Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3300

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
21-03-2017
Datum publicatie
20-04-2017
Zaaknummer
200.161.069/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Scheiding en deling van de nalatenschap van de moeder van partijen, in welke nalatenschap ook de nalatenschap van de eerder overleden vader van partijen besloten ligt. Partijen verschillen niet alleen van mening over de samenstelling van de nalatenschap maar ook over de vraag aan wie wat is toe te bedelen, alsmede over de waardering daarvan. Een bijzondere plaats in die verdeling wordt ingenomen door de daartoe behorende kunstcollectie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/139
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.161.069/01
(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/19/98970 / HA ZA 13-127)

arrest van 21 maart 2017

in de zaak van

1 [appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. L.C. van der Veer, kantoorhoudend te Meppel,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

wonende te [woonplaats] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

wonende te [woonplaats] ,

3. [geïntimeerde 3] ,

wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellanten in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eisers in conventie en verweerders in reconventie,

hierna gezamenlijk ook aan te duiden als [geïntimeerden],

advocaat: mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de tussen partijen gewezen vonnissen van 23 april 2014 en 10 september 2014, van de Rechtbank Noord-Nederland, Afdeling privaatrecht, locatie Assen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure in hoger beroep is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 3 december 2014;

- de memorie van grieven (met producties);

- de memorie van antwoord tevens van grieven in incidenteel hoger beroep (met producties);

- de memorie van antwoord in het incidenteel hoger beroep (met productie).

2.2

Vervolgens hebben [geïntimeerden] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen. Het hof heeft daarop arrest bepaald.

2.3

Het hof heeft op 9 februari 2016 een tussenarrest gewezen waarin het een comparitie van partijen heeft bevolen.

2.4

Deze comparitie is gehouden op 13 juli 2016, partijen hebben pleitnota’s overgelegd die zullen worden gehecht aan het proces-verbaal van de comparitie.

2.5

Vervolgens heeft het hof opnieuw arrest bepaald. Met ter comparitie door partijen gegeven instemming wordt dit arrest gewezen op het eerder gefourneerde dossier (zie onder 2.2).

2.6

De vordering van [appellant] luidt in het principaal hoger beroep:
“… te vernietigen het vonnis van 10 september 2014 gewezen onder zaak/rolnummer C/19/98970 / HA ZA 13-127 en opnieuw rechtdoende het zijdens appellant als gedaagde en eiser in reconventie in eerste aanleg gevorderde, toe te wijzen met veroordeling van geïntimeerden in de kosten in beide instanties, de nakosten daarbij begrepen.”

2.7

De vordering van [geïntimeerden] in het incidenteel hoger beroep luidt:
“opnieuw de verdeling van de nalatenschap van vader als volgt te willen vaststellen;

I. de wijze van verdeling van de nalatenschap van vader te willen vaststellen op de wijze zoals nader uitgewerkt in het incidenteel appèl van deze memorie;

II. te willen bepalen dat mr. [X ] aan [appellant] uitbetaalt 25% van de waarde van de nalatenschap van vader, onder aftrek van een bedrag ad € 50.719,-, te vermeerderen met een rente van 7% over laatstgenoemd bedrag vanaf [datum] 2015 tot aan de datum dat notaris mr. [X ] het bedrag waarop [appellant] aanspraak kan maken heeft betaald;

III. [appellant] te willen veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de verdeling van de nalatenschap van vader op de wijze zoals door hel Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden zal worden vastgesteld, zulks onder verbeurte van een direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare dwangsom van € 500,- voor elke dag dan wel dagdeel dat [appellant] daarmee in gebreke blijft;

IV. [appellant] te willen veroordelen in de kosten van beide instanties;

V. het af te geven arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.”

3 Wijziging van eis in hoger beroep

3.1

De hierboven onder 2.7 weergegeven eis in hoger beroep van [geïntimeerden] houdt een wijziging in van de in eerste aanleg door [geïntimeerden] geformuleerde eis. Die wijziging van eis betreft uitsluitend de verdeling van de nalatenschap van vader. In eerste aanleg luidde de eis van [geïntimeerden] voor wat betreft de nalatenschap van vader, voor zover hier relevant, als volgt:

II. de omvang van de nalatenschap van vader te bepalen op een wijze zoals nader uitgewerkt in het lichaam van deze dagvaarding;

III. te bepalen dat gedaagde zijn volledige medewerking zal verlenen dat aan hem door de boedelnotaris zal worden uiteraard 1/4e deel van de door de Rechtbank vast te stellen omvang van de nalatenschap van vader, waarbij gedaagde alle handelingen dient te verrichten die de boedelnotaris noodzakelijk acht bij gebreke waarvan gedaagde aan eisers verschuldigd is een dwangsom van € 100.- per dag dan wel dagdeel dat gedaagde daarmee in gebreke blijft, althans op dit onderdeel een beslissing te nemen als de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen in goede justitie zal vermenen te behoren;

3.2

De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 10 september 2014 aangaande het onder 3.1 geciteerde deel van de vordering van [geïntimeerden] als volgt beslist:
“in conventie

(…)

3.3.

bepaalt de omvang van de nalatenschap van vader op een wijze zoals nader uitgewerkt in de overwegingen van dit vonnis;

3.4.

bepaalt dat [appellant] zijn volledige medewerking zal verlenen aan dat aan hem door de boedelnotaris zal worden uitbetaald ¼ e deel van de door de rechtbank vastgestelde omvang van de nalatenschap van vader en dat [appellant] alle handelingen dient te verrichten die de boedelnotaris noodzakelijk acht;

De gevorderde dwangsom heeft de rechtbank afgewezen.

