Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3702

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
02-05-2017
Datum publicatie
17-08-2017
Zaaknummer
200.181.835
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop van een vrachtauto door Duitse koper van Nederlandse verkoper. Weens Koopverdrag van toepassing. Koper ontbindt de koopovereenkomst. Voldoet de vrachtwagen aan de in de koopovereenkomst gestelde eisen in de zin van artikel 35 lid 1 Wees Koopverdrag, zo nee dan is terecht ontbonden ex artikel 49 Weens Koopverdrag. Betekenis verkoopadvertentie. Geen loutere uitnodiging tot onderhandeling (artikel 8 lid 2 Weens Koopverdrag).

Klachten over in eerste aanleg in opdracht van kantonrechter opgesteld deskundigenrapport. Partijen zijn uiteindelijk wel in de gelegenheid gesteld op het rapport en een nader bericht te reageren. Tekortkomingen staan niet in de weg aan het gebruik van het deskundigenbericht. Verwijzing naar HR 7 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1225. Verweer dat koper ten tijde van sluiten van de overeenkomst wist of behoorde te weten dat de vrachtwagen niet aan de overeenkomst beantwoordde (artikel 35 lid 3 Weens Koopverdrag) wordt verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR 2017/4340
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.181.835

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie [plaatsnaam] , 2593795)

arrest van 2 mei 2017

in de zaak van

1 [appellant 1] ,

gevestigd te [plaatsnaam] ,

en haar vennoten:

2. [appellant 2], en

3. [appellant 3],

beiden wonende te [plaatsnaam] ,

appellanten,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna: gezamenlijk ‘ [appellanten] ’ en ieder afzonderlijk: [appellant 1] ’, ‘ [appellant 2] ’ en ‘ [appellant 3] ’,

advocaat: mr. I.J. Penning,

tegen:

de rechtspersoon naar buitenlands recht Auto Bösing GmbH,

gevestigd te Gronau (Duitsland),

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: ‘Bösing’,

advocaat: mr. J.C. Wery.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 16 februari 2016 hier over.

1.2.

Het verdere verloop blijkt uit:

- proces-verbaal van de comparitie van partijen van 25 maart 2016;

- de memorie van grieven, met producties;

- de memorie van antwoord.

1.3.

Vervolgens heeft Bösing de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de navolgende feiten:

2.1.

Bösing heeft op 21 maart 2013 van [appellant 1] gekocht een vrachtwagen van het type Mercedes Benz Vario 816D, bouwjaar 2007, regnr.

WDB6703231N126293 (hierna: de vrachtwagen) voor een koopsom van € 21.500,--.

2.2.

[appellant 1] . had de vrachtwagen aangeboden op internet. In de advertentie

stond vermeld bij opmerkingen:

MERCEDES-BENZ

-VARIO

-BLEUTEC 4

-12800 KM !!!!!!

-APK 2012

-LAADVERMOGEN 3755KG

-OPRIJBAK

-IN ABSOLUTE NIEUWSTAAT

-WWW.HENDRIKSTRUCKS

2.3.

Volgens een schaderapport van 30 juli 2008 van Dekra Automobil GmbH, hierna Dekra, dat als onderdeel van productie 1 bij de dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd (hierna: het schaderapport) is de vrachtwagen een zogenaamde schadeauto.

3 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.1.

Bösing heeft in eerste aanleg (in conventie) gevorderd dat de kantonrechter [appellanten] hoofdelijk zal veroordelen tot betaling van € 23.500,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 november 2013 en kosten.

3.2.

Bösing stelt daartoe dat de door haar van [appellant 1] gekochte vrachtwagen ernstige gebreken vertoont en dat sprake is van een niet vakkundig herstelde zware schade aan het voertuig. De overeenkomst is daarom op grond van bedrog en/of dwaling vernietigd en, voor zover vereist, is de overeenkomst op grond van non-conformiteit en wanprestatie door Bösing ontbonden. Bösing vordert terugbetaling van de koopsom van € 21.500,-- en vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.000,--.

3.3.

[appellanten] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Bij tussenvonnis van 25 juni 2014 heeft de kantonrechter [deskundige] (van Mercedes Benz Truck dealer Baan te Hengelo) tot deskundige benoemd en hem de volgende vragen gesteld:

1. Hoe zou u de staat waarin de vrachtauto verkeert, willen beschrijven? Kan deze auto omschreven worden als te verkeren “in absolute nieuwstaat”?

