Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:3228

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
14-04-2017
Datum publicatie
10-05-2017
Zaaknummer
WAHV 200.167.655
Rechtsgebieden
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending motiveringsplicht in de beslissing van de officier van justitie. Bevoegdheid tot oplegging van beschikking door BOA domein generieke opsporing bij trajectcontrole. Bij de stukken bevindt zich geen schouwrapport van de bebording en dat rapport hoefde in dit geval niet aan het dossier te worden toegevoegd.

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht
Algemene wet bestuursrecht 7:26
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2017/34
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.167.655

14 april 2017

CJIB 172478735

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden

zittingsplaats Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland

van 26 februari 2015

betreffende

[betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [woonplaats] ,

voor wie als gemachtigde optreedt [gemachtigde] ,
kantoorhoudende te [plaats] .

Het tussenarrest

Bij tussenarrest van 19 januari 2017 heeft het hof bepaald dat de onderhavige zaak wordt behandeld op een zitting van het hof. De inhoud van dat arrest wordt als ingelast beschouwd.

Het verdere procesverloop

Op 12 maart 2017 is nog een brief van de gemachtigde van de betrokkene ontvangen.

De zaak is behandeld ter zitting van 31 maart 2017. Namens de betrokkene is niemand verschenen, hetgeen op voorhand reeds was aangekondigd. Als gemachtigde van de advocaat-generaal is verschenen mr. P. Belopavlovic.

Beoordeling

1. Op grond van de inhoud van het tussenarrest, waarin is overwogen dat de gemachtigde van de betrokkene niet behoorlijk is opgeroepen voor de zitting van de kantonrechter, zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen. De overige bezwaren tegen de beslissing van de kantonrechter behoeven derhalve geen bespreking meer. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie beoordelen.

2. De gemachtigde heeft in zijn beroepschrift tegen deze beslissing aangevoerd dat de officier van justitie niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de aangevoerde gronden geen doel treffen.

3. In artikel 7:26, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat de beslissing op het beroep dient te berusten op een deugdelijke motivering, die bij de bekendmaking van de beslissing wordt vermeld. Dit brengt echter niet mee dat in het geval niet uitgebreid en expliciet op alle door een betrokkene aangedragen argumenten wordt ingegaan door de officier van justitie, sprake is van schending van het motiveringsbeginsel. Bij een beoordeling of sprake is van een dergelijke schending, dient te worden gekeken naar de omstandigheden van het betreffende geval.

4. Aan de betrokkene is als kentekenhouder bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 94,- opgelegd ter zake van “Overschrijding maximum snelheid op autosnelwegen, met 13 km/h (verkeersbord A1)”, welke gedraging zou zijn verricht op 19 mei 2013 om 01:28 uur op de A2 rechts (trajectcontrole) te Vinkeveen met het voertuig met het kenteken [kenteken] .

5. De gemachtigde heeft in administratief beroep als eerste grond tegen deze beschikking aangevoerd dat de sanctie niet is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar. De betrokken verbalisant is blijkens het zaakoverzicht en de door de gemachtigde overgelegde akte aangesteld als buitengewoon opsporingsambtenaar binnen het domein Generieke Opsporing van de Circulaire BOA. Zijn opsporingsbevoegdheid ziet niet op de onderhavige gedraging. Als tweede grond heeft de gemachtigde in administratief beroep aangevoerd dat de onderhavige snelheidsmeting ongeldig is, omdat niet is voldaan aan de eis die de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers stelt aan een lusdetector, namelijk dat sprake moet zijn van ten minste drie achtereenvolgende voertuigposities. In het onderhavige geval zijn slechts twee posities van het betrokken voertuig genomen. Als derde grond heeft de gemachtigde in administratief beroep aangevoerd dat op de onderhavige locatie geen snelheidsmeting is toegestaan op grond van de Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers, omdat de infrastructuur van de betreffende weg, een zesbaans autosnelweg, zich niet met de voor die weg geldende snelheidslimiet van 100 km/h verenigt.

6. De beslissing van de officier van justitie is als volgt gemotiveerd:

"U hebt beroep ingesteld tegen de opgelegde sanctie. U stelt dat door de inrichting van de weg de indruk wordt gewekt dat er harder mag worden gereden dan blijkt volgens de bebording of aldaar geldende verkeersregels.

De officier van justitie overweegt dat de verkeersborden en verkeerstekens doorslaggevend zijn voor de bepaling van de maximumsnelheid op een bepaalde weg en niet de indruk van de weggebruiker. U had daarom op de hoogte kunnen zijn van de aldaar geldende maximumsnelheid.