3.3

In hoger beroep hebben [geïntimeerden] bij memorie van grieven in incidenteel appel het hiervoor geformuleerd onder 2.7 (I tot en met III) deel van hun eis gewijzigd. De belangrijkste wijziging in de herziene formulering is dat [geïntimeerden] in hoger beroep een beroep doen op de schuldverrekening als bedoeld in artikel 3:184 BW doordat de vordering die de nalatenschap van vader heeft op [appellant] direct dient te worden verrekend met het door [appellant] aan die nalatenschap te betalen bedrag. [appellant] heeft zich niet verzet tegen die eiswijziging als zodanig. Het hof ziet evenmin aanleiding om deze wijziging van eis ambtshalve te weigeren op grond van een goede procesorde en zal rechtdoen op grond van de gewijzigde eis.

Het principaal appel

4 Feiten

4.1

In haar vonnis van 23 april 2014 heeft de Rechtbank Noord-Nederland onder 2 (2.1 tot en met 2.5) een aantal feiten vastgesteld. Tegen deze vaststelling zijn geen grieven gericht en ook op andere wijze is niet van bezwaar daartegen gebleken. Daarmee staan in hoger beroep tussen partijen de volgende feiten en omstandigheden vast.

4.2

[geïntimeerden] en [appellant] zijn broers en zus van elkaar. Hun ouders waren sinds 1944 buiten gemeenschap van goederen gehuwd en exploiteerden een kunsthandel in [plaats] .

4.3

In 1990 heeft [appellant] de helft van de aandelen in [bedrijf B.V.] gekocht van vader voor ƒ 150.000,-. [appellant] was al in het bezit van de andere helft van de aandelen.

4.4

Op [datum] 1991 is vader overleden. In zijn testament van [datum] 1969 heeft hij de kinderen benoemd tot erfgenamen en aan zijn echtgenote levenslang recht van vruchtgebruik gelegateerd. De successieaangifte d.d. 15 mei 1992 vermeldt dat nalatenschap onder meer bestond uit ½ onverdeeld aandeel in aanwezige roerende lichamelijke goederen, ad ƒ 2.500,-. De aangifte vermeldt als saldo nalatenschap ƒ 331.571,47. In 1998 is moeder verhuisd naar [plaats] . Zij heeft aantal meubels en schilderijen meegenomen naar haar nieuwe appartement.

4.5

Aangezien de inkomsten van moeder niet voldoende waren voor de dekking van de kosten van levensonderhoud is besloten het huis in [plaats] (eigendom erfgenamen) en een schilderij van [Y] te verkopen.

4.6

Moeder is op [datum] 2012 overleden. Bij testament van [datum] 2010 zijn [geïntimeerden] benoemd tot haar erfgenamen en is [appellant] onterfd. [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] zijn executeur in de nalatenschap van moeder. Uit de aangifte erfbelasting van september 2012 kan worden afgeleid dat de omvang van de nalatenschap, fiscaal, € 181.275,- is. [appellant] heeft aanspraak gemaakt op zijn legitieme portie.

5 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5.1

In onderstaande volgt (sterk verkort) een weergave van de vorderingen in eerste aanleg en de beslissingen van de rechtbank daarop.

5.2

[geïntimeerden] hebben in eerste aanleg in conventie gevorderd:
I. een verklaring voor recht dat de aanspraak van [appellant] op zijn legitieme portie in de nalatenschap van moeder € 19.466,88 bedraagt;
II. de benoeming van een boedelnotaris;
III. de omvang van de nalatenschap van vader te bepalen zoals uitgewerkt in lichaam van de dagvaarding;
VI. dat [appellant] zal moeten meewerken aan de toedeling door de notaris aan hem van 1/4e deel van de door de rechter vast te stellen omvang van de nalatenschap van vader, waarbij [appellant] alle handelingen dient te verrichten die de notaris nodig acht. Dit onder verbeurte van een dwangsom.

