Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3504

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
18-04-2017
Datum publicatie
03-05-2017
Zaaknummer
200.201.409/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewindvoering. Aansprakelijkheid van de bewindvoerder voor geleden schade.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.201.409/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 4569819 MT VERZ 15-9033)

beschikking van de familiekamer van 18 april 2017

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [A] ,

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: [verzoekster] ,

advocaat: mr. M.E. Goudriaan, kantoorhoudend te Almere,

en

[verweerster] , handelend onder de naam [B] Administratie,

kantoorhoudend te [A] ,

verweerster in hoger beroep,

verder te noemen: [verweerster] .

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [bewindvoerder1] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: bewindvoerder [bewindvoerder1] ,

2 [bewindvoerder2] ,

wonende te [A] ,

verder te noemen: bewindvoerder [bewindvoerder2] .

1 Het geding in eerste aanleg

1.1

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, bewindsbureau - locatie Almere, (hierna: de kantonrechter) van 14 juli 2016, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift met productie(s), ingekomen op 13 oktober 2016;

- een journaalbericht van mr. Goudriaan van 24 oktober 2016 met productie(s);

- een journaalbericht van mr. Goudriaan van 6 maart 2017 met productie(s).

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 23 maart 2017 plaatsgevonden. [verzoekster] heeft het hof bericht niet ter zitting aanwezig te zullen zijn, zij werd vertegenwoordigd door

mr. Goudriaan.

3 De vaststaande feiten

3.1

Bij beschikking van 14 april 2015 heeft de kantonrechter alle goederen die toebehoren of zullen toebehoren aan [verzoekster] onder bewind gesteld en [verweerster] tot bewindvoerder benoemd.

3.2

Bij beschikking van 22 oktober 2015 heeft de kantonrechter [verweerster] ontslagen als bewindvoerder en bewindvoerder [bewindvoerder1] , als ook bewindvoerder [bewindvoerder2] benoemd tot opvolgend bewindvoerders.

3.3

Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 19 mei 2016, heeft [verzoekster] de kantonrechter verzocht te bepalen dat [verweerster] een bedrag ad € 1.332,72 aan [verzoekster] dient te vergoeden uit hoofde van schade door haar geleden als gevolg van het handelen/nalaten van [verweerster] ten tijde van haar bewind over [verzoekster] en daarna.

3.4

[verweerster] heeft verweer gevoerd.

3.5

Bij de bestreden beschikking van 14 juli 2016 heeft de kantonrechter het verzoek van [verzoekster] afgewezen.

4 De omvang van het geschil

4.1

[verzoekster] is met vijf grieven in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter van 14 juli 2016. Deze grieven beogen het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen. [verzoekster] verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat [verweerster] ex artikel 1:444 van het Burgerlijk Wetboek (verder te noemen: BW) aansprakelijk is voor de schade van [verzoekster] ten aanzien van:

- gemeentelijke belastingen 2015 € 311,55

- bewindvoeringskosten € 755,04

- incassokosten [C] € 123,13

- kosten rechtsbijstand € 143,-

totaal € 1.332,72, alsmede te bepalen dat [verweerster] deze schade ad totaal € 1.332,72 tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan [verzoekster] dient te vergoeden binnen veertien dagen na de in deze procedure te wijzen beschikking, met veroordeling van [verweerster] in de kosten van de procedure.

4.2

[verweerster] heeft in hoger beroep geen verweer gevoerd.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Ingevolge artikel 1:444 BW is een bewindvoerder jegens de rechthebbende aansprakelijk, indien hij in de zorg van een goed bewindvoerder tekort schiet, tenzij de tekortkoming hem niet kan worden toegerekend.
Op grond van artikel 1:362 BW (dat ingevolge artikel 1:445 lid 5 BW van overeenkomstige toepassing is verklaard) kan de kantonrechter de schade vaststellen, die de rechthebbende heeft geleden en de (voormalige) bewindvoerder tot vergoeding daarvan veroordelen. Het hof zal de door [verzoekster] gestelde schade per post bespreken.

De gemeentelijke belastingen 2015

5.2

[verzoekster] stelt dat [verweerster] geen kwijtschelding voor haar heeft aangevraagd voor de gemeentelijke belastingen 2015 terwijl zij hiervoor op grond van haar inkomen wel in aanmerking kwam. [verweerster] heeft het verschuldigde bedrag in een keer betaald en volgens [verzoekster] aangegeven dat er voldoende saldo was om de aanslag van de gemeente te voldoen. [verweerster] heeft ter zitting in eerste aanleg aangegeven dat de kwijtschelding niet is aangevraagd omdat ze de hiervoor benodigde stukken niet van [verzoekster] zou hebben ontvangen. [verzoekster] betwist dat [verweerster] haar eenmaal, dan wel meermalen, heeft verzocht om informatie aan te leveren.