2. Wat is volgens u de huidige verkoopwaarde van de auto?

3. Zijn er gebreken aan de auto en zo ja:

  • -

    welke?

  • -

    houden deze gebreken verband met de schade kenbaar uit het rapport van Dekra

d.d. 30 juli 2008 betreffende schadenr. 08-44 194?

- verhinderen deze gebreken al dan niet dat de auto veilig aan het verkeer kan

deelnemen?

- welke kosten zijn verbonden aan het herstel van de gebreken?

4. Heeft u verder nog opmerkingen die met betrekking tot deze zaak relevant kunnen

zijn?

3.5.

Na ontvangst van het rapport van de deskundige en conclusiewisseling over dit rapport heeft de kantonrechter bij tussenvonnis van 8 april 2015 de deskundige nader opgedragen de vragen te beantwoorden en de instructies van de kantonrechter nauwgezet in acht te nemen, in het bijzonder door partijen de gelegenheid te bieden opmerkingen te maken tijdens het onderzoek en over het conceptrapport.

3.6.

Na ontvangst van het aanvullende rapport (deskundigenbericht) en conclusiewisseling over dit deskundigenbericht heeft de kantonrechter, bij eindvonnis van 16 september 2015, [appellanten] veroordeeld om aan Bösing te betalen € 21.500,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 november 2013 met veroordeling van [appellanten] in de proceskosten.

Daartoe heeft de kantonrechter geoordeeld dat uit het deskundigenrapport en (nader) deskundigenbericht blijkt dat de vrachtauto ten tijde van de levering niet voldeed aan de eisen die Bösing daaraan mocht stellen, dat de koopovereenkomst tijdig en op goede gronden door Bösing is ontbonden bij brief van 8 mei 2013 en dat [appellanten] de betaalde koopsom van € 21.500,-- aan Bösing moet voldoen.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

Internationale bevoegdheid

4.1

Uit de inleidende dagvaarding van 27 november 2013 volgt dat Bösing is gevestigd in Duitsland. Bösing heeft [appellanten] (gevestigd dan wel woonachtig te Nederland) opgeroepen voor de rechtbank Midden-Nederland, locatie [plaatsnaam] . Het geschil betreft een burgerlijke en handelszaak als bedoeld in artikel 1 van de (voor rechtsvorderingen die vóór 10 januari 2015 zijn ingesteld geldende) EEX-verordening (Verordening (EG) nr. 44/2001 van 22 december 2000, PbEG L12, betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken). Ingevolge artikel 2 lid 1 EEX-Verordening heeft de Nederlandse rechter rechtsmacht.

Toepasselijk recht

4.2

Het strekt het hof tot uitgangspunt dat de rechtsverhouding tussen de partijen, waarover het in deze zaak gaat, wordt beheerst door het Weens Koopverdrag (hierna: Verdrag) en aanvullend door het Nederlandse (interne) recht, nu de partijen niet zijn opgekomen tegen de desbetreffende overweging in het vonnis.

Beoordeling ontbinding koopovereenkomst

4.3

Het geschil tussen partijen gaat in hoger beroep over de vraag of de door [appellanten] aan Bösing verkochte vrachtwagen voldoet aan de in de koopovereenkomst gestelde eisen in de zin van art. 35 lid 1 Weens Koopverdrag. En zo nee, of sprake was van een wezenlijke tekortkoming. Een tekortkoming is wezenlijk indien zij leidt tot zodanige schade voor de andere partij dat haar in aanmerkelijke mate wordt onthouden wat zij uit hoofde van de overeenkomst mag verwachten. Dit is niet het geval indien de partij die tekortschiet, dit gevolg niet heeft voorzien en een redelijk persoon van dezelfde hoedanigheid in dezelfde omstandigheden het evenmin zou hebben voorzien (art. 25 Weens Koopverdrag). Indien sprake is van een wezenlijke tekortkoming in voornoemde zin heeft Bösing de koopovereenkomst terecht ontbonden (art. 49 Weens Koopverdrag) bij brief van 6 mei 2013 en daarmee recht op terugbetaling van de koopsom.