5.3

[appellant] heeft in eerste aanleg in reconventie gevorderd:
1) een verklaring voor recht dat het schilderij van [Y] tot de nalatenschap van vader behoort;
2) een verklaring voor recht dat voor toedeling van de schilderijen aan het vermogen door moeder de door moeder opgestelde lijst leidend is;
3) de benoeming van een boedelnotaris;
4) dat [geïntimeerden] alle gegevens die de rechter nodig acht voor de verdeling van de nalatenschap en toedeling legitieme portie uit nalatenschap moeder van vader beschikbaar zullen stellen;
5) dat [geïntimeerden] alle gegevens die de notaris nodig acht voor de verdeling van de nalatenschap van vader en de toedeling van de legitieme portie van de nalatenschap van moeder beschikbaar zullen stellen;

5.4

De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 10 september 2014 de vorderingen van [geïntimeerden] in conventie als volgt beoordeeld. De verklaring voor recht dat de omvang van de legitieme portie in de nalatenschap van moeder een bedrag van € 19.466,88 bedraagt heeft de rechtbank toegewezen. Voorts heeft zij een boedelnotaris benoemd. De omvang van de nalatenschap van vader heeft de rechtbank bepaald ‘zoals uitgewerkt in de overwegingen van dit vonnis’. Ten slotte heeft de rechtbank bepaald dat [appellant] zijn medewerking zal verlenen dat aan hem door de boedelnotaris zal worden uitbetaald éénvierde deel van de door de rechtbank vastgestelde omvang van de nalatenschap van vader, waarbij [appellant] alle handelingen dient te verrichten die boedelnotaris voor de verdeling noodzakelijk acht.

5.5

De rechtbank heeft in haar eindvonnis van 10 september 2014 de vorderingen van [appellant] in reconventie afgewezen, behoudens de benoeming van een boedelnotaris en de veroordeling van [geïntimeerden] tot het beschikbaar stellen van gegevens en medewerking die de notaris nodig acht voor verdeling van de nalatenschap van vader en toedeling van de legitieme portie in de nalatenschap van moeder.

6 Beoordeling van de grieven en de vorderingen

6.1

Partijen willen duidelijkheid over de omvang van de nalatenschappen van hun ouders, dit om te komen tot een verdeling van de nalatenschap van vader en de bepaling van de legitieme portie van [appellant] in de nalatenschap van moeder. De verdeling als zodanig wensen partijen echter te laten verrichten door de boedelnotaris.

6.2

Het principaal appel omvat twaalf met de letters A tot en met L aangeduide grieven. Het incidenteel appel omvat drie grieven genummerd I tot en met III. De grieven zien op te onderscheiden thema’s, te weten:
- de vordering van [appellant] op de nalatenschap van vader (grief A en B en I tot en met III in het incidenteel appel);
- de door moeder opgestelde lijst (grief C tot en met F en grief J);
- het schilderij van [Y] (grief G en H);
- schilderijen te koop in Galerie [Z] (grief I);
- de inboedel van de woning van moeder (grief K);
- werken van moeder te koop in Galerie [Z] (grief L)

6.3

Het hof zal de grieven zoveel mogelijk thematisch behandelen.

6.4

De vordering van [appellant] op de nalatenschap van moeder/de verrekening in de nalatenschap van vader (grief A en B in het principaal appel en grief I tot en met III in het incidenteel appel)

6.4.1

[appellant] stelt dat hij een vordering op de nalatenschap van moeder heeft van € 30.827,02, die hij kan verrekenen met zijn schuld aan de nalatenschap van vader. [geïntimeerden] weerspreken het bestaan van die vordering. Het is daarmee aan [appellant] feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit het bestaan van de door hem gestelde vordering volgt.

In eerste aanleg heeft [appellant] aanvankelijk een door hemzelf opgestelde specificatie van de vordering overgelegd die als aanhef vermeldt: "Restschuld aan vader/ erven per 1998 70.000 wegens aandelenoverdracht" (productie 20 conclusie van antwoord en conclusie van eis in reconventie). Onder de letters A tot en met F in die specificatie wordt een aantal posten genoemd zoals energieverbruik en onderhoud. Bedragen bij deze posten worden niet genoemd en hoe deze zijn te herleiden tot het genoemde bedrag van € 30.827,02 is niet duidelijk. Ter comparitie in eerste aanleg heeft [appellant] vervolgens verklaard te beschikken over onderliggende bewijsstukken en relevante correspondentie aangaande de vordering. Na bij tussenvonnis in de gelegenheid te zijn gesteld tot het overleggen van deze stukken, heeft [appellant] elf facturen in het geding gebracht. Deze facturen afkomstig van derden zijn gedateerd van juni 1991 tot en met april 2001 en zijn gericht aan [bedrijf B.V.] en Kunsthandel [A] , met uitzondering van één factuur van juni 1991 betreffende installatiemateriaal die is gericht aan [geïntimeerde 2] . [appellant] heeft op die facturen in eerste aanleg geen toelichting gegeven en heeft dat evenmin in hoger beroep gedaan. Daarmee blijft onduidelijk hoe de vorderingen van derden zoals die lijken te volgen uit de facturen kunnen dienen ter onderbouwing van een vordering van [appellant] op zijn moeder.

6.4.2

In hoger beroep is de gestelde vordering door [appellant] niet nader onderbouwd. Het hof komt daarmee evenals de rechtbank tot het oordeel dat [appellant] zijn vordering onvoldoende heeft onderbouwd, zodat deze in rechte niet kan worden vastgesteld. Die vordering kan derhalve in de nalatenschap van vader noch in die van moeder geldend worden gemaakt.