Hetgeen u verder aanvoert geeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de ambtsedige verklaring van de verbalisant. Aan de wettelijke vereisten is voldaan, onder meer dat de apparatuur is geijkt. Daarmee staat voor de officier van justitie vast dat met het voertuig te snel is gereden. Evenmin is gebleken van andere (persoonlijke) omstandigheden op grond waarvan de sanctie zou moeten worden gematigd of vernietigd.

Gelet op het voorgaande acht de officier van justitie het beroep kennelijk ongegrond. Om die reden wordt voorbij gegaan aan een eventueel verzoek te worden gehoord.

Voor het verkrijgen van nadere informatie (bijv. foto) wordt verwezen naar de achterzijde van de reeds door u ontvangen beschikking."

7. In het licht van hetgeen de gemachtigde in zijn gronden van beroep tegen de inleidende beschikking heeft aangevoerd is het hof van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie in het onderhavige geval niet deugdelijk is gemotiveerd. Uit de motivering van de beslissing van de officier van justitie blijkt namelijk niet dat alle door de gemachtigde aangedragen gronden in de beslissing zijn betrokken. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie niet in stand kan blijven. Het hof zal die beslissing dan ook vernietigen. Vervolgens zal het hof het beroep tegen de inleidende beschikking beoordelen.

8. In hoger beroep heeft de gemachtigde aangegeven dat hij de tweede en derde grond van zijn administratief beroep laat vallen. Deze gronden behoeven derhalve geen bespreking meer. Voorts heeft de gemachtigde in hoger beroep ter nadere onderbouwing van zijn eerste grond een document overgelegd, waaruit blijkt dat de onderhavige BOA "Medewerker gegevensverwerking" was. Het opsporen van snelheidsovertredingen valt volgens de gemachtigde niet onder deze functie. Ten slotte heeft de gemachtigde in hoger beroep aangevoerd dat uit het dossier niet blijkt dat voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd.

9. In WAHV-zaken biedt de ambtsedige verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

10. Naast de in de inleidende beschikking vermelde gegevens, houdt de ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in het zaakoverzicht van het CJIB onder meer het volgende in:

“(…) De werkelijke snelheid stelde ik vast met behulp van een voor de meting geteste, geijkte en op de voorgeschreven wijze gebruikte trajectsnelheidsmeter op basis van de factoren tijd en afstand.

Gemeten (afgelezen) gemiddelde snelheid : 117 km per uur

Werkelijke (gecorrigeerde) gemiddelde snelheid : 113 km per uur

Toegestane snelheid : 100 km per uur

Overschrijding met : 13 km per uur

De werkelijke snelheid is het resultaat van een, overeenkomstig de geldende Aanwijzing snelheidsoverschrijdingen en snelheidsbegrenzers van het college van Procureurs-generaal, uitgevoerde correctie op de met het meetmiddel (afgelezen) snelheid. (…)

De geconstateerde gemiddelde snelheid was het resultaat van een berekening die plaatsvond op basis van de tijdsduur en de afgelegde wegafstand van het controletraject. (…)

Rijrichting van: Amsterdam

Rijrichting naar: Utrecht

Ter hoogte van hectometerpaal/pandnummer: 42.7R (…)

Naam van ambtenaar 1 : [verbalisant]

Eed/belofte ambtenaar 1 : eed

Rangomschrijving ambtenaar 1 : BOA domein generieke opsporing

Nummer akte van beëdiging : [nummer] (…)”

11. Voorts bevinden zich in het dossier twee foto's van de gedraging. Op deze foto's is een personenauto te zien met kenteken [kenteken] . De gegevens die in de databalk onder de foto's zijn vermeld, stemmen overeen met de in de ambtsedige verklaring van de verbalisant vermelde gedragingsgegevens.

12. Met betrekking tot het verweer dat de betrokken verbalisant niet bevoegd was om de onderhavige sanctie op te leggen, overweegt het hof het volgende.

13. Artikel 3 van de WAHV houdt - voor zover van belang - het volgende in:

"1. Met het toezicht op de naleving van de in artikel 2, eerste lid, bedoelde voorschriften zijn belast de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen ambtenaren.

2. De in het eerste lid bedoelde ambtenaren zijn bevoegd tot het opleggen van een administratieve sanctie ter zake van de door hen of op geautomatiseerde wijze vastgestelde gedragingen aan personen die de leeftijd van twaalf jaren hebben bereikt. (…)"

14. De in artikel 3, eerste lid, van de WAHV genoemde algemene maatregel van bestuur betreft het Besluit administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (hierna: BAHV). Artikel 2, tweede lid onder a, van het BAHV luidt als volgt:

"Met het toezicht op de naleving, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de wet zijn mede belast:

de buitengewoon opsporingsambtenaren, bedoeld in artikel 142, eerste lid, onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering, voor zover deze ambtenaren krachtens de akte of aanwijzing, de bevoegdheid hebben tot het opsporen van alle strafbare feiten, dan wel tot het opsporen van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994, de Provinciewet of de Gemeentewet strafbaar gestelde feiten."

