Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3681

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-03-2017
Datum publicatie
02-05-2017
Zaaknummer
TBS P16/0454
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Beschikking
Inhoudsindicatie

Art. 509t Sv. Dictum verlengingsbeslissing terbeschikkingstelling, inschakelen reclassering, maatregelenrapport.

De rechtbank heeft niet de bevoegdheid te bepalen dat voor een volgende verlenging van de terbeschikkingstelling een maatregelenrapport moet worden opgemaakt. Zij heeft op dat punt slechts de bevoegdheid van artikel 509t, vijfde lid, Sv en kan voor het overige in haar (eind)beslissing in een overweging (maar niet in het dictum) tot uitdrukking brengen dat zij het gewenst acht dat de reclassering voor een volgende verlenging van de maatregel rapporteert omtrent de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Daarbij is de visie van de kliniek en de reclassering hoe dan ook relevant. De vertraging in het verloftraject van de terbeschikkinggestelde is op zichzelf geen argument om een maatregelrapport te laten opstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P16/0454

Beslissing d.d. 16 maart 2017

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van

[naam terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] op [1965] ,

verblijvende in FPC [kliniek] .

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 september 2016, houdende verlenging van de terbeschikkingstelling met een termijn van een jaar.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

  • -

    het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

  • -

    de beslissing waarvan beroep;

  • -

    de akte van beroep van de terbeschikkinggestelde van 28 september 2016;

  • -

    de aanvullende informatie van [kliniek] van 10 februari 2017, met als bijlage de wettelijke aantekeningen van 1 april 2016 tot en met 1 januari 2017.

Het hof heeft ter zitting van 2 maart 2017 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. C.F. Korvinus, advocaat te Amsterdam, en de advocaat generaal mr. M.J.M van der Mark.

Overwegingen:

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Na de succesvolle klinische behandeling van de terbeschikkinggestelde is hij vanwege omstandigheden buiten zijn macht herhaaldelijk overgeplaatst, waardoor zijn resocialisatietraject veel vertraging heeft opgelopen. Na de laatste overplaatsing moest hij weer opnieuw beginnen met begeleid verlof. Hij verwacht over een maand onbegeleid verlof te kunnen krijgen. Hij wil dan een behandeling van zijn obesitas ondergaan bij een kliniek in [plaats] . Vanwege de risico's van de obesitas voor zijn gezondheid moet hij zo spoedig mogelijk beginnen met die behandeling. De [kliniek] heeft hem echter nog altijd niet aangemeld voor de behandeling bij de obesitas kliniek. Mede gelet op de lange duur van de terbeschikkingstelling en de vertraging van het resocialisatietraject binnen het huidige verlofkader heeft de raadsman primair verzocht de verpleging van overheidswege voorwaardelijk te beëindigen, ook als dit betekent dat de zaak moet worden aangehouden om een maatregelrapport te laten opstellen. Subsidiair heeft de raadsman gepleit voor bevestiging van de verlengingsbeslissing van de rechtbank inclusief haar overweging dat voor de volgende verlengingszitting een maatregelrapport opgesteld dient te zijn, ongeacht de visie van de reclassering en de kliniek op de vraag of de verpleging van overheidswege voorwaardelijk kan worden beëindigd.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het valt te betreuren dat het verloftraject van de terbeschikkinggestelde is vertraagd. Dit traject dient voortvarend te worden voortgezet. De terbeschikkinggestelde moet leren omgaan met meer vrijheid en zelfstandigheid. De huisvesting en dagbesteding van de terbeschikkinggestelde moeten bijvoorbeeld ook nog worden geregeld voordat een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege aan de orde kan komen.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot afwijzing van het primaire verzoek van de raadsman en tot bevestiging van de verlengingsbeslissing van de rechtbank met uitzondering van haar overweging over het opstellen van een maatregelrapport voor de volgende verlengingszitting.

Het oordeel van het hof

Afwijzing verzoek

Het hof acht zich op basis van de voorhanden zijnde informatie voldoende voorgelicht om te kunnen oordelen op het door de terbeschikkinggestelde ingediende beroep. Het verzoek om de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege te laten onderzoeken wordt afgewezen, nu de noodzakelijkheid daarvan niet is gebleken. Het hof acht een voorwaardelijke beëindiging van de maatregel thans prematuur. De kliniek en de onafhankelijke deskundigen Gerrits en Geurkink hebben allen geadviseerd de terbeschikkingstelling te verlengen en de verpleging van overheidswege te continueren. Het hof ziet in de omstandigheid dat het resocialisatietraject van de terbeschikkinggestelde vertraging heeft opgelopen geen aanleiding om af te wijken van de adviezen. Gezien het belang van een gefaseerde uitbreiding van de vrijheden dient het ingezette verloftraject te worden voortgezet.

Bevestiging

De rechtbank heeft gelet op de tijd die verloren is gegaan met de overplaatsing naar de huidige kliniek en het opnieuw aanvragen van verlof - hetgeen niet is te wijten aan de terbeschikkinggestelde - aanleiding gezien te bepalen dat voor de volgende verlengingszitting een maatregelrapport opgesteld dient te zijn en daaraan toegevoegd dat dit dient te geschieden ongeacht de visie van de reclassering en de kliniek op de vraag of de verpleging van overheidswege voorwaardelijk kan worden beëindigd.

In de eerste plaats merkt het hof op dat de rechtbank niet de bevoegdheid heeft te bepalen dat voor een eventuele volgende verlenging van de terbeschikkingstelling een maatregelenrapport moet worden opgemaakt. Zij heeft op dat punt slechts de bevoegdheid van artikel 509t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering en kan voor het overige in haar (eind)beslissing in een overweging (maar niet in het dictum) tot uitdrukking brengen dat zij het gewenst acht dat de reclassering voor een eventuele volgende verlenging van de maatregel rapporteert omtrent de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege. Daarbij is de visie van de kliniek en de reclassering hoe dan ook relevant. Naar het oordeel van het hof is de vertraging in het verloftraject van de terbeschikkinggestelde - hoe betreurenswaardig deze ook is - op zichzelf geen argument om een maatregelrapport te laten opstellen. Het hof constateert dat de resocialisatie van de terbeschikkinggestelde zich niet in een zodanige fase bevindt dat reeds nu is te voorzien dat na afloop van de thans te bevelen verlenging een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege aan de orde kan zijn. Het hof ziet bij deze stand van zaken geen aanleiding om te overwegen dat het gewenst is dat de reclassering voor een eventuele volgende verlenging van de maatregel rapporteert omtrent de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank voor het overige op goede gronden heeft geoordeeld en op juiste wijze heeft beslist de terbeschikkingstelling te verlengen met een termijn van één jaar. Daarom zal de verlengingsbeslissing, waarvan beroep met overneming van die gronden, maar uitzondering van de overwegingen betreffende het opmaken van een maatregelenrapport, worden bevestigd.

Beslissing

Het hof:

Wijst af het verzoek tot voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Wijst af het verzoek tot het doen onderzoeken van de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege.

Bevestigt, met uitzondering van voormelde overweging betreffende het opmaken van een maatregelenrapport, de beslissing van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 16 september 2016 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Aldus gedaan door

mr. E.A.K.G. Ruys als voorzitter,

mr. P.R. Wery en mr. P. van Dijken als raadsheren,

en drs. I.M. van Woudenberg en dr. R.A. Graaff als raden,

in tegenwoordigheid van mr. R. Hermans als griffier,

en op 16 maart 2017 in het openbaar uitgesproken.

De raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.