6.4.3

Wat overblijft is de op zich niet weersproken vordering van (de nalatenschap van) vader op [appellant] . [geïntimeerden] hebben aangaande die vordering het volgende gesteld. De omvang van die vordering bedroeg per [datum] 2012 € 22.442,-, vermeerderd met € 18.960,- rente, een totaal bedrag van € 41.402,- (brief d.d. 15 mei 2012 van Bloemsma, productie 17 bij dagvaarding in eerste aanleg).

6.4.4

Aangaande de rente hebben [geïntimeerden] gesteld dat vanaf [datum] 2012 een samengestelde rente van 7% was verschuldigd over het onder 6.4.3 genoemde bedrag van € 41.402,-. Per [datum] 2013 was € 2.898,- rente verschuldigd waarmee de totale vordering op dat moment € 44.300,- bedroeg. Per [datum] 2014 was een rentebedrag van € 3.101,- verschuldigd, en dus een totale vordering van € 47.401,-. Tenslotte was per [datum] 2015 € 3.318,- rente verschuldigd wat neerkomt op een totaal van € 50.719,- per die datum. Over de periode daarna is [appellant] , aldus [geïntimeerden] , een samengestelde rente van 7% per jaar verschuldigd.

6.4.5

[appellant] heeft de hoofdsom van de vordering niet weersproken en ook heeft hij niet weersproken dat de rente een samengesteld karakter (rente op rente) had. Aangaande de gehanteerde rentevoet heeft hij echter betoogd dat deze niet is gebaseerd ‘op rechtens te honoreren feiten’. [geïntimeerden] hebben daarop gereageerd dat in de overeenkomst van geldlening die verband hield met de overdracht van de aandelen in [bedrijf B.V.] van vader aan [appellant] een rente van 7% is overeengekomen (productie 5 inleidende dagvaarding), welke rentevoet sinds 1998 ook is gehanteerd in de diverse opstellingen van de onverdeelde boedel sedert 1998 van vader (productie 3 inleidende dagvaarding).

6.4.6

De aldus nader toegelichte stellingen van [geïntimeerden] zijn door [appellant] niet weersproken. Om die reden zal het hof bij de berekening van de door [appellant] aan de nalatenschap van vader verschuldigde rente uit hoofde van de overeenkomst van geldlening uitgaan van een aanvankelijke hoofdsom van € 22.442,- en een samengestelde rente van 7% per jaar. Onweersproken is gesteld dat die uitgangspunten tot [datum] 2015 resulteren in een totaal door [appellant] aan de nalatenschap van vader verschuldigd bedrag van € 50.719,-, welk bedrag dient te worden vermeerderd met de overeengekomen rente vanaf [datum] 2015 tot het moment dat door de boedelnotaris de verdeling wordt afgewikkeld.

6.4.7

Partijen hebben hun debat toegesneden op verrekening. Strikt genomen werd bij de verdeling de vordering van de nalatenschap op [appellant] aan [appellant] toegedeeld, waardoor diens schuld aan de nalatenschap ten bedrage van € 50.719,- door vermenging teniet ging. Indien, ontleend aan het partijdebat, aangesloten wordt bij verrekening, waarbij het onder 6.4.4 genoemde bedrag van € 50.719,- vermeerderd met de contractuele rente vanaf [datum] 2015, wordt verrekend met de vordering die [appellant] heeft op de nalatenschap van vader (éénvierde deel daarvan) is er per saldo ook niets meer te vorderen.

6.4.8

Een afzonderlijke verklaring voor recht dat aan [geïntimeerden] een beroep op artikel 3:184 BW toekomt is niet gevraagd. Deze bevoegdheid komt [geïntimeerden] overigens al toe op grond van de wet. Uit het vorenstaande volgt dat de grieven A en B in het principale appel falen en dat de grieven I tot en met III in het incidentele appel slagen.

6.5

De bewijswaardering van de door moeder opgestelde lijst (grief C tot en met F en J)

6.5.1

Door [appellant] is een kopie van een geschrift overgelegd waarop op briefpapier van ‘Galerie [A] ’ een handgeschreven lijst is vermeld, die volgens [appellant] door moeder is geschreven en ondertekend in aanwezigheid van vader en hemzelf. Vervolgens is, aldus [appellant] , aan ieder van de kinderen een kopie van dit geschrift verstrekt (hierna aan te duiden als ‘de lijst’). Het origineel van de lijst is niet overgelegd en zowel [appellant] als [geïntimeerden] stellen dat dit origineel niet in hun bezit is.

6.5.2

Volgens [appellant] is de lijst een onderhandse akte 'met de daaraan verbonden bewijskracht' (memorie van grieven onder 12). Dienaangaande overweegt het hof het volgende. De lijst is ondertekend maar de vraag is of zij ook een bewijsbestemming heeft, zoals artikel 156 lid 1 Rv voor een akte vereist. De lijst bestaat uit vijf kantjes waarop uitsluitend onder elkaar kunstwerken zijn opgesomd, soms alleen door het noemen van de tekenaar of schilder, soms ook door het noemen van de afmetingen daarvan. Enige inleidende, afsluitende of toelichtende tekst ontbreekt. De ‘kale’ opsomming van kunstwerken is genummerd (1 tot en met 124) en achter elk kunstwerk is het woord ‘zaak’, of ‘privé’ of ‘privé W’ geschreven. Die woorden zijn, volgens [appellant] , bedoeld om per kunstwerk aan te geven tot welk vermogen het betreffende kunstwerk behoort.

