Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2017:319

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-01-2017
Datum publicatie
19-01-2017
Zaaknummer
200.159.141/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Is meerwerk overeengekomen? Tussenarrest: bewijslastverdeling, bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.159.141/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/338386/ HL ZA 13-50)

arrest van 17 januari 2017

in de zaak van

Van Halteren Machinebouw BV,

gevestigd te [A] ,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Van Halteren,

advocaat: mr. J. van Andel, kantoorhoudend te Driebergen-Rijsenburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [B] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S. Bharatsingh, kantoorhoudend te 's-Gravenhage.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 12 april 2016 hier over.

1.2

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 8 december 2016 een meervoudige comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.3

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd op het comparitiedossier.

2 De feiten

2.1

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 8 januari 2014 een aantal feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling is niet is gegriefd en ook overigens is niet van bezwaren daartegen gebleken. Daarom zal ook het hof van die feiten uitgaan. Aangevuld met hetgeen in dit hoger beroep verder als onweersproken vast staat gaat het om het volgende.

2.2

Van Halteren heeft in 2009 ten behoeve van de slagerij van [geïntimeerde] materiaal geleverd en werkzaamheden verricht, te weten een koelcel, twee wanden met deur, een tafel voor een hamburgermachine en raambeveiliging.

2.3

[geïntimeerde] heeft in de periode van 3 oktober 2010 tot en met 21 april 2012 in totaal

€ 5.000,00 aan Van Halteren betaald.

2.4

[geïntimeerde] is sedert medio 2012 niet langer bij de slagerij betrokken.

2.5

Van Halteren heeft [geïntimeerde] bij brief van 23 januari 2013 aangemaand € 25.244,38 te

betalen. [geïntimeerde] heeft destijds geen gevolg gegeven aan die sommatie.

2.6

Van Halteren heeft vervolgens beslag gelegd ten laste van [geïntimeerde] .

2.7

[geïntimeerde] heeft ter uitvoering van het eindvonnis van de rechtbank op 16 oktober 2014 een bedrag van € 14.815,70 aan Van Halteren voldaan.

3 Het geding in eerste aanleg en de beslissing van de rechtbank

3.1

Van Halteren heeft [geïntimeerde] gedagvaard en heeft – na wijziging van eis – gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 25.699,02 te vermeerderen met wettelijke handelsrente vanaf 31 oktober 2013, alsmede te vermeerderen met de kosten van de procedure die van het beslag daaronder begrepen.

3.2

Van Halteren heeft ter onderbouwing van haar vordering aangevoerd dat partijen een prijs van € 15.000,- exclusief btw zijn overeengekomen voor het aanbrengen van de koelcel een één scheidingswand. Vervolgens heeft [geïntimeerde] echter opdracht gegeven voor meerwerk, ten bedrage van € 4.500,- excl. btw.

3.3

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4

De rechtbank heeft Van Halteren bij vonnis van 8 januari 2014 in de gelegenheid gesteld te bewijzen
a) dat zij met [geïntimeerde] is overeengekomen werkzaamheden uit te voeren en materiaal te leveren tegen betaling van meer dan € 15.000,00, te weten € 15.000,00 plus € 4.500,00 (meerwerk) plus btw en voorts

b) dat zij als meerwerk (ook) extra wanden en een extra deur heeft geplaatst.

3.5

Bij vonnis van 8 oktober 2014 heeft de rechtbank geoordeeld dat Van Halteren niet is geslaagd in het bewijs van haar stelling dat [geïntimeerde] naast de contant te betalen € 15.000,- ook nog btw zou betalen en evenmin in het bewijs van haar stelling dat het aanbrengen van een scheidingswand met deur meerwerk was.
Ter zake van het meerwerk bestaande uit de raambeveiliging en de tafel voor de hamburgermachine heeft de rechtbank, overeenkomstig de op dat punt niet betwiste berekening van Van Halteren, een bedrag van € 2.098,64 inclusief btw toegewezen
(€ 1.756,- + 19% btw).

4 Wijziging van eis

4.1

Van Halteren heeft haar vordering bij dagvaarding in hoger beroep vermeerderd aldus dat zij vordert [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 30.584,14, althans
€ 30.554,14, althans € 25.699,02, ter vermeerderen met de wettelijke handelsrente over genoemde bedragen vanaf 31 oktober 2013 en [geïntimeerde] te veroordelen in de kosten van het geding in beide instanties.
Het hof begrijpt dat het verschil tussen genoemde bedragen wordt gevormd door het bedrag van de proceskosten in eerste aanleg, die van het beslag daaronder begrepen, en door het bedrag van de buitengerechtelijke incassokosten, een en ander als gespecificeerd in de akte (houdende eiswijziging) van 13 november 2013 in eerste aanleg.

