Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3542

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
25-04-2017
Datum publicatie
31-05-2017
Zaaknummer
200.170.022
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ruil ouderdomspensioen in partnerpensioen.

Pensioenfonds biedt deelnemer in het laatste jaar voor pensionering aan ouderdomspensioen uit te ruilen voor partnerpensioen. De door het Pensioenfonds in zijn brief van 17 februari 2011 vermelde termijn om voor eventuele uitruil te kiezen is geen fatale termijn, maar een termijn om eventuele uitruil administratief te kunnen verwerken. Geen sprake van tekortschieten in informatie-en zorgverplichting. Geen onrechtmatig handelen. Beroep op dwaling verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2017/108 met annotatie van L.H. Blom CPL
AR 2017/2791
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.170.022

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht 3063337)

arrest van 25 april 2017

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. J.E. Hoetink,

tegen:

de stichting

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. N.M. Don.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
4 februari 2015 dat de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht) heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep van 30 april 2015 en het herstelexploot van 6 mei 2015,

- de memorie van grieven, tevens wijziging van eis met producties,

- de memorie van antwoord,

- de op 9 juni 2016 gehouden pleidooien, waarbij mr. J.E. Hoetink en mr. N.M. Don pleitnotities hebben overgelegd. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van
24 mei 2015 door mr. Hoetink voornoemd namens [appellant] zijn ingebracht.

2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op het door [appellant] overgelegde procesdossier.

2.3

Vervolgens heeft [appellant] op 5 juli 2016, na verkregen toestemming van het hof, een akte genomen. Ook [geïntimeerde] heeft op 5 juli 2016 een akte genomen.

2.4

Vervolgens heeft [appellant] (aanvullend) de stukken aan het hof overgelegd en heeft het hof opnieuw arrest bepaald.

3
3. De vaststaande feiten

In hoger beroep staan de volgende feiten, als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, vast.

3.1

[appellant] is weduwe van de heer [A] , geboren op [geboortedatum] .

3.2

Vanaf [startdatum bij werkgever] heeft [A] bij [geïntimeerde] gewerkt en is hij doorlopend deelnemer geweest in [geïntimeerde] . [A] heeft de waarde van elders opgebouwd ouderdoms- en nabestaandenpensioen aan [geïntimeerde] overgedragen.

3.3

De pensioenovereenkomst van [A] voorzag niet in een aanspraak op partnerpensioen vanaf de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat.

3.4

In het toepasselijke [het pensioenreglement ] (hierna: het pensioenreglement) is onder andere het volgende vermeld:
ARTIKEL 1
DEFINTIES

(…)
Deelnemer
De werknemer die op grond van artikel 2 van [pensioenreglement 1] (geboren voor 1950) aan de Stichting deelneemt.
(…)
Standaard Nabestaandenpensioen
Een nabestaandenpensioen ter hoogte van 50% van de NP-grondslag
(…)
Stichting
De stichting “ [geïntimeerde] ”
(…)
Artikel 6
PENSIOENGERECHTIGDE LEEFTIJD/OUDERDOMSPENSIOEN/HOOG-LAAG-REGELING
(…)

5 De deelnemer heeft bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht op een ouderdomspensioen. Het ouderdomspensioen gaat in op de eerste dag van de maand waarin de pensioengerechtigde leeftijd wordt bereikt en wordt uitbetaald tot en met de maand van overlijden van de rechthebbende.

(…)
ARTIKEL 11

NABESTAANDENPENSIOEN OP RISICOBASIS VOOR DE PENSIOENGERECHTIGDE LEEFTIJD
1. De deelnemer heeft het recht bij de Stichting een nabestaandenpensioen te verzekeren, zulks onder de voorwaarden als neergelegd in [pensioenreglement 1] . De deelnemer heeft hierbij de keuze tussen een standaard nabestaandenpensioen en een gedeeltelijk nabestaandenpensioen.
2. Iedere deelnemer is automatisch voor het standaard nabestaanden-pensioen verzekerd voor de maand waarin de deelnemer in dienst is getreden en de maand daarop volgend. Tenzij de deelnemer voor het verstrijken van de in de vorige volzin bedoelde periode schriftelijk een andere beslissing als bedoeld in lid 1 kenbaar maakt aan de Stichting, wordt de deelnemer geacht gekozen te hebben voor verzekering van het standaard nabestaandenpensioen.
(…)
5. Als een deelnemer niet automatisch verzekerd is gaat de verzekering in onmiddellijk na datum ontvangst door de Stichting van de door de deelnemer schriftelijk kenbaar gemaakte keuze en eindigt op het eerste van de volgende tijdstippen
a bij aanvang van de maand waarin de deelnemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt tenzij lid 8 van dit artikel toepassing vindt, dan uiterlijk bij aanvang van de maand waarin de deelnemer de 65-jarige leeftijd bereikt;