6.5.3

Het hof overweegt dienaangaande het volgende. In de tekst is geen bewijsbestemming vermeld of zelfs maar jegens wie het geschrift tot bewijs zou moeten dienen. Ook de aard van het geschrift (een lijst zonder enige toelichting) rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van een bewijsbestemming. De toevoegingen 'zaak', 'privé' of 'privé W' maken dat niet anders. Slechts in de door [appellant] bepleite uitleg van die toevoegingen, welke uitleg door [geïntimeerden] wordt weersproken, verwijzen die woorden naar verschillende vermogens. Evenzeer zou echter kunnen zijn bedoeld aan te geven wat de bestemming is van de kunstwerken of waar deze moeten worden bewaard. Ook het plaatsen van de handtekening op de lijst kan zowel een bezegeling zijn van eigendomsverhoudingen als anderszins. Nu niet van een bewijsbestemming blijkt, kan de lijst niet als (onderhandse) akte in de zin van artikel 156 lid 1 Rv bestempeld worden. Echter indien ervan zou worden uitgegaan dat sprake is van een dergelijke (onderhandse) akte dan geldt het volgende.

6.5.4

Voor zover [appellant] bedoelt dat aan die onderhandse akte dwingende bewijskracht toekomt, is zijn standpunt onjuist. Op grond van artikel 157 lid 2 Rv levert een onderhandse akte slechts dwingend bewijs op van de waarheid van de verklaring tussen partijen bij die akte. Daarmee wordt bedoeld degene die in de betreffende akte als zodanig is aangewezen of degene te wiens behoeve de ondertekenaar van de akte zich blijkens de tekst daarvan heeft verbonden (HR 5 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3701, NJ 2004/75, HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:BU3100, NJ 2012/260).

Zoals hiervoor is overwogen voldoet de lijst niet aan de daaraan in artikel 156 Rv gestelde vereisten. Onvoldoende duidelijk is of sprake is van een bewijsbestemming en jegens wie de lijst bewijs moet verschaffen. Om die reden komt aan de lijst ook niet de in artikel 157 Rv bedoelde dwingende bewijskracht toe. Het geschrift heeft slechts vrije bewijskracht. Zou wel sprake zijn van een onderhandse akte dan geldt dat de enkele niet erkenning van de echtheid van de handtekening door de partij jegens wie de akte wordt ingeroepen in de weg staat aan de dwingende bewijskracht daarvan.

6.5.5

[geïntimeerden] hebben de authenticiteit van de lijst betwist, zowel wat haar wijze van totstandkoming betreft als voor wat betreft de echtheid van de ondertekening door moeder. Op [appellant] rust daarmee de bewijslast van zijn stelling dat het gaat om een door moeder opgestelde en ondertekende lijst. Daartoe heeft [appellant] een schriftonderzoek laten uitvoeren door het bureau Justiniana Forensisch Schriftonderzoek waarvan door hem het op 19 mei 2014 opgemaakte rapport is ingebracht. In dit rapport zijn de volgende conclusies vermeld:
"Conclusie deelonderzoek 1
Op basis van het ons ter beschikking gestelde materiaal zijn wij van mening, dat er zeer veel steun bestaat voor de opvatting, dat het ter onderzoek aangeboden handschrift geschreven is door mevrouw [moeder] . Indicatoren, die op het tegendeel duiden hebben wij niet aangetroffen. Desgewenst kunnen wij hiervan een uitgebreid en met redenen omkleed verslag uitbrengen.
Conclusie deelonderzoek 2
Op basis van het ons ter beschikking gestelde materiaal zijn wij van mening, dat er zeer veel steun bestaat voor de opvatting, dat de vijf ter onderzoek aangeboden handtekeningen echte handtekeningen zijn van mevrouw [moeder] . Indicatoren, die op het tegendeel duiden hebben wij niet aangetroffen. Deze conclusie kan alleen in stand blijven wanneer het beeld van het ons ter beschikking gestelde vergelijkingsmateriaal representatief is voor het beeld van het totale handtekeningrepertoire van betrokkene."

6.5.6

Het hof is van oordeel dat het overgelegde schriftonderzoek onvoldoende is om de echtheid van de handtekeningen van moeder te bewijzen. De conclusies in het rapport zijn niet concludent, althans niet zonder nadere toelichting, die ontbreekt. Vast staat dat op het moment dat de schriftdeskundigen hun onderzoek deden moeder reeds was overleden. Dat betekent dat de deskundigen niet hebben kunnen verifiëren dat het handschrift en de handtekening afkomstig zijn van moeder . Zij hebben hooguit kunnen concluderen dat het handschrift en de handtekeningen op de lijst overeenstemmen met handtekeningen die hen als afkomstig van moeder zijn gepresenteerd in vergelijkingsmateriaal. Juist over de aard en herkomst van dat vergelijkingsmateriaal zwijgt het rapport echter zodat de authenticiteit daarvan in deze procedure niet kan worden vastgesteld. Daar komt bij dat, zoals de deskundigen terecht betogen, het hier gaat om een gekopieerd geschrift, dat kan zijn gemanipuleerd door het achteraf toevoegen van de handtekening aan de lijst.

