen zaken deden met [S] of [U] ;

- Op naam van [S] of [U] werden valse facturen opgesteld gericht aan [E] , vaak met een vaste winstmarge, bijvoorbeeld van € 1,= per item. Deze facturen zijn vals omdat [S] en [U] geen zaken deden met [E] ;

- Door [E] ( [R] ) werden valse facturen opgesteld gericht aan [X] ( [A] ) terwijl beide verdachten vermoedelijk wisten dat deze facturen uitsluitend dienden voor de realisatie van de btw-fraude en om de financiering van die btw-fraude mogelijk te maken.

[R] ( [E] ) en [A] ( [X] ) verzorgden in nauwe samenwerking niet alleen de afzet van de goederen maar ook de financiering ten behoeve van de inkoop door [P] ( [Q] ). [R] was hierbij de ‘spin in het web’ en liet de goederen pas inkopen of bestellen door [P] als hij en [A] een afnemer hadden gevonden.

Door [A] ( [X] ) werd de inkoop door [R] en [P] gefinancierd. Daarbij had [R] vermoedelijk de beschikking over alle bankrekeningen van [E] , de buffers en de ploffers. Hierdoor kon [R] het betalingsverkeer in overeenstemming met de valse facturenketen brengen en ervoor zorgen dat het geld zo snel mogelijk bij [Q] terecht kwam. Het vermoeden bestaat dat Ilkhan van [U] ten behoeve van de criminele organisatie de werving van de opeenvolgende ploffers regelde.

De goederen werden in alle gevallen gefactureerd via ploffers die de door hen gefactureerde en ontvangen btw niet hebben afgedragen aan de Belastingdienst. Bij alle volgende facturenschakels werd die btw vervolgens op aangiften wel teruggevraagd bij de Belastingdienst, terwijl men wetenschap had van het niet afdragen van die btw in het voortraject en/of wist dat die aangiften zijn gebaseerd op valse facturen en schijnconstructies. De ploffers maakten op basis van de (valse) facturen structureel verlies, want er vond altijd een prijsval plaats. Deze prijsval kon alleen plaatsvinden door het niet afdragen van de btw en was vermoedelijk noodzakelijk om de goederen aan het einde van de facturenketen nog beneden de ‘reguliere’ prijs te kunnen verkopen.

Alle bovengenoemde handelingen hebben er vermoedelijk direct dan wel indirect toe bijgedragen dat de uit misdrijf afkomstige gelden, namelijk de niet afgedragen btw, werd witgewassen.

(…)

4.1

Algemeen

(…) [A] is sinds 23 december 2008 alleen/zelfstandig bestuurder/director van [X] .

Nadat hem op 5 augustus 2013 is gevraagd hoeveel medewerkers [X] in dienst heeft of heeft gehad heeft [A] niets verklaard.

Ook op vragen omtrent onder meer de administratieve organisatie, het in- en verkoopbeleid, de betalings- en leveringscondities en de zakelijke contacten met leveranciers, afnemers en transporteurs heeft [A] tijdens zijn verhoor op 5 augustus 2013 niets verklaard en gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht.

Opmerking verbalisant:

In het van de Belastingdienst ontvangen controlerapport staat vermeld dat door [X] op 6 mei 2011 de navolgende nieuwe relaties tijdig zijn gemeld:

[W] BV, [c-straat] 11, [Y] , BTW nummer [00005]

• [Q] , s.r.o. te [AA] in Slovakije, VAT nummer SK [00006]

Op 16 oktober 2013 is de boekhouder van [X] , [BB] , V13, gehoord.

Op de vraag hoe hij in contact is gekomen met CAU antwoordde hij:

“Via een neef van mij ……. Meneer [A] had problemen met een ander bedrijf van hem, [B] heette dat, en die had fiscale problemen. Mijn vrouw is fiscalist en die heeft de procedures gevoerd. Omdat [A] niet de middelen had om iets anders te beginnen heb ik heb toen [X] opgericht ….. Hij is in 2010 bij mij in dienst gekomen. [A] draaide zelfstandig. Het was de bedoeling dat als de problemen met [B] opgelost waren, [A] [X] zou overnemen. Ik ben slechts in naam eigenaar geweest van [X] …… [A] heeft toen [X] van mij overgenomen. Ik heb [X] om niet overgedragen, met de afspraak dat als [X] winst ging maken, ik een lening tegen gunstige voorwaarden zou krijgen om een kantoor te verkrijgen. De gunstige voorwaarde was dat dit een achtergestelde lening was. Dit is ook gebeurd en bij de notaris vastgelegd. Ik heb een lening gekregen van [X] van € 150.000,- in 2012. Het pand zit aan de [d-straat] 30 in [Z] en is in 2012 aangekocht”.

Opmerking verbalisant:

Uit het van de Belastingdienst Rijnmond ontvangen controleapport naar aanleiding van het ingestelde boekenonderzoek bij [X] is naar voren gekomen dat [B] B.V. tot en met 2009 actief geweest is geweest in dezelfde branche als waar vanaf 2009 [X] nu actief in is.

De zogenoemde fiscale problemen waar [BB] over spreekt hebben, zo is uit onderzoek bij de Belastingdienst naar voren gekomen, te maken met het vermoeden dat [B] B.V. en de eenmanszaak [B] betrokken waren bij een carrouselfraude.

In de bezwaarfase zijn de correcties van de voorbelasting op grond van jurisprudentie van het Hof van Justitie (Kittel) vervallen omdat onvoldoende aanleiding aanwezig werd geacht om deze te handhaven.

Tegen de uitspraak op bezwaar van de eenmanszaak [B] is beroep en later hoger beroep aangetekend. Nadat de inspecteur ook in hoger beroep in het gelijk is gesteld heeft de belastingplichtige cassatie ingesteld. Op dit moment is het cassatie beroep een lopende procedure bij de Hoge Raad.

Voorts staat in dit rapport vermeld dat [CC] BV naast fiscaaladviseur en gemachtigde van [X] ook gemachtigde is geweest van de beide leveranciers van [X] te weten [E] en [C] BV. Uit hoofde van die machtiging is het aannemelijk dat de adviseur van [X] ook inzage had in de winstmarges en leveranciers van Nintrend BV en [E] .

Nadat hem is gevraagd hoeveel medewerkers [X] in dienst heeft of heeft gehad verklaarde [BB] :

“ [A] deed alles zelf. Hij deed de in- en verkoop”.

4.2

Rapport Drs. [DD]

Drs. [DD] , werkzaam bij de FIOD als fiscaal coördinator bij het Coördinatie Punt btw-fraude, heeft een rapport opgesteld waarin 31 algemene kenmerken worden beschreven die voor kunnen komen bij een btw-carrouselfraude. Deze kenmerken zijn door drs. [DD] verzameld aan de hand van het raadplegen van openbare bronnen, zoals literatuur, Europese fiscale jurisprudentie btw-(carrousel)fraudezaken en strafrechtelijke jurisprudentie btw-(carrousel)fraudezaken in Nederland. Indien in dit proces-verbaal wordt gesproken over “een kenmerk van btw-fraude” dan betreft dit een kenmerk dat genoemd staat in het rapport van drs. [DD] . In onderstaande tabel staat vermeld welke kenmerken (gedeeltelijk) voorkomen in dit proces-verbaal. Het nummer en de korte omschrijving verwijzen naar de kenmerken zoals deze staan vermeld in het rapport.