(…)

ARTIKEL 12
NABESTAANDENPENSIOEN NA DE PENSIOENGERECHTIGDE LEEFTIJD
1. Op de pensioengerechtigde leeftijd, doch uiterlijk bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, heeft de (gewezen) deelnemer het recht om een gedeelte van zijn/haar (tot dat tijdstip op grond van artikel 6 opgebouwde aanspraak op) ouderdomspensioen om te zetten in een aanspraak op nabestaandenpensioen die voorziet in een uitkering aan de partner van de (gewezen) deelnemer bij overlijden na de pensioengerechtigde leeftijd van de (gewezen)

deelnemer. Voor de omzetting is de schriftelijke toestemming van de partner vereist. De aanspraak op het nabestaandenpensioen op jaarbasis bedraagt na omzetting niet meer dan 70% van de som van het laatstelijk tussen werkgever en de (gewezen) deelnemer overeengekomen vaste jaarsalaris (…)


4. Het nabestaandenpensioen als bedoeld in dit artikel gaat in op de eerste dag van de maand waarin de deelnemer overlijdt en wordt uitgekeerd tot en met de maand van overlijden van de rechthebbende.
(…)

3.5

In een brief van 17 februari 2011 van [geïntimeerde] aan [A] (productie 6 inleidende dagvaarding) is onder andere het volgende vermeld:
“U bereikt de pensioengerechtigde leeftijd. Dit betekent dat u vanaf [pensioendatum] pensioen ontvangt van [geïntimeerde] of uw pensioen zal dan wijzigen. De pensioenregeling biedt u de mogelijkheid om uw pensioenuitkering aan te passen aan uw persoonlijke omstandigheden en wensen. Op het moment dat voor u de uitkering ingaat, hebt u één of meerdere keuzemogelijkheden. Met deze brief wordt u geïnformeerd over de keuze(s) die u kunt maken.

Bijgevoegd ontvangt u een formulier, waarmee u het ouderdomspensioen kunt aanvragen.
(…)
Wat wordt er van u verwacht?
Het antwoordformulier dient volledig ingevuld en ondertekend retour te worden gezonden. Op dit formulier kunt u zowel uw keuze kenbaar maken als uw betalingsgegevens vermelden. Omdat de administratie nogal wat tijd vergt, verzoeken wij u vriendelijk om het antwoordformulier voor 17 maart 2011 aan ons toe te sturen. (…) Let op: het antwoordformulier bestaat uit 2 pagina’s.
Tot slot
De informatie in deze brief is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Wij zijn uitgegaan van de ons bekende gegevens en het pensioenreglement. Het pensioenreglement is uiteindelijk bepalend. [geïntimeerde] heeft het recht deze op gave te herzien als blijkt dat de aan [geïntimeerde] verstrekte gegevens onjuist warden of de gegevens onjuist verwerkt zijn. [geïntimeerde] informeert u over eventuele aanpassingen.
(…)”

[geïntimeerde] heeft in deze brief (vanaf bladzijde 3) een aantal gegevens en een toelichting opgenomen, waaronder:
Voor wie is dit bericht bestemd?
Voor u [A]
Voor uw partner [appellant]
(…)
Welk pensioen kunt u verwachten?