5.3

De hoofdtaak van een bewindvoerder is het beheren van alles wat onder bewind is gesteld. Tot de gewone werkzaamheden tijdens het bewind behoort ook het regelen en ordenen van de financiële huishouding van de rechthebbende. Hieronder valt bijvoorbeeld belastingaangifte doen, maar ook het aanvragen van (bijzondere) bijstand, toeslagen of kwijtscheldingen. Van de bewindvoerder wordt daarin een actieve houding verwacht. Vast staat dat [verweerster] , de voormalige bewindvoerder, geen kwijtschelding voor de gemeentelijke belastingen 2015 voor [verzoekster] heeft aangevraagd terwijl zij daar wel voor in aanmerking kwam. Uit de stukken die zich in het dossier bevinden, kan het hof niet afleiden dat [verweerster] er bij [verzoekster] op heeft aangedrongen om bepaalde bescheiden te verstrekken zodat de kwijtschelding gemeentelijke belasting kon worden aangevraagd. Nu het op de weg van een bewindvoerder ligt om kwijtschelding aan te vragen indien dit mogelijk is en uit het dossier niet blijkt dat [verweerster] stappen heeft ondernomen om de kwijtschelding aan te (kunnen) vragen, concludeert het hof dat [verweerster] met betrekking tot de gemeentelijke belastingen 2015 toerekenbaar is tekortgeschoten in de (financiële) zorg die in dit geval van haar als goed bewindvoerder mocht worden verwacht. Het hof zal het verzoek van [verzoekster] toewijzen voor zover dit ziet op de gemeentelijke belastingen 2015.

De bewindvoeringskosten

5.4

[verzoekster] stelt dat [verweerster] ten onrechte heeft nagelaten om een aanvraag bijzondere bijstand voor bewindvoeringskosten in te dienen terwijl namens [verweerster] , desgevraagd, diverse malen is aangegeven dat de aanvraag was ingediend. [verzoekster] heeft haar stelling onderbouwd door onder meer een email van haar contactpersoon bij het Leger des Heils, mevrouw [D] , in het geding te brengen waarin mevrouw [D] aangeeft dat de vaste contactpersoon " [E] " namens [verweerster] haar meerdere keren heeft aangegeven dat ze bezig waren met de aanvraag bij de gemeente maar dat ze nog geen reactie hadden ontvangen van de gemeente.

Toen uiteindelijk, omdat [verzoekster] zelf daarover contact met de gemeente opnam, bleek dat de aanvraag niet was ingediend, werd volgens mevrouw [D] door [E] aangegeven dat de aanvraag niet was gedaan omdat [verzoekster] altijd voldoende geld op haar rekening had staan.

[verweerster] heeft ter zitting in eerste aanleg gesteld dat zij voor het indienen van de aanvraag bijzondere bijstand onder andere een specificatie van DUO nodig had en dat zij deze niet kreeg van [verzoekster] . [verzoekster] heeft uitdrukkelijk betwist dat haar is verzocht om nadere gegevens in verband met deze aanvraag. Immers, namens [verweerster] werd juist ook de indruk gewekt dat de aanvraag al was ingediend.

5.5

Ook ten aanzien van de bewindvoeringskosten kan het hof niet uit de stukken afleiden dat [verweerster] [verzoekster] heeft verzocht om bepaalde stukken te verstrekken zodat de bijzondere bijstand kon worden aangevraagd. Het hof acht bovendien voldoende aangetoond dat zowel naar [verzoekster] als naar haar contactpersoon van het Leger des Heils klaarblijkelijk is gecommuniceerd dat de aanvraag was ingediend terwijl dat naar nu blijkt feitelijk niet het geval was. Nadat [verweerster] is ontslagen als bewindvoerder van [verzoekster] is er op 12 november 2015 alsnog een verzoek bijzondere bijstand voor bewindvoerings-kosten bij de gemeente [A] ingediend en binnen een week toegewezen, echter, conform gemeentelijk beleid, slechts vanaf twee maanden voorafgaand aan de aanvraag. De aanvraag voor de periode daaraan voorafgaand, is afgewezen. Naar het oordeel van het hof is [verweerster] met betrekking tot de bewindvoeringskosten toerekenbaar tekortgeschoten in de financiële zorg die in dit geval van haar als goed bewindvoerder mocht worden verwacht. Indien de aanvraag tijdig was ingediend zouden immers ook de bewindvoeringskosten over de laatstgenoemde periode door de gemeente zijn vergoed. Het hof zal derhalve het verzoek van [verzoekster] ook toewijzen voor zover dit ziet op de bewindvoeringskosten.