4.4

In de door [appellanten] voorafgaand aan de verkoop geplaatste advertentie, waarop Bösing heeft gereageerd, is vermeld dat de vrachtwagen zo goed als nieuw is. Tussen partijen staat vast dat dit als een aanprijzing moet worden gezien. Anders dan [appellanten] betoogt (grief I), houdt deze aanprijzing niet in een loutere uitnodiging tot onderhandeling. Bösing mocht de advertentie, overeenkomstig het bepaalde in art. 8 lid 2 Weens Koopverdrag, zo uitleggen dat [appellanten] een deugdelijke, goed functionerende vrachtwagen met weinig kilometers op de teller aanbood.

[appellanten] heeft in dit verband aangevoerd dat sprake was van een verkoop tussen twee professionele partijen en dat het in de autohandel gebruikelijk is dat de (vracht)wagen wordt geïnspecteerd en dat er een proefrit wordt gemaakt, alvorens tot koop wordt overgegaan en waarbij de bewoordingen van de advertentie geen deel uit maken van de overeenkomst. Dit betoog gaat niet op omdat [appellanten] niet heeft toegelicht waarom het door haar gestelde gebruik in Nederland - wat daar verder van zij - zonder meer bepalend zou zijn in de verhouding met Bösing, een autohandelaar uit Duitsland.

Voorts is niet komen vast te staan dat Bösing voorafgaand aan de totstandkoming van een koopovereenkomst met de vrachtwagen een proefrit heeft gereden. Hiervoor wordt verwezen naar r.o. 4.13.

4.5

Uit het rapport van de door de kantonrechter benoemde deskundige [deskundige] blijkt onder meer (telkens geïllustreerd met een of meer foto’s van de vrachtwagen) dat:

  1. er geen afscherming en deksel is voor de zekeringkast;

  2. er in/bij de zekeringkast diverse kabels los liggen of ondeugdelijk zijn bevestigd;

  3. de aansluitstekker van de MR Modul (elektronica voor de motor) niet meer vochtdicht is;

  4. e ondersteuningsring bij de turboslang naar de intercooler niet goed is gemonteerd. Hierbij is door de deskundige opgemerkt dat daardoor de kans op scheuren groter is;

  5. de stekkerverbinding van het tankelement niet is aangesloten waardoor er geen indicatie van vulling van de tank is;

  6. de tankvulhals niet op een deugdelijke manier op de originele plekken is gemonteerd;

  7. een ophangbeugel van de uitlaat ontbreekt;

  8. de pen(nen) voor de overbrenging van de handremkracht van de buster naar de remklauw niet origineel is (zijn) en dat er geen borging op zit voor uitvallen. Als deze eruit schieten werkt de handrem niet meer;

  9. de kabelboom op diverse plekken niet op de originele plek of geheel niet deugdelijk is bevestigd;

  10. bij de ophanging van de wisselbak c.q. de motorsteunen één van de vier bouten mist;

  11. diverse leidingen, ook van het remsysteem, niet op deugdelijk of niet op de juiste manier zijn vastgezet zodat deze los liggen. De deskundige vermeldt hier dat deze leidingen tegen elkaar of tegen een ander component aan kunnen trillen waardoor schuurplekken ontstaan en op den duur lek kunnen raken waardoor het remsysteem uitvalt (of kan uitvallen);

  12. er diverse bouten in de dwarstraverse van het chassis ontbreken. De traverse dient ter versteviging van het chassis raam;

  13. de afdichting van de controle schakelaar voor het remvloeistof niet aanwezig is waardoor corrosie mogelijk is en de werking van de schakelaar niet is gewaarborgd;

  14. er een waterslag is waar een slangenklem los omheen zit;

  15. in de accubak een rubber niet deugdelijk bevestigd is. De deskundige merkt hier op dat daardoor de accukabel kan doorslijten en sluiting kan maken op den duur;

  16. het voertuig is uitgelezen met de originele Mercedes Benz tester waarbij diverse systeemfouten naar boven kwamen (een uitdraai is bijgevoegd);

  17. de opbouw van het voertuig niet volgens fabrieksvoorschrift is opgebouwd omdat diverse bouten van de bevestiging niet aanwezig zijn;

  18. (opbouw voertuig) de elektrische bekabeling betreffende de achterlichten niet of zeer ondeugdelijk is aangesloten.

