Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:352

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-01-2017
Datum publicatie
07-03-2017
Zaaknummer
WAHV 200.164.586
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet (volledig) werkende dimlichten bij dag. Tunnel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2018/85
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.164.586

19 januari 2017

CJIB 169164553

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag

van 14 januari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] .

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie genomen beslissing ongegrond verklaard.

Het procesverloop

De betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een verweerschrift in te dienen. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1. Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 85,- opgelegd ter zake van “als bestuurder van een voertuig rijden, terwijl de dimlichten niet aan de eisen voldoen”, welke gedraging zou zijn verricht op 20 december 2012 om 14.15 uur op de Rijksweg N44 Landscheidingsweg te 's-Gravenhage.

2. De betrokkene is het niet eens met deze sanctie. Er was wellicht sprake van een storing in zijn verlichting, maar daarmee staat nog niet vast dat hij deze gedraging heeft verricht. Hij wijst erop dat het in Nederland niet verplicht is om overdag dimlichten te voeren. Op het betreffende moment was er ook geen sprake van slechte weersomstandigheden die het voeren van dimlichten toch noodzakelijk maakten. De dimlichten van het voertuig van de betrokkene deden het ook gewoon toen hij vertrok. Echter, vlak voordat hij staande werd gehouden zag de betrokkene een lampje op zijn dashboard branden, dat er een storing bij de verlichting was opgetreden. De betrokkene is gestopt en heeft geconstateerd dat zijn linker koplamp minder fel brandde dan de andere koplamp. De betrokkene heeft toen besloten om naar zijn garage te rijden, maar werd toen staande gehouden. Hij heeft zijn verhaal gedaan tegen de verbalisant, maar werd niet geloofd. De betrokkene meent dat er onvoldoende bewijs is geleverd dat hij deze gedraging heeft verricht, en klaagt erover dat hij nu klaarblijkelijk zijn onschuld moet bewijzen. Daarnaast klaagt hij erover dat de verbalisant in zijn aanvullend proces-verbaal afwijkend verklaart ten opzichte van zijn eerdere verklaring. De betrokkene stelt dat er sprake is van valsheid in geschrifte en dat hij reeds daarom vrijgesproken moet worden. Verder bevat het dossier klaarblijkelijk andere stukken, die de betrokkene nooit heeft gezien. Hij meent dat hij daardoor in zijn rechten is geschaad.

De kantonrechter heeft het in zijn beslissing over 'afstellen' van het dimlicht alsmede over 'goed functioneren'. Dat zijn verschillende begrippen, zodat de betrokkene het oordeel van de kantonrechter niet kan volgen. Bovendien heeft de kantonrechter geen acht geslagen op de omstandigheid dat bij een Volvo V70 als de onderhavige een 'kapot' dimlicht nog wel brandt. Dat een zodanig dimlicht niet 'goed functioneert' kan dus niet zomaar worden aangenomen.

3. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

4. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“Linker dimlicht was defect. (…)

Verklaring betrokkene: hij gaat net stuk.”

5. De officier van justitie heeft, naar aanleiding van het beroepschrift van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie, de verbalisant om aanvullende informatie verzocht. De verbalisant heeft in het proces-verbaal d.d. 12 april 2014 verklaard dat hij zich de situatie niet meer precies voor de geest kan halen. De verbalisant verklaart verder nog dat hij de betrokkene staande heeft gehouden op de N440 te Den Haag, na het verlaten van de Hubertustunnel, en dat in de Hubertustunnel een verplichting geldt om met dimverlichting te rijden.

6. Het bepaalde in artikel 5.2.51, eerste lid, aanhef en onder b., van de Regeling voertuigen (RV), in samenhang met het bepaalde in artikel 5.2.55, eerste lid, en 5.2.56, eerste lid, RV houdt in - voor zover van belang - dat personenauto's moeten zijn voorzien van 2 goed werkende en goed afgestelde dimlichten. Ingeval een licht wordt gevormd door meerdere lichtbronnen mag door de defecte lichtbronnen het oorspronkelijk lichtoppervlak met niet meer dan 25% afnemen.

7. Het hof stelt vast dat het voertuig met voormeld kenteken - blijkens het openbare, via internet te raadplegen kentekenregister van de Rijksdienst voor het wegverkeer - een personenauto betreft, die derhalve van 2 goed werkende en goed afgestelde dimlichten moet zijn voorzien.

8. Voor de beantwoording van de vraag of de gedraging is verricht, is slechts van belang of de personenauto die de betrokkene bestuurde op het pleegtijdstip was voorzien van 2 goed werkende en goed afgestelde dimlichten. Of er ten tijde van de constatering van de verbalisant al dan niet een verplichting gold de dimverlichting daadwerkelijk te voeren,

is in zoverre niet relevant. Het hof zal aan die kwestie voorbijgaan.

9. De betrokkene heeft niet betwist dat er ten tijde van de staandehouding sprake was van een storing in de verlichting, maar heeft daarbij van meet af aan gesteld dat, ondanks die storing, zijn linker dimlicht nog wel werkte, zij het minder dan het rechter dimlicht. De verklaring van de verbalisant biedt bij die stand van zaken naar het oordeel van het hof onvoldoende houvast voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. De verbalisant heeft niet verklaard waaruit dat defect bestond, of het dimlicht nog enigszins functioneerde of helemaal niet, of er sprake was van meerdere lichtbronnen en - zo ja - in hoeverre het oorspronkelijke lichtoppervlak was afgenomen. Op verzoek van de officier van justitie heeft de verbalisant geen relevante, nadere gegevens kunnen verstrekken. Dit brengt het hof tot het oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de gedraging is verricht.

10. Het hof zal daarom de beslissing van de kantonrechter vernietigen, het beroep gegrond verklaren en de beslissing van de officier van justitie alsmede de inleidende beschikking vernietigen.

11. De overige klachten van de betrokkene, met betrekking tot de wijze waarop zijn beroep is behandeld en beoordeeld door de kantonrechter en de officier van justitie, behoeven daarmee geen bespreking meer.

12. Gesteld noch gebleken is dat de betrokkene proceskosten heeft gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep gegrond;

vernietigt de beslissing van de officier van justitie d.d. 26 april 2013, alsmede de beschikking waarbij onder CJIB-nummer 169164553 de administratieve sanctie is opgelegd;

bepaalt dat hetgeen door de betrokkene op de voet van artikel 11 van de WAHV tot zekerheid is gesteld door de advocaat-generaal aan hem wordt gerestitueerd;

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Verdoorn als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.