4.2

Vervolgens heeft Van Halteren haar vordering bij memorie van grieven verminderd in die zin dat zij het hof heeft verzocht rekening te houden met de betaling van € 14.815,70 die [geïntimeerde] op 16 oktober 2014 heeft gedaan.

4.3

[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van Van Halteren. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van Van Halteren zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

5 Beoordeling van de grieven

5.1

Van Halteren heeft zes grieven tegen het vonnis opgeworpen.

5.2

De grieven I en II zijn gericht tegen de bewijslastverdeling en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking. Van Halteren stelt zich op het standpunt dat het verweer van [geïntimeerde] als een bevrijdend verweer moet worden aangemerkt en dat de rechtbank niet haar maar [geïntimeerde] met het bewijs had moeten belasten.

5.3

Het hof overweegt als volgt. Van Halteren heeft aan haar vordering in de eerste plaats de stelling ten grondslag gelegd dat partijen voor de oorspronkelijke opdracht een prijs van
€ 15.000,- plus btw zijn overeengekomen.
[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd door te betogen dat partijen zijn overeengekomen dat hij Van Halteren ‘zwart’ zou betalen door haar een bedrag van € 15.000,- in contanten te voldoen, in maandelijkse termijnen van € 1.000,-.
Dit verweer is geen bevrijdend verweer, maar een zogenoemd grondslagverweer. Het is immers is gericht tegen de grondslag van de vordering van Van Halteren, namelijk tegen haar stelling dat partijen voor de oorspronkelijke opdracht een prijs van € 15.000,- plus btw, derhalve € 17.850,- zijn overeengekomen.

5.4

In de tweede plaats heeft Van Halteren aan haar vordering de stelling ten grondslag gelegd dat zij in opdracht van [geïntimeerde] voor een bedrag van € 4.500,- plus btw aan meerwerk heeft verricht, bestaande uit het aanbrengen van een extra scheidingswand met deur, een frame voor een gehaktmachine en raambeveiliging. [geïntimeerde] heeft erkend dat het bij de raambeveiliging en de tafel voor de hamburgerpers om meerwerk ging. Hij heeft niet betwist dat ter zake btw verschuldigd was. Het aanbrengen van de scheidingswand en deur behoorde volgens hem bij de oorspronkelijke opdracht.
betwistte derhalve dat de scheidingswand en deur meerwerk vormden. Ook dat is een verweer tegen de grondslag van de vordering van Van Halteren.

5.5

De rechtbank heeft Van Halteren dan ook terecht met het bewijs van deze stellingen belast. De grieven I en II falen.

5.6

Grief III is gericht tegen de bewijswaardering. Van Halteren voert aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Van Halteren niet is geslaagd in haar bewijsopdracht ten aanzien van de extra wand(en) en deur als meerwerk omdat de verklaring van haar directeur Van Halteren als partijgetuige onvoldoende zou worden ondersteund door andere bewijsmiddelen, aangezien de factuur, het handgeschreven overzicht en de verklaring van [C] niet aan het bewijs van het meerwerk zouden kunnen bijdragen.
Van Halteren is van mening dat de rechtbank heeft miskend dat de schriftelijke verklaring van [C] een akte is in de zin van artikel 156 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) die ingevolge artikel 157 lid 2 Rv dwingende bewijskracht heeft. Van Halteren biedt aan [C] opnieuw als getuige te doen horen, zodat het hof kan vaststellen dat hij niet door Van Halteren beïnvloed is. Verder biedt Van Halteren aan [D] , de zoon van haar directeur, als getuige te doen horen. Ook hij kan verklaren over het meerwerk. Van Halteren verwijst in dat verband naar een schriftelijke verklaring van [D] .

5.7

Het hof overweegt als volgt. Voor zover Van Halteren heeft betoogd dat de schriftelijke verklaring van [C] dwingende bewijskracht heeft ingevolge het bepaalde artikel 157 lid 2 Rv, faalt de grief. Artikel 157 lid 2 Rv ziet op het geval dat partijen verklaringen afleggen met het doel elkaar aangaande hun rechtsbetrekking bewijs te verschaffen, zoals bijvoorbeeld een schuldbekentenis. De dwingende bewijskracht heeft alleen betrekking op hetgeen de akte bestemd is ten behoeve van de wederpartij te bewijzen.
Genoemd artikel ziet derhalve niet op verklaringen van derden. Aan verklaringen van getuigen, of deze nu schriftelijk zijn afgelegd of onder ede, komt vrije bewijskracht toe.

