Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3835

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-05-2017
Datum publicatie
15-06-2017
Zaaknummer
WAHV 200.169.375
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Twee snelheidsovertredingen binnen kort tijdsbestek. Geen voortgezette handeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.169.375

4 mei 2017

CJIB 179276214

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Limburg

van 29 januari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,

wonende te [woonplaats] (België).

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 161,- opgelegd ter zake van “overschrijding maximum snelheid op (auto)wegen buiten bebouwde kom met 19 km/h”, welke gedraging zou zijn verricht op 26 januari 2014 om 12.07 uur op de Maaseikerweg te Tungelroy met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

2. De betrokkene ontkent niet dat op voornoemde datum, tijd en plaats met het voertuig met voornoemd kenteken te hard is gereden. De betrokkene heeft twee sanctiebeschikkingen voor snelheidsovertredingen ontvangen die op dezelfde dag binnen een tijdsbestek van een minuut zijn begaan. De gemachtigde heeft aangevoerd dat sprake is van een voortgezette handeling, waarvoor niet tweemaal een sanctie kan worden opgelegd. De snelheidsoverschrijdingen vonden namelijk kort na elkaar plaats op slechts 500 meter afstand van elkaar op een doorgaande voorrangsweg. Weliswaar zijn er op de betreffende voorrangsweg kruispunten die oplettendheid vereisen, doch niet een zodanige oplettendheid dat dit een matiging van de snelheid met zich zou moeten brengen. Er is dus sprake van slechts één ongeoorloofd wilsbesluit. Gelet hierop heeft de kantonrechter niet kunnen oordelen dat sprake is van twee gedragingen. Voorts merkt de gemachtigde op dat de desbetreffende weg, gelet op de weginrichting, uitnodigt tot het harder rijden dan de geldende maximumsnelheid. De gemachtigde stelt dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden. Bij trajectcontroles wordt immers ook op twee verschillende punten de snelheid gemeten en er wordt vervolgens maar één sanctie opgelegd. De gemachtigde verwijst hiertoe ook naar de situatie dat de politie de snelheidsoverschrijding met een boordcomputer opmeet. Gedurende een langere periode wordt geconstateerd dat de snelheid wordt overschreden en er wordt maar één sanctie opgelegd, aldus de gemachtigde.

3. Gelet op de stukken in het dossier en in aanmerking genomen dat de betrokkene de gedraging niet ontkent, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Vervolgens dient het hof te beoordelen of er andere redenen zijn een sanctie achterwege te laten of het bedrag van de sanctie te matigen.

4. De gemachtigde doet een beroep op artikel 56, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Daarin is bepaald dat indien meerdere feiten, die elk op zichzelf een misdrijf of overtreding opleveren, in zodanig verband staan dat zij moeten worden beschouwd als één voortgezette handeling, slechts één strafbepaling wordt toegepast, bij verschil die waarbij de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Deze bepaling is in de WAHV niet van (overeenkomstige) toepassing verklaard. Dit neemt niet weg dat indien zich een situatie voordoet die als voortgezette handeling in de zin van bedoeld artikellid kan worden aangemerkt, daarin - op de voet van artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b, WAHV - grond kan worden gevonden voor het oordeel dat een of meer gedraging(en) heeft/hebben plaatsgevonden onder zodanige omstandigheden dat oplegging van een sanctie voor die gedraging(en) niet billijk is.

5. Bij de beoordeling of in het geval van meerdere gedragingen sprake is van een voortgezette handeling stelt het hof voorop dat een verkeersdeelnemer voortdurend te maken krijgt met nieuwe verkeerssituaties, waarin hij alert dient te zijn en waarin hij derhalve bij voortduring beslissingen neemt en moet nemen. Het ongewijzigd vervolgen van zijn weg door een verkeersdeelnemer kan in dit verband ook als een beslissing worden aangemerkt. Aldus zal niet snel sprake zijn van meerdere gedragingen die voortkomen uit één ongeoorloofd wilsbesluit. Dat is in het onderhavige geval niet anders. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de betrokkene tussen beide gedragingen, die zich op een afstand van 500 meter van elkaar hebben voorgedaan, een kruispunt is gepasseerd en een volgend kruispunt nadert. Dit maakt dat sprake is geweest van nieuwe verkeersituaties en daarmee verband houdende verschillende beslissingen. Dat er slechts een minuut tussen de gedragingen zit, maakt de gedraging niet minder sanctiewaardig. De betrokkene heeft tussen de twee snelheidsmetingen ruim voldoende gelegenheid gehad om haar snelheid aan te passen aan de geldende maximumsnelheid. Reeds daarom kan het verweer van de gemachtigde dat sprake is van een voortgezette handeling niet slagen.

6. Met betrekking tot de omstandigheid dat de betrokkene op grond van de inrichting van de weg de indruk had dat er ter plaatse harder mocht worden gereden dan volgens de bebording was toegestaan, overweegt het hof dat de inrichting van de weg niet bepalend is voor de geldende maximumsnelheid, maar de bebording. Het is aan de wegbeheerder om te beoordelen of het nodig is de omstandigheden op de betreffende weg aan te passen aan de gewenste maximumsnelheid. Zodanige beoordeling komt niet toe aan de individuele weggebruiker. De betrokkene diende dan ook gevolg te geven aan de geldende maximumsnelheid en het stond haar niet vrij naar eigen inzicht hiervan af te wijken.

7. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel treft geen doel. Immers, van schending van het gelijkheidsbeginsel ten aanzien van de betrokkene zou slechts dan sprake zijn indien zonder (juridisch) geldige reden ten nadele van de betrokkene zou zijn afgeweken van het met betrekking tot gedragingen als de onderhavige geldende beleid (vlg. Hof Leeuwarden 8 oktober 2003, WAHV 03/598, VR 2004, 19). Daarvan is in het onderhavige geval geen sprake. Niet gebleken is immers dat ten tijde van de gedraging sprake was van bekend gemaakt beleid om op de betreffende locatie niet te handhaven op overschrijdingen van de maximumsnelheid indien er sprake is van meerdere snelheidsovertredingen in een kort tijdsbestek.

8. Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat de onderhavige omstandigheden niet dusdanig zijn dat de sanctie achterwege moet blijven dan wel dat het bedrag van de sanctie moet worden gematigd. Ook het punt dat bij de eerste gedraging discussie mogelijk is over de plaatsaanduiding van de flitspaal, noopt niet tot een andere afweging. Dit brengt mee dat de kantonrechter het beroep van de betrokkene terecht ongegrond heeft verklaard. Het hof zal de beslissing van de kantonrechter dan ook bevestigen.

Beslissing

Het gerechtshof:

bevestigt de beslissing van de kantonrechter.

Dit arrest is gewezen door mr. Beswerda, in tegenwoordigheid van mr. Stoop als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.