Nr. Korte omschrijving kenmerk Opmerking

1. Risicogoederen zoals computeronderdelen, De onderzochte facturenstromen telecommunicatieapperatuur en elektronica betreffen Playstations3, Intel Core i7’s

zoals spelcomputers en i-Phones

2 Tenminste één partij draagt de [EE] , [FF] , [GG] , [HH]

omzetbelasting niet af [HH] en [II] hebben geen

aangiften omzetbelasting gedaan

2 Gebruik van stromannen of katvangers [JJ] van [EE] (AH-130)

en [KK] van [FF] (AH-133), hebben verklaard dat zij op verzoek van [V] het desbetreffende bedrijf op hun naam hebben genomen, maar dat zij geen handelsactiviteiten hebben ondernomen. [LL] van [HH] (AH-132 en AH-134) heeft, zoals hij verklaarde, uit angst niets willen zeggen. [MM] van [II] (AH-136) is gedetineerd in Polen en [NN] van [GG] (AH-131) is niet getraceerd

3 In de keten vindt een prijsdaling plaats Ja, zie paragraaf 4.18 en AH-219

4 Grensoverschrijdende factuurstroom Ja, zie paragraaf 4.5 ivm leveringen

aan de zogenaamde plofbedrijven [EE] , [FF] , [GG] , [HH] , [II]

5 Keten van ondernemers in binnen- en Ja, zie paragraaf 4.5

buitenland

9 Facturering aan bedrijven die niet Op vragen omtrent de zakelijke daadwerkelijk met elkaar handelen contacten van [X] zoals

waardoor er geen sprake van levering is in leveranciers, afnemers,

de zin van de omzetbelasting en derhalve transportbedrijven, opslagcapaciteit,

is er gebruik van valse facturen betalingscondities etc. heeft de heer

[A] gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Zie ook paragraaf 4.5

9 Transacties hebben een (zeer) hoge Facturen variëren tussen de factuurwaarde € 100.000 en € 500.000,-, zie

paragraaf 4.5

10 Leverancier kan zijn leverancier pas Ja, zie de paragraven 4.7, 4.9 en 4.21

betalen als hij van zijn koper geld heeft

gekregen

11 Winstmarges zijn relatief klein en bestaan Zie de paragraven 4.8, 4.18 en en AH-

veelal uit vaste bedragen 219

15 De fraude vindt voornamelijk plaats in de Ja, er zijn geen anders afnemers dan in de groothandel groothandel naar in het ondezoek

voren gekomen

18 Goederen worden snel doorgeleverd naar Ja, zie paragraaf 4.5 en 4.6

de volgende schakel

19 Partijen houden geen voorraad aan, ze Ja, op vragen hieromtrent heeft Van verkopen voordat ze inkopen [A] gebruik gemaakt van zijn

zwijgrecht. Er is mij, verbalisant, niets bekend van een magazijn.

Verdachte [BB] , V13, heeft op 16-10-13 verklaard zich te herinneren dat de goederen welke [X] in- en verkocht meestal in een warehouse lagen opgeslagen. De naam van dit warehous kan hij zich niet (meer) herinneren

20 Snelle wisseling van leveranciers Ja, zie de paragraven 4.5 en 4.6

21 Weinig of geen personeel in dienst Ja, op vragen hieromtrent [A]

gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht. Uit de boekhouding is niets gebleken van personeel. Controlemedewerker [OO] beschrijft in zijn controlerapport, paragraaf 2.4, dat alleen [A] in loondienst is bij [X] .

22 Bedrijven niet traceerbaar, contacten via Voor wat betreft de Skypechats, zie onder meer internet, Skype, etc. AH-1 93a tot en met AH-1 93c

24 De goederen zijn in de regel niet verzekerd Op vragen over deze onderwerpen

en ook is niet contractueel vastgelegd wat heeft [A] gebruik gemaakt de verhaalsmogelijkheden zijn bij gebreken, en zwijgrecht. Uit zijn administratie is de handelsrisico’s van garantie en niet leveren of niets gebleken van verzekeringen op

betalen zijn gedekt de goederen. De boekhouder [BB] ,

V13, heeft verklaard dat [A]

hem had verteld dat die goederen niet te verzekeren waren en omdat ze in een warehouse lagen opgeslagen onder de verzekering van de warehouse-eigenaar vielen.

Ook verklaarde de boekhouder dat [A] de inspectie van de goederen door het warehouse liet plaatsvinden

25 Goederen worden veelvuldig verhandeld Ja, zie de paragraaf 4.5

terwijl ze bij freightforwarder in opslag

blijven liggen

26 De handel is gericht op btw-fraude. Er is Ja, ik verwijs hiervoor naar: AH-219,

geen sprake van handel in economisch AH-193a en AH-193b.

verkeer maar van schijntransacties

27 Veel bedrijven in de keten factureren en Ja, zie AH-193a en AH-193b.

betalen de goederen zonder deze gezien te

hebben. De handel gaat op basis van

vertrouwen.

29 Onduidelijk of de goederen daadwerkelijk Ja, zie AH-193a en AH-193b. Het bestaan vermoeden bestaat dat de goederen

niet daadwerkelijk worden verhandeld maar dat door vermoedelijke valse correspondentie en/of facturen de btw- carrousel draaiende wordt gehouden

4.3 “

Risicogoederen”

Bepaalde goederen worden ook wel “de risicogoederen” genoemd omdat deze goederen vaak worden gebruikt bij intracommunautaire omzetbelastingfraude. In artikel 42c Invorderingswet 1990 staat omschreven dat ondernemers ter zake van de levering van “aan te wijzen goederen” hoofdelijk aansprakelijk voor de omzetbelasting gesteld kunnen worden als de ondernemer aan wie de levering werd verricht wist of behoorde te weten dat de ter zake van die levering verschuldigde omzetbelasting niet of niet volledig is of zal worden voldaan. De “aan te wijzen goederen” staan in artikel 40a Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990. Dit betreft onder meer “computerapparatuur en - programmatuur”.

In de waarschuwingsbrieven wordt dan ook verwezen naar de risicogoederen die staan genoemd in artikel 40a Uitvoeringsregeling lnvorderingswet 1990 omdat deze goederen vaak worden gebruikt bij intracommunautaire omzetbelastingfraude.

Op de vraag naar het begrip risicogoederen heeft [A] tijdens het verhoor op 5 augustus 2013 gebruik gemaakt van zijn zwijgrecht.

Op 16 oktober 2013 is de boekhouder van [X] , [BB] , V13, gehoord.

Op de vraag in welke branche [X] actief is, verklaarde hij:

“In het begin werd er gehandeld in processoren. Deze waren afkomstig van de parallelhandel. Het waren goederen die kleine onvolkomenheden hadden, die bij verkoop nog wat opleveren, zoals bijvoorbeeld i7 processoren die als i5 processoren werden gebruikt. Vervolgens begon hij met Iphone, X-boxen en PIaystations. Dit waren geen grote aantallen. Later kwamen er van die telefoontjes bij en verder....

…Vroeger is er veel gedonder geweest met telefoons, dit zijn ook risicogoederen. Een kenmerk bij BTW fraude is dat er bedrijven failliet gaan. Bij zowel de in- als verkoop klanten van [X] is er, bij mijn weten niemand failliet gegaan. Ik heb, zoals eerder verklaard, ook onderzoek gedaan naar de mogelijke betrokkenheid van [X] bij een dergelijke fraude. Het enige waar ik geen antwoord op kon vinden, was waar de eindafnemer zat”.

