Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:382

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
10-05-2017
Zaaknummer
200.195.074
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheiding. IPR. Geen toepassing Libanees recht. Geen rechtskeuze voor Libanees recht, geen gemeenschappelijke nationaliteit. Duurzame ontwrichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2017/72.21
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.195.074

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 377839)

beschikking van 19 januari 2017

inzake

[verzoeker] ,

wonende te [woonplaats],
verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. M.W.A. Verhaard te Vlissingen,

en

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. K.J.M. Slangen te Arnhem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 8 april 2015 en 13 april 2016, beide uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met producties, ingekomen op 11 juli 2016;

- het verweerschrift met producties, ingekomen op 12 augustus 2016.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 8 december 2016 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Ook is verschenen F. Kanaan die als tolk in de Arabische taal voor de vrouw is opgetreden.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op 3 mei 2011 te Libanon met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn geboren:

-[kind 1], op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] in Libanon, en

-[kind 2], op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats],

over wie zij gezamenlijk het gezag uitoefenen.

De man had tot 12 november 2012 zowel de Nederlandse als de Libanese nationaliteit. Sinds 12 november 2012 heeft de man enkel de Nederlandse nationaliteit.

De vrouw heeft de Libanese nationaliteit.

3.2

De vrouw heeft de rechtbank verzocht tussen hen echtscheiding uit te spreken en nevenvoorzieningen te treffen.

3.3

De man heeft verweer gevoerd en de rechtbank verzocht de verzoeken van de vrouw af te wijzen.

De man heeft bij wege van zelfstandig verzoek de rechtbank – voor zover hier van belang – verzocht om te bepalen dat Libanees recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding.

3.4

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de (zelfstandige) verzoeken van de man. Zij heeft de rechtbank verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken, althans die verzoeken af te wijzen.

3.5

De rechtbank heeft in voormelde beschikking van 8 april 2015 bepaald dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding en de verdere behandeling van het verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen pro forma aangehouden tot 14 juli 2015, in afwachting van de resultaten van de mediation.

3.6

De rechtbank heeft in voormelde beschikking van 13 april 2016 echtscheiding uitgesproken.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de echtscheiding en het toepasselijk recht.

4.2

De man is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 13 april 2016. Hij verzoekt het hof die beschikking te vernietigen en primair: het verzoek van de vrouw tot echtscheiding af te wijzen, subsidiair alsnog het Libanees echtscheidingsrecht toe te passen.

4.3

De vrouw verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek in hoger beroep dan wel het verzoek van de man af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge het bepaalde in artikel 10:56, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) wordt de beantwoording van de vraag of ontbinding van het huwelijk of scheiding van tafel en bed kan worden uitgesproken en op welke gronden, bepaald door het Nederlandse recht.

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat, in afwijking van lid 1 het recht van de staat van een gemeenschappelijke vreemde nationaliteit van de echtgenoten wordt toegepast indien in het geding:

a. door de echtgenoten gezamenlijk een keuze voor dit recht is gedaan of een dergelijke keuze van een van de echtgenoten onweersproken is gebleven; of

b. door een van de echtgenoten een keuze voor dit recht is gedaan en beide echtgenoten een werkelijke maatschappelijke band met het land van die gemeenschappelijke nationaliteit hebben.

In het derde lid van dit artikel is bepaald dat een rechtskeuze als bedoeld in het vorige lid uitdrukkelijk moet zijn gedaan of anderszins voldoende duidelijk blijken uit de in het verzoekschrift of het verweerschrift gebruikte bewoordingen.

5.2

De man stelt dat de rechtbank ten onrechte het Nederlands echtscheidingsrecht heeft toegepast in de bestreden beschikking. Hij is van mening dat Libanees recht dient te worden toegepast op het verzoek tot echtscheiding, nu partijen in Libanon zijn gehuwd en zij ten tijde van hun huwelijk beiden de Libanese nationaliteit hadden. Partijen hebben nog steeds een maatschappelijke band met Libanon. De vrouw heeft gedurende de Nederlandse echtscheidingsprocedure ook in Libanon een echtscheidingsprocedure gestart; hieruit blijkt dat de vrouw ook voor Libanees recht kiest.