6.5.7

Door [appellant] is aangeboden nader bewijs te leveren in de vorm van een aanvullende deskundigenrapportage. Voor zover [appellant] beoogt nader schriftelijk bewijs bij te brengen geldt het volgende. Van een partij die zich beroept op schriftelijk bewijs mag worden verlangd dat zij die stukken uit zichzelf in het geding brengt. De rechter behoeft partijen daartoe niet in de gelegenheid te stellen (vergelijk HR 9 maart 2012, ECLI:NL:HR:2011:BU9204, NJ 2012/174). Voor zover [appellant] een verzoek tot een nader deskundigenbericht beoogt dan geldt dat het aan het vrije beleid van de rechter is overgelaten of hij wil overgaan tot het benoemen van een deskundige en dat hij dit verzoek dus mag afwijzen (HR 14 december 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD3993, NJ 2002/73). In deze zaak ziet het hof daartoe aanleiding nu er aangaande overzichtelijke vragen in twee instanties uitgebreid is geprocedeerd, waarbij [appellant] na de procedure in eerste aanleg wist dat de rechter het overgelegde partij-deskundigenrapport onvoldoende oordeelde. In dat geval kon [appellant] niet volstaan met het betoog dat het hof zelf maar om nader schriftelijk bewijs moest vragen of aansturen op een nader onderzoek door deskundigen. De lijst heeft daarom te gelden als een geschrift of onderhandse akte, die tussen partijen geen (dwingend) bewijs opleveren. Er is daarmee geen plaats om een op [appellant] rustende bewijslast voor feiten en omstandigheden waartoe de lijst als bewijs is aangevoerd op [geïntimeerden] te leggen, omdat (zoals [appellant] stelt en [geïntimeerden] weerspreken) [geïntimeerden] een afschrift van de lijst zouden hebben gekregen. De grieven C tot en met F en J falen.

6.6

Valt het schilderij van [Y] in de nalatenschap van vader? (grief G en H)

6.6.1

[appellant] stelt dat het schilderij van [Y] dat is verkocht ten behoeve van het levensonderhoud van moeder tot de nalatenschap van vader behoorde. Deze grief is van belang vanwege de gevorderde verklaring voor recht "dat de litigieuze [Y] tot de nalatenschap van vader behoort". Niet tussen partijen in debat is dat moeder het schilderij mocht vervreemden (al dan niet gezamenlijk met de kinderen), wat er met de opbrengst daarvan is gebeurd en wat per saldo de resterende omvang van die opbrengst is. Aan het hof is slechts voorgelegd te oordelen of het schilderij al dan niet tot het vermogen van vader behoorde en daarmee tot diens nalatenschap. Het hof zal zich bij de beantwoording van de grieven G en H hiertoe beperken.

6.6.2

[appellant] onderbouwt de gevraagde verklaring voor recht in de eerste plaats door een beroep op de lijst, waarop onder nummer 28 de [Y] is vermeld met daarachter het woord 'privé'. Zoals het hof onder 6.5 reeds heeft overwogen kan de lijst niet tot bewijs van de stellingen van [appellant] dienen.

6.6.3

[appellant] stelt dat vader het schilderij van diens vader heeft geërfd. Deze door [geïntimeerden] weersproken stelling is door [appellant] niet onderbouwd en kan dus niet dienen ter onderbouwing van de stelling dat de [Y] tot de nalatenschap van vader behoorde. Het betoog van [appellant] dat [geïntimeerden] , zonder bewijs aan te bieden, stellen dat moeder het schilderij geschonken kreeg van grootvader (de vader van de vader van partijen), ziet eraan voorbij dat deze stelling van [geïntimeerden] slechts dient om de stelling van [appellant] dat het schilderij door vader in eigendom is verkregen te weerspreken. Het is [appellant] die in deze de bewijslast draagt.

Volgens [appellant] (grief H) bestaan er van het document ´consignatie verkoop schilderij' twee versies. De eerste versie (productie 8 dagvaarding) was niet correct omdat partijen daarin moeder en kinderen gezamenlijk als eigenaren van het schilderij aanmerkten, dit terwijl moeder geen eigenaresse was maar slechts vruchtgebruikster. Daarom is deze versie niet ondertekend en is een tweede versie gemaakt (productie 9 dagvaarding), waarin na de namen van partijen en hun moeder de zinsnede "Bovengenoemde personen zijn de rechtmatige eigenaren van het hieronder nader omschreven schilderij;" is doorgehaald. Volgens [appellant] volgt daaruit dat moeder geen eigenaresse van het schilderij was. Als zij eigenaresse zou zijn geweest hoefde zij immers geen toestemming van de erven van vader. De rechtbank overweegt dat de consignatieverkoopovereenkomst geen duidelijkheid verschaft omtrent de eigendom en dat uit de informatie slechts kan worden afgeleid dat het schilderij niet tot de nalatenschap van vader behoort. Uit de voor verkoop verlangde toestemming door de kinderen volgt echter, aldus [appellant] , dat het schilderij niet tot het vermogen van moeder behoorde.