4.4

Prijsval

Een ander kenmerk van btw-carrouselfraude is dat in de keten veelal één keer een prijsdaling of prijsval plaatsvindt. Dat wil zeggen dat door een ondernemer wordt verkocht voor een lagere prijs dan waarvoor hij heeft ingekocht (ex omzetbelasting). De prijsval treedt veelal op bij de ploffer. De ploffer is degene die de omzetbelasting die hij in rekening brengt op zijn verkoop niet afdraagt aan de Belastingdienst. Door het niet afdragen van de omzetbelasting is de ploffer, ondanks het verlies waarmee hij doorlevert, nog in staat om winst te maken.

(Nadat hem is gevraagd naar het fenomeen prijsval, verklaarde [A] )

Opmerking verbalisanten: Gehoorde geeft geen reactie op de vraag.

4.5

Facturenstroom en het gebruik van zogenoemde plofbedrijven

In overleg met de officier van justitie, Mw. [PP] , is besloten per maand een facturenstroom te beschrijven waarbij de diverse partijen naar voren komen en een eventuele prijsval zichtbaar wordt:

Juni 2011:

• Een partij van 1200 stuks Sony PS3 320 slim EU spec spelcomputers wordt op 09-06-2011 door [QQ] IT uit Denemarken gefactureerd aan het zogenoemde plofbedrijf [EE] B.V. ad € 245,= per stuk ex BTW, zie AH-1 30.

Deze goederen worden op 10-06-2011 door [EE] B.V. gefactureerd aan [U] Diensten B.V. ad € 214,= ex BTW.

Op 10-06-2011 factureert [U] Diensten B.V. deze goederen aan [E] ad € 215,= ex BTW welke op haar beurt deze goederen weet factureert aan [X] ad € 217,= ex BTW.

[X] factureert deze goederen op 15-06-2011 aan [RR] B.V. en [W] BV ad resp. € 226,= en 228,= ex BTW.

Voor een nadere beschrijving van het zogenoemde plofbedrijf [EE] B.V. verwijs ik naar het 2-OPV-1.

Juli 2011:

• Een partij van 1000 stuks Sony Playstation3 320GB EU en 402 stuks Sony Playstation3 160GB wordt op 06-07-2011 door [Q] s.r.o. te Slowakije gefactureerd aan het zogenoemde plofbedrijf [GG] B.V. ad € 248,50 en € 227,50 per stuk ex BTW. Zie het bijgevoegde bankafschrift van [GG] B.V. met nr. D-467.

Op 06-07-2011 factureert [GG] B.V. deze goederen aan [S] B.V. ad € 215,00 en € 197,00 per stuk ex BTW.

Op 06-07-2011 factureert [S] B.V. deze goederen aan [E] ad € 216,00 en € 198,00 per stuk ex BTW.

[E] factureert op 06-07-2011 aan [X] ad € 218,00 en € 200,00 per stuk ex BTW en [X] factureert op resp. 12- en 13-07-2011 aan [W] B.V. en [RR] B.V. ad € 225,00, € 224,00 en € 208,00.

Voor een nadere beschrijving van het zogenoemde plofbedrijf [GG] B.V. verwijs ik naar de processen-verbaal met nrs. AH-01 3, AH-041, AH-194 en AH-209.

September 2011:

• Een partij van 440 stuks iPhones 16GB wifi+3G wordt op 14-09-2011 door [Q] s.r.o. te Slowakije gefactureerd aan het zogenoemde plofbedrijf [HH] Beheer B.V. ad € 491,= ex BTW.

Op 14-09-2011 factureert [HH] Beheer B.V. deze goederen aan [S] B.V. ad € 427,00 per stuk ex BTW.

Op 14-09-2011 factureert [S] B.V. deze goederen aan [E] ad € 429,00 per stuk ex BTW.

[E] factureert deze goederen op 13-09-2011 aan [X] ad € 436,00 per stuk ex BTW en [X] factureert de goederen op 13-09-2011 aan [W] B.V. ad €442,00 per stuk ex BTW.

Voor een nadere beschrijving van het zogenoemde plofbedrijf [HH] Beheer B.V. verwijs ik naar de processen-verbaal met nrs. AH-015, AH-066, AH-195, AH-209 en AH-218 AH-209 en AH-218.

Oktober 2011:

• Aan de hand van de van de Belastingdienst ontvangen bescheiden heb ik gezien dat een partij van 2000 stuks lntel®CoreTMi7-2600K Processor’s op 12-10-2011 door [Q] te Slowakije op papier in eigendom wordt overgedragen aan het zogenoemde plofbedrijf [HH] Beheer B.V. Vervolgens volgen de navolgende eigenaren van deze partij goederen elkaar snel op, te weten: [S] B.V., [E] , en uiteindelijk [X] .

[Q] s.r.o. ontvangt op 11-10-2011 op haar bankrekening met nr. [00007] een drietal internationale betalingen van respectievelijk € 230.000=, € 230.000,= en € 248.000=. Zoals in het proces-verbaal van ambtshandeling met nr. AH-134 beschreven heeft [Q] s.r.o. in september 2011 een tweetal partijen i7-2600K Intel Core aan [HH] Beheer B.V. verkocht ad € 230, per stuk ex BTW.

Een factuur van [Q] s.r.o. aan [HH] Beheer B.V. terzake de transactie van oktober 2011 is niet aangetroffen.

[HH] Beheer B.V. ontvangt op haar bankrekening met nr. [00008] d.d. 11-10-2011 een bedrag ad € 467.670,= van [S] B.V.

Ik heb in de administratie van [HH] Beheer B.V. een factuur aangetroffen, met nr. omb0043 d.d. 12-10-2011 en gericht aan [S] B.V. ad € 235.620=. Deze partij betreft de levering van 1000 stuks Intel Core i7 2600K ad € 198,= per stuk ex BTW. Ik heb gezien dat [S] B.V. op haar bankrekening met nr. [00009] d.d. 12-10-2011 een bedrag ad €236.810,= van [E] ontvangt.

[E] factureert op 12-10-2011 een partij van 1000 stuks lntel®CoreTMi7-2600K Processoren aan [X] ad € 202= per stuk ex BTW.

Voor een nadere beschrijving van het zogenoemde plofbedrijf [HH] Beheer B.V. verwijs ik naar de processen-verbaal met nrs. AH-015, AH-066, AH-195, AH-209 en AH-218.

November 2011:

• Aan de hand van de van de Belastingdienst ontvangen bescheiden heb ik gezien dat een partij van 148 i-Phones 16GB White 23-11-2011 door [SS] te Duitsland wordt geleverd aan [Q] te Slowakije. Vervolgens volgen de navolgende eigenaren van deze partij goederen elkaar snel op, te weten:

[II] B.V., [S] B.V., [E] , [TT] en uiteindelijk [X] . Het is niet mogelijk gebleken de diverse betalingen te traceren. Het vermoeden bestaat dat [II] B.V. in deze carrousel het zogenoemde plofbedrijf is. Voor een nadere beschrijving van [II] B.V. verwijs ik naar de processen-verbaal met nrs. AH-016, AH-045, AH-045a, AH-045b, AH-045d, AH-045e, AH-158 en AH-196.

In de inbeslaggenomen administratie van de boekhouder van onder meer [E] , trof ik een factuur aan van [S] B.V. aan [E] d.d. 25-11-2011. Deze factuur betreft een partij van 148 stuks Apple iphone4 16GB MC 604 NF/A-White ad € 430,= per stuk ex BTW.

