Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:389

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
09-01-2017
Datum publicatie
20-01-2017
Zaaknummer
Avnr: 1247-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

De uitspraak houdt een verklaring in dat de zaken tegen de projectleider en uitvoerder van het project betreffende de bouw van het stadiondak van De Grolsch Veste te Enschede geëindigd zijn.

Het OM heeft niet duidelijk kunnen maken waarom de eventuele (verdere) vervolging van deze twee personen afhankelijk is van de uitkomst van het proces van onderhandelingen met de betrokken rechtspersonen. Daarbij is er door het OM eerder ook aangegeven dat het niet de bedoeling was om natuurlijke personen, zoals in dit geval de projectleider en de uitvoerder, te vervolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 08-700083-12

Avnr: 1247-16

Uitspraak: 9 januari 2017

Het hof heeft gezien het op 8 juli 2016 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift ex artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1961] ,

te dezer zake domicilie kiezende te [kantoorplaats] , ten kantore van zijn raadsvrouw,

hierna te noemen: verzoeker,

ingediend door mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo.

Op 7 november 2016 heeft het hof bij tussenbeslissing zich bevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek ex artikel 36 van het Wetboek van Strafvordering, verzoeker ontvankelijk verklaard in zijn verzoek en de behandeling van het verzoekschrift voor een bepaalde tijd aangehouden.

Het hof heeft gehoord in openbare raadkamer van 9 januari 2017 de advocaat-generaal, verzoeker en zijn raadsvrouw mr. M.M.A.J. Goris, advocaat te Almelo.

Het hof heeft met instemming van de advocaat-generaal en de raadsvrouw het onderzoek hervat in de stand waarin het zich bevond op het tijdstip van de tussenbeslissing van 7 november 2016.

Het hof heeft kennis genomen van het verzoekschrift en de overige zich in het procesdossier bevindende stukken, waaronder het advies van de advocaat-generaal van 9 september 2016.

De raadsvrouw heeft het verzoek nader onderbouwd en heeft gepersisteerd bij het verzoek en het hof verzocht om heden uitspraak te doen. De onderbouwing heeft de raadsvrouw in de vorm van een pleitnota aan het hof overgelegd.

De advocaat-generaal heeft ter zitting geconcludeerd dat op dit moment nog geen aanleiding bestaat om tot beëindiging van de strafzaak te beslissen, omdat het verzoek als ontijdig dient te worden aangemerkt en gewacht dient te worden op de behandeling van het ingestelde hoger beroep tegen de beslissing ex artikel 250 (oud) van het Wetboek van Strafvordering.

Overwegingen

1. Bij beslissing van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, van 8 oktober 2014 op het bezwaarschrift ex artikel 250 (oud) van het Wetboek van Strafvordering is de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in zijn strafvervolging en is verzoeker ten aanzien van de in de kennisgeving verdere vervolging omschreven strafbare feiten buiten vervolging gesteld.

Tegen deze beslissing is door het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld.

Verzoeker is voor de behandeling van het ingestelde hoger beroep opgeroepen om te verschijnen voor de zitting van de bijzondere raadkamer op 19 januari 2015. De advocaat-generaal heeft op 9 januari 2015 de oproeping ingetrokken. Het ingestelde hoger beroep tegen voormelde beslissing is nog niet door de advocaat generaal bij het hof aanhangig gemaakt en dus ook door het hof nog niet op zitting behandeld. Bij beschikking van 7 november 2016 heeft het hof reeds beslist dat aan verzoeker niet kan worden tegen geworpen dat het onderhavige verzoek ontijdig is ingesteld.

2. Door de advocaat-generaal is ter zitting medegedeeld dat het openbaar ministerie doende is met het treffen van een schikking met de bij het ongeval betrokken rechtspersonen. De beslissing of verzoeker verder vervolgd zou moeten worden zou volgens de advocaat-generaal afhangen van die schikking. De ondertekening van de schikkingsovereenkomsten zou op 10 januari 2017 plaatshebben. Deze ondertekening gaat, zoals tijdens de zitting van de bijzondere raadkamer van 9 januari 2017 is gebleken, echter niet door en is voor onbepaalde tijd uitgesteld.

3. Voor de beoordeling van het verzoek acht het hof het van belang dat het openbaar ministerie geenszins duidelijk heeft gemaakt waarom de beslissing tot verdere vervolging van verzoeker zou moeten afhangen van de uitkomst van de schikkingsonderhandelingen met de betrokken rechtspersonen. Daarnaast geldt dat het openbaar ministerie ook eerder heeft aangegeven dat het niet de bedoeling was de bij de zaak betrokken natuurlijke personen, waaronder verzoeker, verder te vervolgen. Nu bovendien ook de zaak al meer dan vijf jaar loopt en verzoeker nog steeds geen duidelijkheid heeft omtrent zijn processuele positie en op het moment waarop hij dat wel zou kunnen hebben, is het hof van oordeel dat vastgesteld moet worden dat de vervolging niet wordt voortgezet, waardoor het verzoek voor toewijzing vatbaar is. Het hof zal derhalve verklaren dat de zaak geëindigd is.

BESLISSING

Het hof:

- verklaart dat de strafzaak met parketnummer 08-700083-12 tegen verzoeker geëindigd is.

Deze beschikking is gegeven te Arnhem door mr. H.H.M. van Dijk, voorzitter,

mr. R.W. van Zuijlen en mr. M. van Seventer, raadsheren, in tegenwoordigheid van

P. Heinst, griffier, ondertekend door de voorzitter en de griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 januari 2017.