Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3992

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
11-05-2017
Datum publicatie
17-05-2017
Zaaknummer
200.209.044/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof wijst, anders dan de rechtbank, verzoek tot medewerking door gewezen advocatenkantoor van appellante aan gedwongen schuldregeling toe, ondanks het uitvoerige verweer van de schuldenaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer 200.209.044/01

(zaaknummer rechtbank 152127 FT RK 16.908)

arrest van 11 mei 2017

inzake

[appellante] ,

wonende te [A] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat: mr. N.N. Boonstra, kantoorhoudende te Joure,

en

[de gemachtigde] ,
werkzaam bij Bureau WSNP van de Kredietbank Nederland (hierna: KBNL),

gevestigd te [B] ,

hierna ook te noemen: [de gemachtigde] ,

gemachtigde van [appellante] ,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
Sluyter Advocaten B.V.,

gevestigd te Assen,

geïntimeerde,
hierna te noemen: Sluyter,
advocaat: mr. A.J. Elema.

Het hof neemt het arrest van 13 april 2017 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In genoemd arrest heeft het hof overwogen dat [de gemachtigde] niet-ontvankelijk is in zijn verzoek om tussen te komen, maar dat het hof geen reden ziet voor een proceskostenveroordeling ten laste van [de gemachtigde] , nu partijen geen kosten hebben gemaakt in verband met het door hem gedane verzoek. Ook heeft het hof aangegeven naar aanleiding van het betoog van Sluyter behoefte te hebben aan de beantwoording door [appellante] van een aantal vragen.

1.2

Vervolgens heeft [appellante] een "antwoordakte" (met producties) genomen en heeft Sluyter een "akte uitlatingen" genomen.

2 De vaststaande feiten

2.1

Het hof gaat uit van de volgende feiten.

2.2

[appellante] (geboren [in] 1983) heeft de zorg over haar drie bij haar inwonende minderjarige kinderen. Zij ontvangt een uitkering op grond van de Participatiewet. De gemeente heeft haar vrijgesteld van sollicitatieverplichtingen. Sinds september 2016 volgt zij, met toestemming van de gemeente, de opleiding "Entree Profiel Zorg en Dienstverlening", een MBO-BOL-opleiding (beroepsopleidende leerweg) op niveau 1. De opleiding zal naar verwachting in juli 2017 zijn afgerond.

2.3

Vanaf oktober 2010 is bewind ingesteld over de goederen die toebehoren aan [appellante] . Aanvankelijk was Korrekt Maatschappelijke Financiële Dienstverlening B.V. (hierna: Korrekt) de beschermingsbewindvoerder, maar in juni 2014 is Korrekt geschorst en per
1 september 2014 ontslagen als beschermingsbewindvoerder wegens een vermoeden van verduistering van gelden. Per 1 september 2014 is Confidio Emmen B.V. (hierna:

Confidio) als beschermingsbewindvoerder benoemd.

2.4

In verband met ontevredenheid van [appellante] over haar beschermingsbewindvoerder heeft [appellante] zich (begin 2015) gewend tot Sluyter. Op 16 maart 2015 heeft een gesprek plaatsgevonden ten kantore van Sluyter en Sluyter heeft daarvan een verslag gemaakt en bij brief van 20 maart 2015 toegezonden aan [appellante] . In deze brief is onder meer aangegeven dat Sluyter een toevoeging zou aanvragen voor [appellante] . Sluyter heeft in de periode van 16 maart 2015 tot en met 23 juni 2015 werkzaamheden verricht voor [appellante] .

2.5

Bij brief van 22 april 2015 heeft Sluyter [appellante] meegedeeld dat de toevoegingsaanvraag is afgewezen vanwege het inkomen van haar (toenmalige) partner. In een brief van

29 juni 2015 heeft Sluyter [appellante] gewezen op de mogelijkheid van de wettelijke schuldsanering voor natuurlijke personen. Op 6 oktober 2015 heeft Sluyter een e-mailbericht aan [appellante] gezonden met het voorstel om, op grond van gewijzigde omstandigheden (de relatie van [appellante] was verbroken), opnieuw een toevoeging aan te vragen.

2.6

Sluyter heeft [appellante] op 13 januari 2016 een (gespecificeerde) nota gestuurd voor een bedrag van totaal € 1.443,47 (inclusief BTW), binnen 14 dagen te voldoen. [appellante] heeft de nota niet voldaan.