Voorts trof ik in de inbeslaggenomen administratie van de boekhouder van onder meer [E] een factuur aan van [E] aan [X] d.d. 24-11-2011. Deze factuur betreft hoogstwaarschijnlijk dezelfde partij goederen met een stuksprijs van €435,=ex BTW.

December 2011:

• Aan de hand van de van de Belastingdienst Rotterdam ontvangen bescheiden heb ik gezien dat een partij goederen met Job Number 90000753/00, zijnde 2000 stuks lntel®CoreTMi7-2600K Processor’s op één dag, 29-12-2011, van eigenaar veranderen, te weten, van: [Q] naar [S] B.V. naar [E] en [X] .

• [Q] ontvangt op 28-12-2011 op haar bankrekening met nr. [00007] een drietal internationale betalingen ad € 191.500,=, €250.000, en € 250.000,= van [S] B.V.

[S] B.V. ontvangt op 28-12-2011 op haar bankrekening met nr. [00009] een drietal betalingen ad € 214.000=, € 250.000,= en € 250.000,= van [E] .

[E] ontvangt op 28-12-2011 op haar bankrekening met nr. [000010] een betaling ad € 453.360,25 van [X] .

In de op 27-11-2012 op het adres [d-straat] 32 te [Z] inbeslag genomen administratie trof ik een factuur aan van [E] aan [X] d.d. 28-12-2011 .Deze factuur betreft een partij van 2000 stuks Intel®CoreTMi7-2600K Processor en bedraagt € 480.760,= minus een verrekening met een credit-factuur ad € 27.399,75 hetgeen neerkomt op € 453.360,25.

Januari 2012:

• Deze beschrijving betreft een partij van 3695 stuks Intel CPU Processor i7-2600K, 1800 stuks Playstation3 320GB CECH 3004-B en 500 stuks i-Phone 4S-16GB Black. In de door ons inbeslaggenomen administraties en de van de Belastingdienst Rotterdam ontvangen bescheiden heb ik gezien dat het zogenoemde plofbedrijf [FF] B.V. op 25-01-2012 een 4-tal betalingen, totaal € 1.657.295=, heeft gedaan op de bankrekening met nr. [00007] ten name van [Q] te Slowakije. Op 25-01-2012 factureert [FF] B.V. aan [U] Diensten B.V deze goederen in totaal voor € 1.327.675,= ex € 252.258,25 BTW, totaal € 1.579.933,25.

[U] Diensten B.V. factureert deze partij goederen op 25-01-2012 aan [E] voor een bedrag ad € 1.594.201,35, inclusief € 254.536,35 BTW.

[E] factureert vervolgens alleen een partij van 500 Apple i-Phone4S 16GB MC235B/A Black ad € 490,= ex BTW aan [X] .

Er is door mij geen nader onderzoek gedaan aan wie de andere goederen zijn gefactureerd.

Voor een nadere beschrijving van het zogenoemde plofbedrijf [FF] B.V. verwijs ik naar de processen-verbaal met nrs. AH-019, AH-056, AH-114, AH-149 en AH-197.

Februari 2012

(…)

4.21

Skypeberichten

(…)

Uit het hierboven beschreven proces-verbaal met nr AH-193b, onderzoek naar de Skypechats komt, in samenhang met andere bevindingen tijdens het onderzoek, onder meer naar voren dat vermoedelijk:

- sprake is van een criminele organisatie die zich voornamelijk bezighoudt met BTW-fraude c.q. een BTW-carrousel en onder meer het opmaken en/of gebruiken van valse geschriften (o.a. facturen);

- [R] als intermediair nauw samenwerkt met [P] aan de inkoopzijde en met [A] aan de verkoopzijde van de criminele organisatie;

- [A] de enige verkoper is binnen de criminele organisatie die belast is met de afzet van de goederen uit de BTW-fraude naar zijn afzetmarkt. Dit betreft dan gebaseerd op de facturen vermoedelijk de periode tot februari 2012;

- Jac Donkersloot pas goederen gaat bestellen of inkopen nadat [A] de goederen heeft verkocht. Op dat moment moet [R] een factuur maken van [E] gericht aan [X] Ltd. om de geldstroom op gang te brengen;

- [X] Ltd. ook bij die criminele organisatie betrokken is als financierder door als eerste te betalen en in feite de inkoop door [P] voor te financieren;

- de gehele facturenstroom vanaf [Q] , via ploffers en buffers, tot en met [X] Ltd. vals is en een schijnwerkelijkheid vormt zonder reële prijsvorming. Deze facturenstroom is uitsluitend opgezet om de BTW-fraude te kunnen plegen en naar de buitenwereld te kunnen voordoen alsof sprake is van een reële handel;

- geen prijsonderhandelingen plaatsvinden en geen sprake is van reële handelstransacties maar van schijntransacties;

- [R] verantwoordelijk is voor de prijsval bij de plofbedrijven en belast is met het regelen van het gehele facturentraject van de plofbedrijven tot en met [X] Ltd.;

- [R] belast is met het berekenen van de diverse factuurprijzen in de facturenketen en het bepalen van de door [A] te realiseren verkoopprijzen;

- [R] na de ontvangst van het geld van [X] Ltd. met spoedbetalingen het betalingsverkeer van vrijwel de gehele facturenketen verzorgt of doet verzorgen, dus van de 2e buffer ( [E] ) naar le buffer ( [S] of [U] ) naar de ploffer naar [Q] ;

- de bankoverschrijvingen overeenkomstig die valse facturenstroom bedoeld is om de valse facturenstroom en schijntransacties echt te (doen) laten lijken;

- [A] de goederen als direct gevolg van de BTW-fraude en de daardoor gerealiseerde prijsval doorgaans nog steeds 11 tot 15% goedkoper krijgt gefactureerd ten opzichte van de prijzen op de verkoopfacturen van [Q] aan de ploffer(s), in elk geval voor een prijs die veel lager is dan de reguliere of reële marktprijs danwel de werkelijke waarde van de goederen.

Gelet op de noodzakelijke afstemming binnen de criminele organisatie worden deze handelingen vermoedelijk verricht in onderlinge nauwe samenwerking met één of meer andere deelnemers aan de vermoede criminele organisatie.

Naar aanleiding van het van de Belastingdienst ontvangen controlerapport, zoals geverbaliseerd in AH-208 en D-726 heeft er tussen [UU] , opsporingsambtenaar van de Belastingdienst/FIOD en [OO] , controlemedewerker van de Belastingdienst/Rijnmond kantoor Rotterdam overleg plaatsgehad over het controlerapport en als gevolg hiervan zijn de processen-verbaal met nrs. AH-208a, AH-208b en AH-208c opgemaakt.