6.6.4

Het hof overweegt dienaangaande dat die door [geïntimeerden] weersproken lezing door [appellant] zonder nadere verklaring, die ontbreekt, niet verenigbaar is met de omstandigheid dat ook in de tweede versie van de hier bedoelde consignatieovereenkomst moeder naast de kinderen wordt aangemerkt als verkoper, terwijl zij volgens [appellant] niets te verkopen had. Moeder wordt niet alleen in de aanhef maar ook op meerdere plaatsen in de overeenkomst zelf als verkoper aangeduid. In het licht van het vorenstaande heeft [appellant] onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het schilderij van [Y] tot de nalatenschap van vader behoorde. [appellant] heeft onvoldoende concreet en gespecificeerd bewijs aangeboden dat het werk tot de nalatenschap van vader behoorde. Het schilderij is ook nooit opgenomen in de vermogensopstellingen van de nalatenschap van vader. [appellant] heeft geen concreet en specifiek bewijsaanbod gedaan van zijn stelling dat in dat verband is afgesproken het schilderij pas in de vermogensopstelling op te nemen na de verkoop.

6.6.5

De grieven G en H falen.

6.7

Schilderijen die te koop worden aangeboden in Galerie [Z] (grief I)

6.7.1

In deze grief beklaagt [appellant] zich erover dat bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap van vader geen rekening is gehouden met het in Galerie [Z] (van de echtgenoot van [geïntimeerde 1] ) aangeboden werk. Deze grief steunt blijkens de toelichting daarop geheel op de bewijskracht die volgens [appellant] moet worden toegekend aan de lijst en het dienaangaande door de rechtbank volgens [appellant] gegeven onjuiste oordeel. [appellant] stelt dat de lijst ‘leidend’ is, en dat daarom de op de lijst genoemde werken die worden aangeboden in de galerie, dienen te worden meegewogen bij de vaststelling van de nalatenschap van vader.

6.7.2

Uit hetgeen het hof hiervoor onder 6.5 heeft overwogen aangaande de bewijskracht van de lijst, volgt dat ook grief I faalt.

6.8

Schilderijen van de hand van moeder in Galerie [Z] (grief L)

6.8.1

[appellant] beklaagt zich er over dat bij de omvang van de nalatenschap van moeder geen rekening is gehouden met de waarde van de schilderijen die destijds door moeder zijn gemaakt en die thans in de Galerie [Z] te koop worden aangeboden. Hij vordert dat dit alsnog zal worden gedaan.

6.8.2

De onderbouwing van zijn stelling komt erop neer dat [appellant] stelt dat het ‘vreemd’ is dat de nalatenschap van moeder geen werken van haar eigen hand omvat maar dat deze werken wel zijn aangetroffen in de kunstgalerie van (de echtgenoot van) zijn zus [geïntimeerde 1] terwijl daarvoor geen titel tot levering voorhanden is.

6.8.3

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat die stellingen nadere onderbouwingen gespecificeerd per schilderij nodig hebben. In aanvulling daarop overweegt het hof het volgende.

6.8.4

De kunstgalerie van de echtgenoot van [geïntimeerde 1] gedraagt zich als bezitter van de schilderijen. Zij biedt die immers te koop aan als onderdeel van haar collectie. Dat betekent dat de kunstgalerie op grond van artikel 3:119 lid 1 BW wordt vermoed rechthebbende van die schilderijen te zijn. Het is aan [appellant] dat vermoeden te ontzenuwen aan de hand van door hem aan te voeren feiten en omstandigheden. Hij kan daarbij niet volstaan met de opmerking dat de werken aanvankelijk door moeder werden gemaakt en dat het vreemd is dat deze thans in het bezit van de genoemde kunstgalerie zijn aangetroffen. Onweersproken staat immers vast dat [appellant] vele jaren geen contact meer had met zijn moeder. Dat in die tijd sprake is geweest van onderhandse verkopen, schenking of ruil aan respectievelijk met de kunsthandel door moeder met haar schoonzoon en/of dochter, zoals door [geïntimeerden] is gesteld, is geenszins onaannemelijk. In ieder geval is vorenbedoelde opmerking van [appellant] onvoldoende om het genoemde wettelijke vermoeden te ontzenuwen.

6.8.5

Ook de stelling dat een ‘titel tot levering’ ontbreekt is in het licht van het voorgaande onvoldoende concreet en specifiek ter ontzenuwing van het vermoeden. Deze stelling ontbeert iedere connectie met aangevoerde feiten.

6.8.6

De rechtbank heeft derhalve terecht een nadere onderbouwing verlangd. De daartegen gerichte grief L faalt.

