Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:4109

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-05-2017
Datum publicatie
29-06-2017
Zaaknummer
200.179.246
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Opzegging kredietrelatie in strijd met zorgplicht bank?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/3349
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.179.246

(zaaknummer rechtbank Gelderland 269781)

arrest van 16 mei 2017

in de zaak van

1 de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Bosee VastgoedB.V.,

gevestigd te Kootwijkerbroek,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Servicepunt Barneveld B.V.,

gevestigd te Barneveld,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Nieuw Puurveen Beheer B.V.,

gevestigd te Kootwijkerbroek,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

John Beton Holding B.V.,

gevestigd te Kootwijkerbroek,

5. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

XXL Beton B.V.,

gevestigd te Apeldoorn,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

J. van Ee Beheer B.V.,

gevestigd te Barneveld,

7. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Baracoi B.V.,

gevestigd te Kootwijkerbroek,

8. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

A.K. Support B.V.,

gevestigd te Kootwijkerbroek,

9. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Yaer B.V.,

gevestigd te Kootwijkerbroek,

10. de commanditaire vennootschap

Yaer C.V.,

11. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

CW Europe B.V.,

gevestigd te Kootijkerbroek,

12. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Esje Beheer B.V.,

gevestigd te Kootwijkerbroek,

13. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Grader Totaal B.V.,

gevestigd te Barneveld,

14. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Maxim Beton Amsterdam B.V.,

gevestigd te Kootwijkerbroek,

15. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AB Transport & Bouwstoffen B.V.,

gevestigd te Hilversum,

16. [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

17. [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

in eerste aanleg: eisers,

hierna: Bosee c.s.,

advocaat: mr. B.M. König,

tegen

de coöperatie
Coöperatieve Rabobank Apeldoorn en Omgeving U.A.,

thans als gevolg van fusie genaamd Cooperatieve Rabobank U.A.

gevestigd te Amsterdam ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de Rabobank,

advocaat: mr. K.M. Kole

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 25 oktober 2016 hier over. In dat arrest is een meervoudige comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 13 april 2017. Van die comparitie is een proces-verbaal opgemaakt. Ter gelegenheid van de comparitie heeft de Rabobank bij bericht van 29 maart 2017 de producties 6 en 7 overgelegd, die thans deel uitmaken van de processtukken.

1.2

Vervolgens heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het vonnis van de rechtbank Gelderland van 25 februari 2015 (hierna: het bestreden vonnis).

3 De beoordeling

3.1

In deze zaak staat de vraag centraal of de Rabobank rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt van haar contractuele bevoegdheid tot beëindiging van verschillende krediet- en rekening-courant overeenkomsten die bestonden tussen de Rabobank en een aantal van appellanten. Daarbij heeft de rechtbank, gelet op de toepasselijke Algemene bankvoorwaarden (artt. 2 en 30 ABV) vooropgesteld dat de bank contractueel bevoegd was de kredietrelatie met het Van Ee-concern op te zeggen. Daartegen is niet met een afzonderlijke grief opgekomen, zodat ook het hof daarvan uitgaat. De appellanten 1 tot en met 15 behoren allen tot één concern (hierna: het Van Ee-concern) gelieerd aan appellant sub 16, de heer J. van Ee (hierna: Van Ee). Appellante sub 17, (hierna: Van den Berg) heeft een administratiekantoor welk kantoor de administratie voor het Van Ee-concern verzorgde.

3.2

In het bestreden vonnis heeft de rechtbank met juistheid tot uitgangspunt genomen dat de rechtsgeldigheid van een dergelijke opzegging moet worden beoordeeld aan de hand van de overeenkomsten en de maatstaf van artikel 6:248 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Dat laatste brengt mee dat de beëindiging door de Rabobank op grond van deze bevoegdheid niet rechtsgeldig is indien gebruikmaking van die bevoegdheid, gelet op de omstandigheden van het geval, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2929).

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat het hierbij gaat om een terughoudende toetsing, waarbij ook gewicht mag worden toegekend aan de zorgplicht van de bank die voortvloeit uit artikel 2 ABV. Op grond daarvan is de Rabobank gehouden bij haar dienstverlening de nodige zorgvuldigheid in acht te nemen en daarbij naar beste vermogen met de belangen van haar cliënt rekening te houden.

3.3

De rechtbank heeft in rechtsoverweging (r.o) 4.3 -samengevat- de volgende feiten en omstandigheden van belang geacht:

a. de kredietrelatie tussen de Rabobank en het Van Ee-concern was niet gecompliceerd; de Rabobank had slechts enkele bankrekeningen, twee geldleningen en een bankgarantie verstrekt;

b. vast staat dat de Rabobank gehouden was (op grond van de Wet Financieel Toezicht (Wft) en de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft)) cliëntenonderzoek te doen om inzicht te krijgen in de structuur van het Van Ee-concern en in de activiteiten die in de verschillende rechtspersonen plaatsvonden en dat de Rabobank met name ook duidelijk moest krijgen wie de uiteindelijke begunstigde van de betrokken rechtspersonen was;