Uit deze processen-verbaal komt onder meer naar voren dat:

• [X] op 6 mei 2011, [Q] als nieuwe klant-leverancier heeft gemeld;

• [P] de Nederlandse agent is van [Q] ;

• [P] en [A] elkaar moeten kennen, in elk geval vanaf mei 2011;

• Uit het strafrechtelijk onderzoek geen rechtstreeks handelstransacties tussen [X] en [Q] naar voren komen;

• Het uit zakelijk oogpunt voor [X] gunstiger zou moeten zijn om goederen rechtstreeks bij [Q] te betrekken;

• [X] uiteindelijk via een vermoedelijk valse facturenstroom, via de ploffers, 1e buffers [S] en [U] en 2

buffer [E] toch afnemer van de goederen van [Q] is geworden;

• Onderzoek is gedaan naar enkele facturen van [VV] B.V., een onderneming van [P] , gericht aan [WW] Ltd. te Malta en [XX] Ltd. Te [YY] , Great Brittain. Met deze facturen brengt [VV] B.V. “Consulting Fee/Market research/Agent fee” in rekening, kennelijk als bemiddelingsfee voor transacties van [WW] en [XX] Ltd. In AH-208c staat het vermoeden beschreven dat [P] in de maanden januari tot en met mei 2011 betrokken is geweest bij transacties door of met [WW] en [XX] , waarbij vermoedelijk [P] de koper was van deze goederen uit naam van [Q] ;

• Naar aanleiding van onderzoek in de van de boekhouder van [X] ontvangen auditfile over 2011 naar voren is gekomen dat [X] over de maanden januari tot en met mei 2011 voor meer dan 6 miljoen euro in 116 mutaties aan de [WW] Ltd. en [XX] Ltd. heeft verkocht.

• Hierdoor is het vermoeden ontstaan dat goederen die door [X] werden verkocht aan [WW] en [XX] door [P] (weer) werden ingekocht om (opnieuw) in de BTW-carroussel te worden ingebracht via [Q] en plofbedrijven.”

2.16.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende met dagtekening 27 mei 2013 een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd van € 49.027 over het tijdvak 1 januari 2010 tot en met 31 december 2010, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 4.537. De naheffingsaanslag is opgelegd op grond van artikel 29, tweede lid, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) omdat de tweejaarstermijn is verstreken. De Rechtbank heeft deze naheffingsaanslag en verzuimboete vernietigd.

2.17.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 25 oktober 2013 de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 september 2011 tot en met 30 september 2011 verminderd tot € 341.246. Dit is de verschuldigde omzetbelasting (vóor aftrek van voorbelasting) volgens het bezwaarschrift van belanghebbende.

3 Geschil en standpunten van partijen

3.1.

In geschil is of de naheffingsaanslagen terecht zijn opgelegd en of de teruggaafverzoeken terecht zijn afgewezen. Voorts is de ontvankelijkheid van het bezwaar tegen de naheffingsaanslag over het tijdvak 1 maart 2011 tot en met 31 juli 2011 in geschil.

3.2.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij reële transacties heeft verricht. Indien dit anders was, hadden de naheffingsaanslagen niet opgelegd mogen worden omdat geen enkele partij in de desbetreffende keten dan omzetbelasting was verschuldigd. De arresten Kittel en Recolta bieden geen grondslag voor de naheffingsaanslagen. Uit deze arresten vloeit voort dat de teruggaaf uitsluitend kan worden geweigerd; reeds voldane omzetbelasting mag niet worden nageheven. Dit zou namelijk een dubbele last voor belanghebbende betekenen; zij heeft de voorbelasting immers aan haar leveranciers betaald. Bovendien ontbreekt een grondslag in de Nederlandse wetgeving. Desgevraagd heeft de Inspecteur niet het wetsartikel genoemd dat de grondslag voor de naheffingsaanslagen vormt. De Inspecteur handelt onzorgvuldig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, aangezien de naheffingsaanslagen niet zijn gemotiveerd. Belanghebbende is in haar rechten van verdediging geschaad, doordat zij pas laat op de hoogte is geraakt van de namen van de ploffers. Indien haar eerder was medegedeeld om wie het ging, had zij haar leveranciers gerichter vragen kunnen stellen en meer onderzoek kunnen doen. Belanghebbende bestrijdt dat zij niet alles heeft gedaan om ervoor te zorgen dat zij niet betrokken zou raken bij carrouselfraude. Belanghebbende heeft na ontvangst van de informatiebrief van 23 februari 2011 vooraf haar leveranciers en afnemers aan de Belastingdienst gemeld. Ook heeft belanghebbende verzocht om een interpretatie van de informatiebrieven en heeft zij een voorlopige voorziening verzocht om achter de geanonimiseerde namen in het controlerapport te komen. Belanghebbende is gestopt met leverancier [C] B.V. en heeft andere leveranciers gezocht. De ‘ploffers’ waren niet bekend bij belanghebbende. Met deze ‘ploffers’ heeft belanghebbende geen transacties verricht. De Inspecteur heeft de btw-nummers van [C] B.V. en [E] niet ingetrokken en de fraudeketen langer in stand gelaten. Belanghebbende heeft wel prijsonderhandelingen gevoerd en was vrij om een transactie wel of niet aan te gaan. Dat [A] zich tijdens een verhoor heeft beroepen op zijn zwijgrecht, was op advies van zijn toen afwezige raadsman. De FIOD heeft later geen gebruik gemaakt van het aanbod om [A] in bijzijn van zijn raadsman te horen. Voorts beroept belanghebbende zich op het vertrouwensbeginsel. Bij vermoeden van fraude bij [C] B.V. had de Inspecteur geen teruggaaf mogen verlenen voor de tijdvakken januari en februari 2011. De teruggaven voor deze tijdvakken zijn verleend omdat er geen wetenschap van fraude is bij belanghebbende. De informatiebrief van 23 februari 2011 doet hieraan weinig af. Deze brief gaat niet over de andere leverancier van belanghebbende, [E] . Hetzelfde geldt voor de informatiebrief van 31 mei 2011. De Inspecteur had de teruggaven van vóór deze datum moeten verlenen. De correcties betreffende de teruggaven aan [B] en [B] B.V. zijn volledig teruggenomen. Tot slot stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag voor het tijdvak 1 maart 2011 tot en met 31 juli 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De Inspecteur heeft belanghebbende bij brief van 5 juni 2012 in de gelegenheid gesteld het bezwaar te motiveren. Dit betekent dat het bezwaarschrift moet zijn ontvangen. Het is standaardprocedure dat bij ontvangst van een bezwaarschrift eerst wordt beoordeeld of het bezwaar ontvankelijk is. Belanghebbende mocht er derhalve op vertrouwen dat de Inspecteur het bezwaarschrift had ontvangen en de termijn om nader te motiveren had gecheckt. Het is niet gebruikelijk een termijn vast te stellen zonder eerst vast te stellen of het bezwaar ontvankelijk is.

3.3.

De Inspecteur neemt tegenovergestelde standpunten in. Met betrekking tot de weigering van het aftrekrecht c.q. de teruggaven heeft de Inspecteur zich desgevraagd op het standpunt gesteld dat belanghebbende minst genomen had moeten weten dat zij deelnam aan een keten waarin fraude werd gepleegd.

4 Beoordeling van het geschil

Ontvankelijkheid bezwaar naheffingsaanslag 1 maart 2011 tot en met 31 juli 2011

4.1.

De gemachtigde van belanghebbende stelt zich op het standpunt dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag voor het tijdvak 1 maart 2011 tot en met 31 juli 2011 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd verklaard dat zij in dit verband uitsluitend een beroep doet op het vertrouwensbeginsel. Belanghebbende stelt het in rechte te beschermen vertrouwen te ontlenen aan de brief van de Inspecteur van 5 juni 2012 (geciteerd onder 2.10 van deze uitspraak).

4.2.