2.7

Begin februari 2016 is KNBL begonnen met het zoeken van een oplossing voor de schulden van [appellante] . In dat verband heeft zij alle bekende schuldeisers van [appellante] , waaronder Sluyter, in een brief van 8 februari 2016 verzocht het bedrag van hun vordering op te geven. In de brief wordt melding gemaakt van de problematische schuldensituatie van [appellante] en van het feit dat KNBL onderzoek doet naar de totale schuldenpositie van [appellante] met het oog op het treffen van een schuldregeling met alle schuldeisers. Aan de schuldeisers, waaronder Sluyter, wordt onder meer geschreven:
"Een schuldregeling slaagt alleen in goede samenwerking met alle schuldeisers. Wilt u daarom in afwachting van het resultaat van dit minnelijk schuldregelingstraject uitstel van betaling verlenen, een eventueel loonbeslag opschorten en uw vordering voorlopig niet verder verzwaren met rente en/of kosten? Op die manier geeft u ons de kans om de schuldpositie juist vast (het hof leest: te) stellen."
2.8 Met een e-mailbericht van 11 februari 2016 heeft [C] namens Sluyter

gemeld dat Sluyter een vordering van € 1.443,57 heeft die op 13 januari 2016 is ontstaan en dat Sluyter akkoord gaat met een rentestop. In het e-mailbericht wordt geen voorbehoud gemaakt.

2.9

Op 1 april 2016 heeft Sluyter opdracht gegeven aan de deurwaarder om [appellante] te dagvaarden. Op 17 mei 2016 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis [appellante] - bij verstek - veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.705,37, vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.443,47 vanaf
27 januari 2016 tot aan de dag der algehele voldoening, en tot betaling van de - in bedoeld vonnis nader omschreven - proceskosten van Sluyter (in totaal ongeveer € 800,-).

2.10

In een brief van 18 mei 2016 heeft KBNL namens [appellante] een schuldregeling aan de schuldeisers voorgesteld op basis van een saneringskrediet. De schuldregeling houdt in dat aan de concurrente schuldeisers een percentage van 7,43% van hun vordering zal worden voldaan en aan de preferente schuldeiser het dubbele percentage, derhalve 14,86%. In de schuldregeling wordt uitgegaan van 20 vorderingen met een totaalbedrag van € 27.353,07, waarvan één preferente vordering van € 700,-. Het bedrag dat Sluyter op grond van het voorliggende akkoord zou ontvangen bedraagt € 107,23, uitgaande van een vordering van
€ 1.443,57.

2.11

Sluyter is als enige van de schuldeisers niet akkoord gegaan met het akkoord en heeft geweigerd in te stemmen. Zij heeft dit schriftelijk meegedeeld op 13 juni 2016 en op

14 juli 2016 nogmaals op het verzoek tot een heroverweging van het besluit. Sluyter heeft ook afwijzend gereageerd op het schriftelijke verzoek van de bewindvoerder van [appellante] in te stemmen met de regeling. In augustus en september 2016 hebben Sluyter en KBNL nog gecorrespondeerd.

3 De bespreking van de grieven

3.1

De rechtbank heeft het (primaire) verzoek van [appellante] om Sluyter te bevelen in te stemmen met de door [appellante] aangeboden schuldenregeling afgewezen, nadat Sluyter bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van dat verzoek een groot aantal bezwaren tegen toewijzing van het verzoek had ingediend. In haar beroepschrift komt [appellante] op tegen dit oordeel. De (ongenummerde) grieven komen erop neer dat de rechtbank het primaire verzoek ten onrechte heeft afgewezen en dat het verzoek alsnog dient te worden toegewezen.
Aldus legt [appellante] het geschil tussen partijen in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal bij zijn oordeel ook alle bezwaren van Sluyter betrekken die niet door de rechtbank zijn gehonoreerd of onbesproken zijn gebleven, dit gelet op de devolutieve werking van het appel.

3.2

Op grond van artikel 287a lid 5 Faillissementswet (hierna: Fw) wordt het verzoek tot vaststelling van een gedwongen schuldregeling toegewezen indien de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat hij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van de schuldenaar of van de overige schuldeisers die door die weigering worden geschaad.