De incassokosten [C]

5.6

[verzoekster] stelt dat [verweerster] op 26 oktober 2015, derhalve na het ontslag op

22 oktober 2015, een bedrag ad € 1.622,05 van de bankrekening van [verzoekster] heeft afgeschreven ten behoeve van de bewindvoeringskosten. Het stond [verweerster] op dat moment niet meer vrij om over het saldo van de bankrekening van [verzoekster] te beschikken. Daarbij handelde [verweerster] volgens [verzoekster] onrechtmatig door ineens een dergelijk fors bedrag van haar rekening af te schrijven nu deze betaling niet behoorde tot een laatste noodzakelijke transactie voor de overdracht van het financieel beheer aan de opvolgend bewindvoerders en [verzoekster] ten gevolge van deze overboeking haar vaste lasten niet meer kon voldoen. [verzoekster] had ten gevolge van de overboeking onvoldoende saldo op haar rekening om haar huurkosten te voldoen waardoor de verhuurder, [C] , incassokosten ad

€ 123,13 in rekening heeft gebracht.

5.7

Naar het oordeel van het hof had [verweerster] , nog los van de vraag of zij nog gerechtigd was een dergelijke betaling te doen, in elk geval moeten voorzien dat [verzoekster] door deze afschrijving ineens niet meer in staat zou zijn om haar vaste lasten te kunnen betalen en dat daardoor betalingsproblemen zouden kunnen ontstaan, zoals die zich uiteindelijk, in ieder geval ten aanzien van de huur, ook hebben voorgedaan. [verweerster] had op zijn minst hierover moeten overleggen met de opvolgend bewindvoerders. Door dit niet te doen heeft zij niet zozeer het belang van [verzoekster] maar, naar het lijkt, met name haar eigen belang gediend. Het hof is dan ook van oordeel dat [verweerster] ook hier toerekenbaar tekort is geschoten in de financiële zorg die van een goede (voormalige) bewindvoerder mocht worden verwacht. Het hof zal dan ook het verzoek van [verzoekster] toewijzen voor zover dit ziet op de incassokosten van [C] .

De kosten rechtsbijstand

5.8

Ten behoeve van de onderhavige procedure heeft [verzoekster] kosten van rechtsbijstand gemaakt ten hoogte van de eigen bijdrage ad € 143,-. Nu [verzoekster] ook een proceskostenveroordeling heeft verzocht, zal het hof deze kostenpost daar bespreken.

Concluderend

5.9

Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat [verweerster] in de voormelde kwesties tekort is geschoten in de zorg van een goed bewindvoerder en dat deze tekortkomingen aan haar kunnen worden toegerekend. Het hof is daarom van oordeel dat [verweerster] aansprakelijk is jegens [verzoekster] voor de door [verzoekster] gestelde door haar geleden schade. Het hof stelt deze schade vast op (€ 311,55 + € 755,04 + € 123,13) € 1.189,72.

De proceskosten

5.10

[verzoekster] heeft het hof verzocht [verweerster] te veroordelen in de kosten van het geding. Nu [verweerster] geheel in het ongelijk is gesteld zal het hof [verweerster] veroordelen in de kosten van [verzoekster] in deze procedure. Het hof zal hiervoor aansluiten bij het toepasselijke liquidatietarief. Op grond daarvan worden de proceskosten van [verzoekster] begroot op € 1.395,- voor salaris van haar advocaat (indiening appelschrift 1 punt en mondelinge behandeling 1 punt, tarief 1: € 632,- per punt en € 131,- aan nasalaris). Het hof gaat er daarbij van uit dat het totale bedrag ter zake de kostenveroordeling ook de eigen bijdrage, genoemd onder rechtsoverweging 5.8 omvat.

6 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking

te vernietigen en te beslissen als volgt.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Almere, van 14 juli 2016, en in zoverre opnieuw beschikkende:

stelt de schade die [verzoekster] heeft geleden vast op een bedrag van € 1.189,72;

veroordeelt [verweerster] om binnen veertien dagen na betekening van deze beschikking aan [verzoekster] te betalen een bedrag van € 1.189,72;

veroordeelt [verweerster] tot vergoeding van de proceskosten van [verzoekster] , ter hoogte van

€ 1.395,- aan salaris advocaat;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.P. den Hollander, Z.J. Oosting en

A.W. Beversluis, bijgestaan door mr. M. Koster als griffier, en is op 18 april 2017 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.