Bij de beoordeling van de ontvankelijkheid moet het volgende worden vooropgesteld. De aard van de bezwaartermijn, welke meebrengt dat deze op straffe van niet-ontvankelijkverklaring in acht behoort te worden genomen, staat eraan in de weg dat het desbetreffende bestuursorgaan van een beroep op overschrijding van die termijn afstand zou kunnen doen of de duur van de termijn zou kunnen wijzigen (HR 20 november 1996, nr. 31827, ECLI:NL:HR:1996:AA1755). Zulks sluit evenwel niet uit dat zich de situatie kan voordoen dat een belanghebbende aan een uitlating van dat bestuursorgaan het vertrouwen mag ontlenen dat hij zijn bezwaarschrift nog na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kan indienen, zodat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest. Daartoe is evenwel vereist dat - anders dan het geval was in het evenvermelde arrest - de belanghebbende van die uitlating kennisneemt binnen de wettelijke bezwaartermijn. Vertrouwen ontleend aan een uitlating van het bestuursorgaan, waarvan de belanghebbende pas na afloop van de wettelijke bezwaartermijn kennisneemt, kan immers niet bewerkstelligen dat een inmiddels plaatsgehad hebbende niet-verschoonbare termijnoverschrijding alsnog verschoonbaar wordt (HR 22 november 2000, nr. 35601, ECLI:NL:HR:2000:AA8419 en HR 2 november 2001, nr. 36157, ECLI:NL:HR:2001:AD8346).

4.3.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de brief van de Inspecteur van 5 juni 2012 bij haar het in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt dat het bezwaar tegen de naheffingsaanslag voor het tijdvak 1 maart 2011 tot en met 31 juli 2011 ontvankelijk is. Deze brief is na afloop van de wettelijke bezwaartermijn van zes weken aan belanghebbende gezonden. Dit betekent dat, wat verder zij van de inhoud of strekking van deze brief, belanghebbende hieraan geen in rechte te beschermen vertrouwen kan ontlenen omtrent de ontvankelijkheid van het bezwaar. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt. Het desbetreffende bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.

Bevoegdheid tot naheffen

4.4.

In het arrest van 18 december 2014, Schoenimport “Italmoda” Mariano Previti v.o.f. e.a., gevoegde zaken C-131/13, C-163/13 en C-164/13 heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie onder meer het volgende overwogen:

“41 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen of het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij in het kader van intracommunautaire leveringen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, het recht op aftrek van de voorbelasting uit hoofde van artikel 17, lid 3, van de Zesde richtlijn, het recht op vrijstelling neergelegd in artikel 28 quater, A, sub a, van deze richtlijn, en het recht op teruggaaf van de btw uit hoofde van artikel 28 ter, A, lid 2, van deze richtlijn te weigeren indien de nationale wet niet in een dergelijke weigering voorziet.

42 Ter beantwoording van deze vraag moet er om te beginnen aan worden herinnerd dat de bestrijding van fraude, belastingontwijking en mogelijke misbruiken een doel is dat door de Zesde richtlijn is erkend en wordt gestimuleerd (zie met name arresten Halifax e.a., C‑255/02, EU:C:2006:121, punt 71; Kittel en Recolta Recycling, C‑439/04 en C‑440/04, EU:C:2006:446, punt 54, en Mahagében en Dávid, C‑80/11 en C‑142/11, EU:C:2012:373, punt 41).

43 In deze context heeft het Hof herhaalde malen onderstreept dat justitiabelen in geval van bedrog of misbruik geen beroep op het Unierecht kunnen doen (zie met name arresten Kittel en Recolta Recycling, EU:C:2006:446, punt 54; Fini H, C‑32/03, EU:C:2005:128, punt 32, en Maks Pen, C‑18/13, EU:C:2014:69, punt 26).

44 Het Hof heeft hieruit in vaste rechtspraak over het in de Zesde richtlijn neergelegde recht op aftrek van de btw ten eerste afgeleid dat het aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat om dat recht te weigeren wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat aanspraak op dit recht wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik (zie met name arresten Kittel en Recolta Recycling, EU:C:2006:446, punt 55; Bonik, C‑285/11, EU:C:2012:774, punt 37, en Maks Pen, EU:C:2014:69, punt 26).

45 Ten tweede blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat deze consequentie van misbruik of fraude in beginsel ook aan het recht op vrijstelling uit hoofde van een intracommunautaire levering kleeft (zie in die zin arresten R., C‑285/09, EU:C:2010:742, punt 55, en Mecsek-Gabona, C‑273/11, EU:C:2012:547, punt 54).

46 Ten derde vormt een eventuele weigering van een recht ontleend aan de Zesde richtlijn, zoals de advocaat-generaal in de punten 50 tot en met 52 van zijn conclusie heeft opgemerkt, de afspiegeling van het in punt 43 van dit arrest genoemde algemene beginsel dat niemand in geval van misbruik of bedrog aanspraak kan maken op rechten die voortvloeien uit het rechtsstelsel van de Unie, zodat het in algemene zin aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties staat een dergelijk recht te weigeren, om welk btw-recht het bij de betrokken fraude ook gaat, met inbegrip van het recht op teruggaaf van de btw.

47 Anders dan de Commissie betoogt, kan deze gevolgtrekking niet worden ontkracht door het gegeven dat laatstgenoemd recht van bijzondere aard is doordat het een correctiemechanisme vormt waarmee de belastingneutraliteit bij bepaalde intracommunautaire leveringen kan worden gewaarborgd.

48 In dat verband moet worden opgemerkt dat uit de in punt 44 van dit arrest aangehaalde rechtspraak volgt dat de kernfunctie die het in artikel 17, lid 3, van de Zesde richtlijn neergelegde recht op aftrek in het btw-stelsel heeft met het oog op de waarborg van volkomen belastingneutraliteit er niet aan in de weg staat dat dat recht wordt geweigerd aan een belastingplichtige in geval van deelname aan fraude (zie in die zin met name arresten Bonik, EU:C:2012:774, punten 25‑27 en 37, en Maks Pen, EU:C:2014:69, punten 24‑26). Evenmin kan de specifieke functie van het recht op teruggaaf van de btw met het oog op de waarborg van de neutraliteit van de btw eraan in de weg staan dat dat recht in een dergelijk geval aan een belastingplichtige wordt geweigerd.

49 Gelet op de voorgaande overwegingen staat het in beginsel aan de nationale autoriteiten en rechterlijke instanties om in de Zesde richtlijn neergelegde rechten waarop aanspraak wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik te weigeren, ongeacht of het gaat om een recht op aftrek, vrijstelling of teruggaaf van de btw in verband met een intracommunautaire levering, zoals de rechten in het hoofdgeding.

50 Daarnaast moet worden opgemerkt dat dit volgens vaste rechtspraak niet alleen geldt wanneer de belastingplichtige zich zelf schuldig maakt aan belastingfraude, maar ook wanneer een belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van btw-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was (zie in die zin met name arresten Kittel en Recolta Recycling, EU:C:2006:446, punten 45, 46, 56 en 60, en Bonik, EU:C:2012:774, punten 38‑40).

(…)

61 Aangezien, tot slot, de weigering van een recht dat voortvloeit uit het gemeenschappelijke btw-stelsel in geval van betrokkenheid van de belastingplichtige bij fraude louter de consequentie is van het ontbreken van de daarvoor in de relevante bepalingen van de Zesde richtlijn vereiste voorwaarden, vormt die weigering, zoals de advocaat-generaal in punt 60 van zijn conclusie opmerkt, geen straf of sanctie in de zin van artikel 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950, of van artikel 49 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (zie in die zin arresten Emsland-Stärke, C‑110/99, EU:C:2000:695, punt 56; Halifax e.a., EU:C:2006:121, punt 93, en Döhler Neuenkirchen, C‑262/10, EU:C:2012:559, punt 43).”

