Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3544

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2017
Datum publicatie
04-05-2017
Zaaknummer
200.175.245
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:377 BW. Ontpoldering Hedwigepolder door pachtbeëindiging. Vervolg van: ECLI:NL:GHARL:2016:10074.

Het hof oordeelt in dit (derde) tussenarrest dat dat de eigenaar van de Hedwigepolder in het licht van de aan te leggen toets voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de wil ernstig gemeend is, dat de verwezenlijking van de bestemming voldoende concreet en uitvoerbaar is en dat hij financieel in staat is om de bestemming te realiseren. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan totdat de Hoge Raad heeft beslist in de onteigeningszaak met betrekking tot de Hedwigepolder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.175.245

(zaaknummer rechtbank Zeeland-West-Brabant 3352053)

arrest van de pachtkamer van 25 april 2017

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,
verder te noemen: [appellant] ,
appellant, voor wat betreft geïntimeerden sub 1, 2, 4 tot en met 10, 13-15, 17, 19-20 en 24-25 in principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,
advocaat: mr. E.H.M. Harbers,

tegen

1 [geïntimeerde sub 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

2. [geïntimeerde sub 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

3. [geïntimeerde sub 3] ,

wonende te [woonplaats] ,

niet verschenen,

4. [geïntimeerde sub 4]

wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

5. [geïntimeerde sub 5] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

6. [geïntimeerde sub 6] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

7. [geïntimeerde sub 7] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

8. [geïntimeerde sub 8] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

9. [geïntimeerde sub 9] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

10. [geïntimeerde sub 10] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

11. [geïntimeerde sub 11] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: W.M. Bijloo,

12. [geïntimeerde sub 12] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: W.M. Bijloo,

13. [geïntimeerde sub 13] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

14. [geïntimeerde sub 14] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

15. [geïntimeerde sub 15] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

16. [geïntimeerden sub 16] ,

gewoond hebbende te [woonplaats] , [land] ,

niet verschenen,

17. [geïntimeerde sub 17] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

18. [geïntimeerde sub 18] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. W.M. Bijloo,

19. [geïntimeerde sub 19] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

20. [geïntimeerde sub 20] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

21. [geïntimeerde sub 21] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. P.H. Pijpelink,

22. [geïntimeerde sub 22] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. P.H. Pijpelink,

23. [geïntimeerden sub 23] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

niet verschenen na hervatting,

24. [geïntimeerde sub 24] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman,

25. [geïntimeerde sub 25] ,

wonende te [woonplaats] , [land] ,

advocaat: mr. B. Nijman.

geïntimeerden, voor wat betreft geïntimeerden sub 1, 2, 4 tot en met 10, 13-15, 17, 19-20 en 24-25 in het principaal hoger beroep, geïntimeerden sub 1, 2, 4 tot en met 10, 13-15, 17, 19-20 en 24-25 tevens als appellanten in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de pachters.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst voor het verloop van de procedure tot dan toe naar het arrest van 13 december 2016.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte van [appellant] , met producties;

- de antwoordakte van geïntimeerden in het principaal appel, appellanten in het incidenteel appel sub 1, 2, 4 tot en met 10, 13-15, 17, 19-20, 24-25;

- de antwoordakte van geïntimeerden sub 11, 12 en 18;

- de antwoordakte van geïntimeerden sub 21 en 22.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken wederom voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling van de grieven en de vordering

2.1

In voormeld arrest heeft het hof overwogen de vordering van [appellant] tot ontbinding van de pachtovereenkomsten voorwaardelijk toe te wijzen indien aan de vereisten voor ontbinding wordt voldaan. Die voorwaarde is dat de pachtovereenkomsten zullen worden ontbonden op het moment dat onherroepelijk vaststaat dat de onteigening geen doorgang vindt, doordat de Hoge Raad oordeelt dat de noodzaak tot onteigening ontbreekt omdat het werk waarvoor onteigend wordt door de eigenaar zelf zal worden gerealiseerd.