5.8

Voor zover de grief klaagt over de overweging van de rechtbank dat het enkele feit dat getuige [C] met partij-getuige Van Halteren in de auto naar de rechtbank is gereden en met hem over de zaak heeft gesproken meebrengt dat zijn verklaring niet kan bijdragen aan het bewijs, is deze terecht voorgedragen. Zonder nadere motivering die ontbreekt, valt immers niet in te zien dat de verklaring van [C] , die zegt bij het plaatsen van de scheidingswand en deur en een daarover gevoerd gesprek betrokken te zijn geweest om die reden van generlei waarde zou zijn.

5.9

Van Halteren heeft nadrukkelijk aangeboden om (aanvullend) bewijs te leveren door [C] opnieuw als getuige te doen horen en ook eerdergenoemde [D] , de zoon van de directeur van Van Halteren als getuige voor te brengen, omdat ook hij over het meerwerk kan verklaren. Het hof zal Van Halteren in de gelegenheid stellen op het punt van het meerwerk nader bewijs te leveren door het horen van genoemde getuigen.
Het hof verstaat het aanvullende bewijsaanbod aldus dat het beperkt is tot hetgeen partijen ten aanzien van het meerwerk zijn overeengekomen. Van Halteren heeft immers niet gesteld dat de getuigen ook zouden kunnen verklaren over de prijs die partijen voor de oorspronkelijke opdracht zijn overeengekomen, terwijl [C] als getuige heeft verklaard dat hij niets weet over de betaling van de klus zelf, dat wil zeggen het werk zonder het meerwerk, en de schriftelijke verklaring van [D] ook is beperkt tot de kwestie van het meerwerk.

In afwachting van de getuigenverhoren houdt het hof de verdere beoordeling van
grief III aan.

5.10

Grief IV is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat partijen uiterste data van (termijn)betalingen zijn overeengekomen en tegen het oordeel dat de wettelijke handelsrente verschuldigd is met ingang van 24 januari 2013. Van Halteren betoogt dat zij met [geïntimeerde] is overeengekomen dat hij € 1.000,- per maand zou betalen en dat nadien, omdat [geïntimeerde] zich niet aan die afspraak hield, is afgesproken dat hij € 500,- per maand zou betalen. Ook die afspraak is [geïntimeerde] niet nagekomen en derhalve geldt tussen partijen geen afspraak over uiterste termijnbetalingen, aldus Van Halteren. Van Halteren is van oordeel dat de wettelijke handelsrente ingevolge artikel 6:119a lid 2 sub c verschuldigd is geworden met ingang van
1 december 2009, dertig dagen nadat de prestatie door [geïntimeerde] is ontvangen.

5.11

[geïntimeerde] is van mening dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat in de gemaakte betalingsafspraken een uiterste datum voor betaling van deze termijnen van € 1.000,- en
€ 500,- besloten ligt. Los daarvan berust de stelling van Van Halteren dat [geïntimeerde] al vanaf
1 december 2009 rente verschuldigd is op een lezing van artikel 6:119a BW die niet met een redelijke uitleg van de wetsbepaling te verenigen is. Van Halteren stelt zelf dat zij [geïntimeerde] op 28 december 2009 een factuur heeft toegezonden, hetgeen [geïntimeerde] betwist. Door aanspraak te maken op wettelijke handelsrente over een periode gelegen voor verzending van die factuur, handelt Van Halteren in strijd met de jegens [geïntimeerde] in acht te nemen redelijkheid.

5.12

Het hof overweegt dienaangaande als volgt. Artikel 6:119a BW luidt – voor zover hier van belang – als volgt:
‘1. De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in het geval van een handelsovereenkomst in de wettelijke rente van die som met ingang van de dag volgend op de dag die is overeengekomen als de uiterste dag van betaling tot en met de dag waarop de schuldenaar de geldsom heeft voldaan. (…)

2. Indien geen uiterste dag van betaling is overeengekomen, is de wettelijke rente van rechtswege verschuldigd:

a. vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de factuur heeft ontvangen, of

b. indien de datum van ontvangst van de factuur niet vaststaat, of indien de schuldenaar de factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft ontvangen, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de prestatie is ontvangen, of

c. indien de schuldenaar een termijn heeft bedongen waarbinnen hij de ontvangen prestatie kan aanvaarden dan wel

kan beoordelen of deze aan de overeenkomst beantwoordt, en indien hij de factuur ontvangt voordat hij de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de schuldenaar de prestatie heeft aanvaard of beoordeeld, dan wel, indien hij zich niet over goedkeuring of aanvaarding uitspreekt, vanaf 30 dagen na de aanvang van de dag volgende op die waarop de termijn verstrijkt.(…)’

5.13

Tussen partijen is niet in geschil dat zij zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] het bedrag van
€ 15.000,- niet ineens behoefde te voldoen, maar mocht betalen in termijnen van € 1.000,-. [geïntimeerde] heeft steeds gesteld – en ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep herhaald – dat hij pas een jaar na gereedkoming van het werk met die termijnbetalingen hoefde te beginnen. Van Halteren heeft dat aanvankelijk betwist, maar ter gelegenheid van de comparitie van partijen in hoger beroep heeft [D] over de wijze van betalen verklaard:
‘ [geïntimeerde] vertelde mij dat een familielid van hem terminale kanker had. Dit was een moeilijke periode, we hebben toen afgesproken dat hij de factuur in termijnen zou gaan betalen, een afbetaling van
€ 1.000,00 per maand.’