4.6

Gelet op de aard en omvang van de gebreken en de daarop in het deskundigenrapport gegeven toelichtingen staat in beginsel voldoende vast dat de door [appellanten] aan Bösing verkochte vrachtwagen niet voldoet aan de in de koopovereenkomst gestelde eisen in de zin van art. 35 lid 1 Weens Koopverdrag alsook dat sprake was van een wezenlijke tekortkoming in de zin van art. 25 Weens Koopverdrag. Ervan uitgaande dat de bedoelde gebreken ten tijde van de aflevering bestonden, moet worden geoordeeld dat sprake is van een tekortkoming, en wel één die leidt tot zodanig nadeel voor Bösing dat haar in aanmerkelijke mate wordt onthouden wat zij uit hoofde van de overeenkomst mocht verwachten. Uit deze gebreken en het feit dat [appellant 1] een (professionele) handelaar in vrachtwagens is, volgt dat tevens is voldaan aan de voorzienbaarheidseis van voornoemde verdragsbepaling. Daartoe overweegt het hof het volgende.

4.7

[appellanten] betoogt met grief IV dat het deskundigenrapport niet bij de beoordeling van het geschil kan worden betrokken omdat het niet met redenen is omkleed en de vragen van de rechtbank niet zijn beantwoord terwijl de deskundige bovendien partijen niet in de gelegenheid heeft gesteld om op het rapport te reageren, welke bezwaren reeds in eerste aanleg naar voren zijn gebracht.

4.8

Alhoewel de deskundige de antwoorden op de vragen van de kantonrechter niet of nauwelijks heeft gemotiveerd, zijn de aan die antwoorden ten grondslag liggende gebreken wel toegelicht zowel door de bijgevoegde foto’s als door de toelichtende tekst. Waar het gaat om de vraag of sprake is van een wezenlijke tekortkoming is het rapport dus voldoende duidelijk. Daarmee is het bruikbaar voor de beoordeling van de vordering van Bösing.

4.9

Aangenomen mag worden dat, zoals [appellanten] stelt, partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld om bij het onderzoek door de deskundige vragen te stellen of opmerkingen te maken zoals in art. 198 lid 2 Rv vermeld. Daar staat tegenover dat partijen zowel ten aanzien van het rapport als het bericht (met de antwoorden op de vragen) in de gelegenheid zijn gesteld te reageren. Zij hebben dus opmerkingen kunnen maken en hebben voorts in hun conclusies geen (concrete) vragen aan de deskundige gesteld dan wel voorgesteld die nog aan die deskundige voor te leggen. De door partijen gemaakte opmerkingen nopen daartoe evenmin. Voormelde tekortkoming staat daarom niet in de weg aan het gebruik van het deskundigenbericht voor het bewijs van de stelling(en) van Bösing (vgl. HR 7 januari 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1225).

4.10

[appellanten] voert met grief V aan dat de uit het deskundigenrapport van [deskundige] blijkende gebreken niet bestonden ten tijde van de verkoop. Zij heeft deze betwisting echter op generlei wijze gemotiveerd terwijl zij daartoe, zeker gezien de aard en de omvang van de door de deskundige (fotografisch vastgelegde) gebreken, was gehouden. Dat uit het deskundigenrapport niet (direct) volgt dat de gebreken zijn terug te voeren op de schade die de vrachtwagen in 2008 heeft opgelopen (niet in geschil is dat er toen een kraan op de auto is gevallen waarna de auto total loss is verklaard), geldt niet als een voldoende betwisting, nu [appellanten] daarmee niet op de aard en omvang van de door de deskundige geconstateerde gebreken (een reeks van ernstige en structurele gebreken) en de betekenis daarvan voor het mogelijke ontstaansmoment ingaat. Daarom heeft zij de stellingen van Bösing op dit punt onvoldoende betwist en treft de grief geen doel.

4.11

De klacht van [appellanten] (grief II) dat de kantonrechter is uitgegaan van een verkeerd beoordelingskader leidende tot een verkeerde vraagstelling terwijl de vragen ten onrechte in de tegenwoordige tijd zijn gesteld, faalt omdat naar de (eventuele) gebreken is gevraagd en daarmee in volle omvang aan de orde is gekomen de vraag of de door [appellanten] geleverde vrachtwagen voldoet aan de in de koopovereenkomst gestelde eisen.

4.12

In de vragen aan de deskundige is verwezen naar het door Bösing bij de inleidende dagvaarding overgelegde schaderapport van Dekra uit 2008. Bösing voert met grief III aan dat geen Nederlandse vertaling van dit in de Duitse taal opgestelde rapport is overgelegd zodat dit stuk niet in de beoordeling kan worden betrokken.