2.2

Ten aanzien van de vraag of aan de vereisten voor ontbinding is voldaan, heeft het hof overwogen dat het toetst of de wil ernstig gemeend is, dat de verwezenlijking van de bestemming voldoende concreet en uitvoerbaar is en dat de verpachter financieel in staat is om de bestemming te realiseren. Vervolgens heeft het hof geconcludeerd dat de wil op het realiseren van de niet-agrarische bestemming aanwezig en de verwezenlijking van de bestemming voldoende concreet en uitvoerbaar is.

2.3

Ten aanzien van de financiële haalbaarheid van het project heeft het hof overwogen dat, gelet op het eigen vermogen van de [appellant] bedrijvengroep en de cashflow daaruit - die de met het project gemoeide kosten ruimschoots overstijgen - voldoende aannemelijk is dat [appellant] de uitvoering van het project eventueel zou kunnen voorfinancieren. Overigens heeft [appellant] in dat kader aangevoerd dat hij de uitvoering liever aan derden overlaat.

2.4

Vervolgens heeft het hof de kwestie van het verhaal van de kosten op de Staat aan de orde gesteld. In dat verband heeft het hof samengevat wat [appellant] ter zitting heeft toegelicht: de Nederlandse staat heeft van het Vlaams gewest € 60 miljoen ter beschikking voor de verwerving, de realisatie en het beheer van de Hedwigepolder. De uitvoering van de ontpoldering zal evenwel door het Vlaams gewest, althans een orgaan van of gelieerd aan de Vlaamse overheid, plaatsvinden. Dit volgt uit het Verdrag tussen de Staat en het Vlaams gewest. Het Vlaamse orgaan zal de aanbesteding verzorgen en de concrete voorwaarden voor de uitvoering van een project nader bepalen, waarvoor het RIP de randvoorwaarden geeft. Het Vlaamse orgaan is daarbij gewoon publiek private samenwerkingsovereenkomsten (pps) aan te gaan en [appellant] heeft al vaker in dit soort samenwerkingen geparticipeerd. Dat zal hij ook deze keer doen. De ontpoldering van het Vlaamse deel van de Hedwigepolder en de Prosperpolder wordt al op deze wijze uitgevoerd. Het Vlaamse orgaan zal voor de uitvoering van de ontpoldering van het Nederlandse deel van de Hedwigepolder betaald worden door de Staat uit het budget van € 60 miljoen. Op deze wijze is [appellant] financieel in staat de bestemming te realiseren, aldus nog steeds [appellant] ter zitting van 16 november 2016.

2.5

Omdat de uitwerking van de financiële uitvoerbaarheid eerst ter zitting aan de orde is gekomen en de pachters een en ander bij gebrek aan wetenschap hebben betwist, heeft het hof partijen in de gelegenheid gesteld zich hierover nader bij akte uit te laten. Partijen hebben daaraan gevolg gegeven, waarbij geldt dat de geïntimeerden onder 21 en 22 zich hebben gerefereerd aan het oordeel van het hof.

2.6

In zijn akte heeft [appellant] (wederom) onderbouwd dat hij kan voorfinancieren. Het hof heeft daarover al een oordeel gegeven (rov. 4.20 in het tussenarrest van 13 december 2016 zodat het dat betoog, althans de daartegen gerichte verweren passeert. Het hof ziet geen aanleiding om van dat bindend eindoordeel terug te komen, ook al niet omdat aan de vereisten daarvoor niet wordt voldaan (Hoge Raad 25 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2800). Dat geldt ook voor de herhaling van verweren van pachters tegen de hiervoor vermelde bindende eindoordelen over de andere vereisten voor ontbinding.

2.7

Voorts stelt [appellant] dat de financiële haalbaarheid van het plan is gegeven met de mogelijkheid van [appellant] het plan voor te financieren. Het hof heeft in het tussenarrest reeds geoordeeld dat dat niet voldoende is en partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over – kort gezegd – de mogelijkheden voor verhaal van kosten bij de staat. Het hof acht de mogelijkheid van verhaal van de kosten noodzakelijk om de kunnen oordelen dat het plan financieel haalbaar is. Niet alleen heeft [appellant] in deze, maar zeker ook in de onteigeningsprocedure betoogd dat de Staat moet opdraaien voor de kosten van de ontpoldering, maar tevens valt niet in te zien dat [appellant] het project zal aanvangen zonder enig vooruitzicht op het verhaal van zijn kosten, bestaande uit waardevermindering van de grond en eventueel de kosten voor de realisatie. Zonder de mogelijkheid van verhaal is niet aannemelijk dat [appellant] de ontpoldering zal verwezenlijken.