Op de vraag of het klopte dat hij had gezegd dat [geïntimeerde] later mocht beginnen met afbetaling, heeft [D] vervolgens geantwoord:
‘Dat was op dat moment gemakkelijker.’

Het hof is van oordeel dat daarmee genoegzaam is komen vast te staan dat partijen aanvankelijk zijn overeengekomen dat [geïntimeerde] een jaar na uitvoering van de werkzaamheden zou beginnen met de maandelijkse betalingen van € 1.000,-.
Tussen partijen staat verder vast dat [geïntimeerde] op 3 oktober 2010, een jaar na uitvoering van de werkzaamheden, een eerste betaling van € 1000,- heeft gedaan, maar met verdere betalingen in gebreke bleef, waarna partijen een aangepaste regeling zijn overeengekomen van € 500,- per maand. Ter uitvoering van deze aangepaste regeling heeft [geïntimeerde] , zo heeft Van Halteren onweersproken gesteld, de volgende betalingen gedaan: op 4 maart 2011 en op 15 april 2011 een bedrag van € 500,- , op 5 november 2011 een bedrag van € 1.500,- en op 21 januari 2012, 10 maart 2012 en 21 april 2012 telkens een bedrag van € 500,-. Verdere betalingen zijn destijds uitgebleven.

5.14

Door een betalingsregeling te treffen, zijn partijen naar het oordeel van het hof een uiterste dag van betaling overeengekomen. De aangepaste regeling die in maart 2011 is getroffen, kwam er – nu gesteld noch gebleken is dat partijen zijn overeengekomen dat er in het kader van de afbetalingsregeling ook rente moest worden betaald – immers op neer dat het op dat moment nog openstaande bedrag van € 14.000,- in 28 maandelijkse termijnen van € 500,- diende te worden voldaan, zodat de laatste termijn in de maand juni 2013 moest zijn voldaan en 30 juni 2013 derhalve als uiterste datum van betaling gold. Dit betekent dat het bepaalde in lid 2 van artikel 6:119a BW waarop Van Halteren zich beroept, niet van toepassing is.

5.15

Het hof verwerpt de stelling van Van Halteren dat er tussen partijen geen afspraak gold omdat [geïntimeerde] zich niet aan de regeling heeft gehouden. Niet gesteld of gebleken is immers dat partijen zijn overeengekomen dat de regeling zou komen te vervallen en het restantbedrag zonder ingebrekestelling ineens opeisbaar zou worden zodra [geïntimeerde] met de nakoming daarvan in gebreke zou blijven. Van Halteren is, nadat [geïntimeerde] met de nakoming van de regeling in gebreke bleef, eerst bij brief van haar raadsman van 23 januari 2013 overgegaan tot opeising van het nog openstaande bedrag.

5.16

Het hof komt, op grond van hetgeen hiervoor in de rechtsoverwegingen 5.13 tot en met 5.16 is overwogen en gelet op het feit dat [geïntimeerde] bij conclusie van antwoord in eerste aanleg heeft erkend de wettelijke handelsrente met ingang van 24 januari 2013 verschuldigd te zijn, tot oordeel dat de rechtbank de wettelijke handelsrente terecht heeft toegewezen met ingang van laatstgenoemde datum.

5.17

Grief IV faalt.

5.18

In afwachting van de bewijslevering (r.o. 5.9) houdt het hof iedere verdere beslissing aan.
De beslissing
Het gerechtshof:
stelt Van Halteren in de gelegenheid (nader) bewijs bij te brengen van haar stelling dat zij bij wijze van meerwerk ook (een) extra wand(en) en een deur heeft geplaatst;

bepaalt dat, indien Van Halteren dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. M.M.A. Wind, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan het Wilhelminaplein 1 te Leeuwarden en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen ( [geïntimeerde] in persoon en Van Halteren vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte en tot het beantwoorden van vragen in staat is) bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat Van Halteren het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal/zullen opgeven op de roldatum dinsdag 31 januari 2017 waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat Van Halteren overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mr. M.M.A. Wind, mr. I. Tubben en mr. J. Smit en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 januari 2017.