4.5.

Het Hof leidt uit de hiervoor geciteerde overwegingen af dat in gevallen van fraude aan de belastingplichtige die wist of had moeten weten dat hij in het kader van intracommunautaire leveringen deelnam aan een handeling die onderdeel was van btw-fraude, het recht op aftrek van voorbelasting dient te worden geweigerd, zelfs indien de nationale wet niet in een dergelijke weigering voorziet. Anders dan belanghebbende stelt, is er wel degelijk een (Unierechtelijke) grondslag voor de weigering van aftrek in gevallen van betrokkenheid bij fraude, belastingontwijking en misbruik. Dat deze bevoegdheid slechts ziet op het weigeren van een gevraagde teruggaaf en niet op naheffing van voorbelasting die is opgenomen in een aangifte waarvan het saldo al is voldaan, vindt geen steun in de jurisprudentie. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogen zowel de aftrek, de teruggaaf als het nultarief weigeren in de bedoelde gevallen. Een aftrek kan in geval van fraude en misbruik ook achteraf nog worden geweigerd of teruggenomen (arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 29 februari 1996, zaak C-110/94, INZO, ECLI:EU:C:1996:67, punt 24). Dat bij belanghebbende een extra financiële last ontstaat, namelijk doordat de voorbelasting die zij aan haar leveranciers heeft betaald als gevolg van de aftrek- c.q. teruggaafweigering bij belanghebbende blijft drukken, maakt dit niet anders. Het Hof van Justitie EU zal deze lastenverzwaring, die alle belastingplichtigen treft die met deze weigering worden geconfronteerd, in zijn oordeelsvorming hebben meegewogen. In gevallen van fraude of misbruik worden alle voordelen die een belastingplichtige aan het Unierecht ontleent, ontzegd of teruggenomen. De door belanghebbende genoemde nadelen zijn hiervan het logische gevolg.

4.6.

Het Hof voegt hieraan ten overvloede toe dat artikel 20, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen de Inspecteur de bevoegdheid tot naheffen verleent. Van laatstbedoeld artikel heeft de Inspecteur gebruik gemaakt. Dit betekent dat er een formele en een materiële grondslag is voor de onderhavige naheffingsaanslagen, mits belanghebbende wist of had moeten weten dat zij was betrokken bij btw-fraude. Het Hof zal hierna onderzoeken of dit laatste het geval is.

Verdedigingsbeginsel

4.7.

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat zij door te late kennisneming van de namen van de vermeende ploffers, is geschaad in haar rechten van verdediging. Het Hof verwerpt dit standpunt. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de leveranciers [C] B.V. en [E] op hun beurt ook een informatiebrief hebben ontvangen. De Inspecteur heeft ter zitting onbetwist verklaard dat ook de overige vindbare deelnemers aan de keten een informatiebrief hebben ontvangen. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat belanghebbende na ontvangst van de informatiebrief over [C] B.V. uitsluitend nog de drie transacties heeft voltooid waartoe belanghebbende zich jegens deze leverancier had verbonden. Daarna is belanghebbende gestopt met het afnemen van goederen van [C] B.V. Voor deze leverancier is het kennelijk de eigen, welbewuste keuze van belanghebbende geweest om, ondanks de informatiebrief, de drie afgesproken transacties te voltooien. De informatiebrief is kennelijk wel de aanleiding geweest om geen nieuwe transacties met deze leverancier aan te gaan. Hoe belanghebbende in zover door het in de beginfase anonimiseren van stukken in haar rechten van verdediging is geschaad, vermag het Hof niet in te zien. Ten aanzien van [E] geldt hetzelfde. De gemachtigde heeft verklaard dat belanghebbende na ontvangst van de informatiebrief had besloten ook met deze leverancier te stoppen. Deze verklaring verdraagt zich evenmin met het standpunt van belanghebbende dat zij door de late onthulling van de namen van de ploffers in haar rechten van verdediging is geschaad. De informatiebrieven hebben, althans volgens de verklaring van de gemachtigde, hun waarschuwende uitwerking kennelijk niet gemist. De latere onthulling van de namen heeft in de besluitvorming van belanghebbende kennelijk geen rol gespeeld, althans belanghebbende heeft dat niet aannemelijk gemaakt.

Rol belanghebbende

4.8.

Het Hof merkt om te beginnen op dat tussen partijen in wezen niet in geschil is dat in de keten fraude is gepleegd. Voor zover nog wel in geschil, heeft de Inspecteur aan de hand van de processen-verbaal van de FIOD en de daarbij gevoegde bijlagen voldoende aannemelijk gemaakt dat [Q] s.r.o., [C] B.V. en [E] waren betrokken bij carrouselfraude en dat grote bedragen aan omzetbelasting zijn ontdoken c.q. ten onrechte aan de deelnemers uitbetaald. Uit de hiervoor genoemde gedingstukken kan worden afgeleid dat ten behoeve van het plegen van de fraude diverse bedrijven zijn gebruikt die niet aan hun omzetbelastingverplichtingen hebben voldaan (de ‘ploffers’), dat sprake is van een aanzienlijke prijsval en dat omzetbelasting is ontdoken of ten onrechte teruggevraagd om het door deze prijsval veroorzaakte verlies om te zetten in een winst. Voorts zijn de statutair en de feitelijk bestuurder van [C] B.V. veroordeeld tot gevangenisstraf voor hun aandeel in de carrouselfraude (ECLI:NL:RBDHA:2014:6047 en ECLI:NL:RBDHA:2014:6048). Dat voldoende bewijs van fraude aanwezig is, geldt ook voor het tijdvak september 2011 (zie de onder 2.15 geciteerde passages uit de processen-verbaal van de FIOD). Dit is ook de reden waarom het Hof ter zitting heeft aangegeven dat het bewijsaanbod van de Inspecteur voor dit tijdvak wordt gepasseerd.

4.9.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende minst genomen had moeten weten dat zij tijdens de onderhavige tijdvakken deel uitmaakte van een handelsketen waarin carrouselfraude werd gepleegd. [A] is als eigenaar van eenmanszaak [B] en als directeur van [B] B.V. op de hoogte gesteld van de kenmerken van deze vorm van fraude en attent gemaakt op de mogelijke betrokkenheid daarbij indien in bepaalde soorten goederen wordt gehandeld. [A] is een ervaren handelaar in een aantal bekende risicogoederen, zoals computeronderdelen (CPU’s), mobiele telefoons en computerspellen. Belanghebbende is begin 2011 gewaarschuwd dat haar transacties mogelijk onderdeel zijn van een keten waarin carrouselfraude wordt gepleegd. Op 17 januari 2011 is belanghebbende gebeld door de [I] . Op 23 februari 2011 heeft de Belastingdienst belanghebbende gewaarschuwd met betrekking tot van [C] B.V. betrokken goederen en op 31 mei 2011 heeft de Belastingdienst belanghebbende gewaarschuwd met betrekking tot van [E] betrokken goederen. Al deze signalen zijn bij een bezonnen marktdeelnemer voldoende aanleiding om kritisch naar de eigen transacties te kijken. Belanghebbende had, met de (markt)kennis van [A] , die aan haar wordt toegerekend, moeten weten dat de goederen tot de risicogoederen behoorden, dat deze goederen voor opmerkelijk lage prijzen aan haar werden aangeboden, dat de hoeveelheden aanzienlijk waren en dat ook de condities waaronder de goederen werden verhandeld, namelijk betaling vooraf en elkaar snel opvolgende transacties waarbij de dekking van de met de goederen verbonden risico’s niet duidelijk was geregeld, tamelijk bijzonder waren. Deze bijzondere condities blijken mede uit de gevonden chatsessies tussen [A] en [R] van [E] . Hieruit blijkt dat vooral de geldstroom voor belanghebbende van belang was, en niet zozeer de goederen, en dat dit voor [R] , die kennelijk helemaal geen marktkennis bezat, ook gold. In dit verband is opmerkelijk dat belanghebbende geen andere leveranciers heeft gezocht en dat van normale onderhandelingen over de transacties met de leveranciers niets is gebleken. Voorts heeft de boekhouder van belanghebbende verklaard dat de omzetbelastingteruggaven het kapitaal van de onderneming van belanghebbende vormden. Door deze focus op het verdienen van geld aan transacties die veel kenmerken vertoonden van carrouselfraude, heeft belanghebbende ten minste het risico aanvaard dat zij deel uitmaakte van een keten van transacties waarvan het wezenlijke doel was het ontduiken van of het frauderen met omzetbelasting.