Opgebouwd ouderdomspensioen
Pensioendatum: [pensioendatum]
U ontvangt: Bedrag (bruto per jaar)
(…)
Opgebouwd ouderdomspensioen [pensioenreglement 2]
U ontvangt: Bedrag (bruto per jaar)
(…)
Uitkering bij uw overlijden

Uw partner ontvangt
heeft geen recht op een pensioenuitkering
(…)
Keuzemogelijkheden
De pensioenregeling biedt u de mogelijkheid om uw pensioenuitkering aan te passen aan uw persoonlijke omstandigheden en wensen. Op het moment dat voor u de uitkering ingaat hebt u één of meerdere keuzemogelijkheden, nl:
■ u kunt er voor kiezen om uw ouderdomspensioen te verlagen en het pensioen voor uw partner te verhogen tot 70% van het verlaagde ouderdomspensioen;

■ u kunt er voor kiezen om de hoogte van uw ouderdomspensioen te variëren, eerst een aantal jaren een hoger pensioen en later een lager pensioen;

■ u voldoet aan de voorwaarden om uw kapitaal uit [pensioenreglement 2] in twee stappen aan te wenden voor de aankoop van een pensioenuitkering.

Ouderdomspensioen uitruilen voor meer partnerpensioen
Het partnerpensioen in uw pensioenregeling was geregeld op basis van een verzekering. Bij beëindiging van uw deelname aan de pensioenregeling is deze verzekering vervallen. Dat betekent dat uw partner geen recht heeft op een partner pensioen als u komt te overlijden.

Om dit te voorkomen kunt u ervoor kiezen om een deel van uw opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen om te zetten in aanspraken op partnerpensioen. Standaard is daarbij een omzetting waarbij het partnerpensioen 70% gaat bedragen van het (nieuw te berekenen) ouderdomspensioen. Op bijgevoegd antwoordformulier kunt u uw keuze aangeven.
(…)
Toelichting
In deze toelichting worden rekenvoorbeelden gegeven. De in deze rekenvoorbeelden gebruikte uitruilbedragen en factoren zijn nog niet definitief vastgesteld en kunnen nog veranderen.
UW PENSIOEN VANAF 65 JAAR (MET INKOOP VAN NABESTAANDENPENSIOEN)

Levenslange pensioensituatie vanaf 65 jaar met inkoop nabestaandenpensioen (70%):
(…)

Levenslange pensioensituatie vanaf 65 jaar met inkoop nabestaandenpensioen (50%):
(…)

Levenslange pensioensituatie vanaf 65 jaar met inkoop nabestaandenpensioen (25%):
(…)”

3.6

Op het bij de brief van 17 februari 2011 gevoegde antwoordformulier zijn de volgende keuzes weergegeven:

“□ Standaard:

Het ouderdomspensioen wordt, in maandelijkse termijnen, levenslang uitgekeerd vanaf de 1ste van de maand waarin mijn pensioen in gaat. Bij overlijden wordt het eventuele partnerpensioen levenslang uitgekeerd aan de partner.

Mijn partnerpensioen wordt verhoogd tot 70% van het ouderdomspensioen

(...)
Mijn partnerpensioen wordt verhoogd tot 50% van het ouderdomspensioen

(...)
Mijn partnerpensioen wordt verhoogd tot 25% van het ouderdomspensioen

(...)
Mijn ouderdomspensioen wordt van mijn ….-ste jaar tot mijn ….-ste jaar verhoogd en vanaf mijn ….-ste jaar verlaagd in de verhouding …. %, …. %:

(...)
Met het kapitaal van mijn excedentregeling koop ik eerst een tijdelijke uitkering aan.

(…)”

[A] heeft de eerste keuzemogelijkheid (“Standaard”) aangekruist, waarna het formulier, waarop als datum 12 mei 2011 is vermeld, voorzien van de handtekeningen van [A] en [appellant] , op of omstreeks 12 mei 2011 aan [geïntimeerde] is teruggestuurd.

3.7

[A] en [appellant] zijn op [datum vertrek] voor een vakantie naar [buitenland] vertrokken.

3.8

[A] is op [pensioendatum] met pensioen gegaan. Bij brief van [pensioendatum] (bijlage C bij conclusie van antwoord) heeft [geïntimeerde] een definitieve opgave gedaan van het ouderdomspensioen. In deze brief is aangegeven dat de partner van [A] bij zijn overlijden geen recht heeft op een pensioenuitkering.

3.9

[A] is op [overlijdensdatum] tijdens de vakantie met [personen] overleden.