6.9

De inboedel van moeder (grief K)

6.9.1

Ten slotte heeft [appellant] zich erover beklaagt dat de rechtbank ten onrechte zijn stelling dat niet alle inboedelgoederen van moeder zijn getaxeerd, zodat deze buiten de bepaling van de omvang van haar nalatenschap zijn gebleven, heeft gepasseerd.

6.9.2

Moeder is op [datum] 2012 overleden. Op 12 december 2012 heeft een taxatie van de inboedel door [B] plaatsgevonden (productie 16 dagvaarding in eerste aanleg). Die taxatie vond plaats in opdracht van [geïntimeerde 1] . [appellant] stelt dat na het overlijden van moeder, maar vóór de taxatie door [B] , de inboedel is getaxeerd door [C] en dat deze daarover heeft gerapporteerd aan [geïntimeerde 1] .

6.9.3

Voorts stelt [appellant] dat [C] aan hem heeft meegedeeld dat de inboedel bestond uit aanzienlijke hoeveelheid schilderijen en boeken en dat van wat hij destijds aantrof niets is terug te vinden in taxatierapport van [B] . [geïntimeerden] hebben gesteld dat [geïntimeerde 2] roerende zaken - ter voorkoming van diefstal - heeft weggenomen uit de flat van moeder na haar overlijden. Nu de taxateur [C] heeft gerapporteerd aan [geïntimeerde 1] verzoekt [appellant] haar alsnog dat taxatierapport te overleggen.

6.9.4

[geïntimeerden] hebben weersproken dat tussen [datum] 2012 en 12 december 2012 zaken uit de woning van moeder zijn verdwenen. Zij betwisten evenzeer dat na [datum] 2012 maar vóór 12 december 2012 [C] een taxatie heeft doen uitvoeren.

6.9.5

Nu [appellant] uitdrukkelijk bewijs door het horen van getuigen heeft aangeboden van zijn stellingen genoemd onder 6.9.2 en 6.9.3 overweegt het hof het volgende. De feiten die [appellant] aanbiedt te bewijzen kunnen toe of afdoen aan het door het hof te geven oordeel aangaande dit deel van de vordering. Daarnaast is het aanbod voldoende concreet en gespecificeerd en is de genoemde [C] niet eerder in deze procedure als getuige gehoord. Om reden van het vorenstaande draagt het hof [appellant] bewijs op van zijn stellingen:
- dat [C] in de periode tussen [datum] 2012 en 12 december 2012 in opdracht van [geïntimeerde 1] een taxatie heeft uitgevoerd in de woning van wijlen de moeder van partijen en
- dat [C] daarbij meer en andere zaken heeft aangetroffen dan die welke vermeld zijn in het taxatierapport van [B] , en zo ja, welke dat zijn.

6.9.6

Indien uit het te leveren bewijs mocht blijken dat [C] in opdracht van [geïntimeerde 1] heeft getaxeerd en aan haar heeft gerapporteerd dan beveelt het hof reeds thans [geïntimeerden] om bij akte voorafgaand aan de memorie na enquête het rapport van [C] in het geding te brengen.

6.9.7

Bij dit alles geeft het hof partijen in overweging dat volgens de thans bekende gegevens van de waarde van de inboedel, uitgaande van het door boedelnotaris genoemde bedrag van € 2.500,-, slechts één achtste deel toekomt aan [appellant] . Daarmee is zeer wel denkbaar dat de kosten verbonden aan een enquête en de vervolgens te nemen processtappen het daarmee te genereren voordeel meer dan te niet doen.

6.10

Het hof zal voor het overige alle beslissingen aanhouden.

7 Beslissing

het gerechtshof, rechtdoende in hoger beroep:

draagt [appellant] op te bewijzen:
- dat [C] in de periode tussen [datum] 2012 en 12 december 2012 in opdracht van [geïntimeerde 1] een taxatie heeft uitgevoerd in de woning van wijlen de moeder van partijen en
- dat [C] daarbij meer en andere zaken heeft aangetroffen dan die welke vermeld zijn in het taxatierapport van [B] en zo ja, welke dat zijn.

bepaalt voor zover [appellant] dat bewijs wenst te leveren door middel van getuigen dat het verhoor zal plaatsvinden in het Paleis van Justitie, Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden, op een nog nader te bepalen dag en uur voor mr. G. van Rijssen, hiertoe benoemd tot raadsheer‑commissaris;

verwijst de zaak naar de rolzitting van 18 april 2017 voor opgave van verhinderdata van partijen zelf, hun raadslieden en de getuige(n), voor de periode van drie maanden na bovengenoemde rolzitting, waarna de raadsheer-commissaris dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

verstaat dat de advocaat van [appellant] uiterlijk twee weken voor het getuigenverhoor zal plaatsvinden een kopie van het volledige procesdossier ter griffie van het hof doet bezorgen, bij gebreke waarvan de advocaat van [geïntimeerden] alsnog de gelegenheid hebben uiterlijk één week voor de vastgestelde datum een kopie van de processtukken over te leggen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. G. van Rijssen, mr. J. Smit en mr. W.J. Overtoom en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 21 maart 2017.