c. aangenomen kan worden dat het de Rabobank op grond van genoemde wetgeving niet was toegestaan een zakelijke relatie aan te gaan of een transactie uit te voeren voor een cliënt, indien dit inzicht niet was verkregen;

d. de vragen die de Rabobank heeft gesteld per e-mail van 12 oktober 2012 (geciteerd in r.o. 2.7 bestreden vonnis) dienen tegen deze achtergrond te worden bezien; op dat moment had de Rabobank al enige toelichting gekregen over de structuur van het Van Ee-concern en over de uiteindelijke begunstigde van de rechtspersonen, maar nog niet alle vragen waren afdoende beantwoord en er waren nieuwe vragen gerezen;

e. deze vragen dienden er onder meer toe, in het licht van het door artikel 3 Wwft voorgeschreven cliëntenonderzoek, om vast te stellen in hoeverre de genoemde rechtspersonen en of hun activiteiten integer waren; voor het (opnieuw) stellen van die vragen was te meer reden, gelet op het vaststaande feit dat de financieel adviseur van het Van Ee-concern, Hofman, in de loop van 2014 is veroordeeld wegens belastingfraude;

f. Van Ee heeft deze vragen niet meer willen beantwoorden omdat deze in het verleden al gesteld en beantwoord waren; Artikel 3 Wwft legt een bank echter de verplichting op om haar zakelijke relaties voortdurend te controleren en dat brengt mee dat zij vragen moet kunnen herhalen; Van Ee kon daarom met zijn weigering deze vragen te beantwoorden niet volstaan met een algemene verwijzing naar eerder gegeven antwoorden;

g. de Rabobank heeft het Van Ee-concern ruimschoots de gelegenheid gegeven om de verzochte informatie te verstrekken alvorens de relatie werd opgezegd bij brief van 10 januari 2013;

h. het Van Ee-concern heeft vervolgens een redelijke termijn gekregen om een andere bank te zoeken;

i. niet gesteld of gebleken is van ernstige financiële problemen bij de verschillende rechtspersonen omdat bijvoorbeeld de financieringsbehoefte niet elders ondergebracht kon worden.

De rechtbank heeft op grond van deze feiten en omstandigheden geoordeeld dat de beëindiging van de kredietrelatie met het Van Ee-concern naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet onaanvaardbaar moet worden geacht. De vorderingen van Bosee c.s. zijn op die grond afgewezen.

3.4

Tegen dat oordeel heeft Bosee c.s. grief 1 gericht. Met die grief wordt -samengevat en voor zover relevant- betoogd dat de feiten en omstandigheden die de rechtbank van belang heeft geacht (door de rechtbank weergegeven in r.o. 4.3 en hiervoor samengevat onder 3.3) (deels) onjuist zijn en dat de vragen die de Rabobank in het kader van een cliëntenonderzoek heeft gesteld dit onderzoek ver te buiten gaan. De Rabobank wist hoe de structuur van het Van Ee-concern in elkaar zat en wie de uiteindelijke begunstigden van de rechtspersonen waren. Dit kon blijken uit ter gelegenheid van financieringen in 2006 verstrekte informatie en uit het in 2009 verstrekte structuurschema. Dat de Rabobank die wetenschap had kan ook worden afgeleid uit het feit dat de bank vanaf 2008 tot en met 2012 nimmer vragen heeft gesteld, terwijl de Wwft in 2008 is ingevoerd en vanaf dat moment cliëntonderzoek diende plaats te vinden. Daar komt bij dat de Rabobank de activiteiten van het grootste deel van de tot het Van Ee-concern behorende rechtspersonen niet financieel ondersteunde, zodat er ook geen integriteitsrisico bestond in verband met betrokkenheid van de bank bij de activiteiten van die rechtspersonen. Gezien de richtlijnen die voor de toepassing van de Wwft gelden, is de Rabobank ver buiten haar bevoegdheid getreden door vier jaar na inwerkingtreding van die wet willekeurig, namelijk zonder enige aanleiding en zonder dat er sprake was van een integriteitsrisico of van aanwijzingen voor witwassen dan wel het financieren van terrorisme, vragen aan het Van Ee-concern te stellen.

3.5

Uit de geldende wetgeving volgt dat de Rabobank (in 2012 en ook in de jaren daarvoor al) gehouden was cliëntenonderzoek te doen, waarbij de bank bij concernverhoudingen onder meer moet vaststellen wie de uiteindelijke begunstigden van de tot het concern behorende rechtspersonen zijn. Uit artikel 3:10 jo 3:17 Wft en de daarop gebaseerde regelgeving (onder meer uit artikel 10 Besluit prudentiële regels Wft en artikel 29 Bgfo (Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft)) blijkt dat de bank verplicht is om procedures en maatregelen vast te stellen ter uitvoering van het in die artikelen bedoelde integriteitsbeleid, waarbij het cliëntenonderzoek een belangrijke component is. Daarnaast blijkt ook uit artikel 3 Wwft dat de bank cliëntenonderzoek moet verrichten ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme. In artikel 3 lid 2 Wwft staat met zoveel woorden vermeld dat dit onderzoek onder meer dient om de uiteindelijk belanghebbende van de cliënt te identificeren en die identiteit te verifiëren en (bij een rechtspersoon) op risico gebaseerde en adequate maatregelen te nemen om inzicht te verwerven in de eigendoms-en zeggenschapsstructuur van de cliënt. Uit datzelfde artikel blijkt dat de bank gehouden is een voortdurende controle uit te oefenen op de zakelijke relatie met de cliënt en de tijdens deze relatie verrichte transacties, om te verzekeren dat deze overeenkomen met de kennis die de bank heeft van de cliënt.