4.10.

Dat de gunstige prijzen geen argwaan hoefden te wekken omdat de prijs mede afhing van de hoeveelheid, zoals de gemachtigde ter zitting opmerkte, overtuigt het Hof niet van het tegendeel. De goederen werden standaard in grote hoeveelheden aangeboden. Bovendien had [A] met zijn kennis van de markt moeten zien dat de goederen op de markt, ook in deze hoeveelheden, niet zo goedkoop hadden kunnen worden aangeboden. In dat verband wekt ook verbazing dat belanghebbende jarenlang handelde met slechts twee vaste leveranciers, [C] B.V. en [E] , terwijl zij moet hebben geweten dat deze leveranciers gelet op haar eigen marge geen winst of zelfs verlies moesten maken. Dit alles had aanleiding moeten zijn om bij deze leveranciers te informeren op welke wijze zij winst maakten, in plaats van jarenlang kritiekloos van hun handelwijze te profiteren. Zelfs na alle waarschuwingen is belanghebbende doorgegaan en heeft zij de transacties met [C] B.V. laten doorgaan en is zij zelfs nog enkele maanden doorgegaan met de transacties met [E] . Zelfs in 2012 heeft belanghebbende haar (inmiddels verdachte) handelwijze voortgezet.

4.11.

Gelet op het oordeel dat belanghebbende had moeten weten dat zij bij carrouselfraude was betrokken, kan onbesproken blijven of zij alle in redelijkheid van haar te verlangen maatregelen heeft genomen om te voorkomen dat zij bij fraude betrokken zou raken.

Vertrouwensbeginsel

4.12.

De Hoge Raad heeft, naar aanleiding van het onder 4.3 genoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie, in zijn arrest van 28 oktober 2016, nr. 15/02940 (ECLI:NL:HR:2016:2430), onder meer het volgende overwogen:

“Indien aan de hand van objectieve gegevens komt vast te staan dat een ondernemer wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op aftrek of teruggaaf van omzetbelasting wordt gemaakt, deelnam aan omzetbelastingfraude in het kader van een keten van leveringen en/of diensten, moet die aanspraak worden geweigerd (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van 18 december 2014, Schoenimport Italmoda vof, Turbu.com B.V. en Turbu.com Mobile Phone’s B.V., gevoegde zaken C-131/13, C-163/13 en C-164/13, ECLI:EU:C:2014:2455, BNB 2015/61 (hierna: het arrest Italmoda), alsmede het arrest van de Hoge Raad van 18 maart 2016, nr. 11/02825, ECLI:NL:HR:2016:442, BNB 2016/97).

In overeenstemming hiermee komt een ondernemer geen beroep toe op het (Unierechtelijke of nationaalrechtelijke) vertrouwensbeginsel in een geval waarin komt vast te staan dat de ondernemer wist dan wel had moeten weten dat hij betrokken was bij omzetbelastingfraude (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van 7 december 2010, R, C-285/09, ECLI:EU:C:2010:742, punt 54, en het arrest Italmoda, punten 60 en 62). De inspecteur kan daarom in een dergelijk geval ook omzetbelasting naheffen wanneer hij aanvankelijk op grond van door de belanghebbende verstrekte informatie heeft bewilligd in het in aftrek brengen van omzetbelasting, terwijl deze op grond van de wettelijke bepalingen niet in rekening gebracht had mogen worden. Daarbij is niet van belang of belanghebbende zelf met die omzetbelastingfraude voordeel heeft behaald (vgl. het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2006, Kittel en Recolta, gevoegde zaken C-439/04 en C-440/04, ECLI:EU:C:2006:446, V-N 2006/42.13, punten 56 tot en met 58).”

4.13.

Uit de hiervoor geciteerde overwegingen, in combinatie met het oordeel van het Hof over de omstandigheden die het Hof heeft betrokken bij zijn oordeel over de betrokkenheid van belanghebbende bij de carrouselfraude, vloeit reeds voort dat belanghebbende het recht op aftrek van voorbelasting voor de onderhavige transacties moet worden geweigerd. Belanghebbende kan, op grond van de hiervoor aangehaalde overwegingen van de Hoge Raad, ook niet met vrucht een beroep doen op het vertrouwensbeginsel. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd om het beroep op het vertrouwensbeginsel te onderbouwen, behoeft geen beoordeling. Het Hof wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.

Overige beginselen van behoorlijk bestuur

4.14.

Belanghebbende beroept zich tot slot op schending van de overige beginselen van behoorlijk bestuur, zoals het motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het Hof verwerpt dit beroep. De Inspecteur heeft bij brief van 24 oktober 2011 zijn voornemen gemotiveerd om de teruggaafverzoeken af te wijzen. Dezelfde gronden zijn gebruikt om de naheffingsaanslagen aan belanghebbende op te leggen. Dat belanghebbende het niet eens is met de gebruikte argumenten en de daartoe aangevoerde feiten en omstandigheden bestrijdt, maakt niet dat de Inspecteur het motiveringsbeginsel heeft geschonden. Het Hof voegt hieraan toe dat schending van het motiveringsbeginsel tot gevolg heeft dat het Hof bij handhaving van de bestreden besluiten verplicht is zelf de gronden daarvoor in zijn uitspraak op te nemen. Voorts is het Hof niet gebleken van onzorgvuldig handelen door de Inspecteur. Zoals hiervoor overwogen, is er ingeval van fraude als uitgangspunt aanleiding om (ergens) in de handelsketen na te heffen. Het vermoeden van de Inspecteur van betrokkenheid van belanghebbende was in beginsel voldoende voor onderzoek en het treffen van maatregelen om de heffing te verzekeren. Of in zulke gevallen sprake is van reële transacties of niet, is niet van belang. Of de Inspecteur op dit punt al dan niet een bestendige gedragslijn heeft gevolgd, is voor de uitkomst van deze procedure niet van belang.

Slotsom
Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Griffierecht en proceskosten

Het Hof ziet geen aanleiding voor vergoeding van het griffierecht of een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. van Dongen, voorzitter, mr. P. van der Wal en mr. P.L.M. van Gorkom, in tegenwoordigheid van dr. J.W.J. de Kort als griffier.

De beslissing is op 23 mei 2017 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(J.W.J. de Kort) (A. van Dongen)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 mei 2016

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.