3.10

In een brief van 25 augustus 2011 van [appellant] aan [geïntimeerde] (productie 9 inleidende dagvaarding) schrijft [appellant] het volgende:
“Mijn man is op [overlijdensdatum] jongsleden plotseling overleden. Ruim een week nadat hij met pensioen is gegaan. (…) Los van het persoonlijke verdriet door het plotselinge verlies van mijn man, werd ik ook nog geconfronteerd met het feit dat voor mij geen nabestaandenpensioen aanwezig bleek te zijn. Uit een mededeling van [geïntimeerde] naar aanleiding van het overlijden bleek dat geen “uiruil” had plaatsgevonden en ik reglementair geen aanspraak zou hebben op een nabestaandenpensioen. (…)
Ik heb thuis diverse pensioenpapieren nagekeken en een kopie “antwoordformulier bij ingang van het ouderdomspensioen” opgevraagd. Er bleek inderdaad geen uitruil voor een nabestaandenpensioen te zijn ingevuld en ik heb daar zelf ook nog voor getekend. Deze keuze voor alleen een ouderdomspensioen is destijds door mijn man gemaakt. (…) Het wrange daarbij is echter dat kort voor het plotselinge overlijden van mijn man wij nog besproken hebben dat er wel een nabestaandenpensioen geregeld moest worden, omdat ik anders zwaar in de problemen zou komen. Wij waren het daarover eens, maar het verzoek om alsnog het ouderdomspensioen uit te ruilen in een nabestaandenpensioen heeft door het plotselinge overlijden helaas niet meer kunnen plaatsvinden.”

3.11

In een brief van 29 september 2011 van [appellant] aan [geïntimeerde] (productie 11 inleidende dagvaarding) heeft [appellant] bezwaar gemaakt tegen het besluit van het bestuur van [geïntimeerde] om aan haar geen nabestaandenpensioen toe te kennen. [appellant] schrijft onder andere het volgende:
“Ten eerste de verkeerde veronderstelling dat er drie maal bewust is gekozen om geen nabestaandenpensioen te verkrijgen uit [geïntimeerde] door middel van uitruil.

Deze keuze is slechts éénmaal gemaakt, namelijk op het antwoordformulier dat 12 mei 2011 is ondertekend en teruggestuurd.
De bevestigingsbrief welke vlak voor de ingang van het ouderdomspensioen is verstuurd is gedateerd op [pensioendatum] (= pensioendatum), wij (mijn man en ik) zijn echter op [datum vertrek] vertrokken voor een vakantie naar [buitenland] . De brief heb ik dus pas kunnen lezen bij terugkomst in Nederland op [datum terugkeer] . Dit was na het overlijden van mijn man.
Het derde keuze moment zou liggen op het moment dat mijn man aan mij aangaf dat hij een verkeerde keuze had gemaakt en wèl voor de uitruilmogelijkheid wilden kiezen. Hij heeft hiertoe niet onmiddellijk actie ondernomen. Daar wij op dat moment op vakantie in [buitenland] waren, heeft hij deze actie inderdaad uitgesteld zonder te weten tot welke dramatische gevolgen dit heeft geleid.

Daarnaast geeft de heer [naam] aan de volgende tegenstrijdigheid niet te kunnen verklaren:
In mijn brief d.d. 25 augustus heb ik geschreven dat ik mij niet had gerealiseerd wat de gevolgen zouden zijn van de keuze van geen uitruil op het ouderdomspensioen en dat ik pas na de dood van mijn man heb gerealiseerd dat ik helemaal niets zou krijgen, terwijl wij in [buitenland] dit onderwerp toch hadden besproken.
De verklaring hiervoor is de volgende:
Ik heb mij nooit bemoeid met onze financiën en heb altijd volledig vertrouwd op mijn man wat betreft financiële zaken. Zelfs toen hij aangaf de eerder gemaakte keuze te willen terugdraaien, het risico zou voor mij te groot zijn als hij zou overlijden, heb ik me niet gerealiseerd dat er helemaal niets voor mij zou zijn. Waarom mijn man eerder heeft gekozen om niet gebruik te maken van de uitruilmogelijkheid kan ik u niet zeggen. Ik kan het hem helaas ook niet meer vragen.
Het enige wat ik wel kan doen is de omstandigheden beschrijven waaronder deze keuze is gemaakt.
(…) dat wij op [datum] op stel en sprong naar [buitenland] zijn afgereisd (…)

Vlak voor ons vertrek hebben wij het antwoordformulier ondertekend – ik heb dit formulier ondertekend zonder deze te lezen.”