Deze grief kan [appellanten] niet baten. De deskundige heeft de vraag of de (eventuele) gebreken verband houden met de uit het schaderapport kenbare schade ontkennend beantwoord, aangezien de schade is hersteld. De in het deskundigenrapport genoemde gebreken, zoals deels vermeld onder 4.6, vinden volgens de deskundige hun oorzaak in het ondeskundig uitgevoerde herstel van die schade. Voor zover het deskundigenonderzoek in zoverre voortbouwt op het schaderapport, geldt dat vaststaat dat de vrachtwagen een zogenaamde schadeauto is (r.o. 2.3); het schaderapport bevat diverse foto’s waaruit deze schade blijkt. Op die foto’s is onder meer te zien dat de cabine van de vrachtwagen geheel is vernield doordat er een kraan op is gevallen. Zoals hiervoor al is overwogen, is dat op zichzelf tussen partijen ook niet in geschil. Voor de onderhavige beoordeling is de inhoud van het schaderapport verder niet van belang.

4.13

[appellanten] voert aan (bij grief I) dat een medewerker van Bösing, [A] , de vrachtwagen voorafgaande aan de totstandkoming van de koopovereenkomst grondig heeft geïnspecteerd, dat partijen vervolgens telefonisch akkoord hebben bereikt over de prijs en dat bij het ophalen van de vrachtwagen deze ook is geïnspecteerd door Bösing en dat daar een proefrit mee is gemaakt. Ter comparitiezitting bij het hof (25 maart 2016) heeft [appellanten] verklaard dat [A] voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst, een proefrit met de vrachtwagen heeft gemaakt. [appellanten] doet, zo begrijpt het hof, in dit verband een beroep op art. 35 lid 3 Weens Koopverdrag (grief VI) waarin kort gezegd is bepaald dat een verkoper niet ex art. 35 lid 2 van dit verdrag aansprakelijk is voor het niet beantwoorden van de verkochte zaken aan de overeenkomst als de koper ten tijde van het sluiten van de overeenkomst wist of had behoren te weten dat de zaken niet aan de overeenkomst beantwoordden.

De stelling dat [A] een proefrit maakte met de vrachtwagen strookt niet met de door [appellanten] zelf overgelegde verklaring van haar medewerker [B] waarin niets is vermeld over een proefrit maar waarin wel staat dat de vrachtwagen voor [A] is gestart zodat hij de motor kon horen draaien. Voorts blijkt uit de verklaring van [B] niet en evenmin uit de stellingen van Bösing dat sprake is geweest van een grondige inspectie in die zin dat een onderzoek is verricht zoals door de deskundige die onder meer de onderzijde van de vrachtwagen heeft onderzocht en het voertuig heeft uitgelezen met een ‘originele Mercedes Benz tester’. Blijkens de door Bösing overgelegde verklaring van [A] heeft hij de staat van de vrachtwagen niet gecontroleerd en evenmin een proefrit gemaakt. Aldus is door [appellanten] niet voldoende gemotiveerd gesteld dat [A] en daarmee Bösing, de door de deskundige vastgestelde gebreken kende. Voor zover [appellanten] bedoelt dat Bösing de gebreken had moeten ontdekken als zij de auto deugdelijk had geïnspecteerd, heeft zij dit standpunt onvoldoende onderbouwd. [appellanten] heeft daarom ook onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat Bösing de gebreken behoorde te kennen. Reeds hierom gaat het beroep van [appellanten] op art. 35 lid 3 van het Weens Koopverdrag niet op.

4.14

Gezien hetgeen hiervoor is overwogen en beslist wordt niet toegekomen aan het bewijsaanbod van [appellanten]

4.15

De slotsom is dat alle grieven falen. De bestreden vonnissen van 25 juni 2014 en 16 september 2015 zullen worden bekrachtigd.

4.16

[appellanten] zal als de in het ongelijk te stellen partij hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van Bösing zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten (dagvaarding) € 77,84

- griffierecht € 1.937,--

- subtotaal verschotten € 2.014,84

- salaris advocaat € 2.316,-- (2 punten x appeltarief € 1.158,--)

5 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Amersfoort van 25 juni 2014 en 16 september 2015;

veroordeelt [appellanten] hoofdelijk in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Bösing vastgesteld op € 2.014,84 voor verschotten en op

€ 2.316,-- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.L. Wattel, B.J. Engberts en J.A.M. van den Berk en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 mei 2017.