5.3

De vrouw is het eens met toepassing van het Nederlandse echtscheidingsrecht op het echtscheidingsverzoek. Zij stelt dat partijen ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek geen gemeenschappelijke nationaliteit hadden (de man had de Nederlandse en zij de Libanese nationaliteit) als gevolg waarvan zij niet op grond van artikel 10:56 BW de rechtskeuze konden doen voor toepassing van het Libanees recht. De vrouw heeft ook niet gekozen voor toepassing van Libanees recht; het starten van de procedure in Libanon heeft te maken met de ontbinding van het religieuze huwelijk van partijen.

5.4

Het hof stelt vast dat partijen, die ten tijde van hun huwelijk onweersproken beiden de Libanese nationaliteit bezaten, niet vóór, bij gelegenheid van, of tijdens hun huwelijk een uitdrukkelijke gezamenlijke rechtskeuze hebben gemaakt voor toepassing van het Libanese recht op een eventuele echtscheiding. Die rechtskeuze kan evenmin worden afgeleid uit de door de vrouw gestarte procedure in Libanon, nu zij onweersproken heeft verklaard dat het hier gaat om de ontbinding van het religieuze huwelijk. Aldus is geen sprake geweest van een gezamenlijke rechtskeuze voor Libanees recht door partijen. Ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek, welk moment naar het oordeel van het hof bepalend is voor het antwoord op de vraag of partijen een gemeenschappelijke nationaliteit als bedoeld in artikel 10:56 BW hadden, bezat de man de Nederlandse nationaliteit en de vrouw de Libanese nationaliteit. Weliswaar heeft de man tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij de Libanese nationaliteit heeft behouden omdat zijn paspoort slechts zou zijn “bevroren”, maar de verklaring van de man dat hij hoopt binnenkort weer de Libanese nationaliteit te verkrijgen staat daar haaks op. De man heeft zijn stellingen dienaangaande niet onderbouwd, terwijl de vrouw heeft betwist dat de man de Libanese nationaliteit heeft behouden. Daarom zal het hof uitgaan van het gegeven dat de man enkel de Nederlandse nationaliteit bezat ten tijde van de indiening van het verzoek tot echtscheiding.

5.5

Nu ten tijde van de indiening van het echtscheidingsverzoek bij de rechtbank op 26 augustus 2014 geen sprake was van een gemeenschappelijke vreemde nationaliteit van partijen, mist de uitzonderingsbepaling van artikel 10:56 lid 2 BW waarop de man zich beroept, toepassing. Overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid van genoemd artikel is Nederlands recht op het echtscheidingsverzoek van toepassing. Ten overvloede merkt het hof nog op dat ook ten tijde van de beschikking van de rechtbank en tijdens de mondelinge behandeling bij het hof geen sprake was van een gemeenschappelijke nationaliteit van partijen.

5.6

De door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de man in eerste aanleg aanvankelijk betwist, stellende dat de vrouw niet zeker is over het beëindigen van het huwelijk. De vrouw heeft daartegenover in de onderhavige procedure helder en duidelijk te kennen gegeven een echtscheiding te wensen. Zij wil niet meer terug keren naar de man. Uit het journaalbericht in eerste aanleg van 17 november 2015 van de advocaat van de man aan de rechtbank leidt het hof -evenals de rechtbank- af dat de man instemt met de echtscheiding. Ter zitting in hoger beroep heeft de man voorts verklaard de echtscheiding te willen, maar naar Libanees recht. Het hof concludeert uit het voorgaande dat de grond voor de echtscheiding, te weten de duurzame ontwrichting van het huwelijk, tussen partijen voldoende vaststaat en dat echtscheiding kan worden uitgesproken.

6 De slotsom

6.1

Nu het hoger beroep van de man faalt, zal het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, bekrachtigen.

6.2

Het hof zal, gelet op het familierechterlijk karakter van het geding, de proceskosten in hoger beroep compenseren. Het hof ziet geen aanleiding om de man, zoals door de vrouw verzocht, te veroordelen in de proceskosten, nu het de man op zich vrijstaat de toepasselijkheid van het Nederlands recht in hoger beroep aan te vechten.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 13 april 2016, voor zover daarbij echtscheiding is uitgesproken;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. B.F. Keulen, E.H. Schulten en I.G.M.T. Weijers-van der Marck, bijgestaan door G.E.M. Bours als griffier, bij afwezigheid van de voorzitter ondertekend door de oudste raadsheer en op 19 januari 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.