3.12

Partijen hebben na de hiervoor vermelde correspondentie nog veelvuldig met elkaar gecorrespondeerd omtrent de toekenning van een partnerpensioen aan [appellant] , waarbij [appellant] een beroep heeft gedaan op de hardheidsclausule in het pensioenreglement. [geïntimeerde] heeft dit beroep aanvankelijk afgewezen. Bij e-mail van 19 april 2012 (productie 14 inleidende dagvaarding) heeft [geïntimeerde] aangegeven dat het alsnog heeft besloten om met gebruikmaking van de hardheidsclausule aan [appellant] een partnerpensioen van 35% van het ouderdomspensioen toe te kennen.

3.13

[appellant] heeft [geïntimeerde] nadien gesommeerd om aan haar een partnerpensioen ter hoogte van 70% van het ouderdomspensioen te betalen.

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg - samengevat weergegeven - gevorderd dat de kantonrechter voor recht zal verklaren dat [geïntimeerde] jegens haar gehouden is tot betaling van het partnerpensioen van 70% van het omgezette ouderdomspensioen van [A] met ingang van [pensioendatum] , vermeerderd met toeslagen en rente en verminderd met de pensioenuitkeringen die [geïntimeerde] tot dan voldeed. [appellant] heeft voorts gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van het hiervoor bedoelde partnerpensioen vanaf [pensioendatum] , zulks onder verstrekking van een deugdelijke berekening en specificatie op straffe van de verbeurte van een dwangsom, alsmede tot betaling van € 1.966,79 ter zake van buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

4.2

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen van [appellant] .

4.3

De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [geïntimeerde] , tot aan deze uitspraak begroot op nihil.

5 De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

[appellant] heeft in hoger beroep nagenoeg dezelfde vorderingen als in eerste aanleg ingesteld, zoals hiervoor in rechtsoverweging 4.1 samengevat weergegeven. Zij heeft in hoger beroep tevens de grondslag van haar vorderingen gewijzigd en deze ook gebaseerd op door haar gesteld onrechtmatig handelen van [geïntimeerde] . Het hof zal van de gewijzigde eis van [appellant] uitgaan.

5.2

Aangezien het hof in de rechtsoverwegingen 3.1 tot en met 3.13 zelf de (relevante) feiten heeft vastgesteld, behoeft grief I niet meer te worden besproken. De grieven II tot en met VII lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

5.3

Op grond van artikel 61 lid 1 aanhef en onder b van de Pensioenwet (hierna: Pw) heeft - voor zover hier van belang - de deelnemer, indien een pensioenovereenkomst voorziet in een ouderdomspensioen, het recht, in plaats van ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen te kiezen voor partnerpensioen in elk geval met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan ingaan, waarbij de hoogte van het partnerpensioen maximaal 70 procent bedraagt van het ouderdomspensioen dat na de uitruil resteert. Op grond van artikel 61 lid 2 Pw biedt de pensioenuitvoerder - voor zover hier van belang -, indien een pensioenovereenkomst voorziet in een ouderdomspensioen, de deelnemer in het laatste jaar voor ingang van het ouderdomspensioen standaard de mogelijkheid, genoemd in het eerste lid, aan. In artikel 61 lid 7 Pw is - voor zover hier van belang - bepaald dat indien de deelnemer niet binnen de door de pensioenuitvoerder gestelde termijn reageert op de keuzemogelijkheid die hem ingevolge het tweede lid in het laatste jaar voor de ingang van het ouderdomspensioen is aangeboden, de pensioenuitvoerder overgaat tot het uitruilen van het ouderdomspensioen in partnerpensioen indien de pensioenovereenkomst niet voorziet in een aanspraak op partnerpensioen vanaf de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat en de deelnemer gehuwd is of een geregistreerde partnerrelatie heeft.