3.3

Bij het antwoord op de vraag of aan dit vereiste is voldaan neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:

a. Het voorstel is namens [appellante] gedaan door KBNL, als kredietbank bij uitstek een onafhankelijke en deskundige partij. In dit verband wijst het hof erop dat KNBL ook verklaringen als bedoeld in artikel 285 lid 1 onder f Fw afgeeft. Het hof volgt Sluyter dan ook niet in het betoog dat KNBL geen onafhankelijke en deskundige partij is.

b. Het voorstel is goed gedocumenteerd. Het is voor wat betreft de omvang van de schulden gebaseerd op de gegevens die door de schuldeisers zijn opgegeven aan KNBL naar aanleiding van het begin februari 2016 gedane verzoek om opgave van de schuldpositie. Dat van de vordering van Sluyter alleen de hoofdsom is opgenomen, doet daaraan niet af. Sluyter heeft KNBL alleen opgave gedaan van de hoofdsom en laten weten in te stemmen met het verzoek om een rentestop. Uit hetgeen Sluyter heeft aangevoerd over de onderbouwing van het voorstel volgt ook niet dat is uitgegaan van andere gegevens dan door de schuldeisers aan KNBL is opgegeven. Aan Sluyter kan worden toegegeven dat in de vtlb-berekening wordt uitgegaan van de premie die is vermeld in de polis van de ziektekostenverzekering, maar dat in werkelijkheid een hoger bedrag wordt ingehouden op de uitkering van [appellante] . Dit hogere bedrag is het gevolg van het feit dat de premie wordt geïnd door Zorginstituut Nederland vanwege een in het verleden ontstane premieachterstand. Bij een dergelijke wijze van inning is een hoger premiebedrag verschuldigd. Dat betekent echter niet dat het gehele akkoord daardoor op losse schroeven zou komen te staan, zoals Sluyter betoogt, nu ook na correctie van de vtlb-berekening de aflossingscapaciteit van [appellante] lager - juist: nog lager - is dan het in het akkoord beschikbaar gestelde bedrag.
heeft toegelicht waarom in het akkoord de schuld aan Zorginstituut Nederland betreffende de achterstallige bronheffing niet is meegenomen. [appellante] heeft, onbestreden door Sluyter, aangevoerd dat deze schuld bij een akkoord geheel zal worden kwijtgescholden op grond van de toepasselijke beleidsregels van het CAK. Dat het Zorginstituut voor deze vordering vanaf juli 2016 derdenbeslag heeft doen leggen, is het gevolg van het feit dat het akkoord nog niet is geëffectueerd. Dat kan Sluyter, die niet heeft ingestemd met het akkoord, [appellante] uiteraard niet tegenwerpen. De wel op de schuldenlijst vermelde schuld aan het CAK van € 60,- betreft geen schuld vanwege achterstallige bronheffing, maar een schuld vanwege bijzondere zorgkosten, waarop de beleidsregels niet van toepassing zijn, zodat deze vordering, anders dan Sluyter betoogt, terecht in de schuldenlijst is opgenomen.

c. Het is voldoende aannemelijk geworden dat [appellante] in aanmerking zou komen voor toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dat betekent dat indien geen schuldenregeling tot stand komt, zij met succes een verzoek om toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling zal indienen, teneinde een oplossing te vinden voor haar schulden.