15. Het hof overweegt dat de opsporingsbevoegdheid van de verbalisant in de onderhavige zaak berust op artikel 3 van de WAHV in combinatie met het hiervoor aangehaalde artikel. Artikel 2, tweede lid onder a, van het BAHV verwijst vervolgens naar de akte of aanwijzing. Uit het zaakoverzicht en de door de gemachtigde overgelegde akte van beëdiging d.d. 5 maart 2013 blijkt dat de betrokken verbalisant ten tijde van de gedraging beschikte over een opsporingsbevoegdheid ter zake van feiten zoals genoemd in het domein generieke opsporing van de Circulaire BOA.

16. Met betrekking tot het domein generieke opsporing vermeldt bijlage A-I van de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar (kenmerk 5679441/10) - voor zover van belang - het volgende:

"De boa generieke opsporing is bevoegd om te handhaven op de volgende artikelen en wetten voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de functie en de daaraan gekoppelde taakomschrijving, tenzij de wet zich daartegen verzet.

1. Alle strafbare feiten voor zover noodzakelijk voor een goede uitoefening van de betreffende functie en het daaraan gekoppelde takenpakket (…)."

17. Nu gebleken is dat de betrokken verbalisant ten tijde van de gedraging bevoegd was tot het opsporen van alle strafbare feiten, zoals ook omschreven in artikel 2, tweede lid onder a, van de BAHV, is het hof van oordeel dat in de onderhavige zaak niet gesproken kan worden van een onbevoegd opgelegde sanctie. De omstandigheid dat de betrokken verbalisant blijkens het door de gemachtigde in hoger beroep overgelegde document met ingang van 1 oktober 2012 de functie "Medewerker gegevensverwerking" vervulde, maakt dit niet anders. De gemachtigde heeft zijn stelling dat het opleggen van administratieve sancties niet noodzakelijk is voor de uitoefening van deze functie niet nader onderbouwd. Het verweer van de gemachtigde dat de sanctie niet is opgelegd door een daartoe bevoegde ambtenaar wordt dan ook verworpen.

18. Met betrekking tot het verweer dat uit het dossier niet blijkt dat voor aanvang van de controle de bebording is gecontroleerd, overweegt het hof het volgende.

19. Indien een betrokkene de plaatsing van de juiste bebording betwist en de aanwezigheid van die bebording is cruciaal om de gedraging vast te kunnen stellen, ligt het op de weg van het openbaar ministerie om een proces-verbaal of schouwrapport te overleggen waaruit blijkt dat kort voor de vermeende gedraging een controle of schouw van de bebording ter plaatse heeft plaatsgevonden. In de onderhavige zaak is de plaatsing van de juiste bebording echter niet betwist. Gelet daarop bestond er geen aanleiding voor het overleggen van nadere informatie op dat punt. Het hof ziet in de enkele omstandigheid dat zich in het dossier geen schouwrapport bevindt geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant dat de maximum snelheid ter plaatse 100 km per uur bedroeg. Nu ook overigens uit het dossier niet blijkt van feiten en omstandigheden die aanleiding geven te twijfelen aan de verklaring van de verbalisant, is naar de overtuiging van het hof komen vast te staan dat de gedraging is verricht. Het beroep tegen de inleidende beschikking dient derhalve ongegrond te worden verklaard.

20. Namens de betrokkene is verzocht om vergoeding van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Naar het oordeel van het hof komen de gevraagde kosten voor vergoeding in aanmerking. De vergoeding van kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand is in het Besluit proceskosten bestuursrecht forfaitair bepaald per proceshandeling. De gemachtigde van de betrokkene heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een hoger beroepschrift en het indienen van een beroepschrift bij de kantonrechter. Aan het indienen van een beroepschrift dient één punt te worden toegekend. De waarde per punt bedraagt € 490,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Aldus zal het hof de advocaat-generaal veroordelen in de kosten tot een bedrag van € 490,- (=2 x € 490,- x 0,5).

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van officier van justitie d.d. 4 september 2013 gegrond en vernietigt die beslissing;

verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 490,- te betalen op bankrekeningnummer [rekeningnummer] ten name van [gemachtigde] te [plaats] .

Dit arrest is gewezen door mr. Sekeris, in tegenwoordigheid van mr. Starreveld als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.