5.4

Bij de beoordeling van het geschil neemt het hof de volgende uitgangspunten in aanmerking:
- [A] was vanaf [startdatum bij werkgever] tot aan de datum van zijn pensionering ( [pensioendatum] ) doorlopend deelnemer in [geïntimeerde] ;
- in artikel 6 van het pensioenreglement van [geïntimeerde] is bepaald dat een deelnemer bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd recht heeft op een ouderdomspensioen;

[A] had als deelnemer met ingang van [pensioendatum] recht op een ouderdomspensioen;

- de pensioenovereenkomst van [A] voorzag niet in een aanspraak op partnerpensioen vanaf de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat;
- in artikel 11 van het pensioenreglement is een regeling vastgelegd met betrekking tot nabestaandenpensioen op risicobasis voor de pensioengerechtigde leeftijd.

5.5

Met betrekking tot de in artikel 11 van het pensioenreglement vermelde regeling
(“nabestaandenpensioen op risicobasis voor de pensioengerechtigde leeftijd”) is van belang dat het niet gaat om de opbouw van een nabestaanden/partnerpensioen vanaf de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat - daarin voorziet het pensioenreglement niet - maar om het recht van de deelnemer om een nabestaanden/partnerpensioen te verzekeren (cursivering door het hof). Op grond van artikel 11 lid 5 van de pensioenregeling eindigt deze verzekering uiterlijk bij aanvang van de maand waarin de deelnemer de 65-jarige leeftijd bereikt. Tussen partijen is niet in geschil dat [A] voornoemde verzekering had gesloten. Deze was dus geëindigd met ingang van [pensioendatum] .

5.6

De regeling van artikel 61 Pw zoals hiervoor in rechtsoverweging 5.3 weergegeven, waar het geschil in deze procedure om gaat, heeft betrekking op de uitruil van ouderdomspensioen voor partnerpensioen en komt neer op het volgende. Voorwaarde voor de toepassing van artikel 61 Pw is allereerst dat een pensioenovereenkomst voorziet in een ouderdomspensioen. Aan die voorwaarde is voldaan, aangezien artikel 6 van de pensioenregeling voorzag in een ouderdomspensioen voor [A] bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. In dat geval heeft de deelnemer het recht (cursivering door het hof) ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen uit te ruilen voor partnerpensioen zodat een aanspraak op partnerpensioen behouden kan blijven. Het recht om uit te ruilen is een keuze van de deelnemer (in dit geval [A] ), hij is hiertoe niet verplicht. De partner (in dit geval [appellant] ) heeft geen recht op deze uitruil. Het recht om de uitruil van ouderdomspensioen voor partnerpensioen te doen heeft de deelnemer in elk geval met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat. De pensioenuitvoerder moet de deelnemer in het laatste jaar voor ingang van het ouderdomspensioen deze uitruilmogelijkheid standaard aanbieden. Indien de deelnemer niet binnen de door de pensioenuitvoerder gestelde termijn reageert op de keuzemogelijkheid die hem in het laatste jaar voor de ingangsdatum van het ouderdomspensioen is geboden, is de pensioenuitvoerder verplicht zelf over te gaan tot het uitruilen van ouderdomspensioen in partnerpensioen indien de pensioenovereenkomst niet voorziet in een partnerpensioen vanaf de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat.

5.7

[geïntimeerde] heeft [A] in zijn brief van 17 februari 2011 bericht dat [A] de pensioengerechtigde leeftijd zou bereiken en dat hij vanaf [pensioendatum] pensioen zou gaan ontvangen van [geïntimeerde] . [geïntimeerde] heeft op twee plaatsen in deze brief uitdrukkelijk meegedeeld dat [appellant] , ingeval van overlijden van [A] , geen recht had op een (partner)pensioenuitkering, omdat het partnerpensioen in de pensioenregeling was geregeld op basis van een verzekering, die kwam te vervallen bij beëindiging van de deelname van [A] aan de pensioenregeling. Om de voorkomen dat [appellant] geen recht zou hebben op partnerpensioen ingeval van overlijden van [A] heeft [geïntimeerde] [A] de mogelijkheid geboden om (een deel van de) opgebouwde aanspraken op ouderdomspensioen om te zetten in aanspraken op partnerpensioen. [geïntimeerde] heeft [A] “vriendelijk” verzocht het antwoordformulier volledig ingevuld en ondertekend vóór 17 maart 2011 terug te sturen “omdat de administratie nogal wat tijd vergt”. [A] heeft het door hem ingevulde en door hem en [appellant] ondertekende antwoordformulier op of omstreeks 12 mei 2011 aan [geïntimeerde] teruggestuurd.