3.6

De Rabobank was dus niet alleen bevoegd maar ook wettelijk verplicht periodiek vragen te stellen aan haar cliënt, het Van Ee-concern. Dat er al bij eerdere gelegenheden in 2006 en in 2009 vragen waren gesteld naar de structuur van de onderneming, de eigendomsverhoudingen en de herkomst van het vermogen, doet niet af aan de bevoegdheid van, en de verplichting voor, de Rabobank om dit opnieuw te doen in 2012.

In een naar aanleiding van het gesprek op 10 april 2012 verstuurde mail (overgelegd als productie 15h bij memorie van grieven) van M.H.J. Bloemen (hierna: Bloemen) namens de Rabobank aan Van den Berg en in een door Bloemen aan onder meer Van Ee op 12 oktober 2012 verstuurd mailbericht (productie 10 aan de zijde van de Rabobank, geciteerd in r.o. 2.7 van het bestreden vonnis) stelt de Rabobank vragen naar de juridische structuur, activiteiten, eigendoms-en zeggenschapsverhoudingen binnen het concern en daarvan deel uitmakende rechtspersonen en naar de identiteit van uiteindelijk begunstigden van bepaalde rechtspersonen. Bosee c.s. heeft weliswaar gesteld dat deze vragen het op genoemde wetgeving gebaseerde cliëntenonderzoek te buiten zouden gaan, maar heeft niet (dan wel niet voldoende gemotiveerd) onderbouwd waarom dit het geval zou zijn en heeft niet gespecificeerd welke vragen dit zou betreffen. De Rabobank heeft aangevoerd dat de vragen uit het mailbericht van april 2012 niet allemaal en niet volledig zijn beantwoord en dat de vragen die gesteld zijn in het mailbericht van 12 oktober 2012 in het geheel niet beantwoord zijn; Bosee c.s. heeft het eerste onvoldoende gemotiveerd betwist en heeft erkend meegedeeld te hebben aan de Rabobank de vragen gesteld in de mail van 12 oktober 2012 niet te willen beantwoorden. Dat de Rabobank slechts krediet heeft verleend aan een aantal van de van het Van Ee-concern deel uitmakende rechtspersonen doet daarmee niet ter zake. Door het weigeren relevante vragen te beantwoorden en daardoor geen inzicht te verschaffen in activiteiten en eigendomsverhoudingen binnen het gehele concern heeft het Van Ee-concern de Rabobank niet in staat gesteld integriteitsrisico’s inzake het concern en de afzonderlijke rechtspersonen in te schatten.

De conclusie is dat de Rabobank geen antwoord heeft gekregen op relevante vragen die zij mocht stellen aan haar cliënt, terwijl de achtergrond van het stellen van die vragen (blijkens de namens de Rabobank verstuurde mailberichten) is meegedeeld en het Van Ee-concern voldoende tijd heeft gekregen de gevraagde informatie te leveren. Dit vormt, ook naar het oordeel van het hof, voldoende grond voor de Rabobank om de cliëntrelatie met het Van Ee-concern te willen beëindigen.

Tegen de oordelen van de rechtbank dat het Van Ee-concern na de opzegging een redelijke termijn heeft gekregen om een andere bank te zoeken en dat voorts niet gebleken is van ernstige financiële problemen bij het concern door de opzegging zijn geen afzonderlijke grieven gericht, zodat het hof daar ook vanuit gaat.

3.7

Gelet op al deze feiten en omstandigheden is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet kan worden gezegd dat het gebruik dat de Rabobank heeft gemaakt van haar (in r.o.3.1 vermelde) bevoegdheid tot beëindiging van de kredietrelatie, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaard is. Dit betekent dat grief 1 faalt en dat de vorderingen van Bosee c.s. terecht zijn afgewezen. Daarmee faalt ook grief 2 waarin de veroordeling van Bosee c.s in de proceskosten in eerste aanleg wordt aangevallen.

4 De slotsom

4.1

De grieven falen zodat het bestreden vonnis moet/moeten worden bekrachtigd.

4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Bosee c.s. in de kosten van het hoger beroep veroordelen.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van de Rabobank zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.937,-

- salaris advocaat € 3.262,- (2 punten x appeltarief IV ad € 1.631 per punt)

Totaal € 5.199,-

3.5

combineert te schaffen zorg en familierecht en daardoor kon het is omdat ze uiteindelijke eig 5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen van 25 februari 2015;

veroordeelt Bosee c.s. in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van de Rabobank vastgesteld op € 1.937,- voor verschotten en op € 3.262,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, R.A. van der Pol en J.G.J. Rinkes en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 mei 2017.