2.8

[appellant] heeft nader toegelicht dat het Vlaams gewest op grond van het Scheldeverdrag verantwoordelijk is voor de realisatie van – ook het Nederlandse deel van – de Hedwigepolder. Dat hebben de pachters niet weersproken. Wel hebben geïntimeerden onder 11, 12 en 18 aangevoerd dat de Staat op grond van datzelfde verdrag verplicht is de Hedwigepolder te onteigenen. Nu de vordering slechts onder de voorwaarde zal worden toegewezen dat de eigendommen van [appellant] niet worden onteigend, is er geen aanleiding nader in te gaan op de (on)mogelijkheden van de Staat en het Vlaams Gewest om anders dan door onteigening de ontpoldering te verwezenlijken. Die kwestie hoort thuis in de onteigeningszaak. In het verlengde hiervan ligt de (on)mogelijkheid voor het Vlaams gewest in een pps de estuariene natuur te verwezenlijken, waarvoor hetzelfde geldt. Overigens hebben de pachters niet weersproken dat het Vlaams gewest de ontpoldering van de Belgische (delen van) de polders in pps verband realiseert.

2.9

Daarnaast heeft [appellant] onder verwijzing naar een brief van de staatssecretaris van het ministerie van Economische Zaken van 21 december 2012 (productie 13 bij akte van 10 januari 2017) onderbouwd dat de Staat een bedrag van € 60 miljoen beschikbaar heeft. Ook dit hebben de pachters niet weersproken. Tot slot heeft [appellant] een grove berekening gemaakt van de kosten die hij bij realisatie door zijn bedrijven zal moeten voorfinancieren (€ 30 miljoen), mede op basis van de Kosteneffectiviteitsanalyse (KEA, productie 7 bij akte van 10 januari 2017). Geïntimeerden onder 11, 12 en 18 hebben aangevoerd dat dat stuk niet door een onafhankelijk deskundige is opgesteld en gedateerd is. Het hof ziet zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in waarom de KEA niet als uitgangspunt kan worden gehanteerd, louter omdat deze is opgesteld in opdracht van de Vlaamse overheid. Hetzelfde geldt voor het feit dat de KEA dateert van 17 juni 2013. Niet aannemelijk en ook niet aangevoerd is dat door een eventueel toe te passen indexatie de begroting van [appellant] substantieel wijzigt.

2.10

Dezelfde geïntimeerden hebben aangevoerd dat [appellant] ten onrechte de in de KEA vermelde engineeringskosten laat wegvallen. Het gaat om een bedrag van 1,5 miljoen. [appellant] heeft evenwel aangevoerd dat die kosten slaan op kosten van de overheid voor nadere planuitwerking en regie waarbij hij heeft verwezen naar p. 20, paragraaf 3.3.2 van de Kosteneffectiviteitsanalyse. Die kosten blijven volgens [appellant] voor de overheid. Dat hebben geïntimeerden niet weersproken. Hoewel aannemelijk is dat ook [appellant] , althans zijn bedrijven, enige engineering zullen moeten bekostigen voor de eigen werkzaamheden, hebben de geïntimeerden onder 11, 12 en 18 niet een bedrag begroot, noch aangevoerd dat eigen engineeringkosten de begroting van [appellant] wezenlijk zullen wijzigen.