5.8

Vast staat dat [A] het ingevulde en getekende antwoordformulier na
17 maart 2011 aan [geïntimeerde] heeft teruggestuurd. Anders dan [appellant] heeft aangevoerd, betekent dit niet dat [geïntimeerde] (direct) had moeten overgaan tot uitruil van ouderdomspensioen voor partnerpensioen. In artikel 61 lid 1 aanhef en sub b Pw is bepaald dat de deelnemer het recht heeft in plaats van ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen te kiezen voor partnerpensioen in elk geval met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat (in dit geval [pensioendatum] ). Bij deze bepaling sluit artikel 12 van het toepasselijke pensioenreglement, waarin is vastgelegd dat [A] het recht had om een gedeelte van zijn ouderdomspensioen om te zetten in een aanspraak op nabestaanden/partnerpensioen op de pensioengerechtigde leeftijd, doch uiterlijk bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd, aan. De in de brief van 17 februari 2011 vermelde termijn van 17 maart 2011 is niet meer dan een termijn om de rechten van de deelnemer bij zijn pensionering, waaronder een eventuele uitruil van ouderdomspensioen voor partnerpensioen, administratief te kunnen verwerken. [geïntimeerde] heeft dit ook op deze wijze in zijn brief verwoord. De in de brief van 17 februari 2011 vermelde termijn kan dan ook niet als een fatale termijn worden beschouwd in die zin dat bij gebreke van een reactie door [A] binnen deze termijn, [geïntimeerde] (direct) verplicht was tot uitruil van het ouderdomspensioen voor partnerpensioen over te gaan. Van schending van artikel 61 lid 7 Pw door [geïntimeerde] is dan ook geen sprake.

5.9

Het hof heeft in rechtsoverweging 5.7 - deels - weergegeven op welke wijze [geïntimeerde] inhoud heeft gegeven aan de op hem op grond van artikel 61 Pw rustende verplichting om [A] aan te bieden gebruik te maken van zijn recht om in plaats van het ouderdomspensioen of een deel van het ouderdomspensioen voor partnerpensioen te kiezen. Het hof voegt hier aan toe dat [geïntimeerde] onder het kopje “Keuzemogelijkheden” een aantal varianten heeft beschreven die [A] de mogelijkheid boden om zijn pensioenuitkering aan te passen aan zijn persoonlijke omstandigheden en wensen, waaronder de mogelijkheid van uitruil van ouderdomspensioen voor partnerpensioen. Op het bij deze brief gevoegde antwoordformulier zijn zes keuzemogelijkheden vermeld. De eerst vermelde keuze is de “Standaard” keuze. In deze variant wordt het ouderdomspensioen in maandelijkse termijnen levenslang uitgekeerd aan de deelnemer en wordt bij overlijden het “eventuele” partnerpensioen levenslang uitgekeerd aan de partner. In deze variant is geen sprake van uitruil van ouderdomspensioen voor partnerpensioen. De daarna beschreven drie varianten gaan uit van uitruil van ouderdomspensioen voor partnerpensioen waarbij kan worden gekozen voor een verhoging van het partnerpensioen tot respectievelijk 70%, 50% en 25% van het ouderdomspensioen. De daarna volgende keuzes spelen bij de beoordeling van het geschil geen rol. Het hof is van oordeel dat het antwoordformulier geheel aansluit bij de brief van [geïntimeerde] van
17 februari 2011 aan [A] met de daarin opgenomen gegevens (ook met betrekking tot [appellant] ) en de uitvoerige en volledige toelichting. Ook het antwoordformulier zelf geeft voldoende duidelijk aan op welke wijze [A] zijn pensioenaanspraken kon aanpassen aan zijn persoonlijke omstandigheden en wensen. De op het antwoordformulier vermelde “Standaard” keuze en de daarbij vermelde omschrijving van deze variant, betreft - naar het oordeel van het hof duidelijk - de mogelijkheid om niet uit te ruilen. Dit past bij de hiervoor omschreven keuze van de deelnemer, die geen verplichting inhoudt, om tot uitruil over te gaan en het ontbreken van een recht van de partner op uitruil. Ook bij de keuze om uit te ruilen bestaat de mogelijkheid te variëren. De vermelding onder het kopje “Keuzemogelijkheden” en het subkopje “Ouderdomspensioen uitruilen voor meer partnerpensioen” in de brief van 17 februari 2011 dat “standaard” een omzetting is waarbij het partnerpensioen 70% gaat bedragen van het (nieuw) te berekenen ouderdomspensioen geeft slechts aan dat het bij uitruil kennelijk gebruikelijk was tot 70% uit te ruilen. Dit staat naar het oordeel van het hof geheel los van de mogelijkheid om niet uit te ruilen (de “Standaard” keuze). Het hof acht hierbij van belang dat [appellant] in haar brief van
25 augustus 2011 aan [geïntimeerde] heeft erkend dat [A] destijds een keuze heeft gemaakt om geen ouderdomspensioen voor nabestaanden/partnerpensioen uit te ruilen en dat zij daar zelf voor heeft getekend. Dat [A] dan ook op 12 mei 2011 het vakje “Standaard” heeft aangekruist - dit vakje houdt de keuze om niet uit te ruilen in - sluit aan bij de hiervoor vermelde stellingen van [appellant] .