d. Sluyter heeft niet gemotiveerd bestreden dat het door KNBL beschikbaar gestelde saneringskrediet het maximale bedrag is dat volgens de geldende regels beschikbaar mag worden gesteld. Evenmin heeft Sluyter gemotiveerd bestreden dat indien [appellante] zou worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling en zij er niet in slaagt werk te vinden niet aannemelijk is dat bij beëindiging van de wettelijke schuldsanering een hoger bedrag beschikbaar is voor de gezamenlijke schuldeisers. Een en ander volgt uit de vtlb-berekening, waarbij moet worden opgemerkt dat die berekening nog een rooskleuriger beeld geeft van de aflossingscapaciteit van [appellante] dan de werkelijkheid is, nu rekening wordt gehouden met een te lage premie ziektekostenverzekering. Sluyter heeft echter betoogd dat er niet van kan worden uitgegaan dat [appellante] nog drie jaar aangewezen zal blijven op een uitkering op grond van de Participatiewet. Het hof volgt Sluyter niet in dit betoog. Het staat vast dat [appellante] thans een uitkering ontvangt op grond van de Participatiewet, dat zij nauwelijks scholing heeft en de zorg voor drie minderjarige kinderen heeft. Eveneens staat vast dat [appellante] een opleiding op niveau 1 volgt. In hoger beroep is een e-mailbericht van mevrouw [D] , accountadviseur bij Randstad, in het geding gebracht waarin is aangegeven dat er geen banen zijn voor een verzorgende niveau 1. Volgens mevrouw [D] zijn die banen er wel op niveau 2, maar de tendens is dat voor banen in de zorg een opleiding op niveau 3 is vereist. Onbestreden is dat [appellante] dit opleidingsniveau niet heeft en dat niet te verwachten is dat zij het binnen afzienbare termijn zal behalen. Onder deze omstandigheden kan er niet van worden uitgegaan dat zij in een periode van drie jaar in staat zal zijn een inkomen te verwerven dat hoger is dan het inkomen dat zij nu heeft op basis van haar uitkering. Voor zover Sluyter in appel heeft willen handhaven dat [appellante] aanspraak kan maken op (forse) kinderalimentatie, is bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in appel voldoende aannemelijk geworden dat de vader van de kinderen van [appellante] nooit alimentatie heeft betaald, dat het LBIO ook nooit alimentatie heeft kunnen innen en dat ook de gemeente geen mogelijkheden heeft gezien om op basis van haar verhaalsrecht alimentatie te innen. Op grond hiervan acht het hof het hoogst onwaarschijnlijk dat [appellante] binnen een periode van drie jaar aanspraak zal kunnen maken op kinderalimentatie (laat staan op een alimentatiebedrag dat hoger is dan het bedrag van haar uitkering).
De slotsom is dat aannemelijk is dat het beschikbare saneringskrediet voorziet in een hoger bedrag voor de gezamenlijke schuldeisers dan voor hen na beëindiging van de wettelijke schuldsaneringsregeling (derhalve na drie jaren) ter beschikking zou zijn gekomen.

e. [appellante] heeft groot belang bij effectuering van de schuldenregeling. Effectuering leidt ertoe dat haar schuldenprobleem op korte termijn wordt beëindigd. Het alternatief is toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling. Dit alternatief brengt mee dat zij gedurende een periode van (minimaal) drie jaren dient te voldoen aan de (zwaarwegende) voorwaarden die gelden bij toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling.

f. Ook de andere schuldeisers hebben groot belang bij effectuering van de schuldenregeling. Zij krijgen in dat geval op betrekkelijk korte termijn een deel van hun vordering betaald - dat dit deel betaald wordt, staat vast, gezien het toegekende schuldsaneringskrediet -, waar zij bij het alternatief nog minimaal drie jaren moeten wachten op een bedrag dat niet hoger is dan het bedrag dat hun nu is aangeboden.

g. Sluyter is de enige schuldeiser die weigert mee te werken aan de schuldenregeling. De andere 19 schuldeisers stemmen wel in met de regeling. De vorderingen van die schuldeisers vertegenwoordigen wanneer wordt uitgegaan van de vordering van Sluyter per februari 2016 - afgerond - 95% van het totale schuldenbedrag. Wanneer wordt uitgegaan van de vordering van Sluyter per mei 2016 vertegenwoordigen de vorderingen van de andere schuldeisers nog altijd - afgerond - 91% van het totale schuldenbedrag.

h. Op basis van het voorstel ontvangt Sluyter een bedrag van € 107,23. Indien het tot een wettelijke schuldsanering komt en gedurende de schuldsanering het bedrag wordt gespaard dat nu beschikbaar is middels het saneringskrediet – hetgeen gezien de aflossingscapaciteit van [appellante] in de regeling niet in de rede ligt - zal Sluyter naar verwachting een iets hoger bedrag ontvangen, omdat dan wordt uitgegaan van een hogere vordering. Bij een percentage van 7,43% komt het voor Sluyter bestemde bedrag dan uit op ongeveer € 186,-, waarbij moet worden aangetekend dat het percentage dan waarschijnlijk iets lager is om dat het beschikbare bedrag moet worden verdeeld over een hoger schuldenbedrag, gelet op de hogere vordering van Sluyter (en mogelijk ook van andere schuldeisers, die dan ook aanspraak kunnen maken op inmiddels verschenen rente en gemaakte kosten). Dat betekent dat Sluyter, na drie jaar wachten, een bedrag van maximaal € 80,- meer ontvangt dan zij ontvangt op basis van de schuldenregeling. Dit belang is in absolute zin gering en is ook wanneer het wordt afgezet tegen de totale omvang van de vordering van Sluyter gering. Het hof tekent daarbij aan dat Sluyter er zelf voor gekozen heeft om, wetende dat KNBL bezig was met de voorbereidingen voor een schuldenregeling en (als geen ander) bekend met de penibele financiële positie van [appellante] (Sluyter had [appellante] niet lang daarvoor geadviseerd om een schuldsaneringstraject in te gaan), toch een procedure aanhangig te maken tegen [appellante] .