2.11

De kosten voor de ontpachting zijn begroot op € 6 miljoen, welk bedrag is gerelateerd aan de schadevergoeding die de Staat de pachters in het vooruitzicht heeft gesteld (vgl. rov. 4.7 tussenarrest 13 december 2016). Het hof oordeelt dat uitgangspunt redelijk. Dat prijzen van landbouwgrond zijn gestegen is in dat licht een onvoldoende betwisting van de haalbaarheid. Tot slot overweegt het hof, onder verwijzing naar rov. 4.16 van het tussenarrest van 13 december 2016, dat de medewerking van de derden met (eigendoms)belangen in de Hedwigepolder primair de verantwoordelijkheid is van de Staat. Daarin ligt ook een rechtsgrond voor een aanspraak van die derden jegens de Staat en, zo dat het geval mocht zijn, voor vergoeding van de schadeloosstelling die [appellant] eventueel aan hen zou dienen te voldoen.

2.12

Vervolgens heeft [appellant] de mogelijkheden van verhaal in kaart gebracht. Hij rekent een planschadevergoeding voor ten aanzien van de waardevermindering van de grond en opstallen en begroot deze voorlopig op bijna € 18 miljoen. Daarnaast wijst hij erop dat Vlaanderen, als de overheid die krachtens het Verdrag de overheid is die met de uitvoering is belast, de kosten van de pps moet dragen. Tot slot, indien voorgaande bronnen voor verhaal onvoldoende zouden zijn, stelt hij dat hij een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking heeft tegen Vlaanderen, Zeeland of de Staat.

2.13

Het hof acht aannemelijk dat de overname door [appellant] van de rechtsplicht van de Staat de Hedwigepolder te ontpolderen, althans de besparing van de kosten ervan voor de Staat/Vlaanderen/Zeeland, kan worden aangemerkt als een verrijking, en dat [appellant] door de (voor)financiering van de ontpoldering zal zijn verarmd. Causaal verband lijkt aanwezig. Namens geïntimeerden onder 11, 12 en 18 is evenwel aangevoerd dat er een rechtsgrond is in de afwijzing door [appellant] van een schadeloosstelling op basis van de Onteigeningswet en de zelfrealisatie, zodat de verrijking niet ongerechtvaardigd zal zijn. Het hof overweegt dat de afwijzing van de door de Staat gevorderde onteigening geen rechtvaardiging oplevert. Het beroep op zelfrealisatie van [appellant] in die procedure is slechts een verweer tegen de noodzaak van onteigening, maar vormt naar het zich laat aanzien jegens de Staat geen grond op basis waarvan verrijking van de Staat gerechtvaardigd is.

2.14

Een en ander brengt mee dat [appellant] in het licht van de aan te leggen toets voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de wil ernstig gemeend is, dat de verwezenlijking van de bestemming voldoende concreet en uitvoerbaar is en dat [appellant] financieel in staat is om de bestemming te realiseren.

2.15

De vordering tot ontbinding onder de hiervoor vermelde voorwaarde is toewijsbaar. In rov. 4.23 van het tussenarrest heeft het hof aangekondigd de vordering aldus toe te zullen wijzen. Indien de voorwaarde is vervuld, zal [appellant] de pachters schadeloos moeten stellen. Bij nader inzien acht het hof het echter niet opportuun om het debat over de schadeloosstelling en de vraag of [appellant] zekerheid dient te stellen op dit moment ten gronde te voeren. Het hof acht het geraden om die beoordeling aan te houden tot het moment dat de Hoge Raad heeft beslist in de onteigeningszaak.

Slotsom

2.16

Aan de voorwaarden voor ontbinding is voldaan. In afwachting van de (niet)vervulling van de voor toewijzing van de vordering bepaalde voorwaarde, houdt het hof iedere beslissing aan. De zaak zal naar de rol van 31 oktober 2017 worden verwezen. De meest gerede partij zal de zaak (eerder) op de rol kunnen brengen voor uitlating voortprocederen na de beslissing van de Hoge Raad in de onteigeningsprocedure.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verwijst de zaak naar de roldatum 31 oktober 2017 voor beraad partijen over voortprocederen na arrest van de Hoge Raad in de onteigeningszaak;

houdt verder iedere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.C.M. Willemse, J.H. Lieber en H.L. Wattel en de deskundige leden mr. ing. E. Oostra en ir. J.H. Jurrius en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 april 2017.