5.10

Het hof is voorts van oordeel dat [geïntimeerde] niet tekort is geschoten in haar informatie- en zorgverplichting bij de uitvoering van de pensioenovereenkomst. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.7 en 5.9 is overwogen. Op deze zelfde gronden faalt ook het beroep van [appellant] op het door haar gestelde - en door [geïntimeerde] gemotiveerd betwiste - onrechtmatig handelen door [geïntimeerde] . Het hof overweegt dat [geïntimeerde] met gebruikmaking van de hardheidsclausule in het pensioenreglement aan [appellant] een partnerpensioen van 35% van het ouderdomspensioen heeft toegekend. Dat het door [A] opgebouwde pensioenkapitaal, zoals [appellant] onder randnummer 103 van haar memorie van grieven heeft aangevoerd, slechts korte tijd is aangewend om aan [A] een ouderdomspensioen uit te keren en dat zij deze toekenning als een onvoldoende vergoeding voor de schade die zij stelt te hebben geleden, aanmerkt, is onvoldoende om te oordelen dat [geïntimeerde] bij de toepassing van de hardheidsclausule misbruik van haar bevoegdheid heeft gemaakt of anderszins onrechtmatig heeft gehandeld. [appellant] heeft geen (andere) feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

5.11

Het beroep van [appellant] op dwaling dient te worden verworpen. Zoals hiervoor is overwogen staat vast dat [A] bij de invulling en ondertekening van het antwoordformulier niet de keuze heeft gemaakt om ouderdomspensioen of een gedeelte daarvan uit te ruilen voor nabestaanden/partnerpensioen en dat [appellant] het antwoordformulier waarin deze keuze is vastgelegd, mede heeft ondertekend. Voor zover al sprake zou zijn van dwaling aan de zijde van [appellant] , is het hof, evenals de kantonrechter, van oordeel dat deze dwaling voor haar rekening dient te komen aangezien vaststaat dat [appellant] het antwoordformulier heeft ondertekend zonder dit te lezen (zie de in rechtsoverweging 3.11 vermelde brief van 29 september 2011 van [appellant] aan [geïntimeerde] ).

5.12

[appellant] heeft onder randnummer 110 van haar memorie van grieven geen feiten of omstandigheden te bewijzen aangeboden, die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden, zodat het hof haar bewijsaanbod passeert.

5.13

De grieven II tot en met VII falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

5.14

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [appellant] in de kosten van het hoger beroep veroordelen. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] zullen worden vastgesteld € 711,- voor verschotten (griffierecht) en op
€ 2.682,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (drie punten, tarief II in hoger beroep).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van 4 februari 2015 van de kantonrechter (rechtbank Midden-Nederland, locatie [woonplaats] );

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 711,- voor verschotten en op € 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.B. Knottnerus, H. van Loo en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 25 april 2017.