Sluyter heeft nog aangevoerd dat zij de reeds afgedragen BTW niet kan terugkrijgen als zij instemt met een buitengerechtelijk akkoord. Dit betoog gaat niet op. Artikel 29 lid 1 Wet OB bepaalt: ‘In geval van annulering, verbreking, ontbinding of gehele of gedeeltelijke niet-betaling, of in geval van prijsvermindering nadat de goederenlevering of dienst is verricht, wordt de maatstaf van heffing dienovereenkomstig verlaagd en ontstaat voor de ondernemer in zoverre recht op teruggaaf van de door hem voldane belasting.’ Na effectuering van het akkoord staat vast dat de restant vordering niet zal worden betaald. Er is dan ook sprake van niet-betaling in de zin van artikel 29 lid 1 Wet OB. Nu vaststaat dat [appellante] niet meer kan betalen dan zij op grond van het akkoord betaalt, handelt Sluyter met het prijsgeven van een substantieel deel van haar vorderingen op [appellante] niet onzakelijk noch geeft zij daarmee een nog voor verwezenlijking vatbaar gedeelte van haar vorderingen prijs, zodat het enkele feit dat zij finale kwijting verleent niet in de weg staat aan haar recht op teruggave van BTW op grond van artikel 29 lid 1 Wet OB (vgl. rechtbank Den Haag 30 augustus 2012, ECLI: NL: RBSGR:2012: BY0192).

Het belang van Sluyter is, kort en goed, dat zij bij toepassing van de wettelijke schuldsanering op termijn een bedrag van maximaal € 80,- meer ontvangt, welk bedrag een deel van de kosten dekt die zij heeft gemaakt toen zij wist dat KNBL een schuldenregeling voorbereidde.

3.4

Het hof is gelet op de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden van oordeel dat Sluyter niet in redelijkheid tot haar weigering om in te stemmen met de schuldregeling heeft kunnen komen. De schuldregeling is gebaseerd op een afgewogen en goed gedocumenteerd voorstel dat is voorbereid door een onafhankelijke en deskundige instantie. [appellante] heeft groot belang bij effectuering van de regeling. Ook de 19 andere schuldeisers, die het overgrote deel van de schuldenlast vertegenwoordigen, hebben belang bij effectuering, nu zij in dat geval eerder een groter deel van hun vordering ontvangen. Het belang van Sluyter valt in het niet bij de belangen van [appellante] en de andere schuldeisers.

3.5

Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de grieven slagen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank vernietigen en, opnieuw rechtdoende, Sluyter bevelen in te stemmen met de aangeboden schuldregeling.

3.6

Sluyter zal als de in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de proceskosten. Het hof begroot deze kosten voor de procedure in eerste aanleg op nihil, nu [appellante] in eerste aanleg niet werd bijgestaan door een advocaat en voor de procedure in hoger beroep op
2 punten, tarief II. In beide instanties is geen griffierecht verschuldigd. Het hof zal geen

punten toekennen aan de aktewisseling, nu [appellante] de bij akte verstrekte informatie ook eerder had kunnen verstrekken.

4 De beslissing

Het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

verklaart [de gemachtigde] niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot tussenkomst;

vernietigt het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, van

1 februari 2017 (inclusief de daarin opgenomen proceskostenveroordeling) en, opnieuw recht doende:

beveelt Sluyter in te stemmen met de door [appellante] aan de gezamenlijke schuldeisers aangeboden schuldregeling;

veroordeelt Sluyter in de kosten van [appellante] in beide instanties, door het hof begroot op nihil voor de procedure in eerste aanleg en op € 1.788, - voor de procedure in hoger beroep;

wijst af het meer of anders verzochte.

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. J. Smit en mr. E.F. Groot en